ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

LODEWIJK. Maar wy moeten van den waard,

Daar wy logeeren, nu vertrekken naar een ander.

JAN. Dan is het noodig dat ik ook mijn kleed

verander.

Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.

Na den afloop van het feest op den Vogelesang was de Gravin met het

grootste gedeelte van den hofstoet naar Haarlem gekeerd, ten einde

van daar met het aanbreken van den volgenden dag naar 's-Hage op te

breken. De Graaf, het noodzakelijk oordeelende, zijn vazallen bijeen

te roepen en de goede gezindheid der steden te polsen betreffende een

oorlog met het Sticht, had bepaald, dat het gansche hof zich weder naar

de hofplaats begeven zou. Hij zelf was echter met Beaumont, Naaldwijk,

Teylingen en Walcourt op het jachthuis gebleven en had er den avond

in gewichtige beraadslagingen doorgebracht, het oogmerk hebbende, om

den dag daar aan, na alles verricht te hebben, wat nog te doen stond,

zich naar 's-Hage te begeven.

Hiertoe behoorde in de eerste plaats het antwoord, dat hij nog aan

de Friesche afgevaardigden schuldig was. Hij was moede van de rol,

die hij ten hunnen opzichte gespeeld, en van de verkeerde uitwerking,

die zijn stelsel van welwillendheid had teweeggebracht: hij achtte

zijn waardigheid gekrenkt en had daarom den raad zijner gunstelingen

in den wind geslagen, die hem vergeefs voorstelden, dat het, nu men

een oorlog met Utrecht in den zin had, van dubbel belang was geworden

de Friezen te winnen en zich geen twee vijanden voor eenen op den hals

te halen. Deze raadgeving deed bij Willem een juist tegenovergestelde

uitwerking dan men bedoelde; want hij behoorde tot die menschen,

die somtijds uit vrijen wil, maar nooit door dwang of uit nood

inschikkelijk zijn: en het was ten gevolge van zijn in dezen genomen

besluit, dat hij 's morgens bij zijn ontwaken dadelijk last gaf,

de Friesche Heeren te ontbieden.

Nauwelijks was de dienaar, aan wien hij dit bevel gegeven had,

vertrokken, toen de Heer van Teylingen met een vervaard gelaat

kwam binnengetreden en hem meldde, dat Reinout ontsnapt was uit de

gevangenis, waar men hem in gezet had.

"Onmogelijk!" riep de Graaf uit: "of hebben die ezels de grendels

niet gesloten?"

"Ik zelf heb het ook onmogelijk genoemd," zeide Teylingen: "want de

deur van het kamertje was zoowel voorzien, dat zij niet kon geopend

worden zonder de wachters te wekken: ook is daaraan niet geraakt;--en

uit het venster heeft hij niet kunnen wegkomen, tenzij hij vleugels

had als een vogel."

"Hij kan zich aan een touw of saamgeknoopte lappen hebben laten

afglijden."

"Men zou dan dat touw hebben gevonden; maar het meeste wat men ontdekt

heeft is een scherpe gleuf, die van het venster af tot op den grond

toe doorloopt, even of zij met de punt van een mes of dolk in den

muur ware gesneden. Hulp van buiten heeft hij niet gehad, want men

ziet geen andere voetstappen in het zand dan de zijne, die wat verder

op het gras weer verloren raken."

"Zonderling!--maar dewijl hij toch gevlucht is, mag ik lijden, dat

men hem niet terugvange; want hij heeft mij altijd trouw gediend en

het zou mij spijten, indien hij om een driftig oogenblik zijn leven

verbeuren moest.--Verzoek den Heer van Beaumont bij mij te komen."

Dit laatste bevel was gericht tot een page, die in het voorvertrek

wachtte en die eenige oogenblikken daarna terugkeerde met de boodschap

dat de Heer van Beaumont niet te vinden was.

"Hoe!" zeide Willem, met bevreemding: "is hij reeds zoo vroeg

uitgegaan? Hij weet, dat wij hem spreken moeten."

"Ik meen te weten," zeide de page, "dat hij hedenmorgen den gewonden

Ridder vroegtijdig bezocht heeft en kort daarna een renbode van Haarlem

gesproken, waarna hij terstond vertrokken is. Zelfs zijn schildknapen

zijn niet meer te vinden."

