NEGENDE HOOFDSTUK.

Ziet toe, gy terght een volck, in veenen en in moeren,

Als vorschen, tot den hals gedoken en gewoon,

Te huppelen op 't lant en over groene zoôn.

Dit gaat dan onder, en dan boven water heenen;

De grooten worden oock gebeten van de kleenen.

Vondel. Batavische Gebroeders.

Wellicht zullen reeds velen mijner lezers, evenals Reinout, Deodaat van

trouweloosheid jegens zijn vriend en van dubbelzinnigheid beschuldigd

hebben. Het is onze plicht, als die van een waarheidlievenden

schrijver, hem zoo spoedig mogelijk van dezen onverdienden blaam

te zuiveren.

Eenigen tijd nadat Reinout dien morgen tot zijn voorgenomene wandeling

vertrokken was, liet Deodaat een paard zadelen, met oogmerk om een

morgenrit te doen. Om bij zijn vriend geen schijn van vermoeden te

wekken, alsof hij het gezelschap der Friezen zocht, reed hij met opzet

den weg naar Velzen, dus in een geheel tegenovergestelde richting uit,

en keerde langs den duinkant terug door die liefelijke streek, welke

sedert door Hertog Aelbrecht tot lustverblijf gekozen en misschien naar

hem Aelbrechtsberg genoemd, in 't vervolg het lievelingsoord werd van

zoovelen, die de muffe stad voor de vroolijke buitenlucht wenschten

te verwisselen. De weg, welken Deodaat volgde, bracht hem toevallig

op een dier bevallige plekjes, welke nog heden met onverflauwde

belangstelling door den minnaar eener stille, eenvoudig schoone

natuur bezocht worden, maar in de oogen van Deodaat had het landschap,

dat zich hier aan hem voordeed, een meer bijzondere waarde; want, al

ware de nevelachtige lucht van Holland niet bij het donkerblauwe of

gloeiende zwerk van Italië te vergelijken, en al mochten de zandduinen,

die hij voor zich had, niet meer dan molshoopen zijn in vergelijking

der Apenijnen, er was toch veel in het tafereel, dat hij beschouwde,

hetwelk hem herinnerde aan het land van zijne geboorte. Hetgeen

hij zag was slechts eene duinvallei, maar eene vroolijk lachende

vallei, versierd met al den tooi, welken de aard van den grond en der

luchtsgesteldheid in staat waren op te leveren. Aan de westzijde was

zij door de hier in evenredigheid hooge en steile duinen als door een

muur van zand besloten; maar tegen dien muur van zand staken de berken

met hunne rozenkleurige stammen en frisch gebladerte en de groene

struiken en struweelen, die de hoogten tot op de helft bemantelden,

des te bevalliger af. Een bosch, rijk in alle soorten van geboomte,

wier voorjaarsdos al de onderscheidene tinten van groen, van de blonde

kleur der wilgen af tot aan de bruine verf der sparren vertoonde,

stuitte aan weerszijden tegen den duinkant en vereenigde zich daar

tegenover, de daar tusschen gelegen vlakte alzoo in de gedaante eener

halve maan omsluitende. En dan, als had de natuur, in een blijde luim

dat vroolijke tafereel willen verdubbelen, die golvende heuvelen en

dat lachend geboomte en de zonnige lucht daarboven werden teruggekaatst

in een tweetal heldere meertjes, wier boorden als met een bruidskrans

van schitterende veld- en waterbloemen omzoomd waren.

Een nieuwerwetsche bezoeker had zich bij het aanschouwen van dit

tooneel wellicht in een onderzoek verdiept, of die meertjes werkelijk,

zooals sommigen beweren, de overblijfselen zijn van een voormaligen arm

des Rijns, die hier vroeger een uitweg zoude hebben gehad, later door

het duinzand overdolven: Deodaat, die zich nooit, gelijk te denken is,

aan de natuurlijke geschiedenis van Holland had laten gelegen liggen,

vergenoegde zich met de oogen in 't rond te laten weiden, en met te

luisteren naar den zang der nachtegalen, die in de toppen der linden

orgelden; en met den verkwikkende geur in te ademen, welke uit meidoorn

en seringen opsteeg.--Men was in die eeuw nog verre van toe te geven

aan den invloed van het gevoel: en men wist zelfs bij name niet van

sentimenteelheid of romantisme; maar toch waren in dit oogenblik de

zinnen van Deodaat zoo liefelijk aangedaan, toch ontwaarde hij een

stemming, zoo zacht en weldadig, dat hij, zonder zich rekenschap te

kunnen geven van de reden waarom, van zijn paard steeg, en, het aan

een boom vastbindende, zich op de groene zoden nederzette. Een zoete

mijmerij beving hem: vreemde droombeelden en fantasieën verdrongen

zich voor zijn geest, en midden daar tusschen zweefde het aanvallige

beeld der bekoorlijke Friezin. Somtijds echter kwam er een denkbeeld

bij hem op van verwondering over de vreemde gemoedsgesteldheid,

waarin hij zich bevond, en vroeg hij zich af, hoe hij er toch op

eens toe kwam, om op deze wijze de dolende Ridders na te volgen,

van wier liefdegepeinzen in de schaduw van 't geboomte hij meer dan

eens de meistreels had hooren zingen; en niettegenstaande hij dan een

oogenblik over zijne dwaasheid lachte, was hij toch niet in staat,

zich aan de zoete begoocheling, die hem bevangen had, te onttrekken,

en Italiaan genoeg om een wellustig genot in dat _dolce far niente_

[22] te scheppen. En wat was ook natuurlijker?--hij beminde, zonder

het nog zelf te weten: en wie, die eenmaal bemind heeft, weet niet hoe

zoet, hoe bedwelmend dat eenzaam mijmeren is, als men, alleen met de

schoone natuur, de gansche wereld vergeet: als een onbestemd verlangen

het hart doet zwoegen, als een te voren ongekende wellust elken vezel

ontspant en met verkwikkende warmte door alle poriën dringt: en de

ziel, met zich zelve en met de schepping in vrede, zich in droomen

en gedachten verliest, welke geene dorre wezenlijkheid in staat is

terug te geven.

Zoodanig was ook de gesteldheid van Deodaat, toen hij, toevallig den

blik opwaarts slaande, iets boven den hoogsten top van het voor hem

liggend duin zag bewegen, dat zijn aandacht tot zich trok. Hij kon

niet terstond beseffen, wat het zijn mocht, maar weldra bespeurde hij

dat het een vrouwelijke gedaante was, welke aan de tegenovergestelde

zijde het duin beklom; want hij zag eerst een hoofd en vervolgens de

overige ledematen zich, evenals de goden op het Romeinsche valgordijn

afgebeeld, boven het duin verheffen: tot eindelijk het jonge meisje

(want die fijne leest kon slechts aan een jong meisje behooren)

geheel op de kruin te voorschijn kwam en daar, met al de levendigheid

der jeugd, driewerf opsprong, in de handen klapte, naar alle kanten

rondzag als om het omgelegen landschap te beschouwen en toen met

eenige drift iemand wenkte, die met een minderen spoed over den rug

der hoogte naar haar toekwam.

Onze Ridder bleef eenige oogenblikken onbeweeglijk zitten, in die

stomme verbazing, welke de plotselinge verschijning van een onverwacht

voorwerp veroorzaakte; want hij had in die beide duinbeklimmers de

schoone Madzy en haar voogd herkend. Zij van haren kant scheen hem

niet te bespeuren; althans zij toonde wel den Olderman, toen deze

aan hare zijde gekomen was, de omliggende landgezichten aan, welke

blijkbaar geheel nieuw en verrassend voor haar waren; maar haar oog

rustte niet eenmaal op de plaats, waar Deodaat zich bevond. Deze bleef

nog eenigen tijd stilzitten; hij voelde wel, dat zijn hart onrustig

klopte en dat een sterke stem in zijn binnenste hem aanspoorde,

de schoone Jonkvrouw tegemoet te gaan: maar de gedachte aan zijn

vriend, aan Reinout, weerhield hem. "Arme Reinout!" dacht hij:

"het gaat met u als met den man, van wien Jasper De Vinder sprak,

die de fortuin overal ging opzoeken: terwijl zijn buurman stil op

zijn bed bleef liggen en haar ongeroepen bij hem zag binnenkomen. Gij

loopt naar het Sint-Jans-klooster, en vindt niemand, terwijl ik, hier

stilzittende, uwe schoone zie genaken:--maar ik zal, om uwentwil,

van deze ontmoeting geen gebruik maken."

De goede Deodaat dacht weinig, dat hij op hetzelfde oogenblik, waarin

hij dit manmoedig besluit gevormd had, er weder stond af te wijken:

maar een onvoorziene omstandigheid noodzaakte hem daartoe, en op eens

met een schreeuw opspringende, liep hij gezwind als een hert tusschen

de meertjes door naar den duinkant toe. Hij had namelijk gezien,

dat Madzy, zonder twijfel bezield met die kinderlijke vroolijkheid,

welke het genot der vrije natuur in een onschuldig hart doet ontstaan,

na zich genoeg vergast te hebben aan het aanschouwen der omliggende

streken, op eenmaal, als om haar voogd te plagen, gelijk haar gebaren

en hoorbaar gelach aantoonden, trek had gevoeld om van het duin

naar beneden te loopen: iets dat misschien op geene andere plaats,

dan alleen op die, welke zij daartoe had uitgekozen, gevaarlijk zijn

kon. Het duin toch, dat eerst golvend en glooiend afliep, was ongeveer

tien voet boven den grond afgezand geworden en vormde aldaar een

steilte, welke van iemand, die boven stond, niet gezien kon worden:

maar welke Deodaat van zijne plaats duidelijk bemerkte:--en niet ten

onrechte had hem de vrees bevangen, dat Madzy, wanneer zij van de

hoogte kwam aangeloopen, de snelheid van haar vaart niet zou kunnen

bedwingen en van de steilte nedervallen:--en het was om haar tegen dit

gevaar te waarschuwen of zoo mogelijk haar in den val te weerhouden,

dat hij eerst dien schreeuw gaf, die, door de vallei weergalmende,

een koppel wilde eenden van uit het riet opvliegen en den wildzang

zwijgen deed; en dat hij vervolgens de onvoorzichtige maagd te gemoet

ijlde. Madzy had dien kreet van waarschuwing gehoord, juist toen zij

die steilte op een korten afstand genaderd was: door een onwillekeurige

beweging van schrik poogde zij haar vaart te stuiten; maar de beweging

zelve deed haar wankelen, en op dat oogenblik Deodaat gewaarwordende,

en waarschijnlijk niet voor zijn oog willende vallen, vervolgde zij

haar loop; maar nu door de wending, welke zij gemaakt had, in een meer

zijdelingsche richting, en kwam hierdoor wel aan den rand der steilte,

maar op een plaats, waar die ongelijk minder hoog was, zoodat zij,

daar zijnde, zonder zich te bedenken naar beneden sprong en ongedeerd

naast den toegesnelden Ridder op het zand stond.

"Gij hebt mij voor u doen beven, Freule!" zeide Deodaat, half buiten

adem en bleek als een doek.

"Ik beken u, ik heb ook een oogenblik van schrik gehad," zeide Madzy:

"maar het is voorbij. 't Is goed dat gij geschreeuwd hebt," voegde

zij er met een betooverenden glimlach bij: "ik had vast een kluchtige

figuur gemaakt, wanneer ik van dien steilen kant was komen rollen;

maar ik ben toch maar blijde dat ik op vasten grond sta! Kom maar hier,

mijn Heer van Aylva! ik ben al beneden! maar neem niet denzelfden weg."

"Voorwaar! indien mijn beenen twintig jaren jonger waren geweest,

zouden zij u niet vooruit hebben laten gaan," zeide Aylva, die nu

langs een meer gemakkelijk pad uit een boschje te voorschijn kwam:

"maar wat zie ik?--Hebt gij hier op eens gezelschap gevonden?"

Hier bemerkten Deodaat en Madzy eerst, dat zij elkander bij de hand

hielden: hij had haar de zijne, op het oogenblik dat zij afgesprongen

was, toegereikt: zij had die onwillekeurig aangenomen: en geen van

beiden had nog gedacht om de zijne terug te trekken. De vraag van

Aylva joeg hun een gloeienden blos op de kaken: zij lieten elkander

los en zagen beiden als overtuigde schuldigen onbeweeglijk en zwijgend

voor zich.

"Van waar komt gij dus op eens uit de lucht vallen?" vroeg Aylva

eenigszins verwonderd aan den jongeling.

"Wel, mijn waarde voogd," antwoordde Madzy, hare vroolijkheid bij het

hooren dezer vraag op eens terugkrijgende: "ik was het, die bijkans

uit de lucht was komen vallen en de Ridder kwam mij helpen."

"Zoo!" zeide Aylva, lachende: "het was dus naar den Ridder, dat gij

met zooveel drift toesneldet?"

Een gloeiend inkarnaat verfde opnieuw het gelaat der jonge

schoone. Deodaat, haar verlegenheid bespeurende, haastte zich voor haar

te antwoorden: "Ik zou zeer gelukkig zijn, indien ik de verwaandheid

mocht hebben zulks te gelooven; maar ik twijfel er hard aan of

de Jonkvrouw iets van mij bespeurd heeft voor wij naast elkander

stonden."--Hierna vervolgende, helderde hij met korte woorden de

aanleiding hunner ontmoeting op.

"Zoo!" zeide Aylva: "dan heb ik mijn pupil alleen over hare wildheid

te beknorren!--Denk eens, wat zou Seerp Van Adeelen wel gezegd hebben,

indien ik u met een gebroken arm had te huis gebracht?"

Deze aanmerking van den Olderman deed bij Deodaat een gevoel van

wrevel ontstaan, hetgeen hij zich nauwelijks wist te verklaren:

doch dat geheel week bij het antwoord van Madzy:

"Wat zal ik u zeggen, mijn waarde voogd!--Indien Seerp Van Adeelen

zooveel belang in mij stelt, moest hij medegaan om op mij te passen."

"Gij weet, lieve Madzy!" zeide Aylva, "dat hij hedenmorgen bij den

helmslager zijn moest, ten einde te zorgen, dat zijn wapenrusting voor

het steekspel in gereedheid zij:--gij zoudt toch niet begeeren, dat

hij daar niet verscheen als iemand, die Friesland eer moet aandoen."

Madzy antwoordde niets, maar den arm des Oldermans nemende, begon zij

rondom zich heen te zien en drukte haar bewondering over het schoone

landschap uit. Dit gaf aanleiding tot een onderhoudend gesprek,

aan het einde waarvan Aylva aan Deodaat verhaalde, dat zij met hun

gevolg te paard den omtrek hadden rondgereden, en dat die wilde meid,

de duinen ziende, hem overgehaald had even af te stappen om te zien of

zij de Noordzee ook van de toppen der hoogten bespeuren konden. "Ik ben

gek genoeg geweest, aan haar verzoek te voldoen," zeide de Olderman:

"en ik verzeker u, dat mijn beenen het voelen. Ik ben niet gewend

door dat gulle zand te kruien en verlang hartelijk weer in den zadel

te zitten. Mij dunkt, onze paarden moesten hier reeds zijn!"

"Daar komen zij al," zeide Madzy, de dienaars ontdekkende, die beneden

langs gestapt waren en nu uit het bosch te voorschijn kwamen.

"Kom! het is tijd van gaan," zeide Aylva: "wij moeten naar huis, anders

kom ik te laat om mij te kleeden voor het gehoor. Verzelt gij ons, heer

Ridder? ik vermoed dat het uw paard is dat aan gindschen boom staat."

"Gij zijt toch recht achteloos omtrent uwe paarden," zeide Madzy met

een spottenden glimlach tegen Deodaat. "Als men u dit nu ook ontstolen

had, terwijl gij naar mij toe kwaamt!"

"Ik geloof waarlijk," zeide Deodaat, op denzelfden toon, "dat gij

meent dat dit land vol dieven is."

"Inderdaad," hernam zij: "Seerp Van Adeelen zoude u wel haast

antwoorden, dat hij er niet aan twijfelt, en dat uw Graaf de grootste

dief van allen is, daar hij ons onze onafhankelijkheid ontstelen wil."

"Madzy! Madzy!" zeide Aylva, den vinger dreigend opheffend: "gij

spreekt weder over zaken, waar een meisje niet over spreken moest."

De bevallige jonkvrouw zag haar voogd met een blik van verwondering

aan; want, nooit buiten haar geboorteland geweest zijnde, waar men

algemeen gewoon was vrij en onbewimpeld te spreken, had zij zich nog

geen denkbeeld gevormd van de noodzakelijkheid om, onder vreemden, de

woorden, die men wil spreken, te voren op de weegschaal te leggen. Een

ingeschapen gevoel van betamelijkheid en een juist oordeel zouden

Madzy wel overal hebben blijven geleiden en haar verhinderen van

iets onvoegzaams te zeggen; maar de ongewoonte om onder vreemden te

zijn had haar nog onbewust gelaten, dat men niet alle onderwerpen

even vrij met iedereen kan behandelen: bovendien gevoelde zij zich

zoo op haar gemak met Deodaat, dat zij hem, ondanks den korten tijd,

die er sedert hunne kennismaking verloopen was, reeds beschouwde als

iemand voor wien zij zich niet behoefde te weerhouden om vertrouwelijk

en ronduit te spreken. De bestraffing van Aylva, ofschoon op een

vriendelijken en lachenden toon uitgedrukt, hinderde haar dan ook, en

misschien wel des te meer, omdat die in tegenwoordigheid van Deodaat

plaats vond.--"Kom!" zeide zij eindelijk, terwijl zij te paard steeg:

"ik zie dat ik een dwaasheid gezegd heb; en ik had waarlijk vergeten,

dat de Ridder in 's Graven dienst is en dat men hier niet anders

als goed van hem spreken mag. Gij neemt het mij toch niet kwalijk,

Ridder! maar ik spreek nog zoo wat op zijn Friesch, slecht en recht."

"In allen gevalle," zeide Deodaat, met verrukking het lieve meisje

beschouwende, "deedt gij niets dan de woorden van een ander herhalen,

zonder dat gij voor zijne gevoelens behoeft in te staan:--en Graaf

Willem heeft immers gisteravond de hand van Seerp Van Adeelen geschud?"

De stoet intusschen geheel te paard gestegen zijnde, keerde men langs

den kortsten weg terug onder een vroolijk gesprek tusschen Madzy en

de beide edellieden. De goedhartigheid van Deodaat, die uit al zijn

gezegden doorblonk, het gezond verstand, dat hij betoonde, en de

aard zijner scherts, die altijd onschuldig en vroolijk bleef, wonnen

het hart van den Olderman, die bovendien, wanneer hij den jongeling

aansprak, zich tot hem getrokken gevoelde door een onverklaarbaar

gevoel, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven. Het was hem,

of hij hem reeds vroeger aanschouwd had en wel in beter en gelukkiger

dagen; doch waar, dit zocht hij zich vruchteloos te herinneren. Ook

Deodaat, hoezeer hij moeite had om zijn oogen van Madzy af te

wenden, kon niet nalaten behagen te scheppen in het onderhoud van den

edelen Fries, die hem een gevoel van eerbied en achting inboezemde,

gelijk hij nooit te voren jegens iemand had ondervonden. En wat Madzy

betrof, weggesleept door den innemenden toon van Deodaat en door het

belangrijke van zijn opmerkingen en verhalen, gaf zij zich onmerkbaar

over aan het betooverend genoegen, hetwelk iemand, die een natuurlijken

aanleg bezit tot alles wat edel en goed en schoon is, onmisbaar smaken

moet, wanneer hij zich in een leerrijk en onderhoudend gezelschap

bevindt: vooral indien de onderwerpen van het gesprek aan den eenen

kant nieuw en verrassend, en aan den anderen kant niet te hoog voor

zijne bevatting zijn. En hoeveel te sterker moest de indruk zijn,

dien de gezegden van Deodaat op het eenvoudige meisje teweegbrachten,

nu de beschaafde vormen en het innemend uiterlijke van den spreker

ook aan min belangrijke zaken waarde zouden hebben bijgezet.

Het was dan ook schier onmerkbaar, dat zij zich weder aan den heirweg

tusschen Haarlem en Leiden bevonden, op welken zij door een achterweg

gekomen waren: en alwaar zij, gelijk wij reeds verhaald hebben,

Reinout ontmoetten. Deodaat zag zijn vriend het eerst: hij deed hem aan

Madzy opmerken: en zoo deze bij die gelegenheid lachte, het was niet,

gelijk Reinout zulks vermoedde, om eenig gezegde van Deodaat dat op

hem betrekking had, maar om de zonderlinge uitdrukking, welke zich

in het voorbijgaan op het gelaat van den ontevredenen voetganger

vertoonde. Deodaat, die intusschen bij het herkennen van Reinout

zich hun gesprek van den vorigen avond herinnerde, begon eenige

opwelling van berouw te gevoelen en zich te verwijten, dat hij niet

aan zijn belofte getrouw was gebleven. Willende herstellen hetgeen hij

bedorven had, nam hij uit de gedane ontmoeting terstond aanleiding

om zijn vriend hemelhoog te prijzen en diens goede hoedanigheden in

het schoonste daglicht voor te stellen;--maar deze handelwijze, in

stede van zijn wapenbroeder, gelijk hij dacht, eenigen dienst te doen,

strekte nergens anders toe, dan om het gevoelige hart van Madzy des

te meer in te nemen voor hem, die zich zulk een getrouw en waardig

vriend betoonde.

Aan de poort van het Sint-Jans-klooster namen zij afscheid: en Deodaat,

bemerkende dat het reeds laat was geworden, haastte zich, in vollen

ren naar Haarlem te keeren, waar hij zich in aller ijl kleedde en

zich vervolgens naar de Sint-Jans-straat begaf.

Het was in de kerk van het aldaar gelegen klooster, dat de plechtigheid

van het gehoor zou plaats vinden; en een aanzienlijke menigte herauten,

ordebroeders, edelen en dienaars waren reeds bezig, om onder opzicht

van den ouden Wapenkoning van Holland de noodige aanstalten en

toebereidselen te maken en de zitplaatsen der te verwachten gasten

naar hun rang en stand te regelen. Deodaat, die benoemd was om te

dien einde mede te werken, moest bij zijn aankomst eene vrij lange

en taaie bestraffing van den Wapenkoning ondergaan, dat hij eenige

minuten te laat was gekomen; naar welke hij echter weinig luisterde,

daar zijn oogen de kerk ronddwaalden om zijn vriend Reinout te zoeken,

dien hij eindelijk van verre gewaarwerd, het toezicht houdende over het

ophangen der wapenbondels en andere versierselen, welke den Gravezetel

omgeven moesten. Hij begreep, dat het nu niet het oogenblik was om

hem opheldering te geven omtrent zijn gedrag en vergenoegde zich

dus hem van verre toe te knikken, hetgeen Reinout òf niet bespeurde,

òf niet wilde opmerken:--en daar aan Deodaat vervolgens een andere

bezigheid aan den ingang der kerk werd opgedragen, moest hij voor 't

oogenblik alle gelegenheid tot een verklaring uit zijn hoofd stellen.

Het uur van één, dat tot het gehoor was uitgekozen, had eindelijk

geslagen, en het gebouw, nu geheel ingericht tot de plechtigheid,

leverde reeds een prachtig schouwspel op. Een groot denkbeeld van zijn

macht aan de vreemde bezoekers en vooral aan de Friesche afgevaardigden

willende inboezemen, had de Graaf bevolen, dat er geene kosten gespaard

zouden worden om een praal ten toon te spreiden, geschikt om alle

oogen te verblinden. Prachtige tapijten, van afstand tot afstand door

wapenbondels of schilden afgezet, bedekten de wanden of hingen van de

kerkbogen af. Welriekende wateren of reukwerk uit het Oosten wasemden

uit sierlijk gebeitelde of kunstig gesnedene vaten op, en vervulden

het ruime gebouw met balsemende geuren. De vloer was niet bestrooid

met stroo, gelijk zulks de toenmalige gewoonte was; maar al de tuinen

rondom Haarlem hadden hun bloemenschat opgeleverd, en men liep als

over een rijkgekleurd tapijt van rozen, jasmijnen, gouden regen,

gebloemte en gebladerte. Vlak voor het koor was de zetel des Graven

opgericht: rozeroode gordijnen, op een sierlijke wijze geplooid en

door gouden snoeren opgebonden, hingen van den troonhemel af, wiens

bovenrand prijkte met de wapenborden der verschillende Graafschappen

en Heerlijkheden, waarover Willem van Henegouwen zijn staf zwaaide,

en daarboven hing de Gravenkroon in flonkerenden luister.

Reeds was de kerk gevuld met het aanzienlijk getal genoodigden, toen

de klank van trompetten en klaroenen de komst des Graven verkondigde,

die kort daarop uit eene der zijdeuren, welke gemeenschap had met

het klooster, te voorschijn kwam, voorafgegaan en vergezeld van

zijn doorluchtig geslacht en van zijn gewoon gevolg, allen op 't

schitterendst uitgedost. Willem zelf, op wiens fraaie golvende haren de

Gravenkroon prijkte, was gekleed met een tot op de voeten hangenden

tabberd van scharlaken kleur, met gouden boordsels omzet, waarop

kostbare gesteenten blonken, en droeg daarboven een hemelsblauwen

mantel met open mouwen, gevoerd en geboord met bont, en geborduurd

met de wapens van Holland en van Henegouwen: terwijl een halskraag van

hermelijn zijn kleedij voltooide. De edelen, die hem omringden, waren,

over het geheel, niet minder prachtig gekleed dan hij: de hoofden van

adellijke huizen, en die, aan welke uithoofde hunner jaren de vroolijke

dracht der jeugd niet meer voegde, hadden insgelijks lange tabberds

aan, onderscheiden van kleur en versierselen, doch alle blinkende van

goud en bont en gesteenten. De jonge Ridders en Edelen daarentegen

droegen korte, overal geslotene buisjes, om het middel met een gouden

koord omgord, en met mouwen, die, naar den toen heerschenden smaak,

omtrent een halven voet langer waren dan de arm: voorts gouden ketens

om den hals, tootschoenen met punten van een bespottelijke lengte,

en fluweelen hoeden, die op den top van het hoofd zaten, en langs

wier hoogen en kegelvormigen bol een enkele witte veder opliep.

Zoodra de Graaf gezeten was, namen ook de aanwezigen, immers voor

zooverre de zitbanken toereikend waren, hunne plaatsen in: acht

pages en een aantal Herauten bekleedden de trappen van den troon:

aan weerszijden waren de bloedverwanten des Graven, de Hollandsche

en Henegouwsche Baanderheeren en de gemijterde Geestelijken gezