DERTIENDE HOOFDSTUK.

Wat baten me uwe orakelblaên?

Hoe ik mijn zinnen ook moog slijpen,

Ik kan de woorden niet verstaan

En evenmin den zin begrepen.

Hoffham.

De twee dagen, verloopen sedert het tijdpunt, van waar ons verhaal

is uitgegaan, waren vervuld geweest met voorvallen en avonturen van

onderscheidenen aard, die, zoo al niet voor onze lezers, dan althans

voor de helden onzer geschiedenis belangrijk mogen genoemd worden;

maar evenals een reiziger niet altijd op weg verrast wordt door

natuurtooneelen, rijk in verscheidenheid en afwisseling, maar zich

somtijds moet getroosten een eenzame heide, een dorre zandwoestijn of

een moerassige landstreek door te trekken; zoo komen er, ook zelfs in

het woeligste tijdperk des levens, dagen voor, wier onbeduidende loop

door geene enkele opmerkingswaardige omstandigheid wordt afgewisseld:

zoodanig een dag was die, welke op het dansfeest volgde en het

steekspel voorafging; een dag als alle soortgelijken, waarop men

uitrust van de vermoeienissen des vorigen avonds en zich voorbereidt

op die van den volgenden morgen. Maar met dat al, en schoon er weinig

voorviel, dat hier verdient opgeteekend te worden, was het een dag

van woeling en drukte en gerucht: geene straat was er in Haarlem, waar

niet de moker van den wapensmid weergalmde, waar men geen snijder op

zijn tafel zag, bezig met wapenrokken te bewerken of te herstellen,

waar geen helmslager nieuwe nagels in de stormhoeden dreef, waar geen

bontwerker bezig was met pluimen van allen vorm en kleur te vereenigen,

waar eindelijk geen talrijke drom van Ridders en schildknapen heen en

weder liep om zich aan te schaffen wat nog ontbrak, ten einde in vollen

luister op het Tornooi-veld te kunnen verschijnen. Hier en daar zag men

groote hoopen van toekijkers, waar een goudsmid bezig was zijne kunstig

gedrevene sieraden aan het gevest van een zwaard of aan de oppervlakte

van een maliënkolder vast te hechten: of waar een vernuftige schilder

het blazoen of de leenspreuk eens Ridders op het breede schild of op

het spiegel gladde borstkuras in frissche verven afmaalde, of waar

een borduurder de laatste hand zette aan een banier, schitterende van

goud- en zilverdraad, of de geestigste kleuren op sluiers en sjerpen

wist te mengelen. Wat verder zag men meisjes bezig met het vlechten

van bloemkransen en festoenen, bestemd om de straten te versieren,

en van die groote kronen, welke, midden in de hoofdstraat opgehangen,

bij het doortrekken des Graven worden neergelaten, ten einde hem te

vangen en den losprijs van eenige kleine muntspeciën voor de jeugdige

vervaardigsters te verwerven. Karren met hout voor stellages en

borstweringen, of met groene sparretakken en ander loof beladen,

reden gedurig heen en weder naar de groote markt, of het _Zand_,

gelijk het toen genoemd werd, dat tot het steekspel bestemd was en

waar onze vriend Claes Gerritsz zwoegende en zweetende tusschen een

vijftigtal werklieden op en neder liep, om te zorgen dat alles ter

bestemder plaatse wierd gezet en beschikt: ofschoon zijn aanwijzingen

meermalen werden veranderd en zijn bevelen in den wind geslagen,

zoo dikwerf die in strijd waren met den last der Herauten, die, als

bekend met al hetgeen bij zulke plechtigheden noodig en behoorlijk was,

zich weinig aan zijn beklag of aanmerkingen deswege stoorden.

"Het is toch een ergerlijke zaak," bromde hij dan, "en die tegen

alle Privileges aandruist, dat zich bij een feest, dat binnen

Haarlem gegeven wordt, vreemdelingen zooveel aanmatigen, en wijzer

willen zijn dan poorters, die schot en lot betalen! Ben ik dan geen

marktschrijver? en is mij door het bestuur de taak niet opgedragen

om alles naar eisch te schikken en te regelen? En ken ik het Zand

niet beter dan die roodrokken, die van tornooien van Keulen en

Bamberg spreken, alsof de gelegenheid overal eveneens ware?--Ja, bij

Sint-Gangolf! men ziet wel dat wij een vreemden vorst hebben, en dat

het bestuur van Haarlem slechts uit oogendienaars is samengesteld,

om zulke zaken te dulden."

