Adusta is alleen de bron van al uw tranen:
Hy zette, razende van minnenijd en smart,
Om 't missen van zijn prooi, zijn' vriend een dolk op 't hart.
Van Merken. Louize d'Arlac.
Het maal, dat op 's Graven jachtverblijf was aangericht, beloofde al
de feesten, welke tot dien tijd in Holland gegeven waren, in pracht en
rijkdom te overtreffen. Daar het weder, hoe ongestadig anders hier te
lande, sedert een geruimen tijd zoo aanhoudend gunstig was, alsof het
voor de feestvieringen ware uitgekozen geweest, had men zonder eenige
moeite de toebereidselen op den Vogelesang kunnen maken. Vermits het
jachthuis te klein was om de genoodigden te bevatten, waren er ter
zijde van het gebouw verscheiden tafels aangericht van een aanzienlijke
lengte, omringd van banken, die wel uit ruw hout samengesteld, maar
met sierlijke kussens overdekt waren. Op en om die tafels waren al de
fraaiigheden ten toon gesteld, welke de kunst in die eeuw bekwaam was
op te leveren. Zoo prijkten hier, instede der _plateaux_ van lateren
tijd, twee gansche kasteelen op tafel, met hun schansen en torens,
van welke de banieren des Graven waaiden en waar binnen zich een deel
hoornblazers bevonden, die gedurende den maaltijd het gezelschap op
hun muziek moesten onthalen. Zoo stonden er onder de hooge linden
rijke _dressoiren_ of aanrechttafels, waarop blinkende vazen en
kannen en koelvaten van allerlei vorm en metaal pronkten, en welke,
vreemd genoeg, door tamme beren werden bewaakt, die geleerd hadden,
bij de aankomst der gasten, de spietsen, waarmede zij gewapend waren,
ter aarde te buigen. Maar, wat de meeste bewondering verwekken moest,
waren drie nagemaakte olifanten, zoo groot als in 't leven, maar welke
de dorpsschilder, die waarschijnlijk nooit deze dieren gezien had,
ter eere van 's Graven blazoen, met roode, gele en zwarte strepen had
beschilderd. Uit den snuit des eenen vloot Rijnwijn; de tweede gaf
Franschen witten wijn, en de middelste hypocras. Nog merkwaardiger,
wat de kunst betrof, doch minder belangrijk in de oogen der gasten,
was een boom, die midden op de tafel stond en alle mogelijke vruchten
droeg, deels natuurlijk, deels nagebootst, en in wiens gouden bladeren
kunstig gemaakte vogeltjes, door verborgen werktuigen bestuurd,
met de vlerken klapperden en allerlei deuntjes floten.
Het was ongeveer zes uren na den middag, de tijd, waarop men gewoon
was den tweeden maaltijd te nemen: de meeste gasten waren reeds
verzameld en wandelden de bekoorlijke dreven op en neder, ofschoon
zij die beweging niet behoefden om hun honger te scherpen. Zij hadden
door het tornooispel van dien morgen verzuimd hun middagmaal te nemen,
of te _rampeneeren_, gelijk men het noemde, en benijdden de paarden,
die in haastig opgeslagen noodstallen zich reeds vergasten mochten aan
het versche gras, waar de ruiven mede gevuld waren, toen de Graaf met
zijn hofstoet van Haarlem kwam aangereden. Zijn voorhoofd was somber,
en hoewel hij zijn best deed om zich te bedwingen en zijn gasten met
gulheid en wellevendheid te verwelkomen, ontging het echter niemand,
dat hij zich in een onaangename luim bevond.
De oorzaak hiervan lag in de tijdingen, welke hij dien dag uit het
Sticht bekomen had. Ieder, die met de geschiedenis van ons land
bekend is, weet, hoezeer de Graven van Holland er altijd en met
reden op gesteld waren geweest, een Hollander, of althans een hunner
bloedverwanten of leenmannen, op den Bisschoppelijken zetel te zien,
ten einde hun invloed op het Sticht te behouden en de anders zoo
gestadige twisten tusschen Holland en Utrecht te voorkomen. Dit was ook
het doel van Willem IV geweest en hij was daarin in zooverre geslaagd,
dat hij Jan van Arkel, den zoon van een zijner machtigste vazallen,
den mijter had doen bekomen. Wij hebben reeds vroeger opgemerkt,
hoe de nieuwe Bisschop weinig aan het oogmerk zijns beschermers had
beantwoord. In den bloei der jaren, tegen zijn zin in den geestelijken
stand getreden, bovendien uit een hooggevoelend en trotsch geslacht
gesproten, dat slechts noode iemand boven zich gesteld zag, had de
fiere jongeling weinig lust gevoeld, aan den leiband des Graven een
berooiden boel te beheeren en alleen in naam Bisschop te zijn, zonder
het vermogen te bezitten om zijn waardigheid op te houden of zijn
gezag te doen gelden. Het gevolg hiervan, de reis des Bisschops naar
Grenoble, het lossen der aan Graaf Willem verpande sloten en al hetgeen
verder gedaan was om diens invloed te verminderen, hebben wij reeds
verhaald. Om dezen invloed te herwinnen had de Graaf onderscheidene
middelen in het werk gesteld, en, nu kort te voren, inzage der
rekeningen van het Bisdom verlangd: maar het was juist na den afloop
van het steekspel, dat een renbode hem een brief gebracht had van de
Kapittels van Utrecht, waarbij hem die inzage gladaf geweigerd werd. In
de eerste opwelling van gramschap over dezen grievenden hoon had hij,
zonder iemand te raadplegen, en alleen zijn drift gehoor gevende,
terstond een ontzeggingsbrief aan de stad Utrecht terug doen zenden:
en het was de wrevel over dit voorval ontstaan, welke thans nog op
zijn gelaat te lezen was.
