Trompetten en schalmeien
Doorklonken hof en wal:
De Ridders vloeiden samen
Op 't daav'rend Feestgeschal.
Van 't overwelfde venster
Van Klermonts opperzaal,
Zag Blanka, de overschoone,
Den rijken wapenpraal.
Bilderdijk.
Reeds voor het aanbreken van den volgenden dag waren niet slechts al de
stoepen en ramen, maar ook al de daken en luifels der huizen rondom de
groote markt of het _Zand_ te Haarlem bedekt met een tallooze menigte
van toeschouwers, van overal te zamen gevloeid om het tornooispel
te aanschouwen. De groote kerk, welke thans de bewonderende aandacht
trekt van al wie Haarlem bezoekt, bestond nog niet, zoodat de opene
vlakte, tusschen de gebouwen besloten, genoegzame ruimte verschafte
tot het houden van ridderlijke spelen. Het eenige hinderlijke, dat de
gelegenheid opleverde, was een beek, welke toen ter tijd nog de markt
over haar geheele lengte in twee schier gelijke deelen doorsneed,
om zich wat verder, waar nu de kraan is, in het Sparen te ontlasten;
maar men had de zwarigheid, hieruit ontstaan, niet alleen uit den
weg geruimd, door van afstand tot afstand breede bruggen te slaan van
planken, met zand en zoden overdekt, welke de gelegenheid gaven om het
veld in alle richtingen te doorkruisen, maar ook van de beek zelve
partij getrokken, door er gedurig water uit te hozen, ten einde den
gullen grond van de kampplaats te bevochtigen. Een hooge stellage, rijk
met gebloemte versierd en met vaandels en bloemen prijkende, besloeg
de geheele zuidzijde van het plein en was in gaanderijen afgedeeld,
waarvan de middelste of kleinste voor het Grafelijk gezin en de beide
overigen voor de aanzienlijke genoodigden waren bestemd. Vandaar af
liep een lage omheining naar weerskanten in den vorm van een eirond
af, om zich aan de overzijde weder te vereenigen: deze afsluiting,
strekkende om de toekijkers te verhinderen, binnen het krijt te komen,
had slechts twee uitgangen, een aan elk der beide uiteinden, welke
met banderollen versierd en door gewapenden bewaakt werden: terwijl
de Herauten en hun dienaars het plein gestadig op en neder liepen om
de goede orde te handhaven, en te zorgen dat niemand eenige hoogere
plaats innam dan waarop zijn rang en geboorte hem recht gaven.
"Bij onzen heiligen Patroon!" zeide meester Claas Gerritsz., die
zich ingevolge zijn betrekking van marktschrijver recht tegenover
den zetel der Gravin een aardig afgesloten hokje had laten timmeren:
"ik geloof dat de Graaf tevreden zal wezen over de wijze, waarop wij
alles geschikt hebben."
Degene, tot wien hij dezen uitroep richtte, was een man van
athlethische gestalte, wien men, aan zijn naakte, forsch gespierde
armen en aan de zwarte kleur, welke zich met het vel vereenigd had,
voor een wapensmid herkende. De marktschrijver reikte nauwlijks tot
aan zijn elleboog, ofschoon hij op de toonen ging staan zoo dikwerf
hij hem aansprak. De groote lichtblauwe oogen van den Haarlemschen
Vulkaan wendden zich gedurig langzaam heen en weder, nu eens naar de
kampplaats, dan weder achterwaarts over de volksmenigte heen naar
de smederij, op welker dorpel twee wakkere knechts een wenk van
hem stonden af te wachten, om zich overal heen te begeven, waar de
omstandigheden hunne hulp mochten vereischen.
"Daar hapert niets aan," antwoordde hij op des Marktschrijvers
toespraak, zonder echter den blik op hem te doen afdalen, "en Jan
Paypaert verstaat zijn werk;--nu, 't ware ook schande indien hij het
niet kende; hij heeft het lang genoeg uitgeoefend."
Meester Claes Gerritsz beet zich op de lippen, weinig over deze
bevestiging zijner woorden tevreden, daar volgens haar de eer, welke
hij zich aanmatigde, niet hem, maar den Wapenkoning gegeven werd.
"'t Is waar," hernam hij, "de oude man heeft zich veel moeite gegeven;
maar hij krijgt toch ook zijn jaren, en zoo hij minder vlug wordt,
hij wordt er des te koppiger om. Hij heeft volstrekt niet naar mijn
raad willen luisteren, toen ik hem voorstelde, de gaanderijen liever
aan deze zijde te bouwen, zoodat de troon vlak voor de Sint-Jansstraat
kwam; dan had het Grafelijk gezin immers niet de halve stad behoeven
om te rijden ten einde zijn plaats te bereiken."
