VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Alexis heeft zijn zusje lief,

Zoolang ze in vrede leven.

Van Alphen. Kindergedichtjes.

Adeelen was, niettegenstaande zijn nederlaag, de stad stappende

uitgereden, niet willende dat iemand zijn vertrek aan schaamte

over zijn val zou toeschrijven, en begrijpende, dat hij zich

dapper genoeg gekweten had, om het hoongelach niet te verdienen der

volksmenigte, welke, zoowel wegens den oploop in den Hout als wegens

zijn vermetele uitdaging, maar meer nog om zijn landaard, tegen hem

was ingenomen. De gedachten van spijt en wraak en minnenijd, welke

zijn ziel vervulden, deden hem echter thans de beleedigingen, hem van

alle zijden nagezonden, ternauwernood opmerken en zijn weg vervolgen

zonder acht daarop te slaan. Buiten de poort gekomen, gaf hij zijn

ros de sporen en stond in weinige oogenblikken voor het klooster.

"Waar is vader Syard?" was wederom zijn eerste vraag onder het

afstijgen.

"De pater is zooeven naar zijn cel vertrokken," antwoordde Sytsken,

die op het binnenplein stond: "een schoone Ridder, die spoorslags

van Haarlem was komen rijden, heeft naar hem gevraagd en een paar

woorden met hem gewisseld zonder af te stijgen, waarna hij weder

is voortgereden."

"Droeg die Ridder niet een rooden arend op den helm?" vroeg Adeelen

haastig: "en bereed hij niet een zwarten hengst?"

"Of 't een arend of een valk was, dat wil ik niet zeker zeggen:

maar zooverre een arme deerne als ik over een paard kan oordeelen,

was het net zoo een stel als daar een dier Ridders op reed, die u uit

de handen van de Haarlemmers verloste.... maar goede hemel! Jonker

Seerp! wat ziet gij er uit. Hebt gij in de stadsgracht gelegen of

hebben zij u bespoten?--Het water druipt u van den wapenrok af."

"Genoeg gesnapt," zeide Adeelen.--"Laat iemand den pater verzoeken

in mijn slaapzaal te komen. Ik zal mij gaan ontwapenen."

Na een half uur waren beiden ter bestemde plaatse bijeen.

"Welnu," vroeg de monnik: "heeft uw uitdaging een goed gevolg

gehad? Mij dunkt gij zijt spoedig terug," vervolgde hij, ziende dat

Adeelen, zonder hem te antwoorden, het vertrek met groote stappen op

en neder wandelde; "en gij schijnt slechts matig tevreden over den

uitslag van het kampgevecht."

"Dat mij de donder sla!" riep Adeelen, "zoo ik morgen het slijk, dat

mijne wapenen bezoedeld heeft, niet afwassche met het bloed van mijn

wederpartij; maar zeg mij, Pater! wat is u die Ridder van den Rooden

Arend komen verhalen? Bij Sint-Nikolaas! hij heeft zich geweerd als

de vogel dien hij voert, en wij hebben in hem een wakkeren bondgenoot."

"Hij is mij komen zeggen," zeide vader Syard, "dat hij naar het Sticht

ging, en dat men weldra van hem hooren zoude. Tevens heeft hij mij

geraden te vluchten, daar ik eerstdaags zou gevat worden. Er schijnt

iets van onze bijeenkomsten te zijn uitgelekt."

"En zult gij zijn raad volgen?"

"Dat men mij vange, ik vrees niets:--elke beleediging, die hier

eenen Fries wordt aangedaan, zal slechts strekken om den haat onzer

landgenooten te feller te doen ontbranden;--maar dat daargelaten:--gij

hebt mij nog den uitslag van het steekspel niet doen weten."

"En ziet gij dien dan niet, bij alle duivels!" riep Adeelen, op

zijn vochtigen wapenrok wijzende: "zesmalen heb ik mijn wederpartij

overwonnen;--de laatste reis wierp mijn paard mij in de beek;--doch

genoeg daarvan:--wij zullen zorgen, morgen gelukkiger te zijn."

Dit zeggende, nam hij een vollen beker, om op den goeden uitslag van

zijn kamp te drinken, en deelde vervolgens aan den monnik mede hoe het

met zijn uitdaging was afgeloopen. Weldra kwamen nu de Heer van Aylva

en de Abt met Madzy van het feest terug, en haastten zich hun vriend

op zijn kamer te gaan bezoeken, ten einde hem woorden van troost en

opbeuring toe te spreken. Zij vonden hem wrevelig en vermoeid in een

armstoel liggende.

"Ik beklaag u van harte," zeide Aylva: "gij hadt u te dapper

geweerd om door een zoo noodlottig toeval uw aanspraak op den

prijs te verbeuren;--maar ik zou in uw nederlaag nog grooter deel

nemen, indien ik die niet aanmerkte als een straf des hemels voor

uw laatdunkendheid. Welke booze geest kon u de dwaasheid ingeven,

den Graaf te gaan uitdagen op zijn eigen grondgebied?"

"_Humiles levat, superbos deprimit Deus_," zeide de Abt, "'t geen

zeggen wil, dat de nederigen verhoogd en de trotschen vernederd

worden. Ja! broeder Syard weet hoe dikwijls ik mijn best gedaan heb

om hoogmoed en eigenwaan bij onze broeders uit te roeien."

"Zoo de hoofsche taal van den Graaf u verlokt heeft," zeide Adeelen:

"zoo gij, mijne Heeren! al de beleedigingen, die ons hier worden

aangedaan, als zoete koek gelieft op te eten, het is mij wel. Ik ben

ongelukkigerwijze van een min gemakkelijken aard en zal niet rusten

voordat ik den hoon gewroken heb, den Frieschen naam en mijn Madzy

aangedaan."

"Wat mij betreft," zeide Madzy: "ik heb mij niet beleedigd gevoeld."

"Dat geloof ik wel," zeide Adeelen: "gij zijt vriendelijk onthaald,

gevleid, gestreeld: en wellicht zoude het u nog bovendien aangenaam

zijn, dat die Italiaansche windbuil morgen de zege behaalde, al ware

de overwonnene een Fries en uw verloofde."

Madzy werd bleek: doch zich straks herstellende, zeide zij met vuur:

"ik beken dat ik niet zou juichen, indien op morgen uw lans het

bloed deed stroomen van een schuldelooze, van iemand, die u het leven

gered heeft."

"Ga voort!" zeide Adeelen: "voeg er nog bij, van iemand, die uw hart

gestolen heeft. Is het niet zoo? Maar weet, schoone Jonkvrouw! dat

ik morgen, zoo ik den knaap overleve, verwinnaar of verwonnene,

niet zal gedoogen, dat gij een dag langer deze verpeste lucht inademt."

"Seerp Van Adeelen!" zeide Madzy met waardigheid: "onze ouders hebben

ons als kinderen aan elkander verloofd: ik heb u altijd de liefde eener

zuster en de toegeeflijkheid, die eene vrijster aan haar verloofde

schuldig is, betoond. Maar dit verklaar ik u plechtig, dat niets ter

aarde mij dwingen zal u te huwen, zoolang gij den dwazen weg blijft

houden, dien gij sedert eenigen tijd zijt gevolgd. Boogt gij op den

naam van vrij, ik stel daar geen minderen prijs op: en nimmer zal ik

de gade worden van iemand, die mij reeds vóór het huwelijk als zijn

slavin behandelt.'"

"En wie der hofvlinders," vroeg Adeelen, "welke om u heen gefladderd

hebben, heeft u dat schoon besluit doen vormen?"

"Madzy heeft volkomen recht," zeide Aylva: "en zoo iemand hier haar

gehoond heeft, zijt gij het, door uw onbetamelijk uitvaren. Dan het is

tijd, dat wij ons voor het feest bereiden. Zult gij ons vergezellen,

Adeelen?"

"Om weer tot een voorwerp van spot te verstrekken? Ga, zoo gij

verkiest, en zeg dien trotschen Graaf, dat ik zijn uitnoodiging

verafschuw, en dat het tusschen hem en mij een zaak van dood en leven

is. En wat u betreft, Madzy! ga en lach en scherts met uwe nieuwe

vrienden! schimp met hen op den armen Adeelen, op uw verloofde, die

morgen misschien om uwentwille en om den wille van het land zijner

vaderen zijn leven laten zal. Voorwaar! de maagden van Friesland

zullen u eerekransen vlechten bij uwe terugkomst en uwen lof bezingen,

omdat gij zoo schoon de eer der uwen hebt opgehouden."

"Gij zijt onbillijk, Adeelen!" zeide Madzy, terwijl de tranen in

haar lieve oogen blonken: "denkt gij, dat ik het gevaar, 't welk

den vriend mijner kindsheid, mijn speelmakker, mijn broeder boven

het hoofd hangt, met een onverschillig oog aanzie?--Gelooft gij,

dat ik zelve gestemd ben, dat gehate feest bij te wonen!--O neen,

mijn voogd! laat mij blijven, en dit gebouw niet eer verlaten, dan

om naar Friesland te keeren."

"Ik weet," zeide Adeelen, bewogen, "dat uw hart goed is, en dat

gij ook om het onheil eens onbekenden zoudt treuren: maar bij den

hemel! ik werd liever door u bespot en uitgelachen, dan dat gij mij

alleen die tranen schonkt, welke men voor een speelmakker, voor een

broeder vergiet. Het is als uw bruidegom, als uw minnaar, dat ik uwe

tranen verg, en God weet, of zij niet sterker nog vloeien zullen,

indien mijn arm morgen in den kampstrijd dien Italiaan neerslaat,

die u van liefde heeft durven spreken."

Madzy berstte in tranen uit: zij wilde zich verdedigen, maar zij kon

geen geluid uitbrengen; want haar hart was vol: het had de juistheid

van Adeelens uitdrukking gevoeld. De ruwe Fries was zelf ontzet over

de uitwerking zijner woorden: hij bleef staan, kruiste de armen over

de borst, en Madzy met sombere oogen aanziende: "is het waarlijk

zoover gekomen?" riep hij uit: "heeft Madzy Dekama, de edele dochter

van Frieslands braafsten held, de bruid van Seerp Van Adeelen, zich

door de zoete woorden laten bepraten van een onbekenden gelukzoeker,

die naam noch afkomst bewijzen kan, wien een onzalige wind naar deze

kust gevoerd heeft om zich ten koste der ingezetenen te verrijken? En

moet de ronde, vrije Fries achterstaan, omdat zijne taal oprecht en

ongeveinsd is, omdat hij nooit de schoone woorden en de vleitaal der

hovelingen heeft leeren spreken? Gij antwoordt mij niet: gij zwijgt,

Madzy! gij slaat uwe oogen neder! o! ik bezweer u, spreek slechts

één woord: zeg mij, dat gij nog dezelfde zijt: zeg, dat het enkel een

tijdelijke bedwelming, een vrouwelijke behaagzucht is geweest, welke

u het oor aan zijne taal heeft doen leenen. Zeg mij dit, Madzy! stel

mijn hart gerust, en gij zult mij voortaan ook veranderd vinden. Ik zal

niet meer als meester tot u spreken: ik zal uwe wenschen gehoorzamen:

ik zal u naar de oogen zien: uwe begeerten raden en voorkomen. O! tot

dit oogenblik toe had ik nooit geweten, hoe heftig ik u beminde;

maar de vrees om u te verliezen heeft mij de oogen doen opengaan:

ik gevoel nu de kracht mijner liefde: waarlijk! ik zal geen geluk

meer hebben, zoolang ik niet van de uwe verzekerd ben."

Madzy gevoelde zich sterk aangedaan. Nooit had zij Adeelen zoo warm,

zoo waardig, met zooveel gevoel hooren spreken. "Ja, ik wil uw vriendin

zijn, Adeelen! gelijk voorheen," zeide zij, hem hare hand toereikende:

"doch op ééne voorwaarde. Ik wil even oprecht zijn als gij met mij

geweest zijt: ja, uw gedrag heeft mij verontwaardigd. Gij hebt in

mijne tegenwoordigheid dien Italiaanschen Ridder beleedigd.... neen,

antwoord niet; hij moge dan zijn wie hij mag: die afkomst doet hier

niets ter zake;--gij hebt hem gehoond, en mij ter zelfder tijd. Gij

hebt mij in zijne oogen en in die van anderen voorgesteld, als ware

ik een losse, minzieke deerne, gereed mij te vergooien aan al wie mij

een zoet woordje toesprak. Hoor wat ik eisch en tot welken prijs gij

mijne achting kunt herwinnen. Gij zult dien vreemdeling, dien Deodaat

van Verona, bestrijden;--maar eerst zult gij hem verklaren, dat de

woorden, u in drift ontvallen, u leed doen: dat gij overtuigd zijt,

dat nooit tusschen hem en mij eenige gesprekken zijn voorgevallen,

die ik niet hooren mocht: en dat gij ook den hoon vergeten wilt,

u door hem ter wedervergelding aangedaan."

"Gij vraagt veel, Madzy!" zeide Adeelen: "meer dan met ridderplicht

kan strooken. Zal ik iemand om vergeving bidden, wiens vuistslag nog

op mijn aangezicht gloeit?"

"Gij zijt een Fries," zeide Madzy: "en draagt roem op uw

rondborstigheid. Zoudt gij die alleen aanwenden om te beleedigen en

niet om te durven erkennen, dat gij ongelijk hadt?"

"Welaan!" zeide Adeelen: "ik zal doen wat gij begeert: ik zal heden

nog, in uwe tegenwoordigheid, den Italiaan de vergoeding doen, die

gij verlangt; doch ik heb ook mijne voorwaarde, en de edele Aylva zal

oordeelen, of zij billijk is: zij is deze, dat gij na uwe terugkomst

in Friesland u met mij in den echt verbindt, en dat ik u heden nog

aan het hofgezin als mijne bruid en toekomstige gade moge voorstellen."

"Mij dunkt," zeide Aylva: "dat deze voorslag niet onredelijk is:

zoo kwam er een einde aan alle moeilijkheid."

Madzy verbleekte: zij was op dit onverwachte voorstel niet verdacht, en

een samenloop der meest verschillende en tegenstrijdige gewaarwordingen

doorstroomde haar hoofd. Maar evenals een akker, hoe meer hij omgewoeld

is, des te spoediger vruchten voortbrengt, zoo is ook het menschelijk

hart te gereeder een grootsch besluit te nemen, naarmate het feller

door driften geschokt is. Zij vermande zich, wischte den opgewelden

traan uit het oog en stak haar hand opnieuw aan Adeelen toe.

"Ik geloof inderdaad," zeide zij met een vaste stem, "dat gij gelijk

hebt. Ja! ik zal de uwe zijn en heden moge dit op het feest ruchtbaar

worden,--maar.... vergenoeg u dan met hetgeen gij tot nu toe verricht

hebt: wees bedaard en terg den Graaf niet meer.--Ja, kan het zijn,

dat die onzalige kampstrijd op morgen geene plaats had.... doch ik

gevoel dat dit onmogelijk is.

"Gij zegt wel, Madzy," zeide Aylva: "had Adeelen mij geraadpleegd,

ik zoude getracht hebben, hem die dwaze uitdaging uit het hoofd te

praten; maar nu die eens geschied is, kan hij niet teruggaan zonder

zijn eer te krenken."

"En nu!" zeide Adeelen, wien het zoet vooruitzicht, waarmede hij zich

streelen mocht, bijna op eens in een galanten ridder herschapen had,

"laat vrij in 't perk komen wie wil: door Madzy's liefde gesterkt,

ben ik onverwinnelijk."

"God zegene u, mijne kinderen!" zeide de Olderman, beiden aan zijn

hart drukkende: "maar laat ons thans den tijd niet verzuimen en ons

gereedmaken voor het feest."

Elk verliet hierop het vertrek, den Frieschen Edelman hooggestemd

door vreugde en verwachting achterlatende. Madzy daarentegen gevoelde

eene andere gewaarwording, sinds zij zelve haar lot bepaald had; zij

was beklemd en neergedrukt: en nauwelijks was zij in haar vertrek

gekomen, of zij zonk in een armstoel neder, en de macht, waarmede

zij hare hartstochten beteugeld had, maakte plaats voor een diepe

neerslachtigheid.

"Wat heb ik gedaan?" vroeg zij zich zelve af: "mijn hand toegezegd

aan een man, voor wien ik geene liefde gevoel, wiens onhandelbare

aard mij ongelukkig maken zal?--En toch! ik heb wèl gedaan. Zóó

alleen kan en zal ik die dwaze grillen vergeten, welke dit noodlottig

verblijf in Holland mij in 't hoofd gebracht heeft. Te voren kon ik

mij zonder ontroering het denkbeeld voorstellen van Adeelens vrouw te

worden;--en waarom thans niet? Heb ik nog niet een oogenblik geleden

nieuwe bewijzen gezien van den invloed, dien ik op hem bezit? en zal

het mij niet mogelijk wezen, met de hulp des Hemels, de inborst mijns

gemaals te verzachten? Zijn hart is goed en oprecht: en onder de ruwe

schors zit een edele ziel verborgen. Zoo ik van hem verkrijgen kan

dat hij zijne ontembare driften beteugele, zal ik met hem gelukkig

kunnen zijn.... gelukkig! Ja, moet men dit niet altijd zijn, wanneer

men zijn plicht doet!"