"Onbegrijpelijk! of is hij misschien den voortvluchtige

achterna?--Maar, zeg, hoe is het met den gekwetste?"

"De arts is zooeven bij hem geweest en geeft hoop."

"Misschien kent Deodaat de reden van dat overhaast vertrek. Wij willen

hem in persoon bezoeken en naar zijn toestand vernemen."

Met deze woorden rees de Graaf op en begaf zich met Teylingen naar

den gewonde, wien hij volkomen bij zijn kennis vond en verkwikt door

eenige uren sluimering. Na een kort onderhoud over zijn toestand vroeg

hem Graaf Willem, of hij ook de oorzaak kon gissen, waarom Beaumont

zoo overhaast vertrokken was.

Deodaat ontzette op deze vraag. "Goede Hemel!" zeide hij: "ik herinner

mij over den kamp te hebben gesproken, dien ik heden tegen den Fries

had moeten voeren: en te hebben gevraagd, wie in mijne plaats gekozen

was om Adeelen te bevechten."

"Die onbeschaamde Fries zal toch niet in het krijt zijn gekomen,"

zeide de Graaf: "wetende dat zijn weerpartij buiten staat was daar

te verschijnen."

"Licht mogelijk," merkte Teylingen aan: "en wanneer ik alles wel

overdenk, herinner ik mij, dat Paypaert gisteravond aan zijn Herauten

bevel heeft gegeven, met zonsopgang te Haarlem te zijn."

"Bij Sint-Japik!" riep de Graaf, opspringende: "en waarom heeft

niemand ons daarvan verwittigd? Zou waarlijk onze oom de dwaasheid

hebben gehad van naar Haarlem te gaan, om zijn post als Kamprechter

waar te nemen bij een gevecht, dat geen plaats kan hebben."

"Dit ware minder erg," zeide Teylingen, "dan dat die trotsche Fries

zonder tegenpartij in het krijt verscheen."

"Gij hebt gelijk, Teylingen! Spoedig, spoedig van hier. Dit moet

nader onderzocht worden."

Doch hij was nauwelijks in de groote hal gekomen, toen hij den dienaar

ontmoette, die de afgevaardigden was gaan ontbieden. Deze bevestigde

's Graven vermoeden door hem te berichten, dat een der knapen van den

Heer van Aylva hem had verhaald, hoe Seerp van Adeelen 's morgens in

volle wapenrusting naar Haarlem was gereden.

"Adeelen te Haarlem!" riep de Graaf, terwijl hij bij al de Heiligen

uit den almanak vloekte: "onze eer is verspeeld indien wij zijne

uitdaging onbeantwoord laten.--Een paard! wapens! en laten de

schildknapen opzitten."

"Uwe Genade!" riepen Naaldwijk en Teylingen als uit één mond: "laat mij

den Fries bevechten.--Ik ben Maarschalk van Holland:" riep de eerste:

"het komt mij toe, die eer te genieten."--"Ik ben een verwant van

het Hollandsche Huis," zeide de tweede.--Ik ben een Henegouwer,"

zeide Walcourt, mede toesnellende. De Graaf ging voort met zich te

wapenen, zonder eenig antwoord te geven.

"Het betaamt ons," zeide hij eindelijk, toen hij gereed en te paard

gestegen was: "het betaamt ons zelven, de beleedigingen te wreken,

die ons worden aangedaan. Voort! voort naar Haarlem! Ieder oogenblik

is kostbaar."

En vliegend reed hij voort, op een afstand door zijn Edelen

gevolgd. Onderweg kwam hij Aylva en den Abt tegen, die naar den

Vogelesang trokken. Zonder op te houden, schreeuwde hij hun toe:

"Gij waant ons ongestraft te kunnen tergen; maar wij zullen 't

u verleeren."

Aylva hield zijn paard op, bevreemd over dezen uitroep, welke hem

door Naaldwijk, die kort daarop volgde, verklaard werd.