Men kan begrijpen, dat op dezen dag de drie minnaars van Madzy ook,

evenals meer andere Ridders, bijna geen oogenblik tijd hadden om

zich buiten Haarlem te begeven, zoo bezig waren zij met het in orde

brengen hunner toerusting voor den volgenden dag. Reinout was Deodaat

bestendig ontweken, wanneer zij elkaar bij toeval op straat of in een

werkplaats ontmoetten: en Adeelen, die nu een bepaald voornemen in

't hoofd had, zag hen, zoo dikwijls hij hen tegenkwam, met een koele

bedaardheid aan, als wilde zijn rustige blik hun te kennen geven: "wij

zullen heden maar geen twist zoeken: dat zal zich morgen wel vinden:

borgen is geen kwijtschelden."--Maar wat het meest opmerking verdiende,

was, dat de Fries, niettegenstaande de hooge vooringenomenheid met

alles, wat in zijn vaderland vervaardigd en bereid was, zich te

dezer gelegenheid zoozeer verloochende, dat hij zich een volkomen

wapenrusting in Haarlem aanschafte en onder zijne oogen in orde liet

brengen; want hij was toch met al zijne hoofdigheid verstandig genoeg,

om te erkennen, dat het lichte kuras, hetwelk hij uit Friesland had

medegebracht, niet proefhoudend zou wezen tegen de stevige lansen,

die hij overal zag ronddragen, en dat zijn kromgebogen zwaard wel

geschikt was om, gelijk twee dagen te voren, schrik aan te jagen onder

een ongewapenden hoop, maar hem van geen nut zoude wezen indien hij

daarmede op een maliënkolder in moest houwen, of een der reusachtige

kampdegens afkeeren, welke de Ridders van dien tijd op zijde droegen.

Terwijl hij zich met deze toebereidselen onledig hield, was de schoone

Madzy, vergezeld van den Heer van Aylva, den Kloostervoogd, vader

Syard en eenig gevolg, een morgenbezoek bij de arme Elske gaan doen,

en hadden zij vervolgens hun wandeling door de omliggende bosschages

voortgezet. Het onderhoud was onmerkbaar afgeloopen, daar ieder zijn

bijzondere redenen tot ernst en nadenken had. Madzy was, gelijk meer

jonge maagden, in wier boezem een ontkiemende liefde woont, weemoedig

en stil: zij poogde, maar vruchteloos, de gedachte aan den edelen

Deodaat, aan zijn vroolijk en aangenaam onderhoud van den vorigen

morgen, aan zijn ontmoeting met Adeelen en aan zijn geheimzinnige

woorden op het feest, uit haar geest te verbannen: somtijds wenschte

zij, dat zij Friesland nooit verlaten en hem daardoor niet ontmoet had;

dan huiverde zij tegen het denkbeeld, dat zij slechts korte dagen in

Holland verblijven zoude, en dan waarschijnlijk den jongeling nimmer

terugzien, in wien zij zulk een hoog belang stelde. Maar ook den

volgenden dag zag zij met schrik te gemoet: men had haar wel gezegd

dat het steekspel, gelijk het woord zulks medebracht, alleen een

spel zoude zijn, waarop geen andere dan geknotte wapenen gebezigd

werden; maar zij wist tevens, dat somtijds ongelukkige toevallen,

somtijds bijzondere haat en wrok, oorzaak waren, dat dergelijke

feesten een treurigen in stede van een vroolijken afloop hadden: en

zij herinnerde zich het voorbeeld van den ongelukkigen Floris, door

haar voogd den avond te voren aangehaald, toen het blijde tornooispel

in een bloedbad verkeerde. Zij kende den wrok, door Adeelen tegen

den Graaf en ook tegen Deodaat gekoesterd: zij besefte de redenen,

welke deze laatste had om zich over de hem aangedane beleediging te

wreken: zij wist niet, tot welke uitersten de spijt hem drijven kon:

en zij sidderde voor beiden: voor beiden, zeggen wij, want, ofschoon

haar hart voor Deodaat sprak, een lange en oude verknochtheid en

zusterlijke vriendschap hechtte haar aan den edelen Fries.

