Nu gaet verheugt ten rei en danst,
Ghy die het hoofd met mirten kranst.
Vondel, Salomon.
Een schitterende rij van edellieden en jonkvrouwen begon zich reeds
te vergaderen in de hofzaal op de markt [23], waar het dansfeest,
dat in 't klooster minder voegde, stond gehouden te worden. Het oog
kon zich niet genoeg verzadigen aan het beschouwen van de pracht,
aldaar ten toon gespreid. Rijke _dressoiren_ of buffetten, overdekt
met kostbare lakens en tapijten, waren beladen met spijzen en dranken,
in blinkende schotels en vazen van zilver en goud, waarop het licht
flikkerde der toortsen en zoogenaamde danskaarsen, die schier ontelbaar
aan den muur brandden, in koperdraad gevat of op koperen armblakers
staande. Talrijke dienaars gingen rond met ververschingen, met taarten
en pastijen, met galantijn en kruidkoeken, en wijn van allerlei soort:
schitterend was de kleeding der dansgenooten van beide kunne; maar
vooral en liefst vestigde zich het oog op de bevallige schoonen,
welker uiterlijken tooi men weldra vergat om die begaafdheden te
bewonderen, waarmede haar de natuur zoo mild bedeeld had.
Nog was de dans niet aangevangen; maar in verschillende groepen,
hier en daar verspreid, onderhield men zich over de onderwerpen,
die aan de orde waren: de gehouden en nog te houden feesten. De
woorden waren verschillend: maar de grondtoon der gesprekken was
bijna overal dezelfde als die van latere en hedendaagsche partijen:
de vermaken van den dag, de kleeding der dames, de ophanden zijnde
huwelijken en tegenwoordige vrijages, een weinig kwaadsprekendheid en
veel beuzeltaal. In een der hoeken van de zaal was men van 't eene
onderwerp op 't andere aan de Friesche Jonkvrouw geraakt, welke men
wist dat met de afgevaardigden was medegekomen.
"Men zegt, dat zij zeer bevallig is," zeide de jeugdige Ottilia van
Naaldwijk, tot den heer van Walcourt, die zich nevens haar bevond.
"Onmogelijk! schoon kan zij wezen; doch zeker recht en stijf als een
boonstaak, en zonder gevoel noch leven."
"Neen in waarheid," viel Oda van Wassenaar er tusschen in; "zij moet
bekoorlijk zijn: en men beweert, dat zij beter te paard zit dan een
Rijnsburger non."
"Oda! Oda!" zeide Ottilia, haar met den vinger dreigende, "gij zijt
wederom boosaardig!"
"Wat steekt daar voor boosaardigs in? Laat de Heer van Walcourt zelf
beslissen, of hij ergens, ik zeg niet in zijn Henegouwen, maar in
geheel Frankrijk, geestelijke zusters heeft gezien, die zoo vast in
den zadel waren?"
"En waarom," zeide Walcourt, zonder dadelijk te antwoorden, "zoudt
gij haar dat onschuldig vermaak misgunnen?"
"Misgunnen! Ik zal er mij wel voor wachten; want dan had ik nooit
gedaan. Het smart mij genoeg, dat mijne zuster het Rijnsburger pak
heeft aangetrokken en ik niet."
"Dan ware immers de geheele adellijke jeugd wanhopend geweest,"
zeide Walcourt.
"Geene vleierij! daar heb ik bijna evenveel afkeer van als van de
nieuwe hoeden, welke de Gravin wil invoeren. Zeg mij liever, om weer op
ons gesprek te komen, zal dat Friesche wonder hedenavond verschijnen?"
"Men zegt het," antwoordde Walcourt.
"Dan mogen wij onze sluiers wel laten halen en onze gezichten bedekken:
anders verbleeken wij nog als sterren voor de zon."
"Indien haar schoonheid slechts niet bedorven wordt door die gekke
kapsels die zij dragen," zeide Ottilia: "maar wij zullen, geloof ik,
niet veel gevaar loopen: ik heb zooeven van mijn vader vernomen,
dat zij niet komen wil."
"Niet komen wil!" hernam Walcourt: "een Jonkvrouw, die een uitnoodiging
weigert tot een danspartij. Inderdaad! dan is zij wel een uitzondering,
en verlang ik dubbel haar te leeren kennen."
