ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Kom ridderlijke man, door waan ten top gedreven,

Ik eysch u voor de kling, te paarde of wel te voet.

Luyken. Duitsche Lier.

Toen Madzy meer dood dan levend door den Heer van Beaumont in de

groote hal van het jachthuis werd ingeleid, gaf deze een vertooning

welke schilderachtige groepen zou hebben opgeleverd, aan al, wie

haar met een onverschillig oog ware binnengetreden. Graaf Willem,

wiens ontevredenheid en wrevel, door het wonden van een zijner

gunstelingen en de verwarring hierdoor in zijn feest gebracht, niet

waren verminderd, liep met een donkeren blik en de handen op den rug de

gaanderij op en neder, gelijk een leeuw in zijn kooi. Zijn edellieden

en dienaars stonden hier en daar verspreid, slechts fluisterend met

elkander sprekende. In een dier groepen stond de Wapenkoning, op den

hem eigen gewichtigen toon, doch niet luider dan juist noodig was om

door zijn toehoorders verstaan te worden, zich te beklagen over de

moeite, welke het geven zoude, indien Deodaat kwam te overlijden,

om diens begrafenis op een behoorlijke wijze in te richten, dewijl

de adel des jongen Italiaans een hoogst onzekere zaak was, en er bij

velen nog twijfel bestond, of Graaf Willem wel recht had gehad Reinout

en hem tot Ridders te slaan, zonder verlof van den Keizer. Over hem

ontdekte men den Heer van Aylva, die gedwongen was geweest, de sponde

des gekwetsten te verlaten, bij wien zich thans niemand bevond dan des

Graven biechtvader, gereed om hem de diensten van zijn heilig ambt aan

te bieden, zoodra hij tot zijn kennis kwam. De waardige Olderman stond

in diep gepeins verzonken en als verplet van droefheid. Wat verder

zag men eenige Stichtsche edelen in een wel stil, doch driftig gesprek

gewikkeld, terwijl hunne teekenen en gebaren, en de ongewisse, ja soms

verontruste blikken, die zij op den Graaf wierpen, te kennen gaven,

dat het onderwerp van hun gesprek belangrijk was. En geen wonder! zij

hadden zooeven uit het Sticht de tijding bekomen, dat men aldaar te

wapen vloog en zich tot weerstand bereidde, bijaldien de Graaf zijn

voogdijschap over 't Bisdom met geweld wilde doen gelden. Kort bij

hen stond Adeelen alleen, tegen den muur geleund, den arm over een

hertekop geslagen, die den wand versierde, in diep gepeins verzonken

en zijn oogen nu eens naar de zijgang slaande, welke naar het vertrek

des gewonden leidde, dan weder op den Graaf, en dan weder naar den

moordenaar. Deze stond ongeboeid doch wapenloos aan het einde der zaal,

omringd van eenige edelen en wapenknechten. Men had hem gegrepen,

op het oogenblik, dat hij reeds te paard gestegen was en zich tot

de vlucht gereedmaakte. Een akelige bleekheid bedekte zijn gelaat;

maar zijn gitzwarte oogen doorliepen de zaal en vestigden zich op de

aanwezigen met een uitdrukking van hoogheid, gelijk aan die, waarmede

de schilders den gevallen Aartsengel afmalen. Hij sloeg ze echter

een oogenblik neder en een vluchtig rood kleurde zijn wangen toen

hij Madzy gewaarwerd: doch hij herkreeg spoedig zijn vrijmoedigheid

en bleef een zegepralenden blik op het meisje gevestigd houden.

Wat haar betreft, zij had hem, die zich in den meest verwijderden

hoek der zaal bevond, niet dadelijk opgemerkt: en haar aandacht was

terstond op haar voogd gevallen, die met een treurigen blik haar te

gemoet kwam. "Madzy! Madzy!" zeide hij zachtjes, terwijl hij weemoedig

het hoofd schudde: "Ik had de Roos van Dekama niet over zee moeten

medevoeren!" En terstond daarop den geschokten toestand van Madzy

bespeurende, verweet hij zich de uitdrukking, die hij gebezigd had

en hielp hij Beaumont om haar te ondersteunen.

"Meisje!" zeide Graaf Willem, toen hij haar gewaarwerd: "wij hebben

u hier ontboden om den moordenaar van Deodaat te herkennen. Is het

de man die daar staat, die de wond heeft toegebracht?"

