ELFDE HOOFDSTUK.

Nu gaet verheugt ten rei en danst,

Ghy die het hoofd met mirten kranst.

Vondel, Salomon.

Een schitterende rij van edellieden en jonkvrouwen begon zich reeds

te vergaderen in de hofzaal op de markt [23], waar het dansfeest,

dat in 't klooster minder voegde, stond gehouden te worden. Het oog

kon zich niet genoeg verzadigen aan het beschouwen van de pracht,

aldaar ten toon gespreid. Rijke _dressoiren_ of buffetten, overdekt

met kostbare lakens en tapijten, waren beladen met spijzen en dranken,

in blinkende schotels en vazen van zilver en goud, waarop het licht

flikkerde der toortsen en zoogenaamde danskaarsen, die schier ontelbaar

aan den muur brandden, in koperdraad gevat of op koperen armblakers

staande. Talrijke dienaars gingen rond met ververschingen, met taarten

en pastijen, met galantijn en kruidkoeken, en wijn van allerlei soort:

schitterend was de kleeding der dansgenooten van beide kunne; maar

vooral en liefst vestigde zich het oog op de bevallige schoonen,

welker uiterlijken tooi men weldra vergat om die begaafdheden te

bewonderen, waarmede haar de natuur zoo mild bedeeld had.

Nog was de dans niet aangevangen; maar in verschillende groepen,

hier en daar verspreid, onderhield men zich over de onderwerpen,

die aan de orde waren: de gehouden en nog te houden feesten. De

woorden waren verschillend: maar de grondtoon der gesprekken was

bijna overal dezelfde als die van latere en hedendaagsche partijen:

de vermaken van den dag, de kleeding der dames, de ophanden zijnde

huwelijken en tegenwoordige vrijages, een weinig kwaadsprekendheid en

veel beuzeltaal. In een der hoeken van de zaal was men van 't eene

onderwerp op 't andere aan de Friesche Jonkvrouw geraakt, welke men

wist dat met de afgevaardigden was medegekomen.

"Men zegt, dat zij zeer bevallig is," zeide de jeugdige Ottilia van

Naaldwijk, tot den heer van Walcourt, die zich nevens haar bevond.

"Onmogelijk! schoon kan zij wezen; doch zeker recht en stijf als een

boonstaak, en zonder gevoel noch leven."

"Neen in waarheid," viel Oda van Wassenaar er tusschen in; "zij moet

bekoorlijk zijn: en men beweert, dat zij beter te paard zit dan een

Rijnsburger non."

"Oda! Oda!" zeide Ottilia, haar met den vinger dreigende, "gij zijt

wederom boosaardig!"

"Wat steekt daar voor boosaardigs in? Laat de Heer van Walcourt zelf

beslissen, of hij ergens, ik zeg niet in zijn Henegouwen, maar in

geheel Frankrijk, geestelijke zusters heeft gezien, die zoo vast in

den zadel waren?"

"En waarom," zeide Walcourt, zonder dadelijk te antwoorden, "zoudt

gij haar dat onschuldig vermaak misgunnen?"

"Misgunnen! Ik zal er mij wel voor wachten; want dan had ik nooit

gedaan. Het smart mij genoeg, dat mijne zuster het Rijnsburger pak

heeft aangetrokken en ik niet."

"Dan ware immers de geheele adellijke jeugd wanhopend geweest,"

zeide Walcourt.

"Geene vleierij! daar heb ik bijna evenveel afkeer van als van de

nieuwe hoeden, welke de Gravin wil invoeren. Zeg mij liever, om weer op

ons gesprek te komen, zal dat Friesche wonder hedenavond verschijnen?"

"Men zegt het," antwoordde Walcourt.

"Dan mogen wij onze sluiers wel laten halen en onze gezichten bedekken:

anders verbleeken wij nog als sterren voor de zon."

"Indien haar schoonheid slechts niet bedorven wordt door die gekke

kapsels die zij dragen," zeide Ottilia: "maar wij zullen, geloof ik,

niet veel gevaar loopen: ik heb zooeven van mijn vader vernomen,

dat zij niet komen wil."

"Niet komen wil!" hernam Walcourt: "een Jonkvrouw, die een uitnoodiging

weigert tot een danspartij. Inderdaad! dan is zij wel een uitzondering,

en verlang ik dubbel haar te leeren kennen."