"Helaas!" zeide de Olderman: "het is wel tegen onzen zin en buiten onze

voorkennis, dat Adeelen hedenmorgen naar Haarlem is vertrokken. Hadden

wij kunnen veronderstellen, dat hij die dwaasheid zoude hebben begaan,

wij hadden gepoogd hem daaraf te brengen. Intusschen, hoe kan de Graaf

den Abt en mij zulks ten kwade duiden, daar wij terstond iemand naar

den Vogelesang gezonden hebben, om den Grave bericht te geven van

het voorgevallene."

"Wij hebben niemand gezien," zeide Teylingen.

"Deze knaap heeft mij echter gezegd," zeide Aylva, op Feiko wijzende,

die hem volgde, "dat hij den Heer van Beaumont had gesproken."

"Zoo is 't," zeide Feiko, "en die Heer heeft mij twee groot gegeven,

met last, om terstond terug te keeren en met niemand meer te spreken."

"Dat zal het zijn," hervatte Teylingen: "nu is de zaak duidelijk:

spoedig voort! misschien is de edele Graaf reeds het slachtoffer van

zijn ijver."

En hunne rossen des te vuriger aansporende, reden zij voort, door

Aylva vergezeld. De Abt oordeelde het wel voorzichtiger, om, wat

hem betrof, huiswaarts te keeren en zich niet bij dien wilden hoop

te wagen; maar zijn merrie scheen niet van dat gevoelen en voerde

hem zijns ondanks mede. Te Haarlem eerst haalden zij den Graaf in,

die zich in de buitenstallen van een versch paard had voorzien om

niet met een vermoeid ros in het strijdperk te verschijnen: en zoo

kwamen zij gezamenlijk op het _Zand_.

"Oom! Oom! was dat wel van u gehandeld?" zeide Graaf Willem, van

't paard springende en den overwinnaar omhelzende.

"Stil! Stil!" zeide Beaumont: "wat ik deed heb ik voor de eer van

ons huis gedaan; maar niemand behoeft immers te weten, dat ik als

een jonge spring-in-'t-veld mijn grijzen kop tegen het haar- en

hersenlooze hoofd van dien Fries gewaagd heb!"

En met deze woorden steeg hij te paard, met oogmerk om zich aan de

oogen der menigte te onttrekken. Maar zijn naam, die eerst zachtjes

van mond tot mond was overgebracht, werd nu overluid met blij gejuich

door het volk herhaald.

"Hoezee voor Beaumont!" riepen allen: "Beaumont! Beaumont!"

"Oom!" zeide de Graaf, "zoo komt gij er niet af. Geheel Holland

mag en moet weten, wat wij aan u verschuldigd zijn. Vergun ons,

uw schildknaap te wezen."

Met deze woorden gespte hij den helm des ouden krijgsmans los: en

toen de toeschouwers het achtbaar gelaat zagen, waar aan de hitte

van het gevecht de kleur der jeugd hergeven had, en die lokken, in

't veld vergrijsd, steeg de jubeltoon al hooger en hooger.

"Komaan, dewijl het eenmaal zoo zijn moet," zeide Beaumont, het

krijt aan 's Graven zijde rondrijdende en overal met minzaamheid

groetende: "de beer moet wel rondgeleid worden, nu hij zijn kunsten

vertoond heeft. Alles wel beschouwd, zal het uwe schuld zijn, waarde

Neef! indien ik heden kou vat."

"Dat zal in der eeuwigheid niet gebeuren," zeide Willem, met zijn

mantel de kruin des grijzen helds bedekkende: "maar beken, Oom! dat,

zoo gij als goede bloedverwant gehandeld hebt, gij u tevens als

een oproerig onderdaan hebt gedragen, door een kamp te wagen zonder

onze toestemming."

"De tijd veroorloofde mij niet, die te vragen," antwoordde Beaumont:

"en al had ik tijd gehad, ik had nog gezwegen, uit vrees, dat u

zelven de lust mocht bekropen hebben, een lans te breken. Daarom heb

ik ook Aylva's dienaar, die mij de tijding brengen kwam, terstond

weer weggezonden, en in 't voorbijgaan een wapenrusting bij den

Jonker van Teylinger-Bosch [31] geleend, die, ofschoon hij ze zelf

niet meer gebruiken kan, altijd een kabinetje van wapenen uit al de

werelddeelen bewaart."