"Ja," zeide de wapensmid, met een spottenden lach, "en zij waren
allen geroosterd als bokking van de blakende zon, gelijk wij zoo
meteen zijn zullen."
"Ei! ei! een smid moet niet bang zijn voor wat hette,"
zeide de marktschrijver, een weinig beteuterd over deze juiste
aanmerking:--"maar inderdaad, het ware immers veel schooner gezicht
geweest, indien de stralen der lieve zon al die mooie meisjes en
vrouwtjes beschenen, en zich in hare schitterende juweelen en sieradiën
gespiegeld hadden, dan dat ze, gelijk nu, in de schaduw zitten."
"Inderdaad, dat had zeer fraai gestaan!--en menig Ridder zou door
dien glans zoo verblind zijn geweest, dat hij zijn speer wel een
voet bezijden zijn tegenpartij zou gestoken hebben. Neen! neen! de
Herauten weten beter hoe het hoort."
"De Herauten!--lieve knapen!--hebben zij zoo meteen den doortocht
niet geweigerd aan onze Vroedschappen, 't geen geheel strijdig is
met het Privilege van Koning Willem, artikel...."
"Wat Privilege!--alle Privileges houden op voor de poort van een
kampwerf. Wat hebben zij er met hun rokken van Amsterdamsch zwart ook
te doen? Laten zij voor de ramen van hun raadhuis blijven kijken,
en zich de handen wrijven over al het vreemde geld, dat hier in de
stad komt."
"Foei buurman! Is dat als een echte poorter gesproken? Wij werden ras
genoeg door onze adellijke naburen opgevreten, indien wij niet, waar
't behoort, onze Privileges deden gelden."
"Gekheid! Is er ook wat mede te verdienen met een half dozijn
stormhoeden, die ik in 't jaar aan de stad lever? De tuigage van
één Jonkerspaard doet mij meer verdienen dan al de poorters van
Haarlem.... maar ik hoor daar trompetgeschal.--De Kamprechters
komen.--Mutsen af buren! en een hoezee voor den Heer van Beaumont!"
Het was inderdaad deze Edelman, die op het steekspel den Graaf
vertegenwoordigen moest en nu aan 't hoofd van eenige Ridders
de kampplaats opreed, verwelkomd door herhaalde en daverende
toejuichingen, welke niet slechts zijn prachtig gewaad en sierlijken
trein, maar ook zijn erkende verdiensten en beminnelijken aard moesten
gelden. Voor hem uit reed de Wapenkoning van Holland, Jan Paypaert,
die, schoon een grijsaard van over de tachtig jaren, het ambt, dat
hij reeds onder Floris V bekleed had, nog altijd vereerde door den
zwier en de vastheid, waarmede hij zijn ros bestuurde:--achter hem
reden twee Herauten, benevens Gerard van Florevy, die 's Graven banier
droeg. Simon van Teylingen en Gwij van de Merwede, van top tot teen
gewapend, volgden als Kamprechters, door een stoet van schildknapen
en trompetters vergezeld.
De trein reed het krijt rond, waarna Beaumont met twee bijzitters
den voor hem bestemden zetel beklom, de Wapenkoning zich aan den
westelijken ingang plaatste, en de Kamprechters aan de beide zijden
van de Grafelijke loge onbeweeglijk post vatteden.
Spoedig werd deze eerste stoet door een tweeden van een geheel anderen
aard vervangen, namelijk door de geestelijken, die met kruis en banier
rondgingen, ten einde de kampwerf in te wijden, en aan de tooverijen of
bezweringen, welke men zou willen gebruiken, alle kracht te ontnemen.
Na deze plechtigheid werd het geduld der toeschouwers weder een
geruimen tijd op de proef gesteld; maar de hooggespannen verwachting
werd ruim voldaan, toen een schel klaroengeschal, afgewisseld door
een vroolijke muziek, de nadering van den hofstoet aankondigde en men
weldra door de hoofdstraat de Gravin zag aankomen, op 't prachtigst
uitgedost en omringd van een luisterrijke schaar van Ridders en
Jonkvrouwen, op trappelende rossen en witte hakeneien gezeten en
schitterende van goud en edelgesteenten. Na onder een oorverdoovend
gejuich der menigte de kampplaats tweemalen te hebben rondgereden,
steeg de hofstoet af en nam de bestemde plaatsen in, terwijl de
Gravin zich in hare loge plaatste, vlak achter den zetel des Heeren
van Beaumont.