Terwijl hij zich in deze gemoedsgesteldheid bevond en bestreden
werd door de heftige gewaarwordingen, welke slechts een nieuwe
gelegenheid wachtende waren om uit te barsten, evenals het kruit
slechts een vonk noodig heeft om te ontbranden, naderde hem Adeelen,
Madzy aan de hand geleidende en door zijn beide medeafgevaardigden
gevolgd. Een beter hoveling dan Adeelen zou de gefronste wenkbrauw
des Graven hebben opgemerkt, die zich nog sterker samentrok toen
hij den Fries in 't oog kreeg; hij zou gevreesd hebben, den grammen
leeuw te tergen, en een meer geschikte gelegenheid afgewacht hebben
om tot den Vorst te spreken, maar Adeelen was er de man niet naar, om
zich door een donker gezicht te laten afschrikken. Stoutweg deed hij
een stap naar den Graaf, en hem Madzy voorstellende: "Heer Graaf,"
zeide hij: "gisteren had Madzy Dekama nog een vijftigtal vrijers,
die het slechts voor de leus waren: heden heeft zij een bruidegom;
maar die meent het goed. Ik zou u gisteren ons huwelijk reeds hebben
aangekondigd," vervolgde hij, de stem verheffende, ten einde door
Deodaat, die niet verre van daar stond, gehoord te worden, "maar toen
was ik nog niet zeker van mijn zaak; en het doet mij leed, dat ik, door
een valschen waan misleid, de bedoelingen van dien Ridder daar" (op
Deodaat wijzende) "heb miskend. Ik herstel hem in zijn eer, en beken,
dat ik verkeerd deed, hem te hoonen: meer kan ik niet zeggen: heden
heeft zij mij de toedracht der zaken opgehelderd en het is tusschen
ons beiden beklonken. Zoodra wij in Friesland teruggekeerd zullen zijn,
't geen God geve dat spoedig plaats hebbe, gaat het huwelijk door."
Deze aanspraak was, ja, door Graaf Willem ten einde toe aangehoord,
maar niet zonder herhaalde teekenen van wrevel, toorn en ongeduld,
welke Adeelen niet had opgemerkt. Toen deze echter had uitgesproken,
kon de Graaf zich niet langer bedwingen. Het voorgenomen huwelijk van
Madzy wierp weder een der door hem gevormde plannen in duigen, dat
namelijk, van een verbintenis tusschen haar en een zijner vertrouwde
hovelingen: en de vrijmoedige taal van den Fries, welke hij tot
nu toe uit staatkunde en ridderlijke toegevendheid geduld had,
was hem eindelijk ondraaglijk geworden. Hij stampte driftig met den
wandelstaf, dien hij in de hand had, op den grond, en toen den Fries
met woedende oogen aanziende: "Bij Sint-Japik!" riep hij uit: "en
zijt gij zoo zeker, lompe Fries! dat gij den dag van morgen beleven
zult, om nu reeds een trouwdag te bepalen. Bij alle Heiligen, die
Jonkvrouw is ouderloos en als zoodanig zijn wij als landsheer haar
rechte en natuurlijke voogd: en niemand zal haar trouwen, die niet
onze toestemming verzocht en verkregen heeft."
Al de omstanders waren verbaasd en ontzet over dezen heftigen uitval:
en Adeelen zelf, hoe weinig door woorden af te schrikken, was zoo uit
het veld geslagen door de onverwachte wijze, waarop de Graaf zijn
toespraak had opgenomen, dat hij eenige oogenblikken stom bleef,
en zonder te weten wat hij deed, met de linkerhand zijn sabelknop
omvatte, als vreesde hij een dadelijken aanval.
Beaumont, die als des Graven goeden engel altijd aan zijn zijde stond,
haastte zich, hem zachtjes in 't oor te fluisteren:
"Bedenk wat gij doet: wees bedaard, en herinner u, dat wij ons geene
nieuwe vijanden op den hals behoeven te halen."
Deze welmeenende raad diende slechts om olie in het vuur te gieten: "De
duivel hale alle bedaardheid!" riep de Graaf: "wat ben ik? wettig Heer
van deze landen? of een speelbal in de handen mijner onderzaten? Wij
hebben ons genoeg verlaagd: lang genoeg de plompe onbeschaamdheid van
een vazal verdragen, die het er op toelegt, ons in 't aangezicht te
beleedigen. Bij Sint-Japik! hadden wij ons ridderwoord niet gegeven,
van het tweegevecht van morgen niet te zullen beletten, deze Seerp
Van Adeelen ware reeds lang in den kelder van ons huis in 's-Hage
geworpen."
Adeelen, die zijn vrijmoedigheid inmiddels teruggekregen had, was
op het punt van den Graaf een haastig antwoord toe te duwen, toen
Aylva met een bedaarden doch vasten stap voor hem trad, en hem met
de linkerhand afweerde.
"Graaf!" zeide hij: "zoo Seerp Van Adeelen u hedenmorgen beleedigd
heeft, ik ben er verre af, partij voor hem te kiezen en hem te
verschoonen. Maar wij konden billijk verwachten, dat wij aan het
hof des zoons van Willem den Goeden, des meesters der Koningen,
des volmaaksten Ridders van Europa, die gastvrijheid zouden zien
betrachten, waarop wij als genoodigden en als de waardigheid van
afgevaardigden bekleedende, welke bij alle beschaafde natiën in
achting is, aanspraak vermeenden te kunnen maken. Daar dit echter het
geval niet is, zoo zullen wij uwe Genade van een gezelschap ontslaan,
dat hinderlijk schijnt geworden te zijn."
De Graaf hoorde deze toespraak aan, zonder den Fries in de rede te
vallen en zonder eenig blijk van ongeduld te geven, dan dat hij op den
knop van zijn wandelstok beet, een bezigheid, waarmede hij voortging
toen Aylva gesproken had, zonder dezen eenig antwoord op zijn rede
te geven. Aylva was dan ook gereed met een buiging verlof te nemen,
toen Beaumont tusschen beiden trad en hem weerhield.
"Blijf, edele Aylva!" zeide hij: "blijf, waardige Abt! u kunnen de
woorden des Graven niet gegolden hebben. O mijn edele Neef! deze
edellieden, deze vrome Abt zijn uwe gasten. Laat hen niet vertrekken
met een slechte herinnering aan uwe vorstelijke gastvrijheid."
"Wij hebben hen niet gehinderd daarvan gebruik te maken," zeide Willem,
op een hoogen toon: "doch het was tijd, dat zij een les ontvingen,
hoe zich in onze tegenwoordigheid te gedragen. Onze Herauten hadden
hen beter behooren te onderrichten."
Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich met een haastigen tred en
ging naar de Gravin, die zich, op een geruimen afstand vandaar, in 't
midden van een stoet van hooge genoodigden en adellijke Jonkvrouwen
bevond. De meeste omstanders volgden den Graaf; maar zijn laatste
woorden waren niet verloren gegaan, en de oude Wapenkoning, die ze
gehoord en als een zijdelingsch verwijt had opgenomen, trad naar
Adeelen toe en begon hem, op een half beleefden, half bestraffenden
toon, de les te lezen over zijn gedrag, terwijl Beaumont en Teylingen
den Abt en den Olderman poogden over te halen, het feest niet te
verlaten om een woord, dat den Graaf in drift ontvallen was.
"Gij moet weten," zeide de oude Paypaert tot Adeelen, "dat het hoogst
onbetamelijk en met alle gebruiken strijdig is, het woord tegen den
Graaf te voeren, zonder daartoe alvorens verlof te hebben doen vragen
door een Heraut, of, zoo er geen aanwezig is, door een van 's Graven
schildknapen, of eindelijk, bij mangel van dien, door een dienstdoenden
page. Geloof mij, Jonker! dat ik, die mijn waardigheid reeds bekleed
heb onder Graaf Floris, die de minzaamste aller vorsten was, ja zelfs
zoodanig, dat hij het slachtoffer zijner te groote goedheid werd, als
iedereen weet: onder Graaf Jan den Eersten, die de zachtheid zelve
was: onder Graaf Jan den Tweeden, die alles deed wat in hem was, om
de welwillendheid zijner onderzaten te winnen: onder Graaf Willem den
Goeden, wiens naam alleen genoeg zegt om aan te duiden wat hij was:
dat ik, zeg ik, nooit heb ondervonden, dat een van die edele Graven,
wier zielen God genadig zij, ooit geduld heeft, dat een onderzaat,
al ware hij een Baanderheer, onaangediend en ongevraagd het woord tot
hem voerde, tenzij over tafel of aan 't spel, uitgezonderd alleen
de magen van het Grafelijk Huis, als de Heeren van Brederode, van
Voorne, van...."
"Dat is alles schoon en goed," zeide Adeelen, wien deze predikatie
reeds sedert lang verveelde, maar die geen kans zag om er aan te
ontkomen, zonder tegen den ouden man, die hem bij de mouw hield,
geweld te gebruiken:--te meer daar hij ingesloten was tusschen een drom
Herauten, pages en hofbeambten, die zich vermaakten met zijn ongeduld
en met den gewichtigen toon, waarop Paypaert de regels der hofetiquette
voordroeg:--"maar wij Friezen volgen liefst onzen eigenen weg en zeggen
gaarne wat wij meenen en waar het ons best gelegen komt. Hoe dit zij,
de Graaf zal over mijne _woorden_ niet meer te klagen hebben."