"Wacht!" zeide Oda: "daar is onze Italiaan; die is bij haar geweest,

hij zal ons best bericht kunnen geven. Ridder Deodaat! een woord,

zoo 't u gelieft."

Deodaat trad nader: "kan ik," zeide hij: "de schoone Oda van eenigen

dienst zijn?"

"Wij wilden van u vernemen, of dat Friesche mirakel ook ten hove komt,"

zeide Oda.

"En of zij waarlijk zoo schoon is, als men zegt," voegde Ottilia

er bij.

"En zoo voortreffelijk te paard zit."

"En zulk een gek kapsel heeft."

"Schoone dames!" zeide Deodaat: "vergunt mij een oogenblik adem te

halen:--wat de schoonheid der Friesche Jonkvrouw betreft, geloof ik

dat haar niemand die zal betwisten, te meer, daar zij er geenszins

hoovaardig op is."

"Ik geloof," zeide Oda: "dat in die woorden iets ligt besloten,

dat een zijdelingschen zet moet beteekenen."

"Vooral niet.--Over haar kleeding zou ik liever het oordeel van

bevoegde rechters zooals gij vernemen; want ik durf mij niet vermeten

tusschen klapmutsen en _hénins_ en oordekkers [24] te beslissen:

dit alleen durf ik te zeggen, dat haar gelaat onder alle hulsels

bevallen zou."

"Waarlijk Ridder!" zeide Ottilia: "ik geloof dat gij verliefd zijt op

die overzeesche tooveres: nu kleur maar niet: er steekt geen kwaad in."

"Ik, lieve Jonkvrouw!" antwoordde Deodaat: "een Ridder zonder land

en goed, en wien men gisteren nog een deugdzaam paard ontstal, heeft

het recht niet om te verlieven;--anders had ik niet zoolang daarmede

gewacht," voegde hij er met een beleefde buiging bij.

"Nu verder," zeide Walcourt: "haar rijkunst....?"

"Is voortreffelijk; doch ik moet er bijvoegen, dat die Friezen

uitmuntende paarden op stal hebben."

"De slotsom van dit alles is dus," hervatte Oda, "dat dit meisje

een juweel is van het zuiverste water, en dat, als zij verschijnt,

wij andere Jonkvrouwen geen Ridder meer aan onze zijde zullen vinden,

en onze toevlucht tot een karoledans [25] zullen moeten nemen;--maar

dat is nu de groote vraag: komt zij?--Of neemt zij alleen den wierook

van hare Friesche aanbidders aan?"

"Ziedaar een vraag, waarop ik het antwoord zal moeten schuldig

blijven," zeide Deodaat: "de tijd zal het moeten leeren."

"Maar in 's Hemels naam," hernam de levendige Oda: "zeg mij toch! wie

is die kaalgeschoren liefhebber daar? Hemel! nu zag ik nooit iemand,

die meer op een aangekleeden zeehond geleek dan hij."

"Zoo gij," antwoordde Ottilia, "gisteren met ons op den Vogelesang

geweest waart, hadt gij den held leeren kennen. Hij is een der

Friesche afgevaardigden: en ginds is de andere in gesprek met den

Heer van Beaumont."

"Nu! die heeft ten minste het uitzicht van een gewoon mensch," zeide

Oda: "maar deze kermisbeer! wat kijkt hij ons vervaarlijk aan."

Hij, die het voorwerp was van deze liefderijke aanmerkingen, wandelde

met langzame, zware stappen de zaal op en neder, ter prooie aan

al de onaangename gewaarwordingen van iemand, die zich misplaatst

en daardoor kwalijk op zijn gemak gevoelt in het gezelschap, waar

zijn ongelukkig gesternte hem gevoerd heeft. Zonder verlegenheid,

zonder blozen, had Adeelen zich dien namiddag voor den zetel des

Graven bevonden en er zijn trotsche taal gevoerd; maar hier ontzonk

hem de moed bij de schalksche en spotachtige blikken der jeugdige

schoonen. Hij rekende zich eindelijk gelukkig, een paar Geldersche en

Overijselsche edelen te vinden, met welke hij vroeger kennis gemaakt

had en die zich thans zijn gezelschap niet schaamden. Te meer was

hem zulks welkom, omdat hij, voornemens zijnde op het steekspel te

verschijnen, deswege eenige inlichtingen wenschte te verkrijgen.