En nu duurde het niet lang, of een gerucht, niet ongelijk aan dat
van een geweldigen waterval, dien men al gedurig dichter bij zich
hoort, deed zich uit de Zijlstraat vernemen en alle oogen derwaarts
heenzien. Weldra vertoonde zich een gemengel van golvende pluimen,
rijk geborduurde sjerpen en banieren: het waren de kampvechters, die
zich buiten de stad vergaderd hadden en thans gezamenlijk, van hun
schildknapen en wapenknechten vergezeld, aan den ingang ter westzijde
stilhielden. De Wapenkoning zond hierop een zijner Herauten af naar
Beaumont, om den vrijen intocht te verzoeken voor de Edele Ridders,
die hun werd toegestaan: ten gevolge waarvan zij binnenreden, en zich
terstond oost- en westwaarts in twee partijen verdeelden. De eene,
die grootendeels uit Hollandsche, Henegouwsche en Stichtsche edelen
bestond, had tot aanvoerder geen minder persoon dan Graaf Willem
zelven, die door zijn manhafte houding en de bekwame wijze, waarop hij
zijn klepper bestuurde, aller oogen tot zich trok: de andere partij,
hoofdzakelijk samengesteld uit de bloem der Duitsche Ridderschap,
welke de zucht om roem en eer te behalen had herwaarts gelokt,
was geschaard onder Hendrik Dusmer van Aertsbergen, een edelman
uit Pommeren, en Grootmeester der Duitsche orde, die zich door zijn
zegepralen op de Lithauwsche heidenen en Russen, door geheel Europa
met roem had bekend gemaakt.
Na de gebruikelijke plechtigheden, welke een steekspel voorafgingen
en wier vermelding hier te wijdloopig zoude worden, reden de beide
partijen opnieuw eenige keeren het krijt rond, ten einde hun kloekheid
in 't besturen hunner paarden te toonen en hun prachtige wapenrusting
te doen bewonderen; waarna zij hun plaats hernamen.
"Waar of onze vriend Adeelen schuilt?" vroeg de Abt van Sint-Odulf
aan zijn mede-afgevaardigde, die met hem en de schoone Madzy in
eene der gaanderijen gezeten was, naar welke menig oog zich in 't
voorbijgaan richtte.
"Ik heb hem nog niet herkend," zeide Aylva: "hij heeft mij een geheim
gemaakt van zijn wapenrusting, die hij hedenmorgen te Haarlem is gaan
halen: en wat de paarden betreft, die zijn onkenbaar onder die vracht
van netwerk en dekken, waarmede zij opgeschikt zijn.--Wat dunkt u er
van, Madzy! kunt gij een dier Ridders herkennen?"
Madzy zweeg, en kleurde tot over de ooren; want zij had in eenen
Ridder van 's Graven gevolg, die in 't voorbijgaan opzag, Deodaat
van Verona herkend.
"Luister!" zeide de Abt: "wat gaat die klerk daar voorlezen?"
"Het zijn de wetten van het steekspel," antwoordde Aylva: "zoowel die,
welke algemeen geldende zijn, gelijk het verbod van betooverde wapenen
te gebruiken of van het paard zijner wederpartij te wonden, als die,
welke meer bijzonder op dit gevecht toepasselijk zijn."
"Zoo! en hoe zal het hier in zijn werk gaan? Zullen die beide troepen
maar in 't wild op elkander rijden? Sint-Odulf! dat zal een verwarring
geven."
"Men zal heden naar een nieuwe kampwijze strijden, welke in Vlaanderen
en Henegouwen meer bekend is dan hier, en: _la defence du fis d'or_
genoemd wordt: 't welk zooveel wil zeggen als: de verwering van
den gouden draad. Zie slechts: daar komen de knapen aan, om hem
te spannen."
Het was zooals Aylva zeide: dwars over het kampperk werd een koord,
met gouddraad omwoeld, van een paal voor den zetel van Beaumont af,
tot aan het hokje des marktschrijvers vastgemaakt;--en nu ontstond er
een gespannen verwachting bij de toeschouwers, die, schoon zij onder
de lezing der kamp wetten over 't geheel een eerbiedig stilzwijgen
hadden bewaard, echter door hun her- en derwaarts rollende oogen
duidelijk deden bespeuren, dat zij zeer naar den afloop verlangden,
en naar het oogenblik dat het tornooispel een aanvang zoude nemen;
dan hun hoop werd nog niet vervuld, en een zonderling, hoewel niet
geheel ongewoon voorval noodzaakte hen, hun geduld nog eenigen tijd
te oefenen, of liever, gaf een andere wending aan hun nieuwsgierigheid.