"Wacht!" zeide Oda: "daar is onze Italiaan; die is bij haar geweest,
hij zal ons best bericht kunnen geven. Ridder Deodaat! een woord,
zoo 't u gelieft."
Deodaat trad nader: "kan ik," zeide hij: "de schoone Oda van eenigen
dienst zijn?"
"Wij wilden van u vernemen, of dat Friesche mirakel ook ten hove komt,"
zeide Oda.
"En of zij waarlijk zoo schoon is, als men zegt," voegde Ottilia
er bij.
"En zoo voortreffelijk te paard zit."
"En zulk een gek kapsel heeft."
"Schoone dames!" zeide Deodaat: "vergunt mij een oogenblik adem te
halen:--wat de schoonheid der Friesche Jonkvrouw betreft, geloof ik
dat haar niemand die zal betwisten, te meer, daar zij er geenszins
hoovaardig op is."
"Ik geloof," zeide Oda: "dat in die woorden iets ligt besloten,
dat een zijdelingschen zet moet beteekenen."
"Vooral niet.--Over haar kleeding zou ik liever het oordeel van
bevoegde rechters zooals gij vernemen; want ik durf mij niet vermeten
tusschen klapmutsen en _hénins_ en oordekkers [24] te beslissen:
dit alleen durf ik te zeggen, dat haar gelaat onder alle hulsels
bevallen zou."
"Waarlijk Ridder!" zeide Ottilia: "ik geloof dat gij verliefd zijt op
die overzeesche tooveres: nu kleur maar niet: er steekt geen kwaad in."
"Ik, lieve Jonkvrouw!" antwoordde Deodaat: "een Ridder zonder land
en goed, en wien men gisteren nog een deugdzaam paard ontstal, heeft
het recht niet om te verlieven;--anders had ik niet zoolang daarmede
gewacht," voegde hij er met een beleefde buiging bij.
"Nu verder," zeide Walcourt: "haar rijkunst....?"
"Is voortreffelijk; doch ik moet er bijvoegen, dat die Friezen
uitmuntende paarden op stal hebben."
"De slotsom van dit alles is dus," hervatte Oda, "dat dit meisje
een juweel is van het zuiverste water, en dat, als zij verschijnt,
wij andere Jonkvrouwen geen Ridder meer aan onze zijde zullen vinden,
en onze toevlucht tot een karoledans [25] zullen moeten nemen;--maar
dat is nu de groote vraag: komt zij?--Of neemt zij alleen den wierook
van hare Friesche aanbidders aan?"
"Ziedaar een vraag, waarop ik het antwoord zal moeten schuldig
blijven," zeide Deodaat: "de tijd zal het moeten leeren."
"Maar in 's Hemels naam," hernam de levendige Oda: "zeg mij toch! wie
is die kaalgeschoren liefhebber daar? Hemel! nu zag ik nooit iemand,
die meer op een aangekleeden zeehond geleek dan hij."
"Zoo gij," antwoordde Ottilia, "gisteren met ons op den Vogelesang
geweest waart, hadt gij den held leeren kennen. Hij is een der
Friesche afgevaardigden: en ginds is de andere in gesprek met den
Heer van Beaumont."
"Nu! die heeft ten minste het uitzicht van een gewoon mensch," zeide
Oda: "maar deze kermisbeer! wat kijkt hij ons vervaarlijk aan."
Hij, die het voorwerp was van deze liefderijke aanmerkingen, wandelde
met langzame, zware stappen de zaal op en neder, ter prooie aan
al de onaangename gewaarwordingen van iemand, die zich misplaatst
en daardoor kwalijk op zijn gemak gevoelt in het gezelschap, waar
zijn ongelukkig gesternte hem gevoerd heeft. Zonder verlegenheid,
zonder blozen, had Adeelen zich dien namiddag voor den zetel des
Graven bevonden en er zijn trotsche taal gevoerd; maar hier ontzonk
hem de moed bij de schalksche en spotachtige blikken der jeugdige
schoonen. Hij rekende zich eindelijk gelukkig, een paar Geldersche en
Overijselsche edelen te vinden, met welke hij vroeger kennis gemaakt
had en die zich thans zijn gezelschap niet schaamden. Te meer was
hem zulks welkom, omdat hij, voornemens zijnde op het steekspel te
verschijnen, deswege eenige inlichtingen wenschte te verkrijgen.