Weldra kondigde een luidruchtige muziek de komst aan van het Grafelijk

paar. Willem had een vroolijk en zelfs eenigszins spotachtig voorkomen;

hij wendde zich meer dan eens naar den kant waar zich Aylva of Adeelen

bevond en wreef zich de handen met innerlijke tevredenheid, welke

aan Deodaat niet ontging, die den uitslag van des Graven voornemen

met onrust en nieuwsgierigheid afwachtte.

Dadelijk na de verschijning van het doorluchtige paar was de dans

begonnen, en vroolijk zwierde de luchtige jeugd de zaal op en neder.

"Hoe komt het toch," vroeg Oda in eene der tusschenpoozen aan Deodaat,

"dat men uw vriend Reinout nergens verneemt? gij waart anders altijd

onafscheidbaar."

"Daaraan dacht ik juist," antwoordde Deodaat op een bezorgden toon:

"ik veronderstel, dat hij bezig is een bevel des Graven ten uitvoer

te leggen."

"Wie weet," zeide de Jonkvrouw: "hij is misschien uw bekoorlijke

Friezin gaan troosten; want het schijnt toch stellig zeker dat zij niet

komt:--dan hoor: de muziek begint opnieuw.... die vioolspeelster krast

ook als een schorre katuil!.... is het alweer dansenstijd?.... neen,

dat is geene danswijs: het is een aankondiging van nieuwe gasten. Wie

kan men thans nog wachten?.... Welnu, waarom kleurt gij weer

zoo?.... Sinte-Clara! wie is die Oostersche Prinses?.... Ridder

Deodaat!.... maar waar is hij?.... Aha! nu begrijp ik!...."

Deodaat had naar de deur gezien, en ofschoon eenigszins voorbereid,

hij stond toch van verbazing getroffen, toen hij, aan de hand van

Reinout, de Roos van Dekama zag binnentreden, in den rijksten dos

gehuld, en bloeiender dan immer. De Graaf, die haar blijkbaar had

verwacht, trad terstond naar haar toe, nam haar eerbiedig bij de hand,

welke Reinout losliet, en geleidde haar onder een heusche betuiging

van welkom bij de Gravin.

Dit alles had zoo spoedig en zoo achtereenvolgens plaats gehad,

dat niemand tijd had gevonden, van de eerste verwondering over die

onverwachte verschijning terug te komen. Aylva, in onderhoud gewikkeld

zijnde, had Madzy niet eerder herkend, dan toen zij reeds bij de Gravin

stond, en hoewel hoogst verbaasd en gebelgd over dit zonderling geval,

had hij begrepen een geschikter oogenblik te moeten afwachten om zijn

ontevredenheid te kennen te geven. Adeelen was, gelijk men denken

kan, op het zien van Madzy in felle gramschap ontstoken, en had

zich terstond begeven naar de zijde, waar deze zich bevond; doch,

daar gekomen, was reeds de toevloed der nieuwsgierigen zoo groot,

dat hij er niet doorheen kon breken zonder geweld te gebruiken. Hij

wilde echter een poging doen en schoof reeds een paar jonge knapen,

die hem in den weg waren, vrij onzacht ter zijde om door te dringen,

toen Oda van Wassenaar, die door het gevolg van deze beweging mede

een duw kreeg, hem van 't hoofd tot de voeten aanzag, terwijl zij op

een scherpen en luiden toon zeide: "wie is die lompe dorper, die zich

hier een weg maakt alsof hij aan 't biezen snijden ware?"

"Schaam u! terug!" riepen als uit éénen mond de omstanders; terwijl

zij Adeelen wederom achteruithaalden. De Fries trad gedwongen terug

en ontmoette Reinout.

"Door welke helsche kunstgrepen," zeide hij, "hebt gij Madzy van huis

weten te lokken?"

Reinout antwoordde alleen door een schaterend gelach; maar op het

zien van Deodaat, die bij de aankomst van Madzy teruggeweken was en

zich nu toevallig in zijn nabijheid bevond, betrok zijn gelaat.

"Een kunstgreep, Ridder Reinout! Eilieve! verhaal ons toch...." riepen

Ottilia en Oda en nog eenige Jonkvrouwen, van alle zijden toeschietende

en als uit éénen mond: "is zij niet vrijwillig gekomen?"

"Zij had geweigerd," antwoordde Reinout, een zegepralenden blik op

Adeelen slaande: "of liever, men had voor haar geweigerd."