"Daar alles nu in zooverre voorspoedig afgeloopen is," zeide Graaf

Willem, "gelooven wij best te doen met hoe eer hoe beter naar 's-Hage

te vertrekken; maar eerst moet ik nog dien Friezen hun afscheid geven

en het hun doen heugen, dat zij mij beleedigd hebben."

Na dienaangaande zijne bevelen te hebben gegeven, reed Graaf Willem met

de zijnen onder de herhaalde kreten des volks het perk uit en begaf

zich naar het Sint-Jans-klooster, terwijl een zijner dienaren aan

Aylva en den Abt den last overbracht, hem aldaar te volgen en zich

daarna met dezelfde boodschap vervoegde bij Adeelen, die zich nog

altijd op de plaats bevond, waar hij door Beaumont was overwonnen

geweest. Somber in zich zelf teruggetrokken stond hij daar, de

armen over elkander geslagen en met een gelaat, waarop spijt over

zijn nederlaag, en tevens een hooghartige trots te lezen waren,

niet ongelijk aan dien, welken een scholier, die zich reeds man

gevoelt, aan den dag legt, wanneer hij door zijn meester getuchtigd

werd. Hij verwaardigde 's Graven bode met geen antwoord; maar, zijn

schildknaap roepende, ontdeed hij zich van zijn helm: en de muts,

waarmede hij dien verwisselde, diep in de oogen drukkende, ging hij

met zijn medeafgevaardigden naar het klooster.

Zij vonden er den Graaf in een klein spreekvertrek, slechts van weinige

getrouwen omgeven. Toen zij binnen waren getreden, wierp Willem hun

een norschen blik toe en sloeg terstond de oogen weder op den grond,

haastig sprekende en strak voor zich ziende, evenals iemand, die,

eens een besluit genomen hebbende, niets wil zien noch hooren, dat

hem in het uiten daarvan zoude kunnen verhinderen.

"Mijne Heeren van Friesland!" zeide hij, "de zaken van dit Graafschap

vereischen ons vertrek naar 's-Hage. Vooraf echter achten wij het

betamelijk, u ons laatste besluit mede te deelen. Wij kunnen in geen

voorwaarden of schikkingen komen met ongehoorzame onderdanen. Indien

gij ons terstond uit naam der Edelen en Steden van Friesland hulde

wilt doen als uwen wettigen Heer, zal het gebeurde vergeten en vergeven

zijn:--zoo niet, dan is uwe verdere tegenwoordigheid hier onnoodig, en

zult gij u niet later dan op den dag van morgen naar huis begeven en

uwen lastgevers bericht brengen, dat zij eerlang onze nadere bevelen

ontvangen zullen."

Dit gezegd hebbende, vestte hij op Aylva een doordringenden blik, om

de uitwerking zijner woorden te zien. Zonder van zijn stuk gebracht

te zijn, antwoordde de Olderman met waardigheid:

"Graaf! het vrije volk van Friesland zou uwe Genade met welgevallen

tot zijn beschermheer en bondgenoot aannemen: maar het ontvangt van

niemand bevelen dan van den Keizer, zijn wettigen Heer. Wij willen

uwe wenschen niettemin aan onze lastgevers overbrengen."

"Wat de erfdochter van Dekama betreft," vervolgde de Graaf, alsof

hij op de woorden van Aylva geen acht had geslagen, "wij zullen haar

in het Rijnsburger klooster een veilige verblijfplaats verschaffen,

tot wij een echtgenoot, harer waardig, gevonden hebben. Onze bevelen

zijn daaromtrent gegeven. Gij kunt zonder haar vertrekken."

"Graaf!" riep Aylva verontwaardigd uit: "gij zoudt....."

"Laat hem," zeide Adeelen, hem in de rede vallende: "zij is niet

beter waardig dan een pluimstrijkster des dwingelands te huwen."

