Deux coqs vivaient en paix: une poule survint,
Et voilà la guerre allumée.
De la Fontaine.
Deodaat had aan den ingang vertoefd, tot de geheele stoet was
vertrokken, en was nu, met oogmerk om Reinout op te zoeken, de kerk
weder ingetreden. Hij vond echter zijn vriend niet, die door een andere
deur, naar 't scheen, was uitgegaan, toen een page van den Graaf hem op
zijde kwam en hem de tijding bracht, dat deze hem verlangde te spreken.
Zwijgend volgde de jongeling het knaapje, dat hem binnen de
muren des kloosters voorging en naar het slaapvertrek des
Graven geleidde. Deodaat, aangediend zijnde, werd terstond
binnengelaten. Willem lag half op een rustbank uitgestrekt en in
gesprek met zijn oom van Beaumont en de Heeren van Naaldwijk en van
Teylingen: twee edelknapen waren bezig zijn plechtgewaad te bergen
in een grooten, met koper beslagen kotter, die nevens hem stond:
en een derde stond voor hem met een zilveren schenkblad, waarop een
beker gekruide wijn.
"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf: "vriend Deodaat! gij kunt ons een
grooten dienst bewijzen."
"Uw Genade kan aan mijn goeden wil niet twijfelen," zeide Deodaat.
"Welnu!--Gij zijt reeds bij die Friezen geweest;--gij schijnt zelfs
een nauwe kennis met hen gemaakt te hebben: althans men heeft u dezen
morgen met hen zien rijden."
"Ik ben zeer verplicht aan hen, die belang genoeg in mij toonen om
mijn gangen na te gaan," zeide Deodaat.
"_Vive Dieu_! wat vat de Italiaan spoedig vuur. Nu! het ware geen
wonder, al vond men het eenigszins vreemd, dat gij zulke beste maats
zijt met lieden van zulk oproerig slag. Intusschen, wij weten in wien
wij ons vertrouwen stellen en wij vreezen niet dat Deodaat van Verona
om een paar schoone oogen zijn Heer zal afvallen. Is het niet zoo?"
"Ik vat niet, hoe...."
"O! wij weten zeer wel wat wij zeggen. Die afgezanten hebben, zoo
wij vernemen, een zeer bevallig behoedmiddel tegen de verveling van
de reis medegenomen. Is het niet zoo?"
De jongeling glimlachte en boog.
"Welnu! wij hebben er niets tegen, dat gij uw hof maakt aan die schoone
Friezin. Integendeel zal het ons des te aangenamer zijn, hoe meer
gij u bij de Friezen weet in te dringen, mits gij slechts de belangen
van uw Heer daarbij niet uit het oog verliest: gij verstaat ons?"
"Ik vrees uw Genade geheel niet te verstaan," antwoordde Deodaat,
wiens voorhoofd van verontwaardiging gloeide: "uw Genade zal toch
niet van mij vergen, de rol van verspieder te spelen?"
"Welnu, mijne Heeren!" zeide Willem, zich lachende tot de omstanders
keerende: "hebben wij het niet voorspeld? Zietdaar al zwarigheden."
"Deodaat is een braaf Ridder," zeide Beaumont, zijn kweekeling op
den schouder kloppende: "hij heeft de lessen niet vergeten, die ik
getracht heb, hem in te prenten."
"Hij had toch moeten begrijpen," zeide Teylingen, "dat de Graaf niets
onbillijks kan vergen, veelmin iets dat met den Ridderplicht strijdt."
"Hoor, Deodaat!" hernam Willem: "wij zullen u in korte woorden zeggen,
wat het geval is:--dan kunt gij naderhand vrij handelen gelijk gij
verkiest. Gij hebt de onbehouwen taal dier afgevaardigden gehoord,
en gij zult met ons van oordeel zijn, dat het wel overeenkomstig
onze waardigheid ware, indien wij hen eens op hun grondgebied de wet
gingen stellen...."
"En den oorlogskreet: Holland! aanhieven," zeide Deodaat: "bij
Sint-Jakob! dat ware hemelsche muziek!"
