TWAALFDE HOOFDSTUK.

Doe op en vrees niet: 'k ben uw vrient.

't Is avont, en een tijt, dat ons geen vrientschap dient.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

Seerp Van Adeelen had, gelijk wij gezien hebben, het feest in drift

verlaten. Daar zijn dienaars en die van Aylva met de paarden waren

teruggereden, met last om hen weder tegen den afloop der partij

te komen afhalen, zag hij zich genoodzaakt te voet huiswaarts te

keeren. Hij legde echter den weg naar het oude klooster af met al

dien spoed, welken gewekte drift kan veroorzaken, en, onder het

overpeinzen van al de middelen, welke wraakzucht hem aan de hand kon

doen, bevond hij zich, eer hij er om dacht, bij het weiland, van waar

hij de sombere daken van zijn tijdelijk verblijf boven het geboomte

zag oprijzen. Tot zijn bevreemding zag hij door de kleine zijpoort,

die met de weide gemeenschap had, eenig licht schemeren. Wanneer

men gramstorig is, verschaft zelfs de geringste omstandigheid nieuwe

redenen tot ongenoegen. "Die vlegels!" dacht hij: "daar hebben zij

weer de zijdeur opengelaten. Zeker zitten zij in kroegen en kitten

te zuipen en laten het huis ter prooi aan elken voorbijganger!"

Hij nam, ten einde zich van de waarheid zijner vermoedens beter

te overtuigen, den weg langs het ons bekende pad over de weide,

trad onverhinderd in huis, en stapte, eer iemand hem had opgemerkt,

de bakkerij [26] binnen, waar Feiko, Sytsken en ettelijke dienaars

bij de bierkannen vergaderd zaten en aandachtig luisterden naar de

oude legende betreffende den draak van 't Roode Klif te Stavoren,

welke hun een leekbroeder van Sint-Odulf verhaalde.

"Wat is dit, schobbejakken?" zeide hij: "dat gij op dit uur met opene

deuren zit?"

De dienaars, wanende dat de vurige draak, waar zij van hoorden, op

eens in hun midden verscheen, sprongen verschrikt op, en de verteller

sloeg een kruis. Toen Adeelen intusschen zijn vraag herhaald had,

en men hem herkende, betuigde Feiko niet te weten, waarvan de Jonker

sprak, daar hij zelf al de grendels had dichtgeschoven.

"Ik ben dus, volgens u, door het sleutelgat gekropen?" vroeg Adeelen:

"en om uwe nalatigheid te bewimpelen, wilt gij mij aan het bezit mijner

vijf zinnen doen twijfelen? sluit terstond de zijdeur dicht. En zeg

mij, waar is de Abt?"

"Zijn Eerwaarde is sedert een uur ter ruste gegaan," antwoordde

de kloosterling.

"En vader Syard?"

"In zijn cel."

"Ga! wek hem en zeg, dat ik hem wensch te spreken; of neen, ik zal

zelf gaan." En, een licht van de tafel nemende, begaf hij zich uit

het vertrek.

De kamer, welke door vader Syard bewoond werd, was de laatste van een

menigte cellen, alle op een lange smalle gang uitkomende, en volkomen

gelijk in grootte en vorm, hebbende te voren gestrekt tot verblijf

der Sint-Jans-Heeren en thans tot tijdelijke huisvesting der dienaars

van het gezantschap. Elke cel was gesloten met een deur van dikke

greenhouten planken, over wier ruwheid nimmer een schaaf scheen te

hebben gegaan, en veel minder eenige verf: midden in die deuren was

ter hoogte van het oog een kleine vierkante opening, van buiten met

een schuif voorzien, door welke indertijd de pater Guardiaan zich

's avonds bij het doen zijner ronde kon verzekeren dat de bewoner

der cel aanwezig was. Bij zijn nadering zag Adeelen door die opening

een lichtstraal schijnen, welke aan de overzijde tegen den witten

wand van het portaal werd teruggekaatst. Deze omstandigheid deed hem

het besluit opmaken, dat de monnik nog wakker was: daar hij in een

tegenovergesteld geval het licht wel zou hebben uitgedaan, alvorens hij

zich ter ruste begaf. Dan, toen hij een paar stappen verder gedaan had,

was het licht eensklaps verdwenen. Eenigszins verwonderd trad hij toe

en, voor de deur der cel blijvende staan, riep hij met een halfluide

stem door de opening: "slaapt gij reeds, vader Syard?" Hij ontving

echter geen antwoord, maar hoorde nu dat de vrome monnik bezig was

om in diepe duisternis zijn avondgebeden op te zeggen.

"Vader Syard!" herhaalde hij luider: "kunt gij uw litanieën niet

nog wat uitstellen? Ik wensch u te spreken: kent gij mij niet? Ik

ben Seerp Van Adeelen! Nog eens, stel dat gebabbel uit: ik moet u

noodzakelijk spreken."

Ziende, dat er geen middel was om zich van het bezoek te ontslaan,

stond de monnik op van de plaats, waar hij lag neergeknield, en

ontsloot de deur. Adeelen trad binnen: de vreemde handelwijze van den

pater had eenig vermoeden bij hem doen ontstaan. Hij lichtte zijn

lamp omhoog en zag de cel rond: een werk dat spoedig verricht was,

daar het lokaal niet veel breeder was dan de deur, waardoor men er

binnenkwam, aan de eene zijde alleen een gekalkten wand vertoonde met

menie geverfd, daar tegenover een slaapstede in den muur, met twee

deuren gesloten, en over den ingang een raam, waaronder de tafel stond,

die, benevens een koperen kruisbeeldje, een waterkruik en een houten

zitbankje, het geheele huisraad der kamer uitmaakte.

"Gij zijt hier voorwaar niet prachtig gehuisvest," zeide Adeelen,

terwijl hij de lamp op de tafel en zijn persoon op de bank nederzette.

"Ik heb meer dan het benoodigde," zeide de monnik, die met gekruiste

armen voor hem stond: "mag ik weten wat u zoo onverwacht hier doet

komen? Het feest kan toch nog niet afgeloopen zijn."

"De duivel hale het feest en allen die er op zijn."

"Gij sluit, hoop ik, den edelen Aylva uit en Madzy Dekama, die gelijk

ik verneem, mede naar die samenkomst van dwazen is vertrokken. Het

heeft mij verwonderd, dat een wijs man als haar voogd...."

"Een schandelijk bedrog is jegens ons gepleegd: de oude gek is laf

genoeg, het te verschoonen: Seerp Van Adeelen zal het nimmer vergeven."

"Bedaar!" zeide de monnik: "het is een wijs voorschrift, dat men

zijn gramschap moet uitslapen. Ga naar bed, Adeelen! morgen zal ik

met aandacht luisteren naar 't geen gij mij te melden hebt."

"Morgen!--morgen ontbreken ons wellicht tijd en gelegenheid: ik zal

geene rust kunnen smaken voor ik lucht heb gegeven aan mijn verkropten

spijt. Maar ik ben dorstig, en ik haat te spreken zonder de lippen

te bevochtigen. Hebt gij hier niets te drinken?"

"Geen anderen drank," zeide vader Syard, de waterkruik toonende,

"dan dien welke de duinwellen opleveren."

"Zoek wel," zeide Adeelen: "ik houde mij overtuigd, dat de cel van

een Sint-Odulfschen kloosterbroeder iets meer bevat. Bij mijn laatste

bezoek heb ik althans gemerkt, dat uw oude pater Agge een lieven

voorraad echten Niersteiner onder zijn bedstede bewaarde."

"Ik onderzoek niet wat anderen doen," hernam de monnik op een

gestrengen toon: "mits ik zelf de voorschriften mijner orde nakome."

"Zeer billijk. Maar misschien is het beter, dat ik voor deze reis

uwen regel volge, en mij met water vergenoege. Mijn bloed behoeft

niet meer verhit te worden."

"Inderdaad!" riep vader Syard, verbaasd over deze woorden, de wijste,

welke hij Adeelen ooit had hooren uitspreken, en nog meer over de

gretigheid, waarmede hij hem de kruik aan den mond zag zetten.

"En nu tot de zaak!" zeide Adeelen: "luister! en oordeel, welke wraak

Adeelen nemen moet van hen, die hem zoo schendig durven beleedigen;" en

hij gaf den monnik een volledig verslag van hetgeen er was voorgevallen

op het feest en van de list, waarvan men zich bediend had om Madzy

derwaarts te lokken.

"En op welke wijze denkt gij dezen hoon te wreken?" vroeg vader Syard

na eenige oogenblikken zwijgens.

"Nog ben ik daarvan niet bewust; maar dit weet ik, dat ik niet tevreden

wezen zal, voor ik dien hoogmoedigen Graaf zal geleerd hebben, wat

het zegt, een Frieschen edelman te hoonen."

"Gij ontzegt hem dan?" vroeg de monnik.

"Ik heb hem niets te ontzeggen; want ik heb hem nooit als mijnen Heer

erkend; maar ik verklaar hem oorlog: oorlog, eeuwigen oorlog aan den

Graaf van Holland."

"Amen!" zeide een doffe stem, welke uit den grond scheen te komen.

"Wie sprak hier?" riep Adeelen uit, zich snel omwendende.

"Wie weet het?" antwoordde de monnik, eenigszins onthutst: "wellicht

een dienaar, die zijn avondgebed besluit in eene der naaste cellen. Er

is slechts een planken beschot tusschen de bedsteden. Het is hier

gehoorig; daarom wilde ik liever ons onderhoud tot morgen hebben

uitgesteld."

"Gij bedriegt u. Al de dienaars zitten in de bakkerij: de naaste cellen

zijn ledig; maar de uwe besluit misschien meer toehoorders dan u." Dit

zeggende stond hij op, zag vader Syard aan met een argwanenden blik en

wendde vervolgens het oog naar de bedstede. "Die deuren," vervolgde

hij, "zijn dicht genoeg om een verspieder te verbergen." En meteen

leide hij de hand op den wervel.

"Laat af!" riep de monnik, hem weerhoudende: "het is nog de tijd niet."

"Ik wil zien wat hier schuilt," zeide Adeelen, hem terugstootende:

"aha! wat hebben wij daar?"

De dubbele deur der slaapplaats was opengevlogen, en had aan

Adeelen een man vertoond, die half gezeten was en half nederlag

op een peluw. In de eerste verbazing had Adeelen zijn dolk gevat;

maar, de bedaarde en rustige houding des onbekenden bemerkende, het

moordtuig weder in de scheede gestoken, en zich vergenoegd met een

straffen blik te vestigen op hem, die zich verstout had, het gesprek

te beluisteren. Die beschouwing viel niet geheel ten nadeele des

vreemdelings uit. Deze scheen een jongeling van omstreeks dertig jaren:

zijn kleedij kon moeilijk doen raden tot welken stand hij behoorde,

maar vormde veeleer een mengelmoes, dat alle standen aanduiden

kon. Over de groene kiel eens boogschutters was een monnikskleed

als een omslagdoek heen geslingerd: aan de voeten pronkten laarzen,

wier gouden sporen bij het lamplicht schitterden: de hozen waren

rood evenals het ondervest; sierlijke blonde haarlokken krulden

om het hooge voorhoofd, dat met een gemeene boerenmuts bedekt was:

de regelmatige gelaatstrekken, de arendsneus en dunne lippen gaven

moed en onversaagdheid te kennen; doch de hazelbruine, levendige

oogen schenen tevens vernuft en loszinnigheid van karakter aan

te duiden. De mond was tot een glimlach vertrokken, en de geheele

houding des onbekenden, zooals hij daar uitgestrekt was, het hoofd half

leunende in de linkerhand, terwijl de rechter, aan wier voorste vinger

een schitterende ring prijkte, de kin omvatte, het eene been op het

bed uitgestoken en het andere daarvan afhangende, teekende volkomen

zelfvertrouwen en onverschilligheid omtrent de wijze, waarop Adeelen

deze ontmoeting zoude opnemen. Nadat beiden elkander een geruimen

tijd hadden aangestaard, brak Adeelen eindelijk het stilzwijgen met

de natuurlijke vraag: "wie zijt gij? en wat doet gij hier?

"Gij ziet het," was het even natuurlijk antwoord: "ik lig te bed."

Hoe Adeelen tot toorn gestemd ware, kon hij zich niet onthouden van

te glimlachen over dit onverwacht antwoord; doch weldra verkreeg de

wrevel weder de overhand bij hem: "antwoord met meer bescheidenheid,"

zeide hij: "of ik zou u berouw kunnen doen gevoelen over uw

onbeschaamdheid. Ik heb hier volks genoeg om u geducht te doen af

kloppen, en te leeren spreken als het noodig is."

"In waarheid!" hernam de vreemdeling, altijd op denzelfden kalmen toon:

"doch ik heb hier een vriend bij mij, die hun wellicht den lust tot

dergelijke onhoffelijkheden zou doen vergaan." Dit zeggende toonde hij

aan Adeelen een strijdbijl, wier gewicht en zwaarte geene vriendelijke

groete voorspelde aan dengene, wien zij toegedacht was.

"Wij zullen zien," riep Adeelen, toornig naar de deur gaande.

"Om Gods wil! Jonker Seerp! bega hier geene onvoorzichtigheid,"

zeide de monnik, hem terughoudende; "men heeft er reeds te vele

begaan,"--voegde hij er bij, een ontevreden blik op den onbekende

slaande.

"Dat ziet op mij," zeide deze, schaterende van lachen: "Kom Seerp

Van Adeelen! volg den goeden raad des paters, ga bedaard weer zitten:

en laat ons vrienden zijn." En op de bank wijzende, ging hij volkomen

overeind zitten in de bedstede en liet de beide beenen afhangen.

"De stoutheid van dien kerel verbaast mij," zeide Adeelen, onzeker

wat te doen: "nog eens, wie zijt gij, die tot Seerp Van Adeelen als

tot uw gelijke spreken durft?"

"Ik spreek tot hem als tot mijn mindere," antwoordde de vreemdeling,

op een vroolijken toon, die als in weerspraak was met zijn woorden.

"Tot uwen mindere!" herhaalde Adeelen, stom van verbazing en

verontwaardiging. "En in aller Heiligen naam! wie zijt gij dan?"

"Wie ik ben! mij dunkt," vervolgde de onbekende, den monnik aanziende

met een vragenden blik: "dat de tijd nog niet gekomen is, om zulks

te vertellen."

"Neen! bij den hemel!" riep de monnik: "gij moet nu niet zeggen,

wie gij zijt: ik smeek u daarom! gij zult de waardigheid, die gij

bekleedt, niet tot een voorwerp van spot doen strekken, noch de eene

onvoorzichtigheid op de andere stapelen. Seerp Van Adeelen! ik bezweer

u! verlaat deze cel en vergeet wie en wat gij gezien hebt."

"Wat ik gezien heb? twee verraders, die ik terstond zal doen straffen,

zoo mijn woord hier eenig gewicht heeft."

"Dat zult gij niet, dolzinnige!" hernam vader Syard, "de naam dezes

mans moet u nog een raadsel blijven; doch dit verklaar ik u Willem

de Vierde heeft geen grooter vijand dan hem."

"Gij haat Willem den vierden," riep Adeelen, haastig tot den onbekende

toetredende: "doch wie waarborgt mij de waarheid van hetgeen die

monnik verzekert?"

"Hoor!" zeide de onbekende: "ik mag u, daar de eerwaardige pater het

zoo dringend verbiedt, mijn naam niet doen hooren; dit zij u genoeg,

dat ik een edelman ben, zoowel als gij, ja van nog beroemder afkomst,

al stamt gij van een Frieschen koning af.... doch hierover willen wij

niet twisten. De Graaf is uw vijand: hij is ook de mijne. Zoo ik hier

verschijn, het was om pater Syard te vinden en met hem de middelen

te beramen om den trots des dwingelands te fnuiken. Dezen morgen

sprak ik hem niet verre van hier; maar ik heb reden om te vermoeden

dat ons gesprek beluisterd is geworden. In de hoop, dat wij hier meer

ongestoord zouden spreken, had mij de eerwaarde monnik voorgesteld ons

onderhoud in deze afgelegene cel te hervatten. Wij werden gestoord

door uwe komst en onwillig, mij aan iemands oogen bloot te stellen,

verschool ik mij in deze bedstede, waar ik bijna gestikt ware. Toen

ik u zoo luidkeels wraak over den Graaf hoorde roepen, kon ik mij niet

weerhouden, een hartelijk amen uit te spreken, en daardoor vrijwillig

mijn aanwezigheid te verraden. Had ik mij niet evengoed kunnen

stilhouden, en is hij een verspieder, die zich zelven dus aanmeldt?"

"Er is veel waars in 't geen gij zegt," merkte Adeelen aan: "doch...."

"Doch mijn mond is schor van het praten: en zoo gij u met water

vergenoegt, ik zou wel een meer opwekkenden drank verlangen. Broeder

Syard! wees zoo goed en haal een kan wijn boven. Die brave Jonker zal

mij wel gezelschap houden en een beker ledigen op de onafhankelijkheid

van Friesland."

Vader Syard schudde het hoofd en zag Adeelen met een blik aan,

welke den tegenzin, dien hij gevoelde, om het onderhoud te rekken,

blijkbaar aankondigde.

"Ga!" zeide Adeelen, wiens drift nu geheel bedaard was en voor

nieuwsgierigheid had plaats gemaakt: "ga! en zeg dat ik wijn verlang."

De monnik haalde de schouders op en vertrok. "Voorwaar!" zeide de

vreemdeling toen: "ik had hem wel mogen gelasten een paar goede stoelen

mede te brengen; want de zitplaatsen zijn schaarsch en ongemakkelijk:

en, wanneer men praat en drinkt, is een leunstoel met open armen en

gevulde kussens voor de tafel geschoven, gansch geen verwerpelijk

ding."

"Zoo gij liever in mijn vertrek wilt komen," zeide Adeelen: "het

huisraad is er zeker beter in orde en...."

"En ik zal er blootstaan aan de nieuwsgierigheid uwer dienaars? Ik

dank u."

"Gij zult er niemand zien, zoo gij zulks niet verlangt: en ik zou den

strot afsnijden aan dengene, die zoo stout ware eenige vraag omtrent

u te doen."

"Nu! zoo gij mij daarvan verzekert," hernam de vreemdeling, opstaande

en zijn beenen schuddende, die verdoofd waren door den gedwongen

toestand, waarin zij verkeerd hadden: "dan is het mij wel."

"Voortreffelijk. Laat den monnik u den weg naar mijn kamer wijzen:

ik zal voorgaan om te zorgen dat ons niemand store."

Dit zeggende, nam hij eene der lampen op, stak de andere aan, ten

einde zijn nieuwen kennis niet in 't duister te laten, en wilde zich

verwijderen, toen de vreemdeling hem bij den arm terughield.

"Een oogenblik!" zeide deze: "wie waarborgt mij, dat gij mij niet

bedriegt en uw dienaars niet gaat roepen om mij te vangen?"

"Zoo het woord van een vrijen Fries niet bij u geldt," zeide Adeelen,

"is het nutteloos, tijd te verspillen met een verder onderhoud. Dan

kunt gij u onverlet verwijderen."

"Ga dan!" hernam de onbekende: "ik vertrouw mij op u."

Adeelen vertrok, en den monnik op de trap ontmoet hebbende, deelde

hij hem het opgevatte voornemen mede, 't geen bij vader Syard nieuwe

stof tot ongenoegen scheen te verwekken. Echter, na een oogenblik

te hebben nagedacht: "uw vertrek," zeide hij, "is, zoo ik mij niet

bedrieg, juist onder het mijne."

"Dat zal wel zoo zijn:--doch waarom die vraag?"

"Des te beter:--gij zult er de reden wel nader van bespeuren."

Zij verlieten elkander; en na eenige minuten waren Adeelen en zijn

beide gasten op hun gemak in zijne kamer gezeten om eene tafel,

waar een welgevulde wijnkan met drie bekers op tafel stond te prijken.

Terwijl Adeelen en de vreemdeling zich met eenige goede teugen

verfrischten ('t geen de monnik volstandig afsloeg) bleven zij

elkander schier zonder spreken nieuwsgierig aanzien, als onzeker wie

de eerste zijn zou om het onderhoud, dat zoo belangrijk wezen moest, te

beginnen. Eindelijk kon Adeelen zijn ongeduld niet langer bedwingen: de

beide ellebogen op de tafel leggende en zijn kin op de saamgevlochten

vingers der beide handen doende rusten, ving hij aldus aan:

"Welnu! ik zal den sleutel verkrijgen van hetgeen mij tot nog toe

onbekend is? Op welke wijze zal mij uwe hulp te stade komen, om

Friesland van 's Graven heerschzucht ontslagen en mijn eer gewroken

te zien?"

"Behaagt het u," vroeg de monnik aan den onbekende, "dat ik den Jonker

mededeele wat hem noodig is te vernemen?"

Een toestemmenden knik ontvangen hebbende, ging vader Syard aldus

voort:

"Gij moet dan weten, Seerp Van Adeelen! dat Friesland niet het

eenige gewest is, hetwelk reden heeft om zich over de verkorting van

lang genoten vrijheden te beklagen. Ook in het Bisdom van Utrecht

heeft de heerschzucht des Graven hem vijanden berokkend, die, zijn

onverdraaglijk juk moede, alles in de waagschaal willen stellen, om

zich daarvan te bevrijden. De keuze van den voormaligen Bisschop,

Jan Van Diest, ten gerieve van Grave Willem den Derden gedaan,

had bijna geheel het Sticht onder de heerschappij der Hollanders

gebracht. Na hem had, gelijk u bekend is, de tegenwoordige Graaf,

begeerig, zijn eens verkregen gezag te handhaven, opnieuw een leenman

van Holland, een afstammeling uit het beroemde huis van Arkel, op

den Bisschoppelijken zetel weten te plaatsen."

"Dat alles heb ik meer gehoord," zeide Adeelen; "die Bisschop is

immers in Friesland geweest om de kloosters te bezoeken?--Ik heb hem

niet gezien: men zeide, dat hij nog geen baard aan de kin had."

"Met of zonder baard," vervolgde de monnik, "hij toonde met de daad,

dat hij de belangen zijns Bisdoms behartigen wilde en dat hij niet,

gelijk zijn voorganger, een tamme sperwer was, gereed om van 's

meesters hand te vliegen en voor dezen het wildbraad op te vangen:

maar een grootmoedige adelaar, vaardig om weerstand te bieden aan al

wie hem zocht te fnuiken. Bijna al de bezittingen van het Bisdom waren

wegens schulden aan den Graaf verpand: om die schulden af te lossen,

en daardoor het Sticht aan den invloed van Holland te onttrekken,

verliet Arkel de mijterstad en ging hij stil en afgezonderd in

Frankrijk leven. Intusschen liet hij te Utrecht zijn broeder Robbert

achter en, met hem, mannen, wier hart van ijver blaakt om het Bisdom

tegen alle aanmatiging van buiten te verweren en tot zijn alouden

luister te verheffen. Hiertoe willen zij in de eerste plaats den

Grave, die zich het momboirschap van het Sticht heeft toegerekend,

alle inzien van stukken, benevens de hun gevraagde rekening en

verantwoording weigeren."

"Ik zie, waar dat heen moet," viel Adeelen in: "de rekening wordt

geweigerd: en de Graaf rukt het Sticht in met zijn heir."

"Indien hij niet wordt voorgekomen," zeide de vreemdeling,

glimlachende.

"Welnu!" hernam de monnik: "het oogenblik, dat het Sticht als één

man tegen Holland opstaat, zij ook dat van Frieslands bevrijding."

"Ik versta u," zeide Adeelen: "de wapenkreet, die in Utrecht wordt

aangeheven, moet door de Collumsche en Amelandsche duinen worden

teruggekaatst. Welaan! aan mij zal het niet ontbreken."

"Hebt gij invloed genoeg in Friesland," vroeg de Stichtenaar,

wiens gelaat op eens een meer ernstige plooi aannam, "om dit te

bewerkstelligen?"

"Ik sta in voor geheel Westergoo, dat mij gezonden heeft," antwoordde

Adeelen: "en, zoo mijn echt intijds voltrekken wordt, zal ik een

aanhang kunnen vormen, sterk genoeg om den geheelen adel van Friesland

mijne banier te doen volgen."

"'t Is wel! doch uw mede-afgevaardigde, de zendeling van Oostergoo? Hij

schijnt meer ten vrede geneigd."

"Hij moge alleen gaan pruilen op zijn stins," hernam Adeelen:

"Friesland heeft moedige zonen genoeg en zal hem niet missen. Wat de

geestelijke huizen betreft...."

"Daarvoor sta ik in," zeide vader Syard. "Hun afhangelingen zullen

niet achterblijven op den dag des gevaars."

"En dan," vervolgde Adeelen, wiens oogen meer en meer van geestdrift

begonnen te fonkelen: "dan hebt gij, behalve de volgers van Edelen en

Papen, die onbuigzame inwoners onzer steden, wier voorhoofd gloeit,

wanneer zij een Hollander hooren noemen, en die nering en bedrijf

verlaten zullen en met het zwaard opkomen, zoodra de kans hun schoon

staat om een Hollander af te kloppen."

"Voortreffelijk!" riep de vreemdeling uit: "en wanneer dan alles wat in

Twente, in Salland en in Drente onderhoorig is aan het Bisdom, wanneer

de moedige Stellingwervers en de Groningers, en die Westfriezen,

die nog de dagen van Koning Willem niet vergeten zijn, zich allen

vereenigen, dan zal de Meester van alle soldaten en Regent van alle

vorsten, zooals de Graaf zich door zijn vleiers noemen laat, werks

genoeg hebben om zijn hoofd voor de uitbarsting van het onweer te

beveiligen. Hier!" vervolgde hij, een vollen beker omhoogheffende:

"drinken wij op het welslagen van ons heilig verbond!"

"Op het wèlslagen," zeide Adeelen: "maar," vervolgde hij, van toon

veranderende, "mag ik nu eindelijk weten, met wien ik het verbond

aanga?"

De vreemdeling wilde antwoorden; maar vader Syard kwam hem voor:

"deze edelman," zeide hij, "brengt ons de wenschen en verlangens

over van de Utrechtsche Kapittels. Thans mogen wij u niets meer

zeggen. Laat ons liever eens nadenken over hetgeen ons nu te doen

staat. Is het uw voornemen niet" (zich tot den Stichtenaar wendende)

"morgen naar Utrecht te vertrekken, ten einde aldaar uwe maatregelen

te beramen en ten uitvoer te brengen?"

"Morgen!--Neen!--ik moet nog een paar dagen hier blijven: er zijn nog

onder die groote heeren, die hier te feest komen, enkelen aan wie ik

een woord in 't vertrouwen heb te zeggen:--doch ik zal schrijven. Die

Barbanera, of hoe hij heeten mag, kan een brief medenemen."

"Hij is, zoo ik vernomen heb, in de hut des boschwachters opgelicht

en te Haarlem gevangengezet," zeide vader Syard.

"Ja!--maar gelukkig weder ontslagen en naar Hillegom gebracht, van

waar hij of zijn makker terug zou keeren om mijn bevelen aan de

vervallen loods in 't duintje af te wachten. Wees nu slechts zoo

goed mij eenig schrijfgereedschap te verschaffen; want ik vrees,

dat de kamer van dezen Jonker daarvan slecht voorzien zal wezen."

"Gij kunt schrijven!" zeide Adeelen verbaasd, nadat de monnik

vertrokken was.

"Is dat wonder voor een afgevaardigde der Kapittels? maar ik kan

meer dan dat, gelijk gij zien zult, indien gij u overmorgen op 't

steekspel bevindt."

"Voorzeker hoop ik daar te komen," zeide Adeelen.

"Welnu! zoo gij op een Ridder let, in een blanke wapenrusting, met een

rooden arend op den helmkam, zult gij ten minste iemand zien, die niet

zonder eer het strijdperk verlaten zal.... maar stil! onze waardige

pater komt terug: en die behoeft van dit alles niets te weten!"

De monnik trad binnen en plaatste het schrijfgereedschap op tafel. De

Stichtenaar greep hasstig naar een blad perkament en deed zijn

ganzeveder vaardig daarover gaan.

"Maar zoo uw brief onderschept wordt en de Italiaan ons

verraadt? _Verba volant, scripta manent_, [27] zegt de spreuk."

"Al wordt de kokeler gepakt en doorsnuffeld, zullen zij mijn brief

voor niets anders aanzien dan voor tooverspreuken en bezweringen. Ik

versta mij ook een weinig op het cijferschrift."

Dit gezegd hebbende, zette hij met zulk een vlugheid zijn arbeid voort,

dat Adeelen, die vaak de moeite had gezien, waarmede de goede Abt van

Sint-Odulf eenige letters formeerde, er over verbaasd stond. Toen

het echter een poos geduurd had en de tweede brief begonnen was,

namen verveling en vervolgens een onbedwingbare vaak de plaats der

verbazing in en welhaast verkondigde een luid gesnork aan de beide

saamverbondenen, dat hun bondgenoot in slaap was gevallen.

"En nu, daar onze vriend ons niet hooren kan," zeide de Stichtenaar,

zijn brieven dichtvouwende: "zeg mij, waarde broeder, waarom gij er zoo

tegen waart, dat ik mijn waardigheid aan dien edelman bekend maakte?"

"St! Stil!" zeide de monnik, den vinger op den mond leggende.

"Hij kan ons niet meer hooren," zeide de vreemdeling.

"_Fortasse oculis tantum dormit_," hernam de monnik:--"_Sed quominus

hunc juvenem vestrae dignitatis certiorem faciamus, vetat et ipsius

imprudentia, vetat et securitas vestra, quae maxime periclitaretur,

si repertum esset, tam insolenti habitu absconsam esse ecclesiae spem

deliciasque nostrae_." [28]

"_Et libera nos a malo, amen_!" zeide Adeelen, die, door het

gesprek weder wakker wordende, zich verbeeldde dat de monnik een

Vader Ons opzeide: "wat prevelt gij toch?" vervolgde hij, zich de

oogen wrijvende.

"Kom! al genoeg geredeneerd," zeide de vreemdeling, opstaande: "kunt

gij mij nu ongemerkt hier uitlaten? dan ga ik mijn verblijfplaats

opzoeken."

"Ik heb zelf last gegeven de achter- en zijpoort te sluiten," zeide

Adeelen: "doch de groote poort staat nog open. En dan, al zag men u,

wie zou vrijpostig genoeg zijn om mij te vragen, welk laat bezoek ik

gehad heb?"

"Ik bid u," zeide vader Syard, "bedenk dat alle onvoorzichtigheid

schadelijk wezen kan. Al de dienaars zijn nog wakende, om op den Heer

van Aylva te wachten, en gij zoudt onmisbaar gezien worden:--vernam

de Olderman of de eerwaarde Abt iets van ons gesprek, het kon voor

ons allen gevaarlijk zijn."

"Zoo ik den tuinmuur overklom...." zeide de Stichtenaar.

"Indien ik mijn gevoelen uiten mag," vervolgde de monnik, zonder dit

laatste voorstel in aanmerking te nemen, "zou ik van oordeel wezen,

dat gij hier dezen nacht bleeft vertoeven, daar het mij morgen veel

lichter zal vallen om u, als iedereen vermoeid van de nachtwaak in

diepe rust ligt, van hier te doen ontsnappen."

"Ja! maar de brieven," zeide de vreemdeling: "hunne bezorging eischt

spoed."

"Ik geloof waarlijk, dat er al verspieders in aantocht zijn," zeide

Adeelen, die intusschen door het raam had gezien: "ik heb daar een

gedaante door het bosch zien sluipen."

"Wij zijn onvoorzichtig geweest," zeide de monnik, zich voor het

hoofd slaande: "wij zitten hier met licht: en iemand, die de moeite

neemt om een der boomen, welke buiten staan, te beklimmen, kan ons

alle drie herkennen.... doch! bij alle heiligen! wat is dat?"

De verbazing des monniks was niet ongegrond: er werd van buiten tegen

het raam getikt.

"Wie is daar?" riep Adeelen, met drift het venster opendoende. "Het is

de Booze!" zeide hij, toen op hetzelfde oogenblik een zwarte gedaante

naar binnen sprong en, zich op de tafel neerzettende, de aanwezigen

tegengrinnikte.

"Aha! zijt gij het, meester Cezar!" zeide de vreemdeling: "dan zal

uw meester waarschijnlijk niet verre af zijn. Hij zal ongerust over

mijn uitblijven zijn geworden, en mij dezen boodschapper hebben

toegezonden. Mij dunkt, ik zie hem reeds beneden aan den muur

staan. Zijt gij het, Daamke?"

"Tot uwen dienst," klonk zachtjes het antwoord van den nar.

"Voortreffelijk! hier zijn twee brieven ter bezorging; wil ik ze

u toewerpen?"

"Voorzichtig!" zeide de monnik, hem terughoudende, "er groeien zoovele

en zoo dichte struiken om de muren, dat de kerel er vruchteloos naar

zoude zoeken."

"Nog beter!" hernam de Stichtenaar: "wij hebben immers den bode bij

ons. Hier, meester Cezar! neem deze brieven en breng ze behendig aan

den baas: Daamke! roep uw aap!"

Daamke floot slechts even, en gezwind sprong Cezar met de brieven

het raam uit en op den schouder zijns meesters, die zich terstond

verwijderde. De drie bondgenooten oogden hem zoo lang na als de

duisternis het veroorloofde en sloten vervolgens weer het raam.

"En nu!" zeide Adeelen, wien intusschen een nieuw denkbeeld was voor

den geest gekomen: "uwe zaken zijn afgehandeld, heer vreemdeling,

wie gij zijn moogt! nu moet ik ook eens aan de mijne denken. Ik had

eerst den monnik willen vragen, mij behulpzaam te zijn, maar dewijl

ik in u iemand vinde, die zoowel met de ridderlijke gebruiken als

met het hanteeren der pen bekend is, wend ik mij nog liever tot u."

"Laat hooren," zeide de vreemdeling: "en zoo mijne zwakke talenten

u van dienst kunnen zijn, ziet gij mij daartoe bereidvaardig."

De Friesche edelman stelde hem hierop zijn verlangen voor. Daar de

uitslag van hun verder onderhoud in het vervolg dezer geschiedenis

blijken zal, is het ons onnoodig voorgekomen, de verschillende

tegenwerpingen en bedenkingen, door den onbekende en door vader

Syard gemaakt, en het ten laatste gevormd besluit hier ter plaatse te

vermelden. Wij zullen ons derhalve vergenoegen met te zeggen, dat de

Stichtenaar, na den afloop van het gesprek, in een der armstoelen

een zachte rust vond, waaruit hij vroeg in den morgen door den

monnik gewekt en daarna ongemerkt buiten de muren van het gebouw

gebracht werd.

De Roos van Dekama · 第 18 / 46 题