"Ja, waren het slechts uwe woorden," hervatte de onverbiddelijke
Wapenkoning: "maar gij hebt ook een zeer verkeerde daad gedaan, door
uw bruid zelve aan den Grave voor te stellen. Zulks had behooren te
geschieden door den voogd der Jonkvrouw, die haar alsdan had moeten
toevertrouwen aan een Edelvrouw der Gravin, door welke zij vervolgens
aan den Grave op eene door zijne Genade nader te bepalen wijze zoude
zijn voorgesteld, waarop gezegde Jonkvrouw uwe bruid...."
"Mijn bruid!" riep Adeelen eensklaps uit: "ja! waar is zij?--gij
spreekt van toevertrouwen.... maar ik vertrouw haar hier aan niemand
toe."--En degenen die naast hem stonden ter zijde schuivende, trad
hij met drift buiten den kring en zag naar Madzy uit.
Deze was, bij de eerste uitbersting van 's Graven woede, een weinig
teruggeweken, en vervolgens, toen Willem zich verwijderd had, en
haar vrienden huns ondanks (gelijk wij gezien hebben) in diep gesprek
gewikkeld werden, op een kleinen afstand blijven staan, zonder op dat
oogenblik iemands aandacht tot zich te trekken. Terwijl zij zich dus
alleen en in dien onaangenamen toestand bevond, waarin men verkeert,
wanneer men zich van de zijnen afgescheiden en onder vreemden bevindt,
zag zij op eens het hinderlijke van dien toestand nog vergroot door
de onverwachte nadering van den bruinen beer, die deftig tusschen
de Herauten en haar in kwam aangetreden. Dit ongure dier had zich
waarschijnlijk op zijn post aan het _dressoir_ verveeld en verkozen
een wandeling op zijn eigen houtje te doen. Niet wel op haar gemak
bij dit vreemd verschijnsel, week zij terug in een slingerpad, dat
zich juist achter haar bevond:--een paar bedienden, die den beer
waren achtervolgd, dreven hem met stokslagen weder naar zijn plaats:
en toen zij het pad weder uit wilde komen, ontmoette haar aan den
ingang Deodaat.
"Een enkel woord!" zeide deze: "een enkel woord, edele Freule! Ik
gevoel, dat plaats noch gelegenheid geschikt zijn; maar nood breekt
wet, en het is de laatste reize, dat ik u met mijne toespraak lastig
wezen zal."
"Ridder!" zeide Madzy: "ik ben de bruid van Seerp Van Adeelen, en ik
mag uwe taal niet aanhooren. Veroorloof mij, naar mijn voogd terug
te keeren."
"Een enkel oogenblik slechts," hernam Deodaat op een smeekenden
toon: "het is, of de hemel zelf mij deze gelegenheid toeschikt en
mij voorschrijft, die niet ongebruikt te laten ontglippen. Bedenk,
dat ik morgenochtend met uw bruidegom, den Fries, op dood en leven
moet kampen."
"Helaas!" zeide Madzy met een bevende stem: "ik weet het te wel! en
kan niets dien strijd voorkomen?"
"Ziedaar, wat ik mij genoodzaakt vond, u te zeggen. De ziel
van uwen.... van Adeelen, is te trotsch om te buigen, dit is mij
bekend. Van zijne zijde is dus geen terugstap te verwachten. Wat mij
betreft, gewillig gave ik mijn leven, eer ik de lans velde tegen
iemand, wien ik heden eerst bemerk dat u dierbaar is; doch het is
niet voor mijne wraak alleen dat ik strijden moet: het is de zaak
mijns meesters, die aan mijn arm, aan mijn eer is toevertrouwd; en
ik ware in de oogen der geheele Ridderschap onteerd, indien ik mij
niet in den kamp gedroeg gelijk het eenen braven Ridder betaamt. Wij
moeten dus kampen; daar is geene mogelijkheid om zulks te voorkomen."
Madzy zweeg en sloeg de oogen neder. Haar hart bloedde; maar zij
gevoelde, dat Deodaat gelijk had.
"Welnu!" vervolgde deze: "hiervan is het alleen dat ik u wilde
overtuigen, opdat gij, zoo ik in 't strijdperk treed, het mij niet
wijt, zoo ik mijn plicht als Ridder volbreng: en zoo het noodlot wil,
dat Adeelen door mij valt, haat mij dan, Jonkvrouw! maar laat voor
't minst uw hart mij rechtvaardigen, en zeg dat ik niet anders kon
handelen."
"Zoo deze verzekering iets tot uw geluk kan toedoen...." zeide Madzy
zuchtende.
"Het geluk en ik," zeide Deodaat, "hebben afscheid genomen, sedert
Adeelen u aan den Graaf heeft voorgesteld;--want waarom zou ik het
u niet bekennen, Freule! ik bemin u! en is de zekerheid, dat ik,
verwinnaar of verwonnene, geene hoop op uw bezit mag voeden, niet
genoegzaam om mij voor mijn leven ellendig te maken? Wee mij! dat ik
nog moet trachten een vijand te vellen, door wiens handen ik liever
om uwentwil zou vallen."