Madzy hief de oogen op, maar bedekte die terstond met beide handen,

toen zij den Italiaan gewaarwerd. "O! uit deernis, spaar mij!" riep

zij met een angstvolle stem.

"En welke noodzakelijkheid bestond er," vroeg nu Reinout op een

trotschen toon, "om haar hier te doen verschijnen? Heb ik mijn

euveldaad niet beleden? Ja! deze hand was het, die het verraderlijk

hart doorboord heeft, en zoo zij den dolk des sluipmoordenaars gebezigd

heeft, men bedenke, dat het haar niet vergund werd de ridderlijke

lans te gebruiken."

"Het is genoeg!" zeide Willem: "en wij behoeven de Jonkvrouw niet

verder te ondervragen. Haar schrik op zijn gezicht en zijne volmondige

bekentenis laten geen twijfel omtrent de misdaad over. Hij is echter

Ridder en kan, als zoodanig, adellijke rechters, vragen."

"Met verlof van uwe Genade!" zeide Paypaert, "ik moet eerbiedig

aanmerken, dat geene bescheiden betreffende de geboorte van dezen

jongeling tot nog toe hebben bewezen, dat hem de voorrechten, aan

den adel verknocht, kunnen vergund worden."

Willem antwoordde niets; maar sloeg op den grijsaard een dier blikken,

welke zooveel willen zeggen als: "waar bemoeit gij u mede?"--Vervolgens

gaf hij last, dat men den gevangene in den toren zoude sluiten en

verwijderde zich, gevolgd door de genoodigden.

Wat Madzy betreft, zoodra de hofstoet zich verwijderd had, wierp zij

zich weemoedig om den hals van haar voogd en smeekte hem, met haar een

feest te verlaten, dat zoo treurig begonnen was. Aylva drukte haar

aan zijn hart: en zonder een woord te spreken, begaven zich beiden

naar de stallingen, van waar zij zich weldra huiswaarts spoedden.

Intusschen zouden de wapenknechten Reinout voeren naar den toren boven

het jachthuis, die hem tot tijdelijke gevangenis was aangewezen. Hij

liep in hun midden, meer met den zegepralenden blik eens overwinnaars,

dan met den wankelenden tred eens gevangenen. Toen zij de zijdeur

intraden, welke de donkere trap opende, die naar boven leidde,

bemerkte Reinout, dat iemand hem vrij onzacht tegen het lijf aan liep,

en te gelijk voelde hij dat hem een dolk werd toegestoken, dien hij

schielijk in zijn kleed, verborg. Een haastige wending met het hoofd

deed hem Seerp Van Adeelen herkennen, die zich van hem verwijderde.

Dit dienstbetoon volbracht hebbende, begaf zich de Fries naar de

plaats, waar het gastmaal gehouden werd. Maar reeds was iedereen

gezeten en niemand scheen geneigd, plaats te maken voor den wreveligen

Adeelen, die, volgens de uitdrukking van Oda, de tafel rondliep

gelijk een hengelaar, die langs den waterkant gaat en plaats zoekt

om zijn aas uit te werpen, maar overal door hooge biezen verhinderd

wordt. Eindelijk wist Adeelen zich naast zijn ambtgenoot van Sint-Odulf

te vervoegen, die reeds de vreemde voorvallen van den dag scheen

vergeten te hebben, en met een graagte, welke het vertragen van den

maaltijd nog gescherpt had, bezig was een geduchte bres te maken in

een pauwepastei. Daar de Graaf in zich zelf gekeerd en ontevreden was,

en de houding van de aanwezigen, bovendien door het gebeurde weinig

gestemd tot vroolijkheid, zich naar die des gastheers schikte, liep

het feest vrij stil en droomerig af, en men scheidde vroeger dan men

had voorgenomen, zonder dat eenig noemenswaardige gebeurtenis dien

dag verder plaats greep.

Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of een talrijke menigte

was weder op het _Zand_ te Haarlem samengestroomd in afwachting van het

tweegevecht, dat hun den vorigen dag, als een onverwacht schouwspel, en

om zoo te spreken op den koop toe, was toegezegd geweest. Wel liep er

hier en daar een dof gerucht, dat de kamp vechter des Graven gekwetst,

of volgens sommigen, gedood was geworden; doch daar niemand iets zekers

van de zaak wist en de bezetting van de kampplaats op den bestemden

tijd was verschenen, hechtte men weinig aan deze tijding. Intusschen

dient de lezer te weten, dat de Graaf zoowel als Beaumont, bij de

drukte, welke de staatsaangelegenheden zoowel als het gebeurde op den

Vogelesang veroorzaakten, vergeten hadden de bezetting te doen afzeggen

of een anderen kampvechter in de plaats van Deodaat te benoemen;

terwijl Paypaert (wiens geheele verbeelding werktuiglijk was en zich

ten deze alleen bepaalde tot de zorg, dat alles, voor zooverre hem

betrof, tot de krijtwerf gereed ware, zonder zich zooverre uit te

strekken om na te denken, of er wel een kampvechter komen zoude)

daarentegen zijne bevelen in dien zin gegeven had, alsof er geen

twijfel aan den voortgang van het gevecht bestaan kon. Hij vertoonde

zich dan ook binnen het krijt, aan het hoofd zijner Herauten en

trompetters, recht bezig om alles naar behooren te schikken: echter

kon hij niet nalaten van tijd tot tijd het hoofd te wenden naar de

zitplaatsen van den adel, welke grootendeels ledig bleven en slechts

bezet werden door enkele edellieden van den omtrek, die nog onbewust

waren van de gebeurtenis, waardoor het kampgevecht onmogelijk gemaakt

was. "Die eeuwige treuzelaars!" mompelde de grijsaard bij zich zelven,

met een ontevreden hoofdschudden: "in mijne jeugd zoude men den tijd

niet zoo onnut hebben laten voorbijloopen, wanneer er een kampgevecht

te zien ware. Is het dan voor het vermaak van het gepeupel, dat men

heden vechten zal? En is een strijd op leven en dood tusschen twee

Ridders niet meer dan een hanengevecht?"

Het volk begon insgelijks te morren. "Zou er waarlijk niets van

komen, buurman?" vroeg de wapensmid aan onzen vriend Claes Gerritsz:

"en zou ik voor niemental mijn blaasbalg laten roeren?"

"Bij Sint-Gangolf!" antwoordde de marktschrijver: "ik wist wel

dat mijne berichten goed waren: die lompe Fries heeft gisteren den

Italiaan, met wien hij vechten moest, op het feest overhoop gestoten

en is dadelijk tusschen vier muren geplakt. Het zijn gelukkig twee

bloedzuigers van vreemdelingen minder."

"Ja maar," hernam de zwaardslager, "het verwondert mij dan dat al de

Herauten aanwezig zijn."

"Daar verstaat gij niets van," zeide Claes Gerritsz: "tijd en plaats

zijn bepaald, en al komt er geen mensch bidden, de priester moet

daarom toch in de kerk zijn.

"Het bevreemdt mij met dat al," zeide de smid, "dat onze Graaf een

vreemdeling als dien Deodaat tot zijn kampvechter verkozen heeft,

alsof er geene Hollandsche edelen genoeg waren, om dien Fries de les

te lezen."

"En is de Graaf niet zelf een vreemdeling?" vroeg Claes Gerritsz:

"en kan men wel iets anders verwachten van al wat van gene zijde der

wateren komt: Fries, Italiaan of Henegouwer, 't is al een pot nat."

"Gij moet toch erkennen," hernam de smid, "dat de vorige Graaf veel

voor ons gedaan heeft en den naam van den Goeden ruim verdiend heeft."

"Nu! dan verkerft zijn zoon het dubbel," zeide de schrijver: "heeft

hij ons niet bij zijn huwelijk over de veertig pond afgetroggeld,

terwijl wij volgens het Privilege van Koning Willem slechts twintig

pond schuldig waren te betalen, evenals bij de blijde inkomste. Maar de

Magistraat is een hoop stoflikkers, en er moesten heel andere menschen

aan het roer zitten," voegde hij er bij, den neus optrekkende en de

borst hoog zettende.

"Ik zie de onbillijkheid nog niet in, daar gij van spreekt," zeide

zijn buurman: "betaalt gij meer, gij geniet ook meer: en Haarlem is

sedert dien tijd ook wel eens zoo groot geworden."