Dadelijk nadat het koord gespannen was, verliet een Ridder in een
blauwe rusting met zilveren lieren bezaaid, het gelid, en reed met
een vluggen draf tot voor den zetel van Beaumont, alwaar hij zijn
ros op eens onbeweeglijk deed stilstaan, als in afwachting dat hem
verlof gegund werd om te spreken.
"Wat begeert gij?" vroeg Beaumont, verwonderd, "en waarom verlaat
gij tegen alle orde de u aangewezene plaats?"
De Ridder haalde een perkament voor den dag, dat in de plooien van
zijn sluier verborgen was en reikte het eerbiediglijk met de punt
zijner lans over aan 's Graven vertegenwoordiger.
"Als vrijgeboren man en Ridder," zeide hij, "verzoek ik, Deodaat
van Verona, dat deze uitdagingsbrief ten aanhoore van een iegelijk
worde gelezen."
Beaumont overhandigde den brief aan den klerk, die hem met luider
stemme voorlas.
"Ik, Deodaat van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, onbetamelijk en
onridderlijk beleedigd te zijn door Seerp, Heer van Adeelen, Friesch
edelman, en hem te houden voor mijnen doodvijand, hem uitdagende tot
een kamp op leven en dood, met zulke wapenen als hij zal verkiezen,
alles onder verlof en toestemming van onzen Heere den Grave van
Holland en Henegouwen."
"Wij kunnen thans geene bijzondere twisten aanhooren," zeide Beaumont,
zijn kweekeling aanziende met een blik, waarin ontevredenheid met
vriendschap vermengd was: "na den afloop van het steekspel zal u
gelegenheid gegeven worden uwe belangen in te brengen."
Nauwelijks had hij deze afwijzende beschikking gegeven, of een tweede
Ridder in schier gelijken dos kwam insgelijks uit des Graven stoet
aangereden, en overhandigde op gelijke wijze een tweede perkament aan
Beaumont. De algemeene nieuwsgierigheid groeide nu te sterker aan, en
te meer, hoe verder men van het midden verwijderd en daardoor minder in
de gelegenheid was, te vernemen wat er eigenlijk gaande was. Ook Graaf
Willem, die zich op een te grooten afstand bevond om iets te verstaan,
kwam met een paar zijner vertrouwelingen aangereden, tijdig genoeg
om den tweeden brief te hooren lezen, die van den volgenden inhoud was:
"Ik, Rinaldo van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, dat ik
onridderlijk behandeld en grovelijk beleedigd ben door Deodaat, mede
zich noemende van Verona; dat ik hem voor mijnen vijand houde en hem
uitdage om op dood en leven tegen mij te kampen, met welke wapenen
hij verkiezen zal, alles met verlof enz."
"Zijn zij dol geworden?" riep de Graaf: "twee vrienden van kindsbeen
af! twee broeders!--Wij zullen na den kamp hierover nader spreken."
Op datzelfde oogenblik kwam een derde Ridder, doch nu uit den trein
van Dusmer, met een perkament in de hand aanrijden.
"Wat dien betreft, dien ken ik," zeide de smid tegen zijn kleinen
buurman: "dien heb ik zijn rusting geleverd. Het is een Friesch
edelman, en mild heeft hij mij betaald:--'t speet mij maar, dat
zulk een deugdzame kolder om het lijf van een stuggen Schieringer
sluiten moest."
"Is het die ongeluksvogel?" zeide Claes Gerritsz, "die ons voor drie
dagen zooveel spels gemaakt heeft! Ware ik gij geweest, ik had al
de spijkers in het harnas gelaten, zoodat hij er ingezeten had als
Velzen in zijn vat. En wat heeft deze nu weer te vertellen?"
"Heeft de duivel hen bezeten?" riep graaf Willem: "Dat is nu al de
derde! als het zoo voortgaat, zullen wij de geknotte lansen tegen
scherpgepunte speren moeten inruilen."
Maar zijn verbazing vermeerderde, toen hij de derde uitdaging hoorde,
welke in dezer voege luidde:
"Ik, Seerp Van Adeelen, vrije en edele inboorling van Friesland,
verklaar mij bij dezen grovelijk beleedigd en gehoond door Willem,
Grave van Holland en Henegouwen, zich valschelijk noemende Heere
van Friesland, ontzeg hem alle hulde of manschap, welke hij van mij
mocht beweren te kunnen vorderen, en bied aan om mijn goed recht in
besloten kamp vol te houden, tegen hem of tegen al, wie hij in zijne
plaatse zenden wil."
Indien de vorige uitdagingen met verwondering, doch tevens met
belangstelling waren aangehoord geweest, die van den Fries verwekte een
rumoer en een verontwaardiging, welke zich als een loopend vuur over
de gansche markt verspreidden, naarmate de woorden, waarin die vervat
waren, van mond tot mond herhaald werden. "De kerel is gek!" riep men
van alle kanten: "wie heeft ooit gehoord, dat iemand zijn leenheer ten
kamp uitdaagt?--Werpt hem het krijt uit! In het Sparen met den Fries!"