Hier werd zij uit haar mijmering gewekt door de stem van Sytsken,

die al een poos naast haar gestaan had en haar vroeg, wanneer het

haar behagen zou, zich aan te kleeden.

Ik geloof, dat het hier de plaats is om onze lezers, en vooral

onze lezeressen, die wellicht de schoone Madzy van ongestadigheid

of besluiteloosheid verdacht houden, kennis te doen dragen van de

drijfveeren, welke haar hadden aangespoord om zoo en niet anders te

handelen, en om haar karakter tegen alle beschuldigingen van dien aard

te verdedigen. Het zal hiertoe noodig zijn, eenige omstandigheden

op te halen uit haar vroeger leven, welker vermelding wij met opzet

hebben verschoven.

Onder de Friesche geslachten, die steeds met den meesten ijver de

voorrechten en vrijheden van hun volk verdedigd hadden, was dat

der Dekama's een der aanzienlijkste. Bezitters van uitgestrekte

landgoederen en aan het hoofd eener talrijke schaar van aanhangers,

hadden zij in de raadsvergaderingen, waar de belangen des lands

verhandeld werden, zoo niet een overwegenden, dan toch steeds een

gewichtigen invloed gehad. Aan het hoofd van dit adellijk geslacht

bevond zich in het begin der veertiende eeuw de wakkere Sjoerd Dekama,

wiens bezittingen een groot deel uitmaakten van die landerijen,

welke zich, langs Frieslands Noordelijke kust, van Harlingen tot

Dokkum uitstrekken. Toen bijna het gansche gewest zich voor den

overwinnenden invloed van Willem den Derden nederboog, was Sjoerd

Dekama schier de eenige, die de heerschappij des machtigen Graven

van zijn hooge stins in Baarderadeel was blijven trotseeren. Gaarne

had hij meer gedaan en zijne landgenooten in 't veld aangevoerd, om

het juk der slavernij, hoe zacht het ook ware, van hun schouderen te

werpen; maar de binnenlandsche verdeeldheden, welke gedurende zijn

leven Friesland teisterden, beletteden hen, zich genoegzaam aaneen

te sluiten, om aan zijn verlangen te voldoen.

Vurig had Dekama gewenscht een stamhouder achter te laten, op

wien zijn bezittingen en tevens zijn haat tegen alle vreemde

overheersching zouden overgaan. Reeds lange jaren was hij gehuwd

geweest met een dochter uit het geslacht der Hattinga's; maar

zijn echt was steeds onvruchtbaar gebleven. Bedevaarten naar Onze

Lieve Vrouwe van Kevelaar en van Scherpenheuvel, ruime giften aan

kloosters en kapellen, alles was beproefd geweest, om den zegen des

hemels op dezen echt te verkrijgen; doch alles scheen vruchteloos:

en reeds wanhoopten de beide ouders, toen eindelijk, na tien jaren

huwelijks, de zwangerschap zijner echtgenoote aan Sjoerd Dekama het

vooruitzicht opende om zijn hoop verwezenlijkt te zien. Men schreef

deze gunstige wending daaraan toe, dat de edele Vrouw gedurende jaar

en dag het water der heilfontein te Dokkum gedronken had. Volgens

de overlevering was deze fontein (welke nog ten tijde van Winsemius

gezien werd) haar oorsprong aan een wonderwerk verschuldigd. Toen

men, in de negende eeuw, het klooster met de kerk op een hooge werf

of terp zoude bouwen, wist men geen raad om de kloosterlingen aan

zoet water te helpen. De landvoogd Abbo, die Friesland uit naam van

Pepijn den Korten bestuurde, was er bij en wist al zoo weinig als

de ingezetenen eenigen goeden raad te verschaffen. Het paard van een

zijner Jonkers (dat waarschijnlijk van den vermaarden Pegasus afstamde)

nam de zwarigheid weg; want het stampte slechts met de voeten op de

aarde en fluks kwam er klaar bronwater opborrelen.--Wat er van deze

vertelling zij, welke lang als ontwijfelbaar is beschouwd door de

minnaars van het wonderbaarlijke, zeker is het, dat de Friezen over

't algemeen heilzame krachten aan de fontein toeschreven, en vooral

een vruchtbaarmakend vermogen, waarvan Foelke Dekama alsnu, gelijk men

meende, de uitwerking had ondervonden. De vreugde was nu op Dekamastins

ten top en de schoonste toekomst lachte den Burchtheer tegen, toen

de geboorte van het zoolang verwachte kind alle vooruitzichten in

rook deed verdwijnen. De Burchtvrouw bracht een meisje ter wereld en

stierf in het kraambed.