"Welnu! en verder?"

"De Heer van Beaumont en haar voogd dragen gelijke halsketens,

hun beiden ter gelegenheid van ik weet niet welken veldtocht door

den vorigen Graaf vereerd. Dit wist de Graaf: hij liet onder zeker

voorwendsel aan zijn oom zijn halsketen afvragen: en, zoodra de

gasten hier waren, zond hij mij naar de schoone Friezin om haar uit

naam van haren voogd te gaan afhalen. Zij wilde eerst mijn boodschap

niet gelooven; maar toen ik haar den talisman vertoonde en haar zeide,

hoe Seerp Van Adeelen er sterk op stond, dat zij komen zoude...."

"Een gevloekte leugen!" viel Adeelen met heftigheid in.

"O! dat hebt gij niet gezegd, Ridder Reinout!" zeide Oda: "welke

Jonkvrouw zou komen op het verlangen van iemand, die dames uit den

weg zet, of het vouwstoelen waren."

"Indien men," zeide Adeelen, "hier ten hove slechts genoodigd is om

tot een doelwit van bespotting te strekken...."

"Dan is het zeker beter, hoe eer hoe beter weder te vertrekken,"

zeide Oda, den zin besluitende.

"Ja! ik zal van hier gaan," zeide Adeelen: "doch niet zonder Madzy."

"'t Is de vraag, of de Graaf van 't zelfde gevoelen zijn zal," merkte

Reinout aan.

"Zie," zeide Oda, "de kring opent zich. De Graaf treedt met haar

vooruit. Inderdaad! zij is allerliefst: en welke rijke kleeding! 't

Is wat vreemd! maar 't staat toch niet kwaad. Wat is dat voor een net,

dat zij op den rug draagt? o! 't zijn hare haren."

Er was eenige boosaardigheid in deze laatste aanmerking, ofschoon de

vergelijking niet onjuist was. De raafzwarte haarlokken van Madzy, van

boven bedekt door een klein mutsje of kapje, dat van edelgesteenten

fonkelde, waren naar achteren gebracht in twee vlechten, die, langs

den rug afdalende, onder den vergulden gordel doorliepen en zich daar

verdeelden, elk in een tiental tressen met gouden lussen omwonden en

in kwastjes uitloopende.

"Die gouden oorijzers staan goed," zeide Ottilia: "maar ik vind het

mutsje verschrikkelijk plat."

"Dat mutsje beteekent," zeide Oda: "zooveel als een stroobosje aan

een paard."

"En hoe dat?" vroeg Ottilia, eenigszins verwonderd.

"Wel," hernam Oda: "dat zij nog te koop, of, met andere woorden,

nog vrijster is: de getrouwde vrouwen alleen mogen in Friesland een

hoofdwrong dragen .... maar wie heeft ooit gehoord dat men met een

voorschoot op een feest kwam?"

"Dat zal bij 't kostuum hooren," zeide de goedhartige Ottilia:

"bovendien, ik vind, dat het gewerkte boezeltje zeer aardig afsteekt

op dat breed geplooide kleed: ik zou benieuwd zijn te weten, hoe men

die gouden roosjes op de roode strepen en randen zet."

"Zij gaat zeker op het steekspel een lans breken," vervolgde de

bijtende Oda: "zij is immers reeds half geharnast."

"Geharnast of niet: ik heb nooit zulk een pracht van gespen en ketenen

en armbanden gezien...."

"Zonder eens te spreken van dat sauskommetje met edelgesteenten dat zij

op de borst draagt .... ik vind maar die bloote armen wat onhebbelijk."

Hier verliet Reinout de dames, hoogst gebelgd over hare

opmerkingen. Ook zij traden ter zijde, daar de Graaf haar

voorbijging. Alleen Adeelen was blijven staan, misschien om, zooals

Oda beweerde, Holland voor Friesland te doen wijken. Intusschen waren

van de tegenovergestelde zijde Beaumont en Aylva toegetreden, zoodat

de beide partijen elkander onderling midden in de zaal ontmoetten.

"Edele Aylva!" zeide de Graaf beleefdelijk: "wij stellen uwe pupil

weder in uwe handen en bidden u om verschooning, dat wij list gebezigd

hebben om haar herwaarts te krijgen; doch waarlijk, deze prijs was

meer waardig dan de onnoozele schaapsvacht, welke, zooals Jasper De

Vinder verhaalde, door den dapperen Ridder Jason aan de Turken bij de

Zwarte Zee werd ontroofd: en wij konden niet gedoogen, dat zulk een

juweel binnen onze staten zoude aanwezig zijn en niet te voorschijn

gebracht worden."