Al sprekende waren zij het zijlaantje langzaam op en neder geloopen
en bevonden zich door het kreupelhout aan de oogen der omstanders
onttrokken. Deodaat had in de drift van zijn hartstocht de hand van
Madzy gevat en zij had die niet teruggetrokken; want het bloed vloeide
haar naar het hart terug en zij was buiten de mogelijkheid om eenige
beweging te maken. Dat oogenblik van bedwelming duurde slechts kort.
"Om Gods wil, Ridder!" zeide zij: "laat mij gaan; het voegt mij niet,
langer naar u te hooren: men heeft ons misschien zien gaan: men zal
ons bespieden.... men heeft ons reeds bespied."
En dit zeggende, gaf zij een angstigen, half gesmoorden kreet. Naast
hen stond Reinout, doodsbleek, met gekruiste armen en het oog
vonkelende van toorn.
Deze had, sedert hij zich van Deodaats ontrouw te hemwaart overtuigd
hield, in dien staat van hevige gemoedsaandoening verkeerd, waarin
het verhitte bloed beide verstand en hart bedwelmt en den mensch
zoowel onbekwaam maakt wel te gevoelen als wel te onderscheiden. Zijn
wrok tegen zijn wapenbroeder was niet verminderd door de dubbele eer,
welke dezen boven hem op het tornooispel was te beurt gevallen:--eene
week vroeger zoude hij die hebben toegejuicht: thans was hem die een
nieuwe spoorslag tot ijverzucht en wraak; want karakters als die
van Reinout kennen geen middelweg tusschen liefde en haat: en zoo
vurig hij te voren zijn vriend bemind had, zoo hevig was hij thans
op hem verbolgen. Iets later op dat feest gekomen, had hij niets van
de woordenwisseling tusschen den Graaf en Seerp Van Adeelen vernomen:
maar hij had uit eenige losse uitdrukkingen der feestgenooten verstaan,
dat de schoone Friezin de bruid was, zonder recht begrepen te hebben
met wien: en toen hij het vorstelijke paar genaderd was, had hij deze
woorden aan 's Graven mond hooren ontvallen:
"Dat meisje zal niet met dien lompen Fries huwen: zoo Deodaat morgen
de overwinning behaalt, zal zij het loon zijner dapperheid wezen,
of in een klooster gaan."
Dit gezegde was voor Reinout genoeg geweest. Woedend van minnenijd
was hij Deodaat gaan opzoeken, om hem zijn vermeende ontrouw te
verwijten, en hij had ter bekorting het laantje genomen, waarin zich
zijn medeminnaar bevond. Zoodra deze hem gewaar werd, liet hij de
hand van Madzy los en wilde spreken; maar Reinout schonk hem daartoe
den tijd niet.
"Gij zult mij niet meer met schoonschijnende woorden bedriegen,
listige verrader!" riep hij; "wat ik gezien heb is mij genoeg: maar
hier is uw straf." Eer nog deze woorden geheel waren uitgesproken,
had hij zijn dolk getrokken en stootte dien Deodaat in den boezem.
De jongeling wankelde en viel. Met een ontzettenden gil schoot
Madzy toe, en ontving hem in haar uitgebreide armen, waarna zij,
eene knie ter aarde buigende, op de andere het hoofd des gewonden
ondersteunde. Reinout had zijn dolk laten vallen en stond onbeweeglijk.
"Gij hebt welgedaan, broeder!" zeide Deodaat, op wiens gelaat zich de
doodskleur reeds had verspreid:--"ofschoon het niet uwe hand had moeten
zijn, die.... vlucht Rinaldino--vlucht!.... het is mij zoet, zoo te
sterven," en zijn brekend oog rustte op Madzy met innige liefde. Weldra
echter sloot het zich en zijn hoofd viel neder als dat eens dooden.
Reinout bedekte zich het gelaat met de beide handen: en toen, een
vervaarlijken sprong nemende, verdween hij in het kreupelhout. Bijna
in hetzelfde oogenblik kwam Adeelen te voorschijn, van eenige Edelen
gevolgd.
"Voor den duivel!" zeide hij: "wat heeft dat te beteekenen? Een
vreemdeling in de armen van Madzy!"
"Hulp! in 's Hemels naam!" riep deze: "hulp! hij sterft! zoo gij
vrome lieden zijt, helpt! en houdt den moordenaar vast! hij is door
het gindsche kreupelhout gevlucht."--En bij het uiten dezer woorden
wees zij in het boschje naar de zijde, welke Reinout was ingegaan.
"Wie, wie is de moordenaar?" vroegen terstond onderscheidene stemmen.
"Wie? wie?--Zijn vriend, zijn wapenbroeder, die zwarte Italiaan!"
"Reinout!" riepen allen in verbazing uit; en verscheidenen snelden
het boschje uit om hem na te jagen.
"Ik ben hem wellicht dank verschuldigd," zeide Adeelen, somber en
bedaard, terwijl hij beurtelings de gelaatstrekken van Deodaat en
die van Madzy, waarop een bijna gelijke bleekheid was verspreid,
bleef beschouwen.
"Hij is nu dood," zeide Madzy, halfluid, op een toon van innige
droefheid, die niet zonder bitterheid was: "hij zal u geen minnenijd
meer baren."
"Madzy! mijn kind!" riep Aylva, die inmiddels met verscheidene gasten
genaderd was: "bedenk waar gij zijt en wat gij doet;" en hij nam haar
bij den arm om haar van dit treurtooneel te verwijderen.
Maar in dit oogenblik sloeg hij zelf een oog op de bevallige, doch
thans wezenlooze gelaatstrekken des jongelings, en een koude rilling,
waarvan hij de oorzaak niet kon nagaan, doorliep zijn aderen. Schoon
teergevoelig van aard, had hij den dood te dikwijls onder alle
gedaanten voor oogen gehad, dan dat het gezicht van een lijk bij hem
iets meer dan een gevoel van medelijden zoude hebben opgewekt;--doch
hier bezielde hem een ongekende gewaarwording; het was, of de dolk
van Reinout hem mede in 't hart getroffen had.
"Is er geene hoop meer?" vroeg hij, angstig op het lichaam starende.
"Zou hij nog te redden zijn?" zeide Madzy, de gelegenheid haastig
aangrijpende, welke haar nog een oogenblik toevens vergunde. Zij
legde de hand op zijn hart en na eenige oogenblikken van gespannen
verwachting riep zij uit: "God lof! het slaat nog: een arts! een arts!"
"Wat heeft er plaats gehad?" vroeg de Graaf, driftig het moordtooneel
naderende: "is het die ellendige Fries, wiens dolk een mijner
edellieden heeft durven zoeken?" En zijn vorschend oog ondervroeg
beurtelings Beaumont en Adeelen.
Weemoedig schudde de eerste het hoofd: "niet deze," zeide hij, op
Adeelen wijzende: "de moordenaar is gevlucht. Maar het wordt tijd,
dat lichaam naar een meer geschikte plaats te vervoeren."
Men voldeed aan dit voorstel: twee edellieden beurden den zieltogenden
Deodaat van den grond op, en droegen hem naar het jachthuis, terwijl
Beaumont het hoofd ondersteunde, en Aylva, door eene onwederstaanbare
aandrift gedwongen, naast het lichaam bleef gaan, zonder de oogen
van het doodsbleek gelaat te kunnen afwenden. Al de overigen volgden
of omringden hen met zichtbare blijken van deelneming. Adeelen
alleen bleef terug met Madzy, die, toen het lichaam was opgenomen,
het besef van haar toestand had terugbekomen, en snikkende was ter
zijde getreden.
"Wel hoe!" zeide Seerp, zich voor haar plaatsende en haar met een
hoonenden grimlach aanziende: "volgt gij het lijk van uw minnaar niet?"
"Seerp! gij zijt wreed!" was alles, wat haar tranen aan Madzy toelieten
te zeggen.
"Minder dan gij," zeide Adeelen, "die op den dag zelven, dat gij mij
trouw belooft, met een jongen lichtmis door het bosch gaat zwerven
en mij door uw ontrouw het hart doorboort en erger wonden slaat
dan uw boel ontvangen heeft. Ha! dubbelen dank ben ik dien Reinout
verschuldigd, die mij zoowel van pas gewroken heeft."
"Gij behandelt mij onwaardiglijk," zeide Madzy: "gij miskent mij en
den edelen jongeling, die...."
"Bloos niet, maar ga voort!--Welnu! die edele jongeling?...." herhaalde
Adeelen, op een bitsen toon, ziende dat de aandoening Madzy belette
voort te gaan.
"Nu, ja dan," zeide Madzy, haar vrouwelijke waardigheid geheel
hernemende: "waarom gebloosd? Hij voelde voor mij een hopelooze liefde
en kwam mij het laatst vaarwel zeggen. Ziedaar zijn eenige misdaad, zoo
het al een misdaad was: de mijne was, hem aangehoord te hebben; doch
kon ik minder doen voor iemand, die wellicht morgen sterven zoude."
"Voortreffelijk!" hernam Adeelen: "verdedig hem nog.--Wat mij betreft,
ik weet genoeg: herneem de trouw, die gij mij geschonken hebt, en uw
ring daarbij: ik begeer hem niet meer."
Dit zeggende, trok hij den ring, dien hij van Madzy ontvangen had, van
zijn vinger, verbrak dien tusschen de tanden en wierp de stukken voor
de voeten der ongelukkige maagd, waarna hij haar snel den rug toekeerde
en zich verwijderde, haar alleen latende in een gemoedsgesteldheid,
die zich beter laat gevoelen dan beschrijven.
Deze daad van Adeelen, of liever de beweging, waarmede hij die
volbracht had, was niet zonder getuigen gebleven. De Gravin,
verscheidene van hare aanzienlijke gasten en de stoet van edelvrouwen
en juffers, die haar vergezelde, waren juist langs dezen weg komen
aanwandelen om iets naders omtrent de ware toedracht der zaak te
vernemen, en hadden aan Adeelens gramstorige bewegingen en aan Madzy's
bedrukte houding reeds half geraden wat er gaande was.
"Het schijnt ons toe," zeide de Gravin, "dat die bruigom zijn bruid
niet zeer tevreden verlaat."
"Mij dunkt," zeide Oda van Wassenaar fluisterende tegen hare
vriendinnen, "dat hij niet kwalijk tevreden zijn moet, nu men hem
met éénen slag van een medevrijer en van een doodvijand ontslaat."