Een wanhopige droefheid vervulde de ziel des vaders, die zich zoo

opeens in al zijn verwachtingen zag teleurgesteld. Ter neder gedrukt

door den slag, die hem getroffen had, bekommerde hij zich weinig over

het onnoozele kind, dat hem niet slechts, als een levend aandenken,

den droevigen dood zijner beminde gade bestendig herinnerde, maar

ook door de kunne van het wicht de vergoeding niet aanbood, welke

alleen in staat ware geweest hem bij haar gemis eenigen troost te

verschaffen. Ja, de kindsheid der arme Madzy ware beroofd geweest

van de noodige zorgen, had niet een bloedverwante van hare moeder,

die bij de bevalling was tegenwoordig geweest en de Vrouwe van Dekama

in haar uiterste had bijgestaan, zich het hulpelooze schepseltje

aangetrokken. Deze liefdadige vrouw was Sybe Hattinga, de gade van

Juwe Van Adeelen. Medelijden opvattende met den deerniswaardigen

toestand van het verschoven weesje, verzocht zij als een gunst van

Dekama om zijn dochtertje met zich naar Adeelastins te mogen nemen,

onder belofte van voor haar eerste opvoeding te zullen zorg dragen: en

Dekama, aan wien het gezicht van het kind meer en meer onverdraaglijk

was geworden, stond dit verzoek volvaardig toe.

Sybe Van Adeelen betoonde zich het haar geschonken vertrouwen volkomen

waardig, door de teedere zorgen, welke zij aan het aanvallige wicht

besteedde, waarvoor zij al spoedig een moederliefde opvatte en

betoonde, schier gelijk aan die, welke zij toedroeg aan haar eenigen

zoon Seerp, een knaap, ongeveer tien jaren ouder dan Madzy. Recht

in zijn schik, dat moeder hem een zusje had medegebracht, hechtte

hij zich terstond aan het kleine meisje, droeg voor haar meermalen

waakzame zorg wanneer zijn moeder afwezig was, achtte zich gelukkig,

wanneer hij de eerste schreden van het lieve kind besturen mocht,

en verliet niet zelden zijne spelen om bij het wiegje te zitten

en aan zusje Madzy de zoetste woordjes, die hem in den zin kwamen,

te laten nastamelen.

Ook Juwe Van Adeelen had zijn aangenomen dochtertje lief; misschien

even zooveel als zijn vrouw, en iets minder dan zijn zoon, met wien

hij het meest ophad, en wel om de eenvoudige reden, dat deze de

eenigste was van de drie, die hem op zijn jacht- en vischpartijen kon

verzellen. Buiten deze genoegens en die van de daarmede in verband

staande drinkmalen, was de goede man toch onvatbaar voor eenige

genieting; en de oogenblikken, welke hij rustig en in den huiselijken

kring op zijn stins doorbracht, waren zoo zeldzaam, en hij bevond zich

bij die gelegenheden zoo misplaatst, dat men hem daar minder als den

Heer des huizes dan wel als een gastvriend beschouwde. Hij liet dan

ook zijn echtgenoote volkomen vrij, zoowel in de besturing van haar

huiselijke zaken als in haar beschikkingen omtrent Madzy:--en zeker

had hij zijn vertrouwen nimmer beter kunnen plaatsen.

Onder de waakzame oogen der edele Vrouw bracht de telg van Dekama

de dagen harer kindsheid allergelukkigst door, teeder gehecht aan

haar pleegmoeder, en ook aan haar grooten broeder Seerp, gelijk zij

hem noemde: hoewel zij met dezen laatsten, naarmate zij in jaren

klommen, somtijds onaangename tooneelen had, door zijn hoofdigen en

eigenzinnigen aard veroorzaakt; want, zoolang hij met haar gesold

had als met een klein kind, dat hem nimmer tegensprak, had zij nooit

iets van hem te lijden gehad; maar naderhand ging het tusschen hen

als met Alexis en zijn zusje, volgens het bevallige gedichtje, dat

wij tot motto van dit hoofdstuk hebben gebezigd. Daar echter Madzy

zachtzinnig en inschikkelijk van aard was, en bij alle oneenigheid

dadelijk toegaf, was de vrede doorgaans spoedig hersteld en de smart

ras vergeten:--en welke zijn de onaangenaamheden, welke de kindsheid

niet spoedig voorbijziet?

Het duurde ongeveer tien jaren, eer Dekama, die intusschen, als

der wereld en hare vreugde afgestorven, zijn treurige dagen op zijn

erfgoed had doorgebracht, zich herinnerde, dat hij nog een dochter

op Adeelastins in leven had: en verveling of nieuwsgierigheid, meer

dan ouderliefde, dreven hem derwaarts. Doch helaas! het onvoorbereide

meisje rukte zich los uit de armen van den somberen, zwarten edelman,

die haar omhelzen wilde, en zocht haar toevlucht aan den hals van

haar pleegmoeder.

Deze ontmoeting was weinig geschikt om aan Dekama meerdere teederheid

voor zijn dochter in te boezemen. Hij verkropte echter zijn spijt,

uit aanmerking der erkentenis, welke hij aan Sybe verschuldigd was;