"Stilte! mijn Heeren! stilte!" riep Graaf Willem, met een stem,
die boven de andere heenklonk. "Wij zullen onze eer zelf handhaven,
zonder daartoe uwe hulp in te roepen. Seerp Van Adeelen! wij nemen
uwe uitdaging aan."
"Graaf!" riep Beaumont: "dat moet niet zijn! Ik bekleed hier thans
uwe plaats en moet zulk een dwazen strijd verbieden. Gij moogt uw
edel lijf niet wagen tegen den eersten dollen knaap den besten,
die begrijpt u ongestraft te mogen hoonen."
"Laat ons hiermede betijen, genadige Oom!" zeide de Graaf, met
bedaardheid: "zoo wij wel verstaan hebben, is deze Seerp Van Adeelen
mede uitgedaagd door Deodaat van Verona, en deze wederkeerig door
Reinout."
"Zoo is het," antwoordde Beaumont.
"Welnu! ten einde nuttelooze bloedstortingen te voorkomen, zoo
dragen wij de handhaving van ons goed recht over aan Deodaat, en
gelasten Reinout, zijn veete over te doen aan Seerp Van Adeelen:
en dat deze strijd tusschen Deodaat en Seerp Van Adeelen uitgemaakt
worde op morgen te dezer plaatse, zullende wij dien met ons gansche
hof komen bijwonen."
Een blos van vreugde en verrukking bedekte het gelaat van
Deodaat, op het vernemen dezer schikking, welke hem niet alleen
het verdriet bespaarde van tegen zijn vriend te strijden, maar hem
ook de onderscheidende gunst verschafte, van de eer zijns Graven te
wreken. Adeelen en Reinout daarentegen toonden een ontevredenen blik:
de laatste, omdat hem de kampstrijd ontzegd was; de eerste, omdat hij
zich niet tegen den Graaf zelven meten mocht. Beiden echter begrepen
van den nood een deugd te moeten maken en in de uitspraak te berusten.
"Dit punt alzoo geschikt hebbende," zeide de Graaf, "blijft ons niets
over dan om naar onze plaatsen terug te keeren: vooraf echter moet
ik u herinneren dat wij heden slechts een spiegelgevecht hebben en
dat alle veete tot den volgenden dag moet blijven rusten."
"Daarvoor zal gezorgd worden," zeide de Grootmeester der Duitsche
orde, die insgelijks genaderd was: "bij Sint-Veit! de eerste van mijne
partij, die de bepalingen van een vriendschappelijken kamp overtrad,
zou ik met eigen hand den kop kunnen inslaan."
Na deze betuiging van Dusmer reden beide partijen naar hunne
standplaatsen terug en niet lang daarna gaven de trompetten het
gewenschte teeken tot den aanvang van het tornooi.
Het doel van het kampgevecht, dat nu plaats zoude vinden, was om het
koord, dat het krijt in twee deelen afsneed, over te springen en een
der houten moorenkoppen, welke aan weerszijden hier en daar op groote
staken gesteld waren, af te halen en als zegeteeken met zich heen te
voeren; terwijl zoowel het overspringen van het koord als het weghalen
der koppen door de tegenpartij belet moest worden.
Nu klonk het tweede trompetgeschal, en onder het geroep der Herauten,
het gewuif van hoeden en mutsen en zakdoeken, en het handgeklap
der menigte, kwam er van beide zijden een twintigtal met gevelde
lansen aangesneld. Met het gedruis van een springvloed, die tegen een
sluis aanbruist, bonsden zij tegen elkander aan: en, zoodanig was de
riddergeest, die allen bezielde, dat elk op zijne weerpartij aanreed,
en er niet een aan dacht om van de overgelatene openingen gebruik te
maken en zonder eene lans te breken het gespannen koord te bereiken.
Geheel het plein daverde van den schok: en toen de stofwolk, die eerst
den strijdenden hoop aan aller oogen onttrokken had, was omhooggerezen,
zag men welk een geheel ander schouwspel de uitslag der ontmoeting
had opgeleverd. Aan weerszijden van het koord lag een aantal Ridders
en paarden van beide partijen in het zand, en, om hen, brokken
en splinters van lansen, geknakte schilden en pluimen. Sommigen,
wier lansen gebroken waren, keerden terug om er versche te halen;
anderen daarentegen waren, na hunne tegenpartij uit den zadel gelicht
te hebben, over het koord gesprongen, waar zij nu op de bewakers der
moorenkoppen aanrenden, en op hunne beurt eene nederlaag ondervonden,
welke zij aan anderen hadden toegebracht. Slechts weinigen gelukte
het een dubbele overwinning te behalen en met het zegeteeken op de
punt hunner lans het eind der baan te bereiken.