Weldra kondigde een luidruchtige muziek de komst aan van het Grafelijk
paar. Willem had een vroolijk en zelfs eenigszins spotachtig voorkomen;
hij wendde zich meer dan eens naar den kant waar zich Aylva of Adeelen
bevond en wreef zich de handen met innerlijke tevredenheid, welke
aan Deodaat niet ontging, die den uitslag van des Graven voornemen
met onrust en nieuwsgierigheid afwachtte.
Dadelijk na de verschijning van het doorluchtige paar was de dans
begonnen, en vroolijk zwierde de luchtige jeugd de zaal op en neder.
"Hoe komt het toch," vroeg Oda in eene der tusschenpoozen aan Deodaat,
"dat men uw vriend Reinout nergens verneemt? gij waart anders altijd
onafscheidbaar."
"Daaraan dacht ik juist," antwoordde Deodaat op een bezorgden toon:
"ik veronderstel, dat hij bezig is een bevel des Graven ten uitvoer
te leggen."
"Wie weet," zeide de Jonkvrouw: "hij is misschien uw bekoorlijke
Friezin gaan troosten; want het schijnt toch stellig zeker dat zij niet
komt:--dan hoor: de muziek begint opnieuw.... die vioolspeelster krast
ook als een schorre katuil!.... is het alweer dansenstijd?.... neen,
dat is geene danswijs: het is een aankondiging van nieuwe gasten. Wie
kan men thans nog wachten?.... Welnu, waarom kleurt gij weer
zoo?.... Sinte-Clara! wie is die Oostersche Prinses?.... Ridder
Deodaat!.... maar waar is hij?.... Aha! nu begrijp ik!...."
Deodaat had naar de deur gezien, en ofschoon eenigszins voorbereid,
hij stond toch van verbazing getroffen, toen hij, aan de hand van
Reinout, de Roos van Dekama zag binnentreden, in den rijksten dos
gehuld, en bloeiender dan immer. De Graaf, die haar blijkbaar had
verwacht, trad terstond naar haar toe, nam haar eerbiedig bij de hand,
welke Reinout losliet, en geleidde haar onder een heusche betuiging
van welkom bij de Gravin.
Dit alles had zoo spoedig en zoo achtereenvolgens plaats gehad,
dat niemand tijd had gevonden, van de eerste verwondering over die
onverwachte verschijning terug te komen. Aylva, in onderhoud gewikkeld
zijnde, had Madzy niet eerder herkend, dan toen zij reeds bij de Gravin
stond, en hoewel hoogst verbaasd en gebelgd over dit zonderling geval,
had hij begrepen een geschikter oogenblik te moeten afwachten om zijn
ontevredenheid te kennen te geven. Adeelen was, gelijk men denken
kan, op het zien van Madzy in felle gramschap ontstoken, en had
zich terstond begeven naar de zijde, waar deze zich bevond; doch,
daar gekomen, was reeds de toevloed der nieuwsgierigen zoo groot,
dat hij er niet doorheen kon breken zonder geweld te gebruiken. Hij
wilde echter een poging doen en schoof reeds een paar jonge knapen,
die hem in den weg waren, vrij onzacht ter zijde om door te dringen,
toen Oda van Wassenaar, die door het gevolg van deze beweging mede
een duw kreeg, hem van 't hoofd tot de voeten aanzag, terwijl zij op
een scherpen en luiden toon zeide: "wie is die lompe dorper, die zich
hier een weg maakt alsof hij aan 't biezen snijden ware?"
"Schaam u! terug!" riepen als uit éénen mond de omstanders; terwijl
zij Adeelen wederom achteruithaalden. De Fries trad gedwongen terug
en ontmoette Reinout.
"Door welke helsche kunstgrepen," zeide hij, "hebt gij Madzy van huis
weten te lokken?"
Reinout antwoordde alleen door een schaterend gelach; maar op het
zien van Deodaat, die bij de aankomst van Madzy teruggeweken was en
zich nu toevallig in zijn nabijheid bevond, betrok zijn gelaat.
"Een kunstgreep, Ridder Reinout! Eilieve! verhaal ons toch...." riepen
Ottilia en Oda en nog eenige Jonkvrouwen, van alle zijden toeschietende
en als uit éénen mond: "is zij niet vrijwillig gekomen?"
"Zij had geweigerd," antwoordde Reinout, een zegepralenden blik op
Adeelen slaande: "of liever, men had voor haar geweigerd."
"Welnu! en verder?"
"De Heer van Beaumont en haar voogd dragen gelijke halsketens,
hun beiden ter gelegenheid van ik weet niet welken veldtocht door
den vorigen Graaf vereerd. Dit wist de Graaf: hij liet onder zeker
voorwendsel aan zijn oom zijn halsketen afvragen: en, zoodra de
gasten hier waren, zond hij mij naar de schoone Friezin om haar uit
naam van haren voogd te gaan afhalen. Zij wilde eerst mijn boodschap
niet gelooven; maar toen ik haar den talisman vertoonde en haar zeide,
hoe Seerp Van Adeelen er sterk op stond, dat zij komen zoude...."
"Een gevloekte leugen!" viel Adeelen met heftigheid in.
"O! dat hebt gij niet gezegd, Ridder Reinout!" zeide Oda: "welke
Jonkvrouw zou komen op het verlangen van iemand, die dames uit den
weg zet, of het vouwstoelen waren."
"Indien men," zeide Adeelen, "hier ten hove slechts genoodigd is om
tot een doelwit van bespotting te strekken...."
"Dan is het zeker beter, hoe eer hoe beter weder te vertrekken,"
zeide Oda, den zin besluitende.
"Ja! ik zal van hier gaan," zeide Adeelen: "doch niet zonder Madzy."
"'t Is de vraag, of de Graaf van 't zelfde gevoelen zijn zal," merkte
Reinout aan.
"Zie," zeide Oda, "de kring opent zich. De Graaf treedt met haar
vooruit. Inderdaad! zij is allerliefst: en welke rijke kleeding! 't
Is wat vreemd! maar 't staat toch niet kwaad. Wat is dat voor een net,
dat zij op den rug draagt? o! 't zijn hare haren."
Er was eenige boosaardigheid in deze laatste aanmerking, ofschoon de
vergelijking niet onjuist was. De raafzwarte haarlokken van Madzy, van
boven bedekt door een klein mutsje of kapje, dat van edelgesteenten
fonkelde, waren naar achteren gebracht in twee vlechten, die, langs
den rug afdalende, onder den vergulden gordel doorliepen en zich daar
verdeelden, elk in een tiental tressen met gouden lussen omwonden en
in kwastjes uitloopende.
"Die gouden oorijzers staan goed," zeide Ottilia: "maar ik vind het
mutsje verschrikkelijk plat."
"Dat mutsje beteekent," zeide Oda: "zooveel als een stroobosje aan
een paard."
"En hoe dat?" vroeg Ottilia, eenigszins verwonderd.
"Wel," hernam Oda: "dat zij nog te koop, of, met andere woorden,
nog vrijster is: de getrouwde vrouwen alleen mogen in Friesland een
hoofdwrong dragen .... maar wie heeft ooit gehoord dat men met een
voorschoot op een feest kwam?"
"Dat zal bij 't kostuum hooren," zeide de goedhartige Ottilia:
"bovendien, ik vind, dat het gewerkte boezeltje zeer aardig afsteekt
op dat breed geplooide kleed: ik zou benieuwd zijn te weten, hoe men
die gouden roosjes op de roode strepen en randen zet."
"Zij gaat zeker op het steekspel een lans breken," vervolgde de
bijtende Oda: "zij is immers reeds half geharnast."
"Geharnast of niet: ik heb nooit zulk een pracht van gespen en ketenen
en armbanden gezien...."
"Zonder eens te spreken van dat sauskommetje met edelgesteenten dat zij
op de borst draagt .... ik vind maar die bloote armen wat onhebbelijk."
Hier verliet Reinout de dames, hoogst gebelgd over hare
opmerkingen. Ook zij traden ter zijde, daar de Graaf haar
voorbijging. Alleen Adeelen was blijven staan, misschien om, zooals
Oda beweerde, Holland voor Friesland te doen wijken. Intusschen waren
van de tegenovergestelde zijde Beaumont en Aylva toegetreden, zoodat
de beide partijen elkander onderling midden in de zaal ontmoetten.
"Edele Aylva!" zeide de Graaf beleefdelijk: "wij stellen uwe pupil
weder in uwe handen en bidden u om verschooning, dat wij list gebezigd
hebben om haar herwaarts te krijgen; doch waarlijk, deze prijs was
meer waardig dan de onnoozele schaapsvacht, welke, zooals Jasper De
Vinder verhaalde, door den dapperen Ridder Jason aan de Turken bij de
Zwarte Zee werd ontroofd: en wij konden niet gedoogen, dat zulk een
juweel binnen onze staten zoude aanwezig zijn en niet te voorschijn
gebracht worden."
"Hoe!" zeide Madzy verbaasd: "is het niet met de goedkeuring van mijn
voogd, dat ik hier kom, en is deze keten...."
"Graaf!" zeide Beaumont, die nu eerst inzag, hoe het geval zich had
toegedragen: "had ik geweten dat mijn halsband had moeten dienen om
hier bedrog te plegen, ik had dien liever in 't Sparen geworpen dan
hem u te leenen."
"Nu Oom!" zeide de Graaf: "zult gij u over een onschuldige kortswijl
vertoornen? Zie slechts, de edele Aylva is niet langer verstoord."
"Ik geloof niet," zeide Aylva, bedaard, "dat hier eenig oogmerk
bestond om ons te beleedigen; en waarom zoude ik dan verstoord
blijven? doch...." hier schudde hij bedenkelijk het hoofd:
"Welnu!" vroeg Willem: "wat schuilt er nog?"
"Men mompelt," fluisterde de Olderman den Graaf in 't oor, "dat Floris
de Vierde vermoord werd om een even onschuldige boert met de Gravin
van Clermont."
"Wat meent gij?" riep de Graaf verrast en verstoord.
"God geve dat de toepassing geene plaats vinde," zeide Aylva.
"Amen!" hernam de Graaf, en zich terstond met een lachende tronie
omwendende: "welnu jonker Seerp!" zeide hij: "hoe staat gij daar zoo
in u zelven gekeerd? Wij brengen u uwe verloofde terug: het was immers
niet betamelijk, dat gij zonder haar ons feest bezocht."
"Ik zal de verplichting, die ik u schuldig ben, nimmer vergeten, Heer
Graaf!" zeide Adeelen: "en hoop u eenmaal mijn erkentenis te bewijzen."
"Gij kunt dit terstond doen," zeide Willem: "door aan de schoone
Jonkvrouw de gelegenheid te verschaffen, hare danskunst te doen
bewonderen. Komt! muziek daarboven! een nieuwe dans aangevangen!" Dit
gezegd hebbende, wendde hij zich af.
"Wil hij mij laten dansen?" vroeg Adeelen: "bij Sint-Nicolaas! dat
zal niet gebeuren! Ik hoop dien vermetelen Graaf eerlang een dans
te laten doen, die hem minder smaken zal. En gij mijn schoone! zoek
u vrij een dansgezel uit. Seerp Van Adeelen verkiest niet langer de
speelpop van dit gezelschap te zijn."
Met deze woorden verliet hij de zaal, waar niemand hem miste noch
betreurde. Reinout was nu terstond bij de hand om zijne plaats in
te nemen en Madzy verschooning te verzoeken voor het deel, dat hij
in 's Graven list had gehad. Hoewel nog ontevreden, zag zij zich
wel genoodzaakt, hem vergiffenis te schenken, en als een bewijs
daarvan de hand te aanvaarden, welke hij haar aanbood om haar ten
dans te geleiden, en de zoetigheden aan te hooren, waarmede hij haar
overlaadde. Gelukkig belette haar de muziek weldra die te verstaan,
en toen zij eenmaal gelijk een vlugge luchtgeest langs de blijde rijen
zweefde, vergat zij (en welk meisje doet het niet?) den toorn van
haren verloofde, ja de geheele wereld, in de tuimelingen van den dans.
Terwijl zij in eene der tusschenpoozen stilstond in de rij, en
Reinout haar verlaten had om eenige ververschingen voor haar te halen,
naderde haar Deodaat, die haar zijn genoegen over hare komst betuigde.
"Ik had u al gezocht, Ridder!"--zeide zij met een gulle
vriendelijkheid, welke hem verrukte: "het spijt mij, dat gij heden
ongelegenheid hebt gehad om mijnentwil. Het berouwt mij waarlijk,
in Holland te zijn gekomen."
"Waarom zou het u berouwen? Ik zie niet, wat u beletten kan, hier een
ongestoord genoegen te smaken: de aanleidende oorzaak van den twist
is in vrijwillige ballingschap gegaan."
"Voorzichtig! gij spreekt van Seerp Van Adeelen en ik mag geen kwaad
van hem hooren."
"Moet hij dan stellig uw echtgenoot worden? Gij zijt tot nog toe een
roos zonder doornen."
"De toekomst is in Gods hand," zeide Madzy, met een zucht: "doch
waarlijk, Ridder! gij doet Adeelen onrecht: hij heeft zich aan u
alleen van een ongunstige zijde voorgedaan; maar zijn hart is goed,
zijn moed onloochenbaar, zijn aard opgeruimd en gedienstig, wanneer
er zich geen volksgeest in 't spel mengt:--en altijd heb ik hem als
mijn broeder geacht. Hij bemint mij oprechtelijk, met warme liefde:
hij zou voor mij in een vuur vliegen: en zoo hij heden onbillijk
streng jegens mij was, dit spruit alleen uit de gewoonte, welke hij,
zooveel ouder zijnde, van kindsbeen af gehad heeft, om mij als zijn
vrouwtje te beschouwen. Dit doet hem somtijds een meesterachtigen
toon aannemen, die, ik gevoel het, aan vreemdelingen belachelijk of
aanstootelijk moet voorkomen."
Hier zweeg Madzy op eens, blozende, dat zij zoo vertrouwelijk met
iemand gesproken had, wien zij eerst zoo kort had leeren kennen.
"Gij bemint hem dan wel," zeide Deodaat.
"Ik bemin hem als mijn broeder, gelijk ik u gezegd heb," zeide Madzy,
eenigszins verlegen de oogen neerslaande.
"Gij zoudt den man dan wel haten," vervolgde Deodaat, "die een geleden
beleediging op uw aanstaanden echtgenoot zocht te wreken."
"Ridder!" zeide Madzy, hem met een vervaarden blik aanziende:
"Om Gods wil! wat beteekent deze vraag?"
"Gij weet, edele Jonkvrouw! welken hoon ik van uw verloofde heb moeten
ondervinden. Kan een dergelijke terging, in 't bijzijn van getuigen
ondergaan, anders dan met bloed worden uitgewischt?"
Madzy zweeg een wijl en zag toen Deodaat vreesachtig aan: "Ik
heb wel eens gehoord," zeide zij, "dat gij Italianen wraakzuchtig
zijt;.... maar neen: gij hebt toch niet het uitzicht van iemand,
die zich van een moorddolk bedienen zoude."
"Ik ben Ridder, Freule! en alleen op een Ridderlijke wijze kan ik
mijn geschonden eer terugbekomen."
"Ik heb van uw Ridderwetten gehoord," hernam Madzy, voor zich ziende:
"en Adeelen zelf zou niet begeeren, dat ik u afhield van te handelen
gelijk die wetten voorschrijven;.... maar o God! is dit een vraag om
aan een meisje voor te stellen? en in een oogenblik als dit?"
"Ik gevoel, dat het onderwerp van mijn gesprek ongepast is: doch in
ernst, het is niet ontijdig.--God weet, of het mij immer weer vergund
wordt met u een woord te wisselen. Een enkel woord van uwen mond,
en die Adeelen zal niets van mij te vreezen hebben?"
"Eén woord! en welk moet dit zijn?" vroeg Madzy, bevende.
"Dat gij hem lief hebt, dat gij hem als uw minnaar, als uw gade
bemint."
Madzy werd doodsbleek: "en gij zoudt uwen hoon verkroppen, wanneer ik
die betuiging deed?" vroeg zij, overmand door honderd tegenstrijdige
gewaarwordingen.
"Neen," hernam Deodaat: "maar ik zou uwe liefde en de mijne tevens in
't oog houden: alles kan ik doen, behalve uw geluk verstoren."
Op dit oogenblik kwam Reinout terug en wierp een woedenden blik op
Deodaat, zoodra hij hem in de nabijheid van Madzy en te gelijk de
bleekheid van deze bespeurde. "Vergeef mij," zeide hij: "zoo ik een
aangenaam onderhoud kom storen; maar de dans vangt weder aan: en ik
kom de mij toegezegde hand terugeischen."
Madzy, verward en ongerust, was blijde over dit voorwendsel, om
een gesprek af te breken, waaruit zij zich niet wist te redden, en,
de hand van Reinout nemende, volgde zij hem met een stillen zucht,
die aan geen van beiden ontsnapte.