maar hij eischte zijn kind niet terug, tot groot genoegen der edele

Vrouw, die het ongaarne gemist zou hebben op een tijd, dat het in staat

begon te worden de haar bewezene diensten te beloonen. Daarentegen

schepte hij, gedurende het kort verblijf, dat hij op Adeelastins

maakte, genoegen in den omgang met den jeugdigen Seerp, die nu de

jaren bereikt had, waarop hij de wereld in kon treden, en wiens

hooghartig karakter veel overeenkomst met het zijne had. Dekama

bemerkte weldra, dat de opvoeding van den jongeling in vele opzichten

verwaarloosd was, daar deze op de stins en onder de leiding zijns

vaders weinig gelegenheid had gehad om zich in het meer edele gedeelte

der ridderlijke oefeningen bekwaam te maken. Hij stelde daarom aan den

ouden Adeelen voor, dat Seerp hem naar Dekamastins zoude vergezellen

om hem tot schildknaap te verstrekken en onder zijn opzicht aan te

leeren wat hem nog ontbreken mocht;--door welken dienst hij, gelijk

hij zich uitdrukte, de handelwijze der Adeelens jegens zijne dochter

hoopte te vergelden. Deze voorslag klonk in den beginne vrij onwelkom

in de ooren van Juwe, die niet gaarne een zoo wakkeren jachtgezel als

zijn zoon wilde missen; doch op aandrang, zoowel van den knaap zelven,

die, volgens den aard der jeugd, naar verandering haakte en wien het

in de ziel griefde, dat ieder zijner tijdgenooten hem in bekwaamheid

vooruit was, als van de verstandige moeder, die het voorbeeld van haar

echtgenoot hoogst gevaarlijk achtte voor den jongeling, gaf de oude

man toe, en Seerp volgde Dekama op de stins van dezen, waar hij zich

al spoedig in alle ridderlijke oefeningen zoodanig volmaakte, dat hij

in staat was, om, gelijk wij gezien hebben, met eer op een steekspel

te verschijnen. Maar behalve de uiterlijke bekwaamheden, welke hij van

Dekama overnam, zoog hij ook van dezen, gelijk wel te verwachten was,

al de vrijheidsademende denkbeelden en al den nationalen trots in,

welke den ouden Edelman kenmerkten en, als het meestentijds gaat,

door zijn kweekeling nog overdreven werden.

Dit duurde zoo tot den dood van den ouden Juwe Van Adeelen, die na

verloop van een drietal jaren op een jachtpartij overleed aan de

gevolgen van een twist, uit een beuzelachtige omstandigheid ontstaan:

namelijk over het aanleggen van het vuur. Eenigen der Edelen, die de

Schieringer-partij waren toegedaan, hadden namelijk het vuur boven de

brandstoffen gelegd, iets hetgeen de Vetkoopers, die gewoon waren,

zich te onderscheiden door de turven boven het vuur te leggen, niet

wilden gedoogen. De kortelings nog vroolijke jachtgezellen, door den

drank verhit, trokken hun dolken en zwaarden; Juwe, ofschoon van een

vreedzamen aard, zag zich genoodzaakt partij te kiezen en ontving in

het gevecht een doodelijke wonde. Seerp keerde op het bericht van dit

voorval naar zijn stins, om van zijns vaders erfgoed bezit te nemen en

zijn dood te wreken. Weldra toonde hij, dat de leden van zijn geslacht

aan hem geen zoo gemakkelijk stamhoofd, noch de eigengeërfden uit

den omtrek een zoo toegevenden buurman hebben zouden als zijn vader

geweest was. Zijn eerste daad was, zijn krijgsknechten uit te rusten,

de moordenaars zijns vaders op hunne stinsen te overvallen en hen van

't leven te berooven. Deze doodslag werd wel gezoend; maar niet zonder

dat een aanzienlijk gedeelte der landgoederen van Adeelens vijanden

in zijn bezit verbleven: terwijl zijn stoute daad hem een grooten

naam gaf bij zijn partij en hem trotscher en hooghartiger maakte

dan ooit. De zachte vermaningen zijner moeder en de zusterlijke

raadgevingen van Madzy hielden hem echter eenigszins in toom, en

beletteden althans voor eenigen tijd, dat Adeelen zich in nieuwe

twisten stak. Intusschen zag de edele Vrouw de toekomst donker in, en

voedde niet ten onrechte de vrees, dat wanneer zij eens haar echtgenoot

in het graf zoude gevolgd zijn, haar zoon, bij gemis van goeden raad

en leiding, zich geheel aan de inspraak van zijn heerschzuchtigen

aard zou overgeven. Haar vurigst verlangen, hetwelk zij meer dan

eens bedektelijk uitte, was daarom, dat Madzy, wier juist oordeel,

uitmuntend verstand en zachte inborst haar tot zulk een taak volkomen

in staat stelden, Seerp eenmaal, wanneer zijn moeder kwam te vallen,

tot leidsvrouw en gezellin op 's levens pad verstrekken mocht. Madzy,

die nooit eenig jongeling dan Seerp had leeren kennen, en hem een

zusterlijke genegenheid toedroeg, leende geen afkeerig oor aan de

wenschen, door haar weldoenster gekoesterd, en gewende zich als van

zelve aan het denkbeeld van op Adeelastins haar dagen aan de zijde des

Burchtheers te blijven doorbrengen. Wat dezen betrof, hij beschouwde

haar nog te veel als een kind, dan dat hij er om gedacht zoude hebben,

haar in goeden ernst zijn hof te maken: hij behandelde haar, gelijk

hij altijd gewoon was geweest, zeer uit de hoogte; maar hij deelde

niettemin in den wensch zijner moeder; want hij voorzag, dat Madzy

een aardig lief vrouwtje zoude worden, en de gedachte streelde hem,

dat de bezittingen van de rijke erfgename der Dekama's hem eenmaal

tot den vermogendsten der Friesche Edelen zouden maken en hem in staat

stellen, een overwegenden invloed op zijn landgenooten uit te oefenen,

en hen tot afschudding van het Hollandsche juk te nopen.

De stille leefwijze, welke Madzy sinds haar eerste kindsheid op

Adeelastins geleid had, moest eindelijk ophouden. De Vrouwe van

Adeelen, die sedert eenige jaren de beginselen eener teringziekte had

onder de leden gedragen, voelde haar einde naderen. Op haar sterfbed

gaf zij nog voor 't laatst haar innig verlangen te kennen, dat Madzy

eenmaal haar zoon zoude huwen: en toen het diep ontroerde meisje

door aandoening werd belet haar te antwoorden, legde zij de handen

der twee wezens, welke zij boven alles bemind had, in elkander,

en ontsliep zonder smarten, de zalige gedachte met zich nemende,

dat zij een brave gade voor haar zoon had opgekweekt.