"Foei Oda! kunt gij nog spotten met den dood van dien goeden Deodaat,"
zeide Ottilia, met tranen in de oogen.
"Ik beklaag den armen Ridder van ganscher harte," hernam Oda: "doch
mijns bedunkens is die Friesche Roos nog meer te beklagen, die, op
éénen dag, haar éénen minnaar vermoorden ziet, door haar bruidegom
verlaten wordt en misschien haar derden vrijer ziet onthoofden."
"Zou het dan wezenlijk Reinout zijn," vroeg Ottilia, "die zulk een
laagheid begaan heeft?"
"Noem het geen laagheid," viel Oda in: "waarlijk, ik zou iemand wel
liefhebben die mij genoeg beminde om zijn oudsten en trouwsten vriend
aan zijn liefde op te offeren. Daar zou geen van onze Hollandsche
edelen, die karnemelk voor bloed in de aderen hebben, ooit toe komen."
"Goddank neen!" zeide Ottilia: "gij zijt afschuwelijk, Oda! en ik
spreek u heden geen woord meer toe."
"Gij hebt gelijk," zeide Oda: "ga liever die Friesche nuf opbeuren,
die eergisteravond zooveel spels maakte en nu te kijken staat als
een boerenmeid, die haar eieren over den weg heeft laten vallen."
Ottilia volgde dezen raad, of liever, de inspraak van haar medelijdend
hart. De Gravin was Madzy voorbijgetreden, zonder schijnbaar eenige
acht op haar te slaan; want de omstandigheden der verwonding niet
volkomen wetende, en vermeenende, dat Madzy wel schuldig zijn kon,
wilde zij hare waardigheid niet te kort doen door zich met haar in te
laten. Ottilia daarentegen, altijd genegen het beste van iemand te
denken, bleef achter, trad naar de arme verlatene toe, nam haar bij
de hand en deed haar de weinig romaneske, doch in deze omstandigheden
zeer natuurlijke vraag, of zij niet doodelijk ontsteld was en of zij
reeds iets gedronken had.
"Ik ben vermoeid," zeide Madzy, die haar knieën onder haar voelde
knikken: "ik wilde, zoo mogelijk, wel een oogenblik nederzitten."
"Neem mijn arm," zeide Ottilia: "en leun op mij: wij zullen ons ginds
op dat bankje nederzetten, en Zweder zal u wat te drinken brengen,
niet waar Zweder?"
Zweder was een neefje van Ottilia en diende als page bij de
Gravin. Zoodra hij het verzoek zijner tante vernomen had, snelde hij
als een pijl uit den boog vooruit om eenige verversching te halen,
terwijl de beide Jonkvrouwen langzaam naar het bankje traden.
Met die hoffelijke bescheidenheid, welke het kenmerk is van een goed
hart en een goede opvoeding, weerhield Ottilia zich, in spijt harer
nieuwsgierigheid, de bedrukte Madzy door eenige vraag te kwetsen,
nam zwijgend met haar op de tuinbank plaats en drong haar iets te
gebruiken van het water, dat Zweder had aangebracht en waarin de knaap,
die door zijn post gewend was vrouwen te bedienen, eenige droppelen
van een meer geestrijk vocht gemengd had.
Na haar dank op hartelijke wijze te hebben geuit, gaf Madzy haar
verlangen te kennen om huiswaarts te keeren, en vroeg of er niet iemand
aan den Heer van Aylva kon gezonden worden om hem te verzoeken haar
derwaarts te geleiden.
"Ik zal mij gaarne met deze boodschap belasten," zeide Zweder:
"ofschoon het mij altijd aangenamer ware de tijding van uwe komst dan
van uw vertrek te brengen."--Onder het doen dezer hoffelijke betuiging,
welke hij met al den zwier eens volslagen hovelings uitbracht, deed
hij op een bevallige wijze zijn toppermuts een halven cirkel in de
lucht beschrijven en verwijderde zich. Dan, nauwelijks ter halverwege
gekomen, ontmoette hij de Gravin, die met haar gevolg van haar
ontdekkingsreize terugkwam, in druk gesprek met Beaumont. Hij bleef
dus staan en wachtte eerbiedig af dat de stoet voorbij was getrokken.
"Hebt gij een boodschap, knaap?" vroeg de Gravin, zijn houding
opmerkende.
"Ik ging den Heer van Aylva het verlangen der Jonkvrouw van Dekama
overbrengen: zij wenscht te vertrekken."
"Ik wil het gaarne gelooven," zeide Beaumont, de schouders ophalende;
"maar dat zal nu niet gaan, vrees ik."
"Jonkvrouw!" vroeg intusschen Ottilia aan Madzy: "wilt gij niet op
een meer afgelegene plaats gaan zitten? Ik zie den hofstoet aankomen."
"O ja!" antwoordde Madzy, opstaande en haastig haar arm nemende:
"laten wij ons verwijderen."
Maar reeds had zich een der edelknapen van den stoet afgescheiden en
de wijkende jonkvrouwen ingehaald.
"De Heer van Beaumont verlangt u te spreken, Freule!" zeide hij
tot Madzy.