"En eens zoo arm, moogt gij er wel bijvoegen. Sedert Amsterdam met

Holland vereenigd is, vaart er bijna geen schip meer uit Haarlem naar

de Oostzee."

"Gij zijt een ondankbare klager, buurman! En brengen al die feesten

ons geen rijkdom aan?"

"Rijkdom?--Ja, aan de kroeghouders, die drank tappen en den accijns

smokkelen, en aan de wapensmids, die een dubbel getal knechts in

't werk stellen, en die ook wel een tiendubbel aandeel in de blijde

inkomsten mochten betalen: althans zoo er een oorlog met Utrecht op

handen is, gelijk ik zooeven vernomen heb."

"Een oorlog met Utrecht!" herhaalde de verheugde smid, zich de handen

wrijvende: "eilieve, buurman! verhaal mij dat eens."

Maar het was den marktschrijver niet mogelijk zulks op een verstaanbare

wijze te doen. Een luid geschal en volksgejoel kondigde eindelijk de

aankomst van een der kampvechters aan.

"Daar is hij! daar is hij!" riep de smid, den Stichtschen oorlog

schier vergetende.

"Wie is daar?" vroeg de marktschrijver, ontevreden.

"De Friesche Ridder," antwoordde de smid: "dien gij achter de

tralies geplakt hebt. Mij dunkt, uwe tijdingen zijn niet van de

allerjuiste. Wie weet of die Ridder Deodaat, dien gij doodmaakt,

ook niet nog verschijnt."

"Maar is het waarlijk de Fries?" vroeg Claes Gerritsz, nog steeds

ongeloovig.

"Ken ik dan de wapenrusting met de zilveren sterren niet, die ik zelf

geleverd heb? En heb ik dien strijdbijl, die aan den zadelknop hangt,

niet nog gisteravond gescherpt en aan zijn dienaar overhandigd?"

Het was inderdaad Seerp Van Adeelen, die geharnast het krijt was

binnengereden en nu onbeweeglijk aan den ingang post vatte.

"Ziedaar een ongehoorde zaak!" bromde Paypaert: "een der kampioenen

is er, en er is nog geen Kamprechter: en de Graaf, die beloofd had,

te komen! Het gaat mijn begrip te boven."

"Maar, Heer Wapenkoning!" zeide een der Herauten: "mag ik vragen,

of er ook een misverstand plaats heeft? De andere kampioen is immers

gisteren gekwetst en misschien al dood?"

"Even alsof de Graaf niet voor een anderen zoude gezorgd hebben. Breek

mijn hoofd niet met zulken zotteklap en ga naar stijl en gebruik aan

gindschen Ridder vragen, wat hij hier verrichten komt."

De Heraut zweeg, reed naar Adeelen en volbracht zijn boodschap.

"Ik ben Seerp Van Adeelen," was het antwoord, dat vader Syard had

opgesteld en waaraan Seerp een halven nacht besteed had om het zich in

't hoofd te prenten: "en ik kom gewapend en te paard, als eenen edelman

betaamt, om een rechten kamp te wagen en mijn uitdaging gestand te doen

tegen Willem, Grave van Henegouwen en Holland; en ik neem tot getuigen

van mijn goed recht aan, Onzen Heere, Onze Lieve Vrouwe en mijn Heere

Sint-Nikolaas. Ik verlang, dat gij mij mijn gedeelte van het veld,

van den wind, van de zon en van alles, wat oorbaar en noodzakelijk

is, toestaat. En dat gedaan zijnde, zal ik mijn plicht doen, met

de hulpe Godes, Onzer Lieve Vrouwe en van mijn Heere Sint-Nikolaas,

te voet of te paard, met al zulke wapenen als door de Kamprechters

zal goedgevonden worden."

Zoodra deze litanie aan den Wapenkoning was overgebracht, gaf deze

last, dat de trompetters zouden blazen en dat de verweerder zoude

uitgeroepen worden om namens den Grave van Holland en Henegouwen

tegen Seerp Van Adeelen op te komen. Maar vruchteloos klaterde het

luide geschal door de lucht. Niemand beantwoordde de indaging.