Aylva was insgelijks niet zonder ongerustheid: niet zoozeer over den

uitslag van Adeelens wrok voor zooveel dezen persoonlijk aanging (want

de gedurige oneenigheden en vechtpartijen, welke in Friesland tusschen

de Schieringers en Vetkoopers plaats vonden, hadden hem reeds zekere

mate van onverschilligheid omtrent dergelijke twisten gegeven)--als wel

over het dreigend onweer, dat zijn vaderland boven het hoofd hing. Hij

had genoeg gezien, om te begrijpen, dat, zoo al de Friezen halsstarrig

bleven weigeren zich aan Graaf te onderwerpen, deze, even hardnekkig

als zij, op die onderwerping zou blijven staan, en dat derhalve vroeg

of laat een oorlog hiervan het gevolg zou zijn: en wanneer hij dan de

ontzettende macht, die de Graaf te velde kon brengen, met de geringe

verdedigingsmiddelen, welke Friesland daartegenover kon stellen,

de geoefendheid en krijgstucht van Willems legerschaar met den

ongeordenden staat des Frieschen volks, de éénheid, die den aanval

zou besturen, met de verdeeldheid, die bij de verdedigers heerschte,

vergeleek, dan achtte hij, dat een wonderwerk alleen Friesland voor

een wissen val behoeden kon.

Vader Syard had, gelijk de lezer, die zijn bedoelingen reeds beter kent

dan er de Olderman en de Abt van bewust waren, licht zal beseffen,

mede overvloedige stof tot gepeinzen; maar dewijl het zijne gewoonte

niet was, het gesprek te beginnen in gezelschap zijner meerderen,

kon zijne stilzwijgendheid niemands aandacht treffen.

Wat eindelijk den Kloostervoogd betrof, de gedachten van den goeden

man waren op dat oogenblik minder met het lot van Friesland of van

Seerp Van Adeelen bezig, dan met den gullen zandweg, die hem, als het

wandelen weinig gewoon, bij uitstek lastig viel en hem, hijgende en

zweetende, gestadig deed rondzien naar een geschikte plaats om even

uit te rusten.

Weldra bood zich hiertoe de gelegenheid aan: het gezelschap was langs

een smal voetpad, dat door dichte struiken en struweelen naar boven

slingerde, op een bewassen heuvel gekomen, van waar een zoo verrassend

als bevallig uitzicht den wandelaar als van zelf tot een oogenblik

verpoozing uitnoodigde. Van de plek, waar men zich onder het lommer

van eenige esschen, lijsterbeziën en meidoorns bevond, zag men voor

zich op een tamelijk uitgestrekt weiland neder, van onregelmatigen

vorm en aan twee zijden afgesloten door een kleinen duinrand,

welig begroeid met berken en dwergeiken, waarvan de wortels door het

witte zand van de gebrokkelde helling heenstaken. Vlak tegenover den

aanschouwer liep de grond glooiend naar beneden en ontdekte men over

doornenhagen, welke de weide aan die zijde bepaalden, eenig bouwland,

waarvan de eentonigheid werd afgewisseld door onderscheiden groepen

van hoogopgaande boomen, in wier breede takken talrijke kraaien

nestelden. Daartusschen zag men hier en daar bevallige boerenwoningen

verspreid, elk met haar tuin en boomgaard achter zich, alle de welvaart

der streek getuigende en vaneengescheiden door welige landerijen,

waarin bontkleurige runderen graasden, een paar bleekerijen, op wier

groene velden eenige jonge deernen bezig waren het hagelwit linnen,

dat schitterend in de zon lag uitgespreid, met water uit de daaraan

grenzende sloot te besproeien. En over dat alles heen deed zich het

Haarlemmermeer op, nu klaar en effen gelijk een heldere spiegel,

en de zeilen terugkaatsende van tallooze vaartuigen van allen vorm

en grootte, die den plas in alle richtingen doorkruisten.