"Wat u betreft, Seerp Van Adeelen!" zeide Willem: "wij hebben u

reeds meer vergund dan met onze waardigheid strookt: wij hebben

uwe onbeschaamde taal herhaalde reizen met geduld aangehoord en uwe

uitdaging aangenomen; maar na de gunst moet ook het recht zijn beurt

hebben. Wij hadden u als overwonnene buiten het krijt kunnen laten

werpen, uwe wapenen doen aan stukken slaan en u vervallen van uw adel

verklaren; maar wij vergenoegen ons, met uw sloten, landgoederen en

bezittingen verbeurd te verklaren, en u voor eeuwig uit onze Staten

te bannen. Dank het vrijgeleide, dat de wetten van het tornooispel u

schenken, zoo wij uwe oproerige handelingen niet met den dood straffen,

dien zij verdienden.

"Ik zal afwachten," zeide Adeelen, met meer bezadigdheid dan hem

gewoonlijk eigen was, en op een toon, die naar spotternij zweemde,

"wanneer uwe zendelingen van mijn erfgoed bezit komen nemen, ten

einde hen naar behooren te ontvangen."

Maar de Graaf had deze schampere taal niet meer gehoord: zich

zonder verdere groete omwendende, had hij met de zijnen het vertrek

verlaten. In 't heengaan echter kon Beaumont niet nalaten, de hand van

Aylva te drukken: "helaas!" fluisterde hij hem in: "wat ik gevreesd

heb is bewaarheid geworden: de breuk is onherstelbaar: en zoo wij

elkaar terugzien, zal het niet dan op het slagveld zijn."

"Hij dwingt ons daartoe," zeide Aylva: "welnu! het zal zijn, zooals

het den Hemel behaagt."

Zoodra de Graaf met de zijnen het klooster verlaten had, namen ook

de drie afgevaardigden de terugreize aan. De Abt toch was nog buiten

adem van zijn gedwongen rit naar Haarlem en niet in staat geweest

een woord uit te brengen: Adeelen was te zeer vervuld met denkbeelden

van spijt en wraak, om acht te geven op zijn ros en liet de teugels

achteloos hangen: Aylva huiverde op de gedachte eener ontmoeting

met Madzy en zat op middelen te peinzen om haar aan 's Graven dwang

te onttrekken. Intusschen had hij, indachtig aan Willems gezegde,

dat er de noodige bevelen waren gegeven om Madzy den terugtocht naar

Friesland te beletten, den getrouwen Feiko vooruitgezonden, met last

om alles tot een spoedig vertrek in gereedheid te brengen.

Men vond dan ook bij de aankomst alles in rep en roer. Adeelen,

verklarende, dat hij zich met het besluit ten opzichte van Madzy niet

verkoos te bemoeien, en dat het hem volkomen onverschillig was, of zij

naar Rijnsburg dan naar Friesland trok, begaf zich terstond naar zijn

vertrek: de Abt viel van vermoeidheid in den eersten stoel den besten

neder en vond zich onbekwaam en buiten staat om eenig advies te geven;

zoodat Aylva begreep vader Syard te laten roepen, ten einde met hem

over de zaak te raadplegen. Wat Madzy betrof, hij wilde haar niet

noodeloos verontrusten, alvorens men een stellig besluit genomen had.

Nadat de monnik de zwarigheid vernomen had, bleef hij een wijl in

ernstig gepeins staan en gaf toen te kennen, dat hij wel een middel

zoude kunnen voorstellen, waardoor Madzy op een vrij zekere wijze aan

des Graven gezag ontrukt werd; doch dat hij beducht was, dat Madzy

er niet in zoude toestemmen.

"Laat hooren!" zeide Aylva: "al ware uw middel onuitvoerbaar, het

kon ons misschien op den weg brengen om iets beters uit te denken."

"Welnu!" zeide de monnik: "volgens mijn voornemen zouden wij allen

ons dezen avond aan boord begeven en morgen met het aanbreken van den

dag het Sparen uitzeilen. De Jonkvrouw zou inmiddels, slechts door

eenen dienaar vergezeld, en beiden in een geschikte vermomming, om

geen argwaan te verwekken, zich van hier over Utrecht naar Harderwijk

begeven, alwaar wij haar met het vaartuig zouden wachten."

"Ziedaar juist wat ik ook zou aangeraden hebben," zeide de Abt,

al hijgende en blazende, "indien mij de vermoeidheid niet had belet

te spreken."