"Men moet wachten," zeide Paypaert: "de verweerder moet den

behoorlijken tijd van drie uren hebben: en is hij dan niet verschenen,

dan kan de indager geacht worden aan zijne verplichting voldaan te

hebben." Maar het eerste uur verstreek en het tweede ging mede voorbij,

en niemand was nog aan den ingang van het krijt verschenen.

Het volk morde en mompelde luidkeels en woelde onvergenoegd over

het plein dooreen. Nu eens ging er een gedeelte verveeld en knorrig

van het plein af, maar keerde, even spoedig als het vertrokken was,

uit nieuwsgierigheid weer terug: en schier elk bevond zich in dien

toestand, waarvan meer dan een onzer lezers wellicht meermalen

de onaangenaamheid zal ondervonden hebben; dien toestand, waarin

men verkeert, wanneer men, 't zij het begin van een lang beloofd

vuurwerk, 't zij de ontknooping van een langdradig tooneelstuk,

't zij het toegezegd bezoek van een ouden vriend, die wegblijft,

't zij de aankomst eener _diligence_, die een ongeluk gehad heeft,

wachtende, even onwillig is, langer te verbeiden, als te vertrekken.

De jonge edellieden, die langs de zitplaatsen heen en weder liepen,

waren, niet minder dan de oude Wapenkoning, verontwaardigd over de

schande, welke de Graaf zoude te lijden hebben, indien er zich geen

kampvechter opdeed om zijn goed recht te verdedigen, en onderhielden

zich reeds met warmte, en overluid, over de noodzakelijkheid,

dat, zoo niemand in het krijt verscheen, een hunner de plaats des

uitblijvenden vervulde.

"Bij den baard van Sint-Bavo!" riep de wapensmid, onverduldig:

"zal die satansche Fries onzen Graaf en ons hier ongestraft blijven

uittarten? Ha! zoo de oude Paypaert de kampwerf niet ontzeide aan al

wie geen adellijk bloed in de aderen heeft, ik zou met genoegen eens

binnenstappen, en dien hoovaardigen ruiter voor de eer van Holland

durven staan, zonder ander wapen dan mijn moker: en ik zou wel willen

zien, of hij mij met zijn degen of heirbijl aan 't lijf zou komen,

en of ik hem niet zoo plat zou beuken als een haardplaat."

"Des te eerder," zeide Claes Gerritsz, "dewijl gij het harnas zelf

vervaardigd hebt, en dus best in staat zijt, de plaatsen te kennen,

waar de minst deugdzame spijkers zitten."

"Oho," zeide de smid: "zoo Melis Courtz uit den Anegang den kolder

gemaakt had, nam ik aan er schub voor schub uit te slaan;--maar ik

zet het den besten, eenige fout in een harnas te vinden, dat uit

mijne smidse komt."

"Hei ho! meester helmslager!" riepen op dit oogenblik de stemmen van

ettelijke edellieden, die zich tusschen den volkshoop heen naar hem

toe drongen: "hebt gij geen kuras voor ons gereed?"

"Ik zou u het beste, dat ooit uit mijne werkplaats te voorschijn kwam,

voor niet leveren," antwoordde de vaderlandlievende smid, "indien

hij, die het aantrok, dien snoever met voordeel bestreed;--maar

bij alle duivels! de schelm zelf heeft den laatsten kolder, dien

ik vervaardigd heb, aan zijn bast, en een deugdzaam harnas ook,

dat beloof ik u. Ik wilde, dat mijn arm melaatsen ware geworden,

toen ik er de nagels insloeg."

"Dat u de nikker hale!" riepen de edellieden uit: "ongelukskind! waar

zal men wapenen vinden? Hoor hem eens balken, den onbeschaamden

Fries!"--want Adeelen, zoowel om de gemeente te tergen als uit

verveling, liet niet af, de kampplaats op en neder te rijden, al

roepende: "Welnu! dappere Hollanders! Laat gij u door een Fries uit

het veld slaan? en is er niemand, die moeds genoeg heeft, de eer van

uw Graaf op te houden?"