"Hoe!" zeide Madzy verbaasd: "is het niet met de goedkeuring van mijn

voogd, dat ik hier kom, en is deze keten...."

"Graaf!" zeide Beaumont, die nu eerst inzag, hoe het geval zich had

toegedragen: "had ik geweten dat mijn halsband had moeten dienen om

hier bedrog te plegen, ik had dien liever in 't Sparen geworpen dan

hem u te leenen."

"Nu Oom!" zeide de Graaf: "zult gij u over een onschuldige kortswijl

vertoornen? Zie slechts, de edele Aylva is niet langer verstoord."

"Ik geloof niet," zeide Aylva, bedaard, "dat hier eenig oogmerk

bestond om ons te beleedigen; en waarom zoude ik dan verstoord

blijven? doch...." hier schudde hij bedenkelijk het hoofd:

"Welnu!" vroeg Willem: "wat schuilt er nog?"

"Men mompelt," fluisterde de Olderman den Graaf in 't oor, "dat Floris

de Vierde vermoord werd om een even onschuldige boert met de Gravin

van Clermont."

"Wat meent gij?" riep de Graaf verrast en verstoord.

"God geve dat de toepassing geene plaats vinde," zeide Aylva.

"Amen!" hernam de Graaf, en zich terstond met een lachende tronie

omwendende: "welnu jonker Seerp!" zeide hij: "hoe staat gij daar zoo

in u zelven gekeerd? Wij brengen u uwe verloofde terug: het was immers

niet betamelijk, dat gij zonder haar ons feest bezocht."

"Ik zal de verplichting, die ik u schuldig ben, nimmer vergeten, Heer

Graaf!" zeide Adeelen: "en hoop u eenmaal mijn erkentenis te bewijzen."

"Gij kunt dit terstond doen," zeide Willem: "door aan de schoone

Jonkvrouw de gelegenheid te verschaffen, hare danskunst te doen

bewonderen. Komt! muziek daarboven! een nieuwe dans aangevangen!" Dit

gezegd hebbende, wendde hij zich af.

"Wil hij mij laten dansen?" vroeg Adeelen: "bij Sint-Nicolaas! dat

zal niet gebeuren! Ik hoop dien vermetelen Graaf eerlang een dans

te laten doen, die hem minder smaken zal. En gij mijn schoone! zoek

u vrij een dansgezel uit. Seerp Van Adeelen verkiest niet langer de

speelpop van dit gezelschap te zijn."

Met deze woorden verliet hij de zaal, waar niemand hem miste noch

betreurde. Reinout was nu terstond bij de hand om zijne plaats in

te nemen en Madzy verschooning te verzoeken voor het deel, dat hij

in 's Graven list had gehad. Hoewel nog ontevreden, zag zij zich

wel genoodzaakt, hem vergiffenis te schenken, en als een bewijs

daarvan de hand te aanvaarden, welke hij haar aanbood om haar ten

dans te geleiden, en de zoetigheden aan te hooren, waarmede hij haar

overlaadde. Gelukkig belette haar de muziek weldra die te verstaan,

en toen zij eenmaal gelijk een vlugge luchtgeest langs de blijde rijen

zweefde, vergat zij (en welk meisje doet het niet?) den toorn van

haren verloofde, ja de geheele wereld, in de tuimelingen van den dans.

Terwijl zij in eene der tusschenpoozen stilstond in de rij, en

Reinout haar verlaten had om eenige ververschingen voor haar te halen,

naderde haar Deodaat, die haar zijn genoegen over hare komst betuigde.

"Ik had u al gezocht, Ridder!"--zeide zij met een gulle

vriendelijkheid, welke hem verrukte: "het spijt mij, dat gij heden

ongelegenheid hebt gehad om mijnentwil. Het berouwt mij waarlijk,

in Holland te zijn gekomen."

"Waarom zou het u berouwen? Ik zie niet, wat u beletten kan, hier een

ongestoord genoegen te smaken: de aanleidende oorzaak van den twist

is in vrijwillige ballingschap gegaan."