De Olderman overdacht een wijl het voorstel: "het middel is gewaagd,"

zeide hij eindelijk: "maar ik geloof, dat het slagen kan. Intusschen

moeten wij de gedachte der Jonkvrouw er over vernemen."

"En wel terstond," hernam vader Syard: "want zoo het aangenomen wordt,

dient het dadelijk ten uitvoer te worden gebracht."

Beiden begaven zich hierop bij Madzy, welke zij in dien droevigen

staat van neerslachtigheid vonden, waarin men volkomen bereid is,

zich als een kind te laten leiden en elken raad te volgen, niet omdat

hij ons verstandig toeschijnt, maar omdat ons alles even onverschillig

is. "Zoo mijn waarde voogd begrijpt," zeide zij, "dat ik op deze wijze

reizen moet, heeft hij slechts te bevelen:--alleen moet ik weten,

aan wiens geleide ik zal worden toevertrouwd."

"Ziedaar juist de grootste zwarigheid," zeide Aylva: "de goede Feiko

is trouw en wakker genoeg; maar hij is nooit buiten Friesland geweest:

hij is den weg en de zeden des lands niet kundig, en zijn tongval

zou hem spoedig verraden. Een leidsman uit den omtrek kunnen wij

niet vertrouwen."

"Indien de jonkvrouw zich aan mijne zwakke bescherming durft

toevertrouwen," zeide vader Syard, "zal het mij wellicht gelukken,

haar, met behulp onzer Lieve Vrouwe en van Sint-Odulf, mijn patroon,

in veiligheid te geleiden waar zij wezen moet."

Dit aanbod werd dankbaar aangenomen: en zooras de Abt aan vader Syard

het gevraagde verlof verleend had tot de reize, en de vereischte

_dispensatie_, om het geestelijk kleed voor een korten tijd af te

leggen, ontvouwde de monnik zijn plan nader aan Aylya, en, het noodige

geld van den Olderman ontvangen hebbende, verliet hij het klooster.

Hij kwam echter weldra terug, doch schier onkenbaar voor zijn beste

kennissen. Een buis of jak, van een stoffage, welke men te dier tijd

met den naam van _grauwen ezel_ bestempelde, hing hem om 't lijf: zijn

beenen staken in twee zware modderlaarzen met omgeslagen randen. Een

blauwe kaper, die vastzat aan een soort van pelgrimskraag, welke hem

tot even over de schouderen viel, bedekte zijn hoofd, en een groote,

breedgerande hoed hing hem op den rug. Onder den arm droeg hij een

pakje, waarin zich een boerinnengewaad bevond, dat voor Madzy bestemd

was. Hij had zich deze beide vermommingen in de hut des boschwachters

aangeschaft. Elske, die nu de hoop had opgegeven van haar man terug

te zien, had aan den monnik, op zijn verzoek, de daagsche kleeren

van Walger en haar zondagspak voor een ruime belooning afgestaan en

zich tevens verbonden, dezen verkoop, althans een paar dagen, geheim

te houden.

Zonder een woord te spreken, had Madzy zich van hare versierselen

ontdaan en de nederige kleedij aangetrokken, welke voor haar bestemd

was: en het was eerst toen zij afscheid van haar voogd nam, dat zij

haar somber stilzwijgen afbrak met de nauwelijks hoorbare vraag:

"Weet gij iets van den armen gewonde?"

"Hij leeft!" antwoordde Aylva: "en God geve hem een spoedig

herstel. Maar, mijn lieve!" vervolgde hij, toen hij haar de blauwe

oogen erkentelijk ten hemel zag opslaan: "gij moet hem vergeten; want

hij leeft niet voor u. Het is slechts aan een Fries, dat de dochter

van Sjoerd Dekama hare hand moet wegschenken: en zoo Adeelen een zoo

onwaardeerbaren schat verstoot, er zullen er anderen gevonden worden,

die hem meer op prijs weten te stellen.--Ga nu, mijn engel! en mogen

u alle Heiligen geleiden."