"In onze ooren voorzeker," vervolgde de Graaf, lachende: "maar deze
Heeren verstaan het anders:--zij zijn van meening, dat men zich
tweemalen moet bedenken, aleer men geld en manschappen verspilt, om
in Friesland oorlog te gaan voeren. Daarom willen zij beproeven, wat
er nog door zachtere middelen te verkrijgen is. Wil beseffen, dat men
nooit aan dien buffelachtigen Adeelen reden zal doen verstaan; maar met
de beide anderen is wellicht nog wat aan te vangen: en wij vertrouwen
niets onredelijks van u te vorderen, daartoe de hand te leenen."
"Waarlijk," zeide Deodaat, glimlachende: "uw Genade heeft te hoogen
dunk van mijn bekwaamheid. Ben ik in staat, een eerwaardigen man
als den Abt en een schranderen Edelman als den Heer van Aylva om te
praten? Zou niet, indien ik zoo vrijpostig mag zijn mijn gevoelen te
zeggen, de Heer van Beaumont meer invloed op zijn ouden krijgsmakker
bezitten?"
"Ik kan Aylva ten beste raden, zoo dikwijls ik hem bij toeval ontmoet,"
zeide Beaumont: "maar gij gevoelt, dat het, in den tegenwoordigen stand
der zaken, loutere zwakheid verraden zoude, indien 's Graven oom om
zijn goede gezindheid ging bedelen. Gij daarentegen kunt gevoeglijk
als uit u zelven spreken."
"En," zeide Willem, "zoo gij geen invloed bij de oude Heeren hebt,
kunt gij dien wellicht op de Jonkvrouw verkrijgen. Wat ons betreft,
wij zullen met genoegen zien, dat gij haar tracht te behagen: een
echtverbintenis tusschen onze getrouwe wapenbroeders en de Friesche
erfdochters zou den band tusschen de beide gewesten versterken."
"Indien dit het oogmerk is van uw Genade," zeide Deodaat, beurtelings
rood en bleek wordende, "zoo ken ik iemand, wien deze last beter
zoude voegen dan mij."
"Waarlijk! uw vriend Reinout misschien?"
"Ik geloof inderdaad, dat hij smoorlijk op de schoone Madzy verliefd
is."
"Bij Sint-Japik! het is mij onverschillig, of het Peter of Paulus
zij, die met de bruid gaat strijken. Ga dan uw Reinout halen en
met hem de Friezen noodigen om ons feest van hedenavond bij te
wonen. Maar zij moeten hunne schoone medebrengen:--en doe onze
uitnoodiging voorkomen als een bewijs onzer gunstige gezindheid,
van ons verlangen om eendracht en vriendschap te bewaren, verstaat
gij?--Bij Sint-Japik! het denkbeeld vermaakt mij reeds, die Friesche
prinses in vollen tooi te zien!--Ga nu en overleg uw zaken goed."
"Rechtuit gezegd, mijne Heeren!" vervolgde de Graaf, toen Deodaat
vertrokken was: "ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat wij een tocht
naar Friesland voor 't oogenblik uit het hoofd moeten stellen. Ik
ontvang zooeven tijdingen uit Utrecht. Het schijnt dat het Kapittel
in zijn wijsheid begrijpt, mij de verantwoording te weigeren,
welke het mij schuldig is als Momboir van het Sticht:--maar bij
Sint-Japik! ik zal aan die geschoren kruinen met het zwaard in de hand
die verantwoording komen vragen, indien zij nog eenen dag aarzelen."
"Ware het niet verkieslijker," vroeg Beaumont, "nog bevorens een bode
naar Grenoble te zenden, en den Bisschop te verzoeken, terug te keeren
en zijn gezag te gebruiken om uw Genade recht te doen wedervaren?"
"Een bode naar Grenoble--den Bisschop terugroepen!--neen, waarde
Oom! daarmede ware de boel nog erger verknold. Ik heb wel een verkeerde
ingeving gehad, toen ik dien Jan van Arkel, omdat hij een Hollandsen
edelman was, tot Bisschop liet verkiezen. Ik had gehoopt, hem als een
kind te zullen regeeren, en bij den Hemel! zoodra hij den mijter op
het hoofd had, is hij Stichtenaar in zijn hart geworden en heeft mij
in alles tegengewerkt.--Maar daar moet een einde aan komen:--Utrecht
moet bukken!--en daarna Friesland.--Ik zoek mij nu nog te bedwingen:
maar ik hoop aan dien trotschen Adeelen zijn beleediging met renten te
doen betalen!--Laat hij zich intusschen in toom houden; want ik zoude
mij met moeite blijven bedwingen zooals ik tot nog toe gedaan heb."