De krijgsmuziek, welke zich gedurende dezen strijd had doen hooren,
zweeg nu op eens en werd door een kort geschal der klaroenen vervangen,
hetwelk den afloop der eerste ontmoeting aankondigde. De verwonnenen
begaven zich beschaamd en haastig buiten het krijt: de zoodanigen onder
de kampers, als hun loop roemrijk ten einde gebracht hadden, keerden
in triomf terug en voegden zich weder bij hunne partij, na vooraf
hun zegeteekenen aan de Kamprechters vertoond te hebben. Een korte
rust werd nu aan beide partijen gegund, zoo om eenige verversching
in de aan beide uiteinden geplaatste tenten te gebruiken, als om de
noodige herstellingen aan de wapenrustingen te doen plaats hebben,
waartoe onze smid dadelijk met zijne hulp gereed was. Spoedig echter
riep de trompet hen weder tot aanval en verdediging op: en hetzelfde
schouwspel vertoonde zich eenige reizen achter elkander.
"Het is gelukkig voor Seerp Van Adeelen," zeide de Olderman tegen
den Abt, "dat de Graaf zijne uitdaging niet voor zich zelven heeft
aangenomen; want de naam van den besten Ridder van Duitschen lande
is hem niet tevergeefs gegeven.--Hebt gij er wel op gelet, hoe hij
driemalen gereden heeft en driemalen zijn weerpartijder uit den zadel
heeft doen buitelen?"
"Adeelen gedraagt zich ook wakker genoeg," zeide de Abt: "zaagt gij
niet, hoe hij dien dikken Stichtenaar met den blauwen vederbos in
het zand wierp?"
"Nu, wij zullen er spoedig over kunnen oordeelen, wie de beste kamper
is," zeide Aylva: "want het aantal is gedund en er zullen weldra niet
meer dan een zestal paren overschieten."
Het was gelijk de Olderman zeide. De meeste Ridders hadden,
òf uithoofde hunner nederlaag het perk verlaten, òf zich wegens
vermoeidheid en, als meenende genoeg voor hun eer gedaan te hebben,
onder de toeschouwers begeven. Dan, het verminderd getal van
kampers maakte den strijd des te belangrijker, daar het er nu niet
meer op aankwam om slechts op elkander aan te rijden, maar om door
allerlei gezwinde wendingen en bedrieglijke aanvallen, van de eene
zijde pogingen te doen, om den gouden draad te overschrijden en van
de andere zijde, om door behendige tegenbewegingen zulks te keer te
gaan. Van de zijde des Graven hielden buiten hem niemand het veld meer
dan de Baanrots van Ligny, Gwy van Asperen, Floris van Montfoort en de
beide Italianen; terwijl aan de andere zijde de Grootmeester Dusmer,
Adeelen en een andere Ridder gereed stonden den kamp te hervatten.
"De kans staat ongelijk, vrienden!" zeide de Graaf, op het oogenblik
dat zij zich tot de laatste ontmoeting zouden bereiden, welke men
begreep, dat beslissend zijn zoude. "Ligny en Asperen zullen met mij
den gouden draad verweren: en gij Reinout en Deodaat, blijft achter om
te zorgen dat men onze laatste moorenkoppen niet roove: met Montfoort
bij u, om te verhoeden dat gij elkander niet doodslaat.--Houdt
u goed! en zorgt vooral dien Ridder, met den rooden arend op den
helmkam, wel te raken: hij heeft reeds menigen der onzen in het zand
doen bijten."
Terwijl hij zich aldus uitte, was aan den overkant de Ridder,
van wien hij sprak, Adeelen op zijde gekomen: "Welnu!" zeide hij;
"heb ik mijn woord gestand gedaan, dat ik u eergisteravond gaf,
van mij behoorlijk op het steekspel te zullen gedragen."
"En ik vertrouw, dat ik mij van mijnen kant niet slecht gekweten heb,"
zeide Adeelen: "mocht ik slechts zoo gelukkig zijn, dien trotschen
Graaf eens tot mijn tegenstander te krijgen; doch hij ontwijkt mij."
"Ja, gelijk de kat de muis. Hij heeft intusschen geen slechten kampioen
gekozen: die Deodaat van Verona heeft zich wakker gedragen:--wij
zullen zien hoe hij zich voor 't laatst zal houden."
Slechts een oogenblik duurde het, of de klaroen werd opnieuw gestoken
en van beide zijden reden de drietallen op elkander aan, met zulk een
gelijke vlugheid, dat zij ter zelfder tijd aan het koord kwamen. Dusmer
weerstond des Graven schok, en beider lansen vlogen als rietstokjes
tot spaanders: Ligny, die tegen Adeelen aankwam, verloor de teugels,
en werd dus als overwonnen beschouwd, terwijl Gwy van Asperen door den
Ridder van den Rooden Arend met kracht uit den zadel werd geworpen. De
beide winnaars waren echter in hun doel om het koord over te springen
verhinderd en moesten hunne paarden omwenden, ten einde een nieuwen
loop te nemen.
"Voorwaar!" zeide de Graaf tot Dusmer, terwijl beiden hunne paarden
oprichtten, die tegen het koord waren neergestort: "ik geloof at wij
ons overwonnen moeten beschouwen."
"Uwe Genade heeft nog hulptroepen bij de hand," zeide Dusmer, "en is
mij in getal vooruit."
"Wij zullen dan nog een rit wagen," zeide Willem, de oogen naar zijn
achtergeblevene strijdgenooten wendende: "maar wat zie ik? is de
twist weder aan den gang!"
Dit zeggende reed hij vliegens terug, en vond Reinout en Deodaat
in heftige gemoedsbeweging, en Montfoort, die hen vergeefs zocht
te stillen.
"Hoe is het, kinderen!" zeide hij: "kunt gij na zoovele jaren van
vriendschap, elkander geen oogenblik rustig verdragen?"
"Dat is het niet, heer Graaf!" zeide Reinout: "die Ridder van den
Rooden Arend, die Gwy van Asperen zoo onzacht heeft neergesmeten en
daarginds van zijn schildknaap een versche lans ontvangt, berijdt het
paard, dat mij ontstolen is. Ik had het in de _mêlée_ niet bespeurd;
doch nu maakt Deodaat mij opmerkzaam......"
"En zoo ik mij niet bedrieg," zeide Deodaat, "dan heb ik zooeven zijn
schildknaap met mijnen vos rond zien stappen."
"Wij kunnen toch niet denken," zeide Willem, "dat een Ridder, die zich
zoo wakker gedraagt, een paardendief zoude zijn; maar stel u over hem,
Reinout! en zie, dat gij uw beest terugwint. En gij, Deodaat! bestrijd
den Fries, dan kunt gij een voorproefje hebben van uw strijd van
morgen. Wat mij betreft, ik heb aan de eer van den dag genoeg."
Het bleef op deze wijze het lot van Montfoort om met den Duitscher
te kampen, en voorspoedig kweet hij zich van de hem toevertrouwde
taak. De beide lansen gleden over de kurassen heen, terwijl de beide
Ridders, elk van zijnen kant, het gouden koord overvlogen en met een
zegeteeken aan de lanspunt terugkeerden.
Een geheel anderen uitslag had de ontmoeting van Adeelen met Deodaat
gevolgd. Zij braken hun lansen met gelijke kracht: doch niet met
hetzelfde geluk; want het paard van den Fries, door den schok
verschrikt, deed een zijdesprong, struikelde en stortte met zijn
ruiter in de beek, onder het luid hoezee der toeschouwers.
Wat Reinout betrof, in stede van zijn weerpartij den overtocht van
het _fis d'or_ te beletten, had hij met opzet de vaart van zijn
paard vertraagd, en reed nu, de lans in de hoogte houdende, den
Ridder van den Rooden Arend te gemoet, zoodra deze het koord was
overgesprongen. De onbekende, dit bespeurende, hield zijn ros staande.
"Met uw verlof, Heer Ridder!" zeide Reinout: "ik kan niet kampen
tegen iemand, die op mijn eigen paard zit, zonder eerst te weten hoe
hij er aankomt.
"Gelooft gij, dat ik het gestolen heb?" antwoordde de andere:
"ik heb het gisteren op de markt te Leiden gekocht."
"Bij alle heiligen!" riep Reinout, zich op eens bezinnende; "ik ken
die stem! waart gij het niet, dien ik eergisteren in het gewaad van
Barbanera met dien Frieschen monnik zag praten?"
"Gij zijt een luistervink!" zeide de onbekende.
"En gij een verrader!" riep de Italiaan. "Hier! hulp mijne Heeren! deze
schelm brouwt aanslagen tegen den Graaf."