Deze gevoelde op die taal een trilling, welke haar geheele gestel
in beweging bracht, en werktuiglijk volgde zij, aan den arm harer
geleidster, den bode van Beaumont.
De Gravin, nu beter onderricht en, hoewel nog niet zeker van
Madzy's onschuld, echter iets, dat naar medelijden zweemde, met
haar gevoelende, begreep het nu veilig te kunnen wagen om haar toe
te spreken: en na eenige weinige onbeduidende vragen, waarop Madzy
nauwelijks in staat was antwoord te geven, zeide zij:
"De Heer van Beaumont heeft iets met u te verhandelen, weshalve wij
u zullen verlaten. Jonkvrouw van Naaldwijk! wij hebben u gemist. Uwe
plaats is bij ons, zoo wij ons niet bedriegen."
Ottilia kleurde en zuchtte, en met moeite een traan verbergende,
die haar bij dat openbaar verwijt in de oogen schoot, wilde zij zich
weder bij den hofstoet voegen; doch Madzy hield haar hand tusschen
de hare vast.
"Ik dank u," zeide zij: "gij voor 't minst weet medelijdend te
zijn. Madzy Dekama zal u nooit vergeten. O! bloos niet en laat het u
niet smarten, vriendelijk jegens mij te zijn geweest. Een enkele traan,
om mijnentwille gestort, zal u in uw ouderdom zoeter herinneringen
geven dan al de hofgunst u bieden kan."
Hier liet zij de hand van Ottilia varen: en geroerd en verlegen trad
de Jonkvrouw van Naaldwijk tusschen hare gezellinnen terug.
"Welnu," voegde haar Oda toe: "hebt gij u de fraaie predikatie wel in
't hoofd geprent, die ons dat Friezinnetje in 't bijzijn der Gravin
heeft opgedischt?"
Beaumont had intusschen Madzy met de hem zoo eigene minzaamheid bij
de hand genomen: en zoodra de hofstoet zich verwijderd had, vroeg hij
haar op een vriendelijken toon, hoe zij het had. Madzy dankte hem
voor zijn deelneming en gaf op hare beurt haar verlangen te kennen
om zoo spoedig mogelijk met haar voogd te vertrekken.
Beaumont hield zich, of hij haar niet begreep, en van onderwerp
veranderende, verhaalde hij haar, dat de wond van Deodaat onderzocht
was, en dat men, in afwachting van den wondheeler, om wien men gezonden
had, er een doek met olie van hertshoorn op had gelegd, welk middel
door den eerwaarden Abt van Sint-Odulf als hoogst weldoende was
aangeprezen. "De wond," voegde hij er bij, "is diep; maar men vleit
zich nog, dat er geene edele deelen geraakt zijn."
Madzy gevoelde zich opgebeurd door deze tijding. Zij had naar den
toestand des gewonden niet durven vernemen en de mededeeling van
Beaumont was haar daarom dubbel welkom. "Wij hebben ons veel te
verwijten," vervolgde deze, "dat wij u zoolang aan u zelve hebben
overgelaten; doch wij meenden allen, dat uw bruidegom zich bij
u bevond."
"Ik heb geen bruidegom meer," zeide Madzy met een ontstelde stem.
"Is het dan waar?" vroeg Beaumont; "inderdaad, Mevrouw de Gravin heeft
mij iets verhaald van een onderhoud, dat tusschen u plaats schijnt
te hebben gehad.... doch, vergeef mij, ik raak een onderwerp aan,
dat mij niet betreft en voorzeker pijnlijk is voor u. Ook wordt
het tijd, dat ik mijne boodschap doe. Uw waardige voogd wilde u
gaan opzoeken;--maar hij was zelf zoo ontsteld over die noodlottige
gebeurtenis, dat hij ternauwernood gaan kon. Hij heeft zich dit geval
zoo sterk aangetrokken, als ik zelf kon doen, ik, die nog een oude
betrekking heb tot den goeden Deodaat. Daar ik den last des Graven
ongaarne door een hofbediende had laten volbrengen, heb ik zelf de
vervulling daarvan op mij genomen, en kom u thans vragen, of gij
krachts genoeg zoudt gevoelen om den moordenaar te zien?--vergeef
mij," vervolgde hij, den plotselingen schrik ontwarende, waarmede
Madzy bevangen werd: "het zal wellicht heden nog niet noodig zijn;
doch gij alleen zijt bij het misdrijf tegenwoordig geweest, en uwe
getuigenis is onmisbaar tot zijn overtuiging."
"Heden of morgen," antwoordde Madzy, "het zal er toch toe moeten
komen, en waarom dan maar niet terstond? Mijn ziel is nu toch zoozeer
geschokt, dat een pijnlijke gewaarwording te meer schier geen invloed
meer op mij hebben zal."
"Ik geloof, dat gij recht hebt," zeide Beaumont, "maar in dat geval,
wees zoo goed, en leun op mijn arm. Het doet mij leed dat mijn genadige
Nicht u de hulp van haar Jonkvrouwen niet gelaten heeft.... maar ik
zal zorgen, dat gij na afloop van het verhoor eenige juffers tot uw
dienst hebt."