"Bij mijn ziel! ik bedenk daar iets!" riep een der jonge edellieden

uit: "laat ons naar de Sint-Jans-Heeren gaan; daar zijn zeker

wapenen te vinden."--En allen, zich verwonderende dien inval ook

niet te hebben gehad, volgden hun metgezel naar het klooster in de

Jansstraat. Maar toen zij daar gekomen waren, vonden zij hun bedoeling

reeds voorgekomen. Op het kloosterplein zat de eerwaardige Kommandeur,

Heer Hugo van Koukerk, reeds in volle wapenrusting te paard, omringd

van zijn ridders. Hij had de Gravin, die reeds vroeg in den morgen

naar 's-Hage vertrokken was, uitgeleide gedaan (de Graaf zelf was op

den Vogelesang blijven slapen) en had bij zijn terugkomst vernomen,

wat er op het Zand te doen was. Terstond was zijn besluit genomen

geweest: hij had zich laten wapenen en was nu vaardig om de eer des

Graven in den kamp te gaan handhaven.

Maar toen hij, aan het hoofd zijner Ridders en omringd door de

verheugde edellieden, de groote Markt opreed, ontdekte hij aan

het uitbundig gejuich der menigte, en aan het plotseling steken der

trompetten, dat hij reeds in zijn oogmerk was voorgekomen, en dat een

onbekende Ridder, in een eenvoudige wapenrusting zonder blazoen of

leuze het krijt was binnengereden. De Heraut, die door Paypaert was

afgezonden om naar den naam en de reden zijner komst te vernemen,

kwam bij den Wapenkoning terug, met het bericht, dat de kampioen,

die voor den Grave optrad, hem ten opzichte van zijne bevoegdheid

om gewapend te verschijnen, volkomen voldaan had, doch om gewichtige

redenen verlangde onbekend te blijven.

"Dit is alles nu schoon en goed," zeide de Wapenkoning: "doch wie

zal het ambt van rechter vervullen?"

"Die zwarigheid is licht uit den weg te nemen," zeide een der Herauten:

"indien de Kommandeur, die ginds komt aangereden, die taak wil op

zich nemen."

De voorslag, door de beide kampioenen mede goedgekeurd zijnde, werd

aan Heer Hugo gedaan, die hem met bereidwilligheid aanvaardde en zich

hierop, met twee zijner Ridders als bijstanders, binnen het perk begaf.

Nadat Adeelen en de onbekende Ridder zich elk aan eene zijde van het

krijt begeven hadden, steeg eerstgemelde af, lichtte zijn vizier

op, en trad, van twee Herauten vergezeld, naar een klein altaar,

dat men voor den ledigen zetel des Graven had nedergesteld en

waarboven een geordende geestelijke een kruisbeeld hield. Hij legde

hier den gebruikelijken eed af, en keerde vervolgens terug:--waarna

de verweerder hetzelfde deed, met dit onderscheid alleen, dat hij

zijn aangezicht niet ontblootte. De priester vertrok hierop met zijn

altaar en, nadat de Kamprechter een wenk aan Paypaert gegeven had,

deed deze den gewonen uitroep: "doet uw plicht!"

Terstond sprongen beide kampioenen te paard en namen hun lansen uit

de handen hunner schildknapen aan.

"_Laissez aller_!" riep nu de Kamprechter, zijn handschoen in het

strijdperk werpende. "_Laissez aller! laissez aller_!"--De trompetters

bliezen; en de beide Ridders reden op elkaar aan.

De schok der strijders was geweldig en scheen met een gelijk voordeel

aan beide zijden gepaard te gaan. De lans van Adeelen was met zooveel

kracht aangekomen, dat zij in splinters stoof, en dat het paard

des onbekenden Ridders stortte; maar de Fries was niet gelukkiger

geweest en geheel en al door zijn weerpartij uit den zadel gelicht,

ja een eind weegs geworpen, terwijl zijn ros het veld overholde.

De vreemde Ridder, zich niet zonder moeite van onder zijn klepper

hebbende opgewerkt, rukte de strijdbijl los, die aan den zadelknop

hing, en kwam te voet op zijn tegenstrever aan, die insgelijks was

opgestaan. Doch ziende, dat Adeelen geen ander wapen had ter zijner

verdediging dan het brok zijner lans, bleef hij staan.

"Ga uw strijdbijl halen," zeide hij: "onze wapenen zijn niet gelijk."

Adeelen boog het hoofd en wachtte zijn schildknaap af, die, na het

voortvluchtige paard te hebben opgevangen, het wapentuig had losgemaakt

en het nu aan zijn Heer kwam terugbrengen.