Madzy omhelsde hem met vervoering, doch zweeg: haar gemoed was vol;

maar zij kon noch spreken, noch schreien: zij sloeg haar mantel op,

haalde haar kap over 't gelaat, en, den arm des monniks nemende,

ging zij met hem het achterpoortje uit, naar de plaats, waar Feiko

hen met de paarden verwachtte. Spoedig kwam de trouwe dienaar terug

met de tijding, dat beiden zich verwijderd hadden.

Het bleek weldra, hoe noodzakelijk de gemaakte spoed was geweest;

want nauwelijks waren er eenige minuten verloopen, toen het huis

door een aanzienlijke ruiterbende omsingeld werd en de aanvoerder

zich aanmeldde met de tijding, dat hij uit 's Graven naam Jonkvrouw

Madzy Dekama kwam afhalen.

"Het doet mij leed, dat ik u haar niet kan afstaan," zeide Aylva,

on een koelen toon: "maar zij was gisteravond zoo ontsteld en ziek

van het voorgevallene, dat zij terstond met een Harlinger vaartuig

naar Friesland is teruggekeerd."

"Ziedaar iets, waarvan wij ons zullen moeten verzekeren," zeide

de hopman, en gaf hierop aan zijn wapenknechten last, het gebouw

te doorzoeken. Toen echter alle nasporingen vruchteloos bleken te

zijn, zond hij zijn volk in onderscheidene richtingen uit en stuurde

zelfs een boodschap naar den mond van 't Snaren, om te vernemen,

welke schepen er vertrokken waren; doch al zijn handelingen strekten

slechts, om hem te doen zien, dat zijn moeite vergeefsch en dat de

vogel alreeds gevlogen was.

Intusschen hadden de beide vluchtelingen de aanzienlijke bleekerijen,

welke toen reeds aan de omstreken van Haarlem een alom erkende

vermaardheid gaven, rechts laten liggen en een achterweg ingeslagen,

welke, over het grondgebied van den Heer van Heemstede, door een

bevallige landstreek heenkronkelde. Aan hun linkerzijde vertoonde

zich weldra het achtbaar slot met zijn breede grachten en talrijke

torentransen, in 't midden van uitgestrekte weiden gelegen, terwijl aan

de andere zijde schilderachtige heuvels oprezen, wier helling rijkelijk

met struikgewassen begroeid was, waarboven de sombere eiken hun nog

dorre takken naar boven staken. Nette en wel geschilderde woningen

getuigden alom van de welvaart en rust, welke de landstreek genoot;

en de kunstelooze, vroolijke liederen der landbewoners, die van hun

werk terugkwamen om het middagmaal te gebruiken, gaven te kennen,

dat zij met hun lot tevreden waren. Over Bennebroek, dat zich uit de

overblijfsels van een vervallen nonnenklooster tot een vroolijk dorpje

vervormd had, kwamen de reizigers in de zandige Hillegommer duinen

en bereikten langs dien weg de groote heirbaan weder van Haarlem naar

Leiden. Vader Syard had besloten over laatstgemelde stad naar Utrecht

te reizen, en had hiermede een dubbel oogmerk. Vooreerst begreep hij,

dat, zoo Madzy vervolgd werd, men haar eerder op den weg naar Amsterdam

of in Kennemerland zoeken zoude, dan aan de zuidzijde; en dat zij

beiden op den grooten landweg, die met reizigers bedekt was, minder

in 't oog zouden loop en, dan op achterwegen. Ten tweede vreesde hij

te verdwalen, zoo hij binnenwegen nam, en wilde geen geleider nemen,

ja zelfs zoo min mogelijk geluid geven, ten einde de Friesche tongval

hem niet verraden mocht.

Het was vrij vol op den weg: doch daar de meeste reizigers van

het feest terugkwamen en dus denzelfden kant uitgingen als onze

vluchtelingen, zoo hadden zij weinig aanstoot te lijden en gingen

vrij onopgemerkt verder. Wel wendde nu en dan een kloeke landbewoner,

die op zijn vluggen draver, met ledige manden beladen, van de stad

keerde, waar hij vruchten was gaan verkoopen, een rijke Leidenaar,

wiens stevige merrie een deel snuisterijen droeg, te Haarlem gekocht

en tot geschenken voor zijn huisgezin bestemd, of zelfs een jonge

Edelman, die zijn trotschen klepper liet op en neder huppelen, in 't

voorbijgaan een oog naar de bevallige rijdster; maar geen van allen

giste, dat het fijne neusje, 't welk alleen uit den dicht over de oogen

getrokken kaper te voorschijn kwam, aan de Roos van Dekama behoorde;

en het strak en ontzag inboezemend gelaat van haar metgezel was wel

geschikt om een ieder af te schrikken, die zijn nieuwsgierigheid

verder had willen uitstrekken.