Toen Sjoerd Dekama kennis van het sterfgeval bekwam, zag hij wel in,

dat hij niets anders doen kon, dan de zoolang door hem verwaarloosde

dochter bij zich in te nemen. Hij zond zijn ouden slotvoogd om haar

af te halen; en zij kwam tot hem, een vreemdeling in het huis haars

vaders. Wel was deze innerlijk trotsch op zijn dochter, toen hij zag,

hoe schoon en beminnelijk zij was geworden; maar sedert zoolang was

zijn stins door geen vrouwenvoet betreden geweest, dat hij moeite

had, haar die gemakken te verschaffen, welke haar kunne en staat

vereischten: zoodat zij een weinig genoeglijk leven sleet, alleen

in het gezelschap van iemand, die den omgang met vrouwen geheel was

afgewend. In den beginne kwam, wel is waar, Seerp haar nu en dan

bezoeken en eenige verscheidenheid in haar eentonig leven brengen;

doch daar deze eerlang met de monniken van Lidlum in een heftigen

twist geraakte, die hem zijn huwelijksvoornemens voor een wijl deed

uit het oog verliezen, werden die bezoeken weldra meer schaarsch en

hielden eindelijk geheel op.

Dan, ook de tegenwoordige toestand van Madzy moest van korten duur

zijn. Dekama stierf, eer nog het jaar ten einde was, aan een aanval

van beroerte, welke men toeschreef aan de woede, waarin hij geraakt

was, bij het vernemen, dat Stavoren en nog twee Friesche steden de

laagheid hadden gehad, den Graaf van Holland als Heer te huldigen. Bij

zijn uitersten wil droeg hij de voogdij over zijne dochter op aan den

Heer van Aylva, zijn krijgsmakker en wapenbroeder in vroegere jaren,

en den eenigen man bijna, wiens gezelschap hij nog in de dagen zijner

afzondering had willen dulden.

Aylva kwam naar Dekamastins, zoodra hij het verlangen van zijn

overledenen vriend had vernomen. Madzy kende den Olderman niet

persoonlijk; maar zij had hem meermalen door haar vader hooren

prijzen, die hem een volkomen Ridder noemde, welke slechts

één gebrek had, namelijk dat hij niet genoeg Fries was, 't geen

Dekama aan de veelvuldige reizen en lange uitlandigheid van Aylva

toeschreef. Weldra, bij de kennismaking met haar voogd, die haar nu

meermalen ter regeling en besturing van haar erfgoed bezoeken kwam,

leerde zij zijn beminnelijk en edel karakter ook bij ondervinding

kennen en waardeeren, en met een soort van verwondering ontdekte zij,

dat er nog een ander slag van menschen bestond, dan haar vader of de

Adeelens. Zij hoorde nu niet meer op allen vreemden landaard schelden,

noch uitsluitend datgene prijzen, wat louter Friesch was: zij hoorde

van gewoonten en gebruiken spreken, waarvan zij nooit gedroomd had:

en een beschaafden, wellevenden toon voeren, welke noch op het sombere

huis van Dekama noch op Adeelastins ooit gekend was. Het was dan ook

zonder tegenzin, dat zij het aanbod aannam, haar door Aylva gedaan,

om eenigen tijd op zijne stins te komen doorbrengen en aldaar zijne

zusters gezelschap te houden, terwijl het huis haars vaders eenige

herstelling en vertimmering onderging, die door langdurig verzuim

hoogst noodig waren geworden.

Het was daar, in haar nieuw verblijf, dat zich de uitmuntende

begaafdheden, welke zij van de natuur ontvangen had, geheel

ontwikkelden. De twee zusters van Aylva, jonger dan hij, doch oud

genoeg om Madzy door haar voorbeeld op te leiden, verschaften haar

een even genoeglijk als leerrijk gezelschap. Beiden waren niet

slechts in alle vrouwelijke handwerken, maar ook, hetgeen te dier

tijd zeldzamer was, in zang en snarenspel bedreven; en Madzy maakte

van haar onderricht zulk een nuttig gebruik, dat zij weldra haar

meesteressen voorbijstreefde. Bovendien werd de stins van Aylva niet

zelden bezocht door welkome gasten, die zoowel door den gullen en

aangenamen omgang des Oldermans als door de schoonheid en begaafdheden

van het beminnelijke drietal werden derwaarts gelokt, en de Roos van

Dekama (want deze naam, haar door een reizenden minnezanger gegeven,

was haar sedert bijgebleven) bracht, in die gestadige afwisseling

van vroolijke en belangrijke gezelschappen, de schoone dagen harer

jeugd op de aangenaamste wijze door.

Ondertusschen had Seerp Van Adeelen met de monniken van Lidlum

vrede gesloten, waartoe hem, gelijk wij vroeger gezien hebben,

de welsprekendheid van vader Syard genoopt had; de verstandige

kloosterling had hem van zijn zwakke zijde aangetast, door hem te

verhalen, hoezeer de Hollanders juichten over de inwendige tweespalt,

die Friesland verdeelde. Adeelen begon nu weder aan Madzy te denken en

zich te verwijten, dat hij haar eenigen tijd verwaarloosd had. Daar hij

echter zijn huwelijk met haar als een vastgestelde zaak beschouwde,

aan wier voltrekking geen twijfel wezen kon, deed hij, bij zijn

eerste bezoek op de stins van Aylva, geene de minste moeite om zijn

achteloos gedrag te vergoelijken, of verschooning aan Madzy, die

hij nog altijd als een kind aanzag, af te smeeken. Wat haar betrof,

zij had, wij moeten het gulweg bekennen, in den laatsten tijd weinig

aan hem, ofschoon dagelijks aan zijn goede moeder, gedacht: zij zag

hem niet terug met dat oog van eerbied en vrees, waarmede zij vroeger

gewoon was geweest hem te aanschouwen. Hij was voor haar niet langer de

Burchtheer van Adeelastins, zooveel ouder dan zij; maar eenvoudig een

onhoffelijke, ruwe landedelman, die nog veel te leeren had, eer hij

geschikt ware om haar hart te winnen. Zij behandelde hem echter, uit

oude betrekking, met minzame vertrouwelijkheid; maar als Adeelen over

hun aanstaand huwelijk sprak, kwam zij altijd met de verontschuldiging

voor den dag, dat zij nog veel te jong was om daaraan te denken.