Luid waren de toejuichingen, welke de vergadering den verweerder

toezwaaide wegens zijn edelmoedige handelwijze; ofschoon velen het

eenigszins gewaagd van hem oordeelden, dat hij zich niet bediend had

van het voordeel, bij het eerste treffen voor hem ontstaan; want nu

de beide Ridders te voet waren, en op elkander toetraden, was het

duidelijk te bespeuren, dat de Fries vrij wat grooter en kloeker was

dan zijn bestrijder, aan wiens langzamen en eenigszins moeilijken gang

men buitendien zien kon, dat hij de eerste jeugd reeds voorbij was.

Echter aan de behendige wijze, waarop hij de eerste slagen, welke

Adeelen hem met zijn heirbijl zocht toe te brengen, wist af te

weren, ontwaarde men, dat hij door bedrevenheid vergoedde, wat hem

wellicht aan kracht ontbrak, en men begon den strijd als meer gelijk

te beschouwen. Met onverflauwde vaart en snelheid deed Adeelen zijn

heirbijl zonder tusschenpoozen rondzwieren: en de minst geweldige van

zijne slagen ware genoegzaam geweest om zijn tegenstander te vellen,

indien deze niet de grootste voorzichtigheid in het werk gesteld

en zich alleen bij de verdediging bepaald had. De vreemde Ridder

bleef staan gelijk een rots, _mediis tranquillus in undis_, terwijl

Adeelen om hem heen draaide even als een belegeraar, die een vesting,

nu van deze, dan van gene zijde zoekt te verrassen. Nadat echter dit

gevecht een geruime poos geduurd had, begon de onbekende te bespeuren,

dat de aanval zijns weerpartijders niet meer zoo heftig was als in 't

begin, en dat zijn slagen ongewisser en minder geweldig nedervielen:

ook het volk merkte dit op; en de angstvolle stilte, waarmede men tot

nu toe den bangen strijd had gadegeslagen, maakte op eenmaal plaats

voor luide kreten van aanmoediging, tot den verweerder gericht.

"Beuk er nu op!" riep de wapensmid, wiens stentorstem boven alles

heen weergalmde: "de Fries verflauwt! Neem het oogenblik waar, eer

hij zijn krachten terugkrijgt. Val aan! val aan!"

Doch hij, aan wien die raad gegeven werd, scheen er voor alsnog geen

ooren naar te hebben, 't zij dat hij zijn vijand sparen, 't zij dat

hij zijn goede kans niet in de waagschaal wilde stellen; of wel,

omdat hij zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapenen door een

beslissend feit wilde toonen. Hij werd geen aanvaller; maar bleef het

er op toeleggen, om door zijn onverzettelijke bedaardheid den fellen

Fries af te matten en van zijn stuk te brengen. Eindelijk, ziende

dat Adeelen, hijgende en vermoeid, slechts in den blinde begon toe

te slaan, nam hij het geschiktste oogenblik waar, onderschepte zijns

vijands bijl met de zijne, zoodat de beide moordtuigen aan elkander

haakten: en met snelheid zijn linkerhand naar het midden van den steel

brengende, terwijl de rechter den greep neerwaarts drukte, deed hij

het wapen van Adeelen uit diens handen en over het slagveld vliegen:

een daad van behendigheid, welke een algemeen en uitbundig hoezee

[30] deed ontstaan.

Razend van spijt, dat hij zich zoo onvoorziens ontwapend zag,

trok Adeelen zijn dolk, en wilde op zijn tegenpartij toespringen;

maar de bijstanders des Kamprechters reden dadelijk tusschen beiden

en de Kommandeur verklaarde, dat de Fries zijn neerlaag behoorde te

erkennen, daar het slechts van zijn weerpartij had afgehangen, hem,

toen hij ontwapend was, ter aarde te vellen.

Dan op datzelfde oogenblik werd de aandacht der menigte opnieuw

gewekt door de komst van een aantal ruiters, aan wier hoofd zich de

Graaf zelf bevond, die hun schuimbekkende en hijgende rossen het

strijdperk binnendreven. Ten einde de oorzaak hunner verschijning

op dit oogenblik op te helderen, zal het noodig zijn, dat wij eenige

stappen in ons verhaal terugtreden.

De Roos van Dekama · 第 23 / 46 题