Onder het uiten dezer woorden greep hij den vreemden Ridder met de
linkerhand in de borst; maar deze, zijne lans wegwerpende, bukte
zich, vatte Reinout met beide handen bij 't been en slingerde
het zoo behendig over den zadel, dat de jongeling aan de andere
zijde op het veld viel, waarop de vreemdeling terstond den teugel
wendde, en, eer de Kamprechters, die op dit vreemde gezicht van twee
worstelende ruiters aan kwamen draven, het verhinderen konden, dwars
de kampplaats overreed, zijn paard over de omheining deed springen,
door de verschrikte menigte heendrong en, zonder dat iemand zich tegen
hem verzette, zich door een zijstraat aan aller oogen onttrok. Zijn
schildknaap, die de beweging zijns meesters gezien had, haastte
zich insgelijks te verdwijnen, 't geen hem te gemakkelijker viel,
daar hij zich aan den ingang van het perk bevond, alwaar niemand de
oorzaak van zijn vertrek bevroeden kon, noch eenige reden zag om zijn
aftocht te belemmeren.
Intusschen was Reinout weder opgestegen en met drift naar Beaumont
toegereden: "die schelm, die daar heenvlucht, is een dief en een
verrader!" riep hij: "laat hem najagen! hij moet beroofd worden van
de wapenrusting, die hij onwaardig is te dragen."
"Gij hadt u vóór het steekspel deswege moeten beklagen," zeide
Beaumont: "ieder kamper, die eenmaal door de Herauten is toegelaten,
heeft vrijgeleide en moet onverhinderd kunnen aftrekken."
Graaf Willem en Dusmer waren ondertusschen naar de plaats gereden,
waar Adeelen overwonnen was en waar Deodaat en Montfoort, na het
volbrengen van hun rit, waren teruggekeerd. De Fries had, na zijn
nederlaag, het veld in haast verlaten.
"Wat zegt gij, edele Dusmer?" vroeg de Graaf: "zullen wij nog eene
lans breken?"
"Ik ben alleen," antwoordde de Grootmeester: "en ik geloof mijn eer
genoeg te hebben gehandhaafd, om te mogen erkennen, dat de overwinning,
hoe goed ook betwist, aan uwe zijde is verbleven."
"Uw beste kamper heeft u verlaten," zeide Willem, "anders stond uw kans
nog zoo kwaad niet. Hoe het zij, laten de Kamprechters uitspraak doen."
De uitspraak deed zich niet lang wachten: Beaumont, na de Kamprechters
te hebben gehoord, rees op, en verklaarde, dat de partij, welke door
Graaf Willem was aangevoerd geweest, de zege had behaald; doch dat aan
den Graaf, aan Hendrik Dusmer, aan Deodaat van Verona en aan Floris
van Montfoort gelijke prijzen, wegens de door hen betoonde dapperheid,
behoorden te worden toegekend.
"Wat den Ridder van den Rooden Adelaar en Reinout van Verona betreft,
zij zouden op gelijke belooning aanspraak kunnen maken; maar de
eerste heeft zich vrijwillig verwijderd: en wat den anderen betreft,
hij heeft zijne aanspraak verloren, doordien hij, bij den laatsten
rit, in stede van op zijn weerpartijder aan te rijden, hem op een
onridderlijke wijze in de borst heeft gevat en een steekspel in een
vuistgevecht heeft veranderd."
"Kon ik een deugniet, die mijn paard stal, ridderlijk
behandelen?" bromde Reinout tusschen zijn tanden.
"Met uw verlof, genadige Oom!" zeide Willem: "wij zullen uwe uitspraak
in zooverre wijzigen, dat wij de verschooning aannemen, door onzen
trouwen Reinout bijgebracht en hem een gelijken prijs toekennen
als door ons werd behaald. Ook zijn er nog aan weerszijden menige
Ridders, die, na zich wakker gekweten te hebben, niet uit vrees,
maar uit beleefdheid zich aan een verderen kamp onttrokken hebben:
ook die moeten niet vergeten worden. Wij zullen u verzoeken, genadige
Oom! dat ook hunne namen door den Heraut worden opgelezen, ten einde
zij het loon hunner dapperheid ontvangen."
Aan den wensch des Graven werd voldaan, en na een kort beraad tusschen
de Kamprechters, werd hunne uitspraak overluid aangekondigd door de
Herauten, en door een uitbundig feestgejuich der menigte ontvangen.
Hierna volgde de bekroning der overwinnaars, welke op de gebruikelijke
en elders meer beschrevene wijze plaats vond, en de uitreiking
der geschenken, uit fraaie paarden, gouden en zilveren ketenen of
sierlijk bewerkte wapenen bestaande; waarna de Wapenkoning het feest
voor afgeloopen verklaarde: terwijl de Hofmaarschalk, op last der
Gravin, al de aanwezige Edelen tot den maaltijd noodigde, die op
's Graven lustslot zou gegeven worden.