De beide reizigers reden op een gelijken, doch niet snellen draf voort,

uit vrees van iemand uit 's Graven gevolg, dat slechts kort voor hen

naar 's-Hage vertrokken was, achterop te rijden, en zonder een woord te

wisselen. De monnik zweeg, als wij gemeld hebben, uit voorzichtigheid:

en Madzy had genoeg aan de droevige gedachten, die zich van haar ziel

hadden meestergemaakt. Pijnigend waren de verwijten, die zij zich

zelve onder 't voortrijden deed. Zij beschouwde zich als de oorzaak

van al de onheilen, die in de laatste dagen waren voorgevallen. Zij

beschuldigde zich, Adeelen te hebben misleid, aanleiding te hebben

gegeven tot de verwonding van Deodaat, ja tot des Graven toorn,

die weldra, vreesde zij, op een geduchte wijze haar vaderland zou

treffen. En echter, wanneer zij het gedrag overdacht, door haar in de

laatste dagen gehouden, dan kon zij, bij het gemoedelijkste onderzoek

van hare handelingen, niet zien, waarin zij dan eigenlijk gedwaald

had, en vond zij niet, dat zij ergens verkeerd in gehandeld had,

dan alleen, door Deodaat toe te laten, haar aan te spreken. Maar dit

was zoo onverwacht geschied en in zulk een oogenblik van verwarring,

dat zij niet inzag, hoe zij dat onderhoud op een geschikte wijze

zoude hebben kunnen vermijden. Intusschen kon zij midden in haar

druk niet nalaten, een soort van verlichting te gevoelen, dat zij

van het aan Adeelen gegeven woord ontslagen was. Zij bespeurde nu,

dat zij hem nimmer had kunnen gelukkig maken, maar dat zij stellig

met iemand van zijn onhandelbaren aard hoogst rampzalig zou geworden

zijn. Die gedachte, dat zij weder vrij was, streelde haar, ja, doch

tevens dacht zij met schrik aan den blaam, dien Adeelen, bij zijn

terugkomst in Friesland, op haar werpen zoude, en aan de verachting

van haar landgenooten, waaraan hij haar onverdiend prijs zou geven:

en dan wenschte zij soms haars ondanks, dat een stille wijkplaats

haar mocht geschonken worden, niet in het adellijke Rijnsburger

klooster, waar weelderige loszinnigheid en dartele uitspanningen den

boventoon hielden, maar in een stil en vreedzaam gesticht, waar zij

haar tijd in kalme rust zou verdeelen tusschen het betrachten van

godsdienstplichten en van liefdewerken.--Dan ach! zij zorgde, dat zij

ook daar den jongeling niet uit haar geest zou kunnen bannen, wiens

bleeke en doodsche trekken haar nog onophoudelijk voor oogen zweefden.

Op deze wijze zetteden zij hun weg voort, zonder zich langer op te

houden dan noodig was, om aan hunne paarden eenige verversching toe

te dienen, trokken Leiden onverhinderd door en reden den oever van den

Rijn langs tot aan Bodegrave. Hier vernamen zij, dat de weg hooger op

reeds vernield was op last van de stad Utrecht en dat de doortocht

aan sommige Hollanders reeds geweigerd was. Dit deed vader Syard

besluiten, een poging te doen, Utrecht langs een omweg te bereiken:

en links den eersten zijweg inslaande, was hij tegen het vallen van

den avond met zijn reisgenoote zonder hindernissen op het Stichtsche

grondgebied aangekomen, waar zij zich tegen alle vervolging beveiligd

mochten achten.

De Roos van Dekama · 第 24 / 46 题