Het vervolg van het onderhoud tusschen den Graaf en zijne vertrouwden
als min belangrijk voor den lezer beschouwende, zullen wij ons weder
tot onzen vriend Deodaat begeven, die, na Reinout vruchteloos gezocht
te hebben, om hem 's Graven verlangen mede te deelen, niet langer
durvende verwijlen met het ontvangen bevel uit te voeren, zich op
weg naar het verblijf der Friezen begaf. Nauwelijks was hij de poort
uitgekomen, toen hij den kokeler Barbanera met zijn hansworst voor
zich uit zag rijden, door eenige gewapende dienaars omgeven. Dadelijk
na het gehoor was de Schout toevallig in de gijzeling gekomen en had,
niettegenstaande de voorstellen van meester Claes Gerritsz en anderen,
last gegeven dat men 's Graven bevel zou ten uitvoer brengen, en den
kwakzalver met zijn maat over de grenzen voeren: een last, waaraan
alsnu voldaan werd.
Nauwelijks had Barbanera den Ridder bespeurd, of hij wenkte dezen,
dat hij hem iets te zeggen had. Deodaat reed hem op zijde: en de
kokeler, zich weder van de Italiaansche taal bedienende, fluisterde
hem de volgende woorden in:
"Wat zoudt gij mij geven, indien ik u als den wettigen zoon eens
machtigen Edelmans erkennen deed?"
"En Reinout?" vroeg Deodaat, wiens eerste gedachte voor zijn vriend
was.
Barbanera haalde de schouders op: "Of er wat voor hem te doen ware,"
zeide hij, "durf ik niet beslissen. Doch zoo gij ons vergezellen wilt,
zal ik u aan de eerste rustplaats bescheid geven."
"Ik begeer niets verder te weten," zeide Deodaat, hem met verachting
aanziende: "ik hecht vooreerst weinig geloof aan 't geen gij mij
verhalen kunt: en ten tweede begeer ik geen rang, die niet door Reinout
gedeeld wordt. Zoo gij mijn vader kent, zoek hem dan op, en ik zal
afwachten of hij zijn zoon wil erkennen; maar ik wil mij niet opdringen
aan hem, die mij in mijn jeugd aan vreemde handen overgaf. Gij verstaat
mij! verlaat dit land, ik raad het u; want de pogingen, die gij hier
doet om de lieden te verschalken, zouden u duur te staan komen."
Dit gezegd hebbende, gaf hij zijn ros de sporen, en bevond zich weldra
aan de poort van het voormalige klooster. 's Graven naam, in welken hij
zich liet aanmelden, verschafte hem niet alleen een spoedigen toegang,
maar hij werd door de Friezen, althans door Aylva en den Abt, als
een oude kennis ontvangen: en Madzy, die zich bij haar voogd bevond,
verliet het vertrek niet bij zijn komst.
Echter fronste zich het voorhoofd der afgevaardigden, toen zij de
boodschap hoorden, welke Deodaat hun overbracht. Aylva en Adeelen zagen
zwijgend voor zich uit: Madzy wendde zich om en ging aan het venster
staan: en Deodaat, die te veel gevoel van betamelijkheid had om niet te
beseffen, dat de beide edellieden elkander iets te zeggen hadden, begaf
zich naar de jonge maagd en begon met haar een onverschillig gesprek.
"Ridder!" zeide Aylva, na een poos zachtjes met Adeelen te hebben
geraadpleegd: "mijn ambtgenoot Adeelen en ik zullen volgaarne van 's
Graven beleefdheid gebruik maken;--doch wat onze jonkvrouw betreft,
wij mogen die voor haar niet aannemen. Onze Friesche bloemen zouden
aan het hof des Graven van Holland misplaatst zijn."
"Een zoo schoone bloem," zeide Deodaat, "zoude elken hof versieren;
doch waarlijk, zulk een antwoord mag ik niet terugbrengen."
"En echter zal men zich daarmede moeten vergenoegen," zeide Adeelen
op een norschen toon: "het is niet om het gegons van Hollandsche
hofhommels te hooren, dat de Roos van Dekama hier gekomen is."
"Ik zou u kunnen antwoorden," zeide Deodaat, geraakt, "dat het hof van
Holland geen hommels, maar bijen bevat, die met een angel gewapend zijn
en de vreemde wespen niet vreezen;--maar ik wil nu alleen opmerken,
dat ik niet besef, hoe het al of niet ten hove komen der Roos van
Dekama van de goed- of afkeuring des Heeren Van Adeelen af kan hangen."