"Voorwaar!" zeide de Abt, nadat Madzy zoowel als de Olderman dit

schouwspel een poos in stille bewondering hadden aangestaard: "mij

dunkt dat wij dit alles evengoed, ja beter op ons gemak zouden kunnen

bekijken, indien wij er bij gingen zitten."

Er was niets tegen dit voorstel in te brengen; en de vier hoofdpersonen

van het gezelschap namen plaats op den heuvel, terwijl het gevolg

zich een weinig verder tegen de helling van het duin nedervlijde.

"Zijt gij aan uw bruidskrans bezig?" vroeg vader Volkert na

eenige oogenblikken stilte aan Madzy, die zich onledig hield met de

madeliefjes, die aan hare voeten groeiden, op eene, aan mijn lezeressen

gewis niet onbekende wijze aan elkaar te hechten.

"Dat heeft nog zulk een haast niet," antwoordde zij blozende.

"Nu, misschien wel," zeide de Abt: "althans ware ik Seerp Van Adeelen,

ik zou niet langer meer willen wachten: vooral sedert de hofvlinders

rondom u zijn komen vliegen.... Ja! die veroorzaken hem, geloof ik,

onrust en kwelling genoeg! maar dat had hij kunnen verwachten, toen

gij met hem van wal zijt gestoken."

"Wat meent gij, Eerwaarde?" vroeg Madzy, hem eenigszins verwonderd

aanziende.

"Wel!" zeide de Abt, "ik behoef u toch het oude orakel niet te

herinneren, dat bij de stichting van Dekamastins door den Abt van

Bloemkamp is uitgesproken. Laat zien, hoe luidt het ook?...."

"O! bedoelt gij dat?" hernam Madzy: "haal dat maar niet op," voegde zij

er haastig bij, als wilde zij een onaangename herinnering ontwijken.

Maar vader Volkert liet zich niet van zijn tekst brengen. Het is

algemeen opgemerkt, dat zelfs de meest wispelturige menschen nimmer

zoo vasthoudend zijn, dan wanneer zij zich iets weder zoeken te binnen

te brengen, dat ten deele aan 't geheugen ontsnapt is: hoeveel te meer

iemand als onze Abt, wiens gedachten zelden aan vele afwijkingen voet

gaven. Zonder op het smeekend gelaat van Madzy te letten, bleef hij

zoolang de voorspelling betreffende den huize Dekama (waarvan wij in

ons zevende hoofdstuk de twee eerste regels hebben aangehaald) nakauwen

en in zich zelven opzeggen, tot hij zich die eindelijk geheel herinnerd

had en op een zegepralenden toon zonder haperen kon opsnijden:

"As Dekama sine Rose forliest,

In dy for Frieslän dat seawetter kiest,

Den schille, om har to ploaitsen, komme

Fuwgelt fen alle wioecken in plommen;

Den schille jæ wijllje in declinearje,

In 't hædken hingje litte droaf;

Mar wer bloeie in prosperearje,

As de Foarstene plun wirdt Frieslans roaf." [29]

"Ik zie niet," zeide Madzy, hare onrust door een half schertsenden toon

zoekende te bewimpelen, "wat ik met die voorspelling te maken heb."

"Niet!" herhaalde de Abt verbaasd, "spreekt dat orakel niet van de

Roos van Dekama? En hebben de minnezangers u niet uit éénen mond met

dien naam bestempeld? En zijt gij niet over zee gekomen? En zwierven

er niet vogels van alle veeren om u heen? En hing uw hoofdje, toen

gij daareven uw kransje zat te vlechten, niet zoo droef op zijde als

een geknakt bloempje?"

"De eerwaarde Vader heeft geen ongelijk, Madzy!" zeide Aylva,

die tot nu toe vermeden had zich in het gesprek te mengen, als had

hij de wending, die het nam, willen afwachten: "ik mag het u niet

verzwijgen, hoe noode ik er van spreek;--want het is een harde zaak,

aan een jong en vroolijk meisje terughouding en behoedzaamheid te

willen voorschrijven en haar af te houden van hetgeen, waarin zij

niets ziet dan een onschuldig vermaak;--maar gij zult u in acht moeten

nemen aan dit weelderige hof."