Hij kon zich echter over dit antwoord niet beklagen; want hij zag, dat

het geene loutere uitvlucht was: daar zij verscheidene andere edele

Friezen, die de rijke erfdochter der edele Dekama's ten huwelijk

waren komen vragen, ronduit had afgeslagen, en hem herhaaldelijk

verzekerde dat zij bereid was, de hoop eenmaal te verwezenlijken,

door zijn moeder gevoed.

Aldus stonden de zaken, toen de gebeurtenissen te Stavoren plaats

vonden, welke aanleiding gaven, dat in den _weerstal_ of de

landsvergadering der Friezen tot het zenden van afgevaardigden

besloten werd, waarbij men zich op de drie personen bepaalde,

in deze geschiedenis genoemd. De keus der geestelijke Heeren viel

natuurlijk op den Abt van Sint-Odulf, daar deze als een nabuur der

inwoners van Stavoren het meest bij de zaak belang had, en het best in

staat was het gebeurde te beoordeelen. Oostergoo benoemde Aylva, die,

wegens zijn aanzienlijke bezittingen en als Olderman van Leeuwarden,

in dat gewest een uitgebreiden invloed had. Westergoo koos Adeelen,

zoowel om zijn koninklijke afkomst, welke hem zelfs onder de vrije

Friezen een aanzien gaf, dat hij anders niet zoude hebben gehad,

als om het ontzag, dat men voor zijn macht en wakkere daden gevoelde.

Adeelen, bezorgd dat Madzy in de afwezigheid van Aylva zonder

bescherming zoude achterblijven, en wellicht ook de hinderlagen

duchtende, welke, 't zij door dezen of genen minnaar, 't zij door een

geheimen vijand zouden gelegd kunnen worden, drong bij Aylva aan,

dat hij haar met zich op de reis naar Holland zoude nemen: tevens

echter zijn verlangen te kennen gevende, dat zij zich aldaar zoo min

mogelijk vertoonen zoude. Aylva had er niets tegen om aan het eerste

gedeelte van dit verzoek te voldoen, hoezeer het hem leed deed dat zijn

zusters, die in den tusschentijd gehuwd waren, haar niet zouden kunnen

vergezellen;--maar hij bekende, de reden niet in te zien, waarom hij

aan Madzy die vermaken zoude ontzeggen, welke een tijdelijk verblijf in

Holland haar kon opleveren, en waarop iemand van haar kunne en leeftijd

billijk mocht aanspraak maken. Madzy echter nam alle zwarigheid weg,

door te verklaren, dat, zoo zij medeging, zulks alleen zoude wezen,

om haar voogd op reis de noodige oppassing en dienst te bewijzen,

waaraan hij gewoon was, en dat zij niet verlangde zich in 't openbaar

te vertoonen om aan de Hollandsche Jonkvrouwen tot een voorwerp van

spotternij te verstrekken:--en het was onder deze voorteekenen dat

de reis werd ondernomen.

Dan, de goede Madzy had niet nagedacht, dat deze reis zou dienen om

haar voorwerpen te leeren kennen, en zaken uit een oogpunt te doen

zien, van welke zelfs de gesprekken met haren voogd haar nog geen

denkbeeld hadden kunnen geven. Zij vond zich, zonder zelve te weten

hoe, op eenmaal als een twistappel aan het hof des Graven geworpen,

gevleid, bewonderd en benijd. Zij had de zoete taal gehoord van

Ridders, bij wie Adeelen evenmin te vergelijken was als de ruwe

goedendag des huismans bij den sierlijken pronkdegen met Damasceensch

lemmer des Edelmans, en hoe nederig ook en ingetogen, zij was eene

vrouw, en had niet zonder eenig behagen haar lof in hoofsche taal

hooren uitspreken door den mond eens Graven van Holland en zijner

Edelen, en haar hart sloeg harder, wanneer zij zich den wakkeren

Deodaat voorstelde, met zijn helderen, vriendelijken oogopslag,

met zijn zachtaardig voorkomen, dat zoo vreemd afstak tegen zijn

onweerstaanbaren moed, met zijn innemende stem, bevallige manieren

en heusche handelwijze ten haren opzichte.

"Maar wat baat dit alles?" dacht zij, terwijl Sytsken haar hoofdtooi

in orde bracht: "het zoude in dien Deodaat, die wellicht niets anders

dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft,

een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter

dwaasheid, zijn liefde aan te hooren. Geen uitlander als hij zou in

Friesland als de echtgenoot van Madzy Dekama geduld worden; en mijn

goede naam ware voor eeuwig verloren, indien ik mijn land verzaakte

om een vreemdeling zonder fortuin of afkomst te volgen. Neen, zoo ik

immer rust en geluk wil smaken, het is voor mij slechts in het land

mijner vaderen te vinden: en gelijk de zwaluw slechts nestelt aan

het dak waar zij uitgebroeid is, en niet met den vink naar vreemde

luchtstreken reist, zoo mag ook de Friezin alleen in Friesland haar

gade vinden."

De Roos van Dekama · 第 21 / 46 题