"Zij is mijn verloofde," zeide Seerp: "en deze betrekking geeft mij
eenige aanspraak op hare onderwerping.... op hare inschikkelijkheid."
"Nog ben ik uwe echtgenoot niet, Seerp!" zeide Madzy, terwijl een hoog
rood aan hare schoonheid nieuwen luister bijzette, en hare oogen van de
edelste fierheid schitterden: "wacht tot dien tijd om gehoorzaamheid
van mij te vorderen. Zoolang Madzy Dekama nog den naam haars vaders
draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand eenig
gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is. De edele
Aylva acht het beter, dat ik te huis blijve. Om zijnentwil zal ik
niet te feest gaan. Gij verstaat mij, Seerp! om zijnentwil."
"Is er niets aan dat besluit te veranderen, Heer Olderman?" vroeg
Deodaat, hem met een smeekend oog aanziende.
"Gij hebt gehoord, mijn jonge vriend!" zeide Aylva, "hoe men zich
heeft uitgelaten. Ik voor mij geloof, dat het wijzer is, bij het eens
opgevatte voornemen te blijven volharden."
"Maar in waarheid!" hernam Deodaat, "waarom moet haar een genoegen
ontzegd worden, waartoe haar jeugd, haar kunne, haar bevalligheid,
haar meer dan iemand bestemmen? Indien zij de Friesche moerassen
verlaten heeft om u herwaarts te volgen, zulks was toch niet om in dit
naargeestig verblijf te zitten suffen. Gij kunt immers niet begeeren,
dat mij een weigerend antwoord 's Graven ongenade op den hals hale."
"Zoo ik Friesland verliet," zeide Madzy, "was het om aan den wensch van
Seerp Van Adeelen te voldoen, die vreesde dat Madzy Dekama hem in zijn
afwezigheid ontvrijd zou worden. Maar verspil uw kostbaren tijd niet,
edele Ridder! door een nutteloozen drang: mijn besluit is genomen,
ik ga niet: en ten einde een onderhoud niet langer te rekken, dat
wellicht onaangenaam worden kon, vraag ik verlof, mij te verwijderen."
En zonder dat verlof af te wachten, verliet zij het vertrek.
Deodaat was op het punt, aan Adeelen op een scherpe wijze zijn
hardnekkigheid te verwijten, waaraan hij ook Aylva's weigering
toeschreef; maar zich het verlangen des Graven, om vrede met de
Friezen te bewaren, herinnerende, oordeelde hij, om zijns meesters
wille, een zachter toon te moeten aannemen.
"In waarheid!" zeide hij: "Edele Heeren! ik begrijp uw oogmerken
niet. Gij komt hier toch, zoo ik wel rade, met een vredelievende
zending: de Graaf is welgezind ten opzichte van u en van uwe
landgenooten: en niettemin ziet men heden tot tweewerf toe den Heer
van Adeelen de gunst des Graven met ondank beloonen. Waarlijk, mijne
Heeren! als onpartijdig vriend moet ik u raden, liever alles aan
te wenden om den onaangenamen indruk weg te nemen, dien de woorden,
welke in drift gesproken zijn, ten hove hebben gemaakt. Wat wint gij
er mede, zoo gij den Graaf tot toorn verwekt en wellicht (want daartoe
zou het kunnen komen) zijn heirlegers in Friesland roept. Een weinig
toegeeflijkheid van uwe zijde, en de goede verstandhouding is meer
dan ooit hersteld."
"Toegeeflijkheid!" riep Adeelen: "voor wat? voor zijn vermeend recht
op Friesland? Laat uw Graaf eerst al zijn ambtenaren tot den laatsten
toe van over de zee terugroepen, en dan zullen wij niet weigeren als
goede buren en trouwe bondgenooten met hem te leven;--maar zoolang
hij bij ons den meester wil spelen, zoolang zal hij in Seerp Van
Adeelen een vijand vinden:--en zoo ik heden op het feest verschijn,
't is slechts om te toonen, dat ik mij nergens schroom te vertoonen
en aan zijn slaafsche hoftrawanten het schouwspel van een vrijen
Fries wel gunnen wil."