"Is mijn waarde voogd over mij ontevreden?" vroeg Madzy, terwijl een

traantje in hare oogen blonk en zij zachtjes haar hoofd tegen zijn

schouder drukte, gelijk een kind dat om vergeving vraagt.

"Neen mijn kind! ik ben ontevreden op Adeelen en op mij zelven;

want wij hadden moeten voorzien wat gebeuren zoude. Wij hadden u in

Friesland moeten laten en u niet in de gelegenheid stellen van aan

een hof te verschijnen, waar een oogenblik genoegen wellicht voor de

rust van uw volgend leven kan gekocht worden."

"Versta ik u wel?" vroeg Madzy, wier hart op dit oogenblik de

beteekenis van Aylva's woorden reeds vooruit liep. "Waar zijt gij

bevreesd voor?"

En met een heimelijk beven wachtte zij het antwoord af.

"De Graaf," zeide de Olderman, nadat hij haar een wijl met

vriendelijken ernst had aangestaard, "heeft gisteravond nog veel

met mij over u gesproken:--hij heeft zich eindelijk vrij duidelijk

uitgelaten, dat het hem niet ongevallig zou wezen, indien er

huwelijksverbintenissen plaats grepen tusschen zijne volgers en de

Friesche erfdochters."

"Denkt de Graaf," vroeg de Abt, "dat het in Friesland aan mans

ontbreekt?"

"Het is genoeg bekend," vervolgde Aylva, "hoe Willem van Henegouwen,

wanneer hij eens een denkbeeld heeft opgevat, daarvan door geene

redenen is af te brengen en integendeel in alle voorkomende zwarigheden

slechts een nieuwen spoorslag ziet om naar zijn doel, door welk

middel ook, te streven. Ik schrijf dan ook daaraan de pogingen toe,

door hem aangewend om u op het feest te doen verschijnen."

"Ik zal mij op geen zijner feesten meer vertoonen," zeide Madzy.

"Het ware, zooals nu de zaken staan, een onvoorzichtigheid,"

zeide Aylva, "u opnieuw aan zijn uitnoodigingen te onttrekken. Wij

moeten vóór alles mijden, hem noodelooze redenen tot misnoegen te

geven. Adeelen zou wellicht mijn woorden aan dwaze vreesachtigheid

toeschrijven: hij zoude overtuigd zijn, zoo hij mij beter kende, dat ik

in groote zaken geen haarbreed van mijn stelsel wijken zal; maar des

te eerder acht ik het plichtmatig, mij door geen noodelooze of zelfs

verkeerde tegenstreving en halsstarrigheid te onderscheiden. Neen! door

niet op de volgende feesten te verschijnen, nu gij, hoezeer dan ook

door misleiding, op het eerste gekomen zijt, zoudt gij den schijn

aannemen, alsof gij den Graaf wildet tarten, en dit is iets, hetwelk

gij, in zijn gebied, niet zoudt kunnen volhouden. Vergezel ons op

die feesten, Madzy! doch om Gods wil, wees omzichtig. Denk steeds,

dat gij een dochter van Friesland zijt, en beschouw in elken schoonen

Ridder, die u aanspreekt, hoe zoet zijn taal ook klinke, niet anders

dan een roover, door den Graaf uitgezonden om op vijandelijke kust

te stroopen."

"Ik beloof u," zeide Madzy, "ik zal op mijn hoede wezen. Ik heb

misschien reeds te veel met dien.... met die twee Italiaansche

Ridders gesproken;--maar onze toevallige ontmoeting aan de hut des

boschwachters is daarvan de schuld;.... en dan, gij zelf, gij waart

ook buitengewoon minzaam tegen dien eenen.... Deodaat, geloof ik,

is zijn naam."--Hier zweeg zij, terwijl een gloeiend rood door hare

wangen stroomde.

"Gij hebt gelijk," zeide Aylva: "ik beken, dat hij mij een genegenheid

heeft weten in te boezemen, waar ik de oorzaak niet van doorgronden

kan:--en echter, juist om zijn goede hoedanigheden raad ik u, dat

gij u bovenal jegens hem in acht neemt. Geen laffe hofjonker, geen

slechthoofd ware voor mijn Madzy gevaarlijk; tegen de zoodanigen zou

ik haar niet waarschuwen. De sperwer, die den leeuwerik vervolgt,

is minder te vreezen dan de groene baan, waar het zachte fluitje

vrede roept."

"Zou die Deodaat waarlijk den listigen vogelaar gelijk zijn?" vroeg

Madzy, eenigszins verwonderd.

"Dat geloof ik niet," antwoordde de Olderman: "ik acht hem eerlijk en

goed; maar het kan zijn, en 't ware in hem hoogst verschoonlijk, dat

hij, de oogmerken zijns meesters kennende, zijn best wilde doen om in

de gunst der schoone Madzy te dringen, en op zulk een wijze zijn eigen

neiging en tevens de bedoelingen des Graven opvolgde. Daarom, wees met

hem op uw hoede! Helaas! ik weet het bij treurige ondervinding, er is

niets gevaarlijkers, dan wanneer men zich buiten zijn gewonen kring

en dagelijksche bezigheden bevindt, en enkel het hart en de zinnen

werkzaam zijn. De verbeelding en het gevoel, wier stem slechts weinig

gehoord wordt in de beslommeringen van een geregeld en arbeidzaam

leven, wreken zich dan en spelen den meester: de hartstochten sleepen

ons mede, en een leven van berouw en smart vervangt de overijling

van een oogenblik."

"Gij hebt dit ook ondervonden?" vroeg Madzy.

"Ik zelf! en de geschiedenis van mijn lijden kan misschien dienstig

zijn om u tot een nutte leering te strekken. Hoor mij aan: ook

gij, heer Abt! en gij, vader Syard! en oordeelt dan of er reden

tot verwondering is, wanneer men somtijds bemerkt dat ik treurig en

afgetrokken ben.--Gij weet, dat ik in mijn jeugd, door een vergeeflijke

roemzucht geprikkeld, mijn vaderland verliet en Keizer Hendrik,

evenals andere Friesche edelen, op zijn reis naar Milaan vergezelde,

waar hem de ijzeren kroon moest worden opgezet. In die stad werd mij

huisvesting aangeboden door een Italiaansch edelman, dien ik vroeger

in Duitschland had leeren kennen. Dankbaar herinner ik mij steeds het

gul en gastvrij onthaal, dat ik in zijn paleis genoot: de uren, door

mij aldaar gesleten, waren de gelukkigste mijns levens. Waarom moesten

zij door jaren van rouw en hartverscheurend verdriet worden opgevolgd?

"Daar, bij den edelen Cesara, leerde ik een jonge maagd uit Verona

kennen, die ter bijwoning der feesten, welke bij gelegenheid van 's

Keizers kroning gegeven werden, eenigen tijd met Cesara's echtgenoote,

hare bloedverwante, was komen doorbrengen. Schoon was zij, gelijk

de schilders ons de moeder Gods afbeelden, en beminnelijk gelijk de

Engelen. Wij waren beiden nog in dien gelukkigen leeftijd, waarin

men het tegenwoordige geniet, zonder over de toekomst na te denken:

wij zagen elkander op ieder uur van den dag: ik had haar lief, van het

eerste oogenblik af dat ik haar zag, en ik had het geluk, of liever

het ongeluk, haar niet te mishagen:--geene week was er verloopen of

ik had haar mijne min verklaard en was van hare wederliefde verzekerd."

"Het vrijen gaat daar spoedig in zijn werk," zeide de Abt: "bij ons

is men daar zoo vlug niet mede. Mijn vader heeft mij meer dan eens

verhaald dat hij mijn moeder wel zeven jaren had opgepast, gelijk

Jakob Rachel deed, eer zij er toe besluiten kon, hare toestemming

tot een huwelijk te geven."