"Voorzichtig! gij spreekt van Seerp Van Adeelen en ik mag geen kwaad

van hem hooren."

"Moet hij dan stellig uw echtgenoot worden? Gij zijt tot nog toe een

roos zonder doornen."

"De toekomst is in Gods hand," zeide Madzy, met een zucht: "doch

waarlijk, Ridder! gij doet Adeelen onrecht: hij heeft zich aan u

alleen van een ongunstige zijde voorgedaan; maar zijn hart is goed,

zijn moed onloochenbaar, zijn aard opgeruimd en gedienstig, wanneer

er zich geen volksgeest in 't spel mengt:--en altijd heb ik hem als

mijn broeder geacht. Hij bemint mij oprechtelijk, met warme liefde:

hij zou voor mij in een vuur vliegen: en zoo hij heden onbillijk

streng jegens mij was, dit spruit alleen uit de gewoonte, welke hij,

zooveel ouder zijnde, van kindsbeen af gehad heeft, om mij als zijn

vrouwtje te beschouwen. Dit doet hem somtijds een meesterachtigen

toon aannemen, die, ik gevoel het, aan vreemdelingen belachelijk of

aanstootelijk moet voorkomen."

Hier zweeg Madzy op eens, blozende, dat zij zoo vertrouwelijk met

iemand gesproken had, wien zij eerst zoo kort had leeren kennen.

"Gij bemint hem dan wel," zeide Deodaat.

"Ik bemin hem als mijn broeder, gelijk ik u gezegd heb," zeide Madzy,

eenigszins verlegen de oogen neerslaande.

"Gij zoudt den man dan wel haten," vervolgde Deodaat, "die een geleden

beleediging op uw aanstaanden echtgenoot zocht te wreken."

"Ridder!" zeide Madzy, hem met een vervaarden blik aanziende:

"Om Gods wil! wat beteekent deze vraag?"

"Gij weet, edele Jonkvrouw! welken hoon ik van uw verloofde heb moeten

ondervinden. Kan een dergelijke terging, in 't bijzijn van getuigen

ondergaan, anders dan met bloed worden uitgewischt?"

Madzy zweeg een wijl en zag toen Deodaat vreesachtig aan: "Ik

heb wel eens gehoord," zeide zij, "dat gij Italianen wraakzuchtig

zijt;.... maar neen: gij hebt toch niet het uitzicht van iemand,

die zich van een moorddolk bedienen zoude."

"Ik ben Ridder, Freule! en alleen op een Ridderlijke wijze kan ik

mijn geschonden eer terugbekomen."

"Ik heb van uw Ridderwetten gehoord," hernam Madzy, voor zich ziende:

"en Adeelen zelf zou niet begeeren, dat ik u afhield van te handelen

gelijk die wetten voorschrijven;.... maar o God! is dit een vraag om

aan een meisje voor te stellen? en in een oogenblik als dit?"

"Ik gevoel, dat het onderwerp van mijn gesprek ongepast is: doch in

ernst, het is niet ontijdig.--God weet, of het mij immer weer vergund

wordt met u een woord te wisselen. Een enkel woord van uwen mond,

en die Adeelen zal niets van mij te vreezen hebben?"

"Eén woord! en welk moet dit zijn?" vroeg Madzy, bevende.

"Dat gij hem lief hebt, dat gij hem als uw minnaar, als uw gade

bemint."

Madzy werd doodsbleek: "en gij zoudt uwen hoon verkroppen, wanneer ik

die betuiging deed?" vroeg zij, overmand door honderd tegenstrijdige

gewaarwordingen.

"Neen," hernam Deodaat: "maar ik zou uwe liefde en de mijne tevens in

't oog houden: alles kan ik doen, behalve uw geluk verstoren."

Op dit oogenblik kwam Reinout terug en wierp een woedenden blik op

Deodaat, zoodra hij hem in de nabijheid van Madzy en te gelijk de

bleekheid van deze bespeurde. "Vergeef mij," zeide hij: "zoo ik een

aangenaam onderhoud kom storen; maar de dans vangt weder aan: en ik

kom de mij toegezegde hand terugeischen."

Madzy, verward en ongerust, was blijde over dit voorwendsel, om

een gesprek af te breken, waaruit zij zich niet wist te redden, en,

de hand van Reinout nemende, volgde zij hem met een stillen zucht,

die aan geen van beiden ontsnapte.

De Roos van Dekama · 第 17 / 46 题