"Een schoone heldhaftigheid voorwaar!" zeide Deodaat bitter: "om op
een gastvrij feest te verschijnen, waar gij niets te vreezen hebt, ten
einde aldaar de beleefdheid des gastheers met norsche onwellevendheid
te beantwoorden. Pas op, Jonker Seerp! met zulk een gedrag zult gij
weinig eer behalen.
"Ik verlang geen vermaningen van een Italiaanschen gelukzoeker,"
zeide Adeelen: "geef ze aan uw Hollandsche vrienden, die laf genoeg
zijn, er naar te luisteren."
Nauwelijks waren deze woorden gesproken, of Deodaat had zijn
handschoen uit den boezem te voorschijn gehaald en er Adeelen mede in
't aangezicht geslagen. Een uitdaging zou deze daad zijn gevolgd; maar
met een levendigheid, welke bewees dat het vuur der jeugd bij Aylva
nog niet was uitgedoofd, rees deze uit zijn stoel, greep Adeelen,
die zijn dolk reeds had ontbloot, in de borst en drukte hem vrij
onzacht tegen den muur: terwijl de Abt zich met angstvalligen blik
voor Deodaat kwam stellen.
"Foei! schaam u, Adeelen!" riep de Olderman op forschen toon: "is
het betamelijk, een man, wien gij dank verschuldigd zijt, een edelen
Ridder, in uw eigene woning te beleedigen? Niets kan een zoodanige
handelwijze verschoonen."
"Bedaar! in 's Hemels naam, bedaar! mijn goede Ridder!" zeide de Abt
van Sint-Odulf: "_eheu_! Jonker Seerp is wat driftig en ruw in zijn
uitdrukkingen: dat weet mijn broeder van Lidlum ook: stoor u niet
aan zijn woorden: en denk met Salomo, dat wie eenen dwaas antwoordt,
dwazer is dan hij zelf. Wij hebben in Friesland ook onze dwazen."
"Wij hebben ze hier ook in overvloed," zeide Deodaat, "doch wij
zenden ze niet als afgevaardigden uit:--en zoo hem nog een grein
gezond verstand overblijft, zal hij mij om verschooning bidden voor
de uitdrukking, door hem gebezigd."
"Om verschooning bidden," brulde Adeelen, wien zijn ouder ambtgenoot
nog altijd tegen den wand hield gedrongen: "Laat de handen van mij af,
Aylva!--want ik wil dien hofknaap van zijn overmoed genezen."
"Een andere reis, maar niet hier," zeide Aylva: "uw leven behoort niet
aan u, maar aan uw landgenooten, die u gezonden hebben: en gave de
hemel, dat zij zich tweemalen bedacht hadden, aleer zij hun belangen
aan zulk een dolleman hadden toevertrouwd."
Terwijl de beide jongelingen elkander met fonkelende oogen bleven
aanzien, evenals twee wakkere doggen, die door hun meesters worden
teruggehouden, ging de deur open, en verscheidene dienaars, op het
gerucht toegeschoten, stormden de kamer in. Achter hen vertoonde zich
Reinout, het oog in vlam en het gelaat gloeiende van toorn. Deze had,
na het Grafelijk gehoor, eenigen tijd bij zijn wapensmid doorgebracht
en was vervolgens naar de gijzeling gegaan. Hoorende, dat Barbanera
reeds vertrokken was, was hij te paard gestegen om hem na te rijden,
toen hij, den Heer van Naaldwijk toevallig ontmoetende, van dezen
vernam, dat Deodaat bij de Friesche afgevaardigden namens den Graaf
een boodschap was gaan verrichten. Brandende van ijverzucht, was hij
terstond derwaarts gereden en nu juist op den twist afgekomen. Het
schouwspel, dat zich aan hem vertoonde, beving hem met verbazing:
en onbewust van de oorzaak, bleef hij midden in 't vertrek staan.
"Gij komt juist van pas, Ridder!" riep hem Aylva toe: "kom
Adeelen! wees niet zoo dwaas meer: voor zoovele getuigen zoude uw
toorn belachelijk worden."
"Wij zullen elkander op geschikter tijd en plaats terugvinden,"
zeide Deodaat: en na een koele buiging maakte hij zich gereed om het
vertrek te verlaten, toen Madzy, verbleekt en sidderend, weder voor
zijne oogen verscheen.
"Goede God! wat is hier geschied?" vroeg zij, eerst Deodaat en
vervolgens al de overigen met een blik van angstige deelneming
aanziende: "ik hoop niet, dat hier om mijnentwil een twist is
uitgebroken."
"Het lot van dien Italiaan schijnt u zeer ter harte te gaan,
Madzy!" zeide op een bitteren toon Adeelen, wien Aylva had losgelaten
en die nu met donkere blikken tegen den wand stond geleund.
Tranen van spijt zwollen in de oogen der maagd: en zonder een woord
te spreken viel zij in een armstoel. Er was een oogenblik van stilte.
"Deodaat! volgt ge mij?" riep op eens Reinout met een donderende stem.
"Ik kom!" antwoordde Deodaat.
"Neen!" zeide Aylva, hem tegenhoudende: "zoo moet gij ons niet
verlaten. De eerwaarde Abt en ik zijn u voor uw vertrek nog de
betuiging schuldig van ons innig leedwezen over de behandeling,
hier door u geleden. Wij achten Adeelen hoog en huldigen zijn
edele vrijmoedige inborst; maar wij blozen over de uitdrukkingen,
waartoe zijn toorn hem verleiden kon. Hij zelf, hij zal er eenmaal
over blozen."
Dit zeggende, stak hij Deodaat zijn hand toe, welke deze met
hartelijkheid drukte.
De beide Ridders verwijderden zich nu en beklommen stilzwijgend hunne
rossen: maar nauwelijks waren zij buiten het gezicht van het gebouw
gereden, toen Reinout, die zich tot nog toe geweld had aangedaan,
op eenmaal stilhield en het paard van Deodaat bij de teugels greep.
"Geen stap verder!" zeide hij: "'t is thans met mij dat gij zult te
doen hebben."
"Hoe nu!" zeide Deodaat: "Ik versta u niet."
"Deodaat van Verona! gij zijt een ellendeling! verstaat gij mij thans?"
"Reinout! ik zou liever mijn zwaard willen opeten dan het tegen
u gebruiken. Welke onzalige geest drijft u aan? Waarin heb ik u
beleedigd?"
"Ik raad u, dit nog te vragen:--wie had u de belofte afgevergd, die
gij gisteravond deedt? Vrijwillig, om mij lichtgeloovige te misleiden,
hebt gij die afgelegd: en hoe hebt gij die gehouden? Mij hebt gij in
slaap gewiegd: van 't spoor gebracht, en intusschen uwe schoone Friezin
den tijd weten te korten. O! 't was aandoenlijk om te zien, hoe gij
beiden mij hedenmorgen bespottedet en hoe teeder zij u thans aanzag. Of
was die twist met Seerp Van Adeelen ook niet om harentwil gerezen?"
"Ik zal mij in dit oogenblik niet verlagen mijn gedrag te
rechtvaardigen bij iemand, die door blinde drift bestuurd
wordt. Morgen, als u de slaap betere gedachten zal hebben ingeboezemd
en gij redelijker spreken wilt, zal ik u de noodige opheldering geven."
"Gij verzaakt uw afkomst niet," zeide Reinout op een verachtelijken
toon: "en Barbanera's verhaal...."
"Mistrouw dien bedrieger!" zeide Deodaat: "ik heb hem ook gesproken
en hem verzocht hier nimmer terug te keeren."
Dit zeggende gaf hij zijn paard de sporen en verliet hem, die
gisteren nog zijn boezemvriend was, ter prooi aan den minnenijd,
die zijn gemoed doorknaagde.
Maar bij dien minnenijd voegde zich bij Reinout een diepe
verontwaardiging, door de laatste woorden van Deodaat teweeggebracht:
"de onbeschaamde!" dacht hij: "hij heeft van Barbanera vernomen,
wie van ons de echte zoon van Bianca di Salerno is: en ten einde mij
het bewijs mijner geboorte te onthouden, bewerkt hij het vertrek van
Barbanera en durft mij zulks verhalen! Deodaat! Deodaat! had ik dit
immer van u kunnen gelooven!"
Ten hove gekomen, haastte zich Deodaat het antwoord der Friezen aan
den Graaf over te brengen: hij verzweeg echter zijn twist met Adeelen,
om redenen, die in 't vervolg nader zullen blijken.
"Hoe! zij willen hunne schoone reisgenoot voor hen zelven
bewaren!" riep de Graaf, die, wanneer hij iets in den zin had, er
niet gemakkelijk van was af te brengen.
"Bij Sint-Japik! dat zal niet gebeuren. Ik heb besloten, dat zij op
het feest zal komen; en bij de zaligheid mijns vaders, zij zal er
verschijnen, al moest ik haar zelf gaan halen."
"Uw Genade zal mij verschoonen, zoo ik mijn gevoelen durf uiten,"
zeide Deodaat: "maar zal een daad van geweld niet de gemoederen der
Friezen verbitteren in stede van hen te winnen? Die Jonkvrouw is de
pupil van den eenen en de verloofde des anderen."
"Ook is het geen daad van geweld, die wij beoogen," hernam Willem:
"'t is door list, dat wij onze begeerte verkrijgen zullen: en gij zult
zien, Deodaat! of ik niet een even goed toovenaar zal wezen als die
meester Barbanera, wien Satan weghale. Gelegenheid tot toorn zal ik
dien Friezen niet geven, maar het hangt van hen zelven af, zich met
spot te overladen. Welnu, waarom schudt gij het hoofd?"
"Omdat ik vrees," zeide Deodaat, "dat spot hen nog erger zal
verbitteren dan de grootste beleediging."
"Wat dit alles betreft," zeide Willem: "laat zulks gerust aan ons
over. Wij hadden eerst het oog op u geslagen om ons plan te volvoeren:
doch gij schijnt er huiverig voor te zijn, en het is ons belang dat
gij een witten voet bij den heer van Aylva behoudt. Uw vriend Reinout
is ook beter tot zulk een onderneming geschikt. Tot straks!"
Deodaat vertrok, ten einde zich tot het feest gereed te maken. In zijn
slaapvertrek gekomen, was het zijn eerste daad, zich op een rustbank
neer te werpen, en het door hem gehouden gedrag te overpeinzen.
"Heb ik waarlijk de vriendschap verraden?" vroeg hij zich zelven af:
"of is de beschuldiging van Reinout geheel valsch en onverdiend? Ik kan
ten allen tijde jegens hem mijn handelingen rechtvaardigen; maar kan
ik zulks in mijn eigene oogen doen? 't Is waar, ik ben hedenmorgen een
geheel anderen weg uitgereden, om Reinout niet te storen: doch had ik
Madzy wel moeten vergezellen?--Het ware een onhebbelijkheid geweest,
eenen Fries waardig, indien ik haar niet had te huis gebracht:--ik
heb den lof van Reinout aan Madzy voorgezongen tot op het oogenblik
dat wij hem tegenkwamen, en toen.... 't is waar, toen lachte zij en
ik moest onwillekeurig met haar lachen om de zonderlinge uitdrukking
van Reinouts gelaat;--doch waarlijk, wie dit alles mij tot schuld
aanrekende, ware toch een al te strenge beoordeelaar.
"Had ik den last mijns meesters moeten weigeren en niet naar
die huizinge terugkeeren? den last mijns meesters!--kon ik dien
weigeren? heb ik dien niet aan Reinout willen overdragen? hem
gezocht?--Ik kon immers niet meer doen?--En met dat al, ik ben
ontevreden met mij zelven en ik gevoel dat er iets, ik weet niet wat,
in mijne handelwijze is, hetwelk niet goed, niet recht, niet ridderlijk
is. Misschien, indien ik van avond niet op het feest kwame, zou zulks
Reinout doen zien, dat ik een opheldering ontwijken wilde.--Ik mag van
den dans niet terugblijven, om mijn eer niet. Hoe vreemd! Ik ben mij
geene schuld bewust, en echter huiver ik op de gedachte van Reinout
te ontmoeten."
De arme jongeling! hij zocht waar het hem schortte en hij zag nog
niet hoe al zijne redeneeringen slechts daartoe strekten, dat hij
zich nog wilde ontveinzen hoe hartstochtelijk hij zelf de schoone
Madzy beminde. Wel is waar, de spijt, die zijn boezem ontvonkte, toen
hij vernam dat zij Adeelens verloofde was, de geheime verlegenheid,
welke hem zelfs weerhouden had een woord van dien twist in 's Graven
bijzijn te reppen, hadden hem de oogen moeten openen; en toch, hij
had wellicht hem tot een kamp op dood en leven uitgedaagd, die hem
had durven verwijten, dat hij Reinouts medeminnaar ware.