"Ik had verkeerd gedaan," vervolgde Aylva: "ik had een neiging moeten

smoren, die in mijn geval dwaas en misdadig was; want een plechtige

gelofte verbond mij tot een tocht naar het Heilige Land. Maar ach! de

jeugd is onbezonnen en het noodlottige woord was er uit eer ik het zelf

wist. Wij leefden nu gelukkig en zalig, onbezorgd voor de toekomst,

en ik stond gereed een reis naar Verona te doen, ten einde de hand

mijner Bianca (zoo heette zij) aan haar vader af te vragen, toen een

brief van dezen alle hoop ter neer sloeg. Hij vermaande zijn dochter

terug te keeren ten einde een ander te huwen."

"En voldeed zij aan de begeerte haars vaders?"

"Nimmer zal ik het oogenblik vergeten, toen zij mij na de ontvangst

dier onwelkome tijding in den hof van Cesara's paleis voor oogen trad:

niet als een zwakke, beduchte en schuchtere dochter, welke de macht

eens hoofdigen vaders vreest; maar met het hoofd fier omhoog geheven,

met wangen, van verontwaardiging gloeiende, met een borst, zwoegende

van gramschap. De gebiedende, dreigende toon van haars vaders brief had

haar niet ter neder geslagen, maar veeleer haar besluit versterkt; zij

was minder vervaard door de bedreigingen, daarin vervat, dan geraakt

door de wijze, waarop hij haar dwingen wilde: 'ik wil en begeer geen

anderen gemaal dan u,' sprak zij tot mij: 'en zoo mijn vader gelooft,

dat hij mij verkoopen kan gelijk men een vorstin doet, zal ik hem

doen zien, dat hij zich bedriegt. Intusschen ik ken hem:--zoo ik

niet terstond naar Verona keer, zal hij binnen weinige dagen hier

zijn:--voor dien tijd moet gij mijn echtgenoot zijn.'"

"Hoe!" riep Madzy, in wier ooren een zoodanige taal vreemd klonk,

en strijdig met alle denkbeelden van maagdelijke ingetogenheid:

"zij wilde u tot een huwelijk met haar bewegen! en buiten haars

vaders toestemming!"

"O! Veroordeel naar niet," zeide Aylva: "zij handelde onder den

invloed der hartstochten, op een oogenblik, dat zij om den vaderlijken

dwang te ontwijken en een gehate verbintenis onmogelijk te maken,

het eenige middel aangreep, dat zich aan haar verhitte verbeelding

voordeed. Maar veroordeel mij, die, kalmer van zinnen, niet overijld

had mogen handelen en haar de noodlottige gevolgen moeten doen inzien

van een onberaden stap. Dan helaas! ik beminde haar met al den gloed

eener eerste, laat ik zeggen, eener eeuwige liefde: die liefde deed

mij de oogen voor de toekomst sluiten en geen andere vrees duchten,

dan die van haar te verliezen. Ik stemde in haar voorslag:--en dezelfde

dag zag ons vereenigd."

"En.... meldde zij dit voorval aan haar vader?"

"Ik weet het niet: dit slechts vermoed ik, dat hij van onze

verstandhouding kennis droeg; want weinige dagen na onze verbintenis

werd ik op een avond in eene der duistere straten van Milaan door

drie moordenaars overvallen; een hunner herkende ik: het was zekere

Paolo, een dienaar van Graaf Luigi, van Bianca's vader, dezelfde, die

den brief gebracht had. Zwaar gewond bleef ik liggen: ik werd door

eenige barmhartige voorbijgangers naar het naastbijgelegen klooster

gebracht en lag daar verscheidene dagen met den dood te kampen. Toen

ik, eindelijk hersteld, mijn verzorgingsplaats verliet en naar het

paleis van Cesara terugkeerde, vernam ik, dat Graaf Luigi daar reeds

was geweest en mijn Bianca had weggevoerd."

"En volgdet gij haar niet?"

"Zij had mij door de gade van Cesara doen smeeken, zulks niet te

doen. Francesco della Scala, de gevreesde minnaar, die naar haar hand

stond, was op dien tijd meester van Verona, en ware ik daar ontdekt

geworden, mijn dood ware zeker geweest. Zij verzocht mij daarom,

mijn gelofte te vervullen en alles van den tijd af te wachten:

terwijl zij mij een eeuwige getrouwheid beloofde. Ik gehoorzaamde

aan haar verlangen:--minder uit vrees voor mij zelven, dan wel om

haar niet aan de wraak van den Veroneeschen dwingeland bloot te

stellen. Ik reisde naar Palestina: drie jaren bleef ik daar, die mij

zoovele eeuwen schenen: toen ik, na afloop van dien tijd, onbekend en

vermomd in Verona kwam, en naar Bianca di Salerno vroeg, hoorde ik,

dat zij met den dwingeland gehuwd en sedert gestorven was."

"Zij was u dan ontrouw geworden!" vroeg Madzy verbaasd, "ondanks haar

plechtige belofte?"

"Wat haar aangespoord heeft om den mij gezworen eed te breken, is mij

onbewust.--Zij was niet meer; wat kon een ijdele navraag baten? Ik

bleef, na het ontvangen dier vreeselijke tijding, geen uur langer in

Verona.--Sedert heb ik de liefde gemijd."

"Ach!" zeide Madzy: "indien de liefde zulke rampen baart, is zij

waarlijk wel te duchten!....maar ik geloof toch, dat dergelijke

gebeurtenissen zeldzaam zijn."

"Minder zeldzaam dan gij denkt, Freule!" zeide de Abt, zich de

kin strijkende: "gij denkt, dat wij geestelijken niets van zulke

geschiedenissen afweten: maar ik verzeker u, onze kloosters worden

voor een derde met mislukte vrijers gevuld. Daar is broeder Sicco, die

heeft juist zulk een voorval gehad: hij was een fiksche boerenknaap

en vrijde naar de dochter van den rijken Juwe Donia:--maar toen de

zaak zoogoed als klaar was, liet zij hem zitten en nam Agge Hettinga,

die toch lang zulk een schoone kerel niet was. Toen ik dat hoorde,

dacht ik terstond: Sicco Sybes zou een goede aanwinst zijn voor het

klooster; want gij moet weten, zijn boerenwoning grenst juist aan

onze landerijen in Hemelumer Oldephaart, en toen sprak ik er over

met broeder Syard, die...."

"Met verlof van uw Eerwaarde," viel de monnik in, die ongaarne den

schijn wilde hebben, als had hij Sicco bepraat om den geestelijken

stand te omhelzen: "de knaap is uit zich zelven bij uw Eerwaarde

gekomen."

"Juist, broeder Syard, juist!--dat is wat ik zeggen ging, toen gij

mij in de rede vielt; ik heb toen ook slechts een paar woorden met

hem gesproken, omdat ik begreep, dat het niet zou passen, indien men

zeide dat ik hem ingepalmd had; daarom, gelijk u heugen zal, heb ik

u verzocht, hem ondershands eens te polsen en over te halen om het

kleed der orde aan te trekken."

Broeder Syard beet zich op de lippen, en zoomin de Olderman als

Madzy waren in staat den glimlach te onderdrukken, dien het verhaal

van den Abt bij hen verwekte. Eveneens echter als een beek, die

half verborgen voortsijpelt onder de schaduw der donkere struiken,

welke haar overwelven, wel voor een oogenblik een vroolijk aanschijn

erlangt, wanneer de zonnestralen door de dikke takken heendringen

en hare oppervlakte beschijnen, maar weldra, als de hemelbol weder

achter wolken wegschuilt, hare vorige somberheid terugkrijgt, zoo

hernam ook het gelaat der schoone Friezin spoedig de ernstige plooi,

welke de geschiedenis van Aylva's rampzalige liefde daarop had doen

ontstaan, en een diepe zucht verried de onrust, welke de toepassing

van dat verhaal op hare eigene gewaarwordingen had teweeggebracht.

Welke intusschen de slotsom was, waartoe die innerlijke overpeinzingen

haar brachten, en of ook bij haar de schier algemeen geldende regel

bevestigd werd, dat men zich in liefdeszaken zelden aan het voorbeeld

van anderen spiegelt, zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken.

De Roos van Dekama · 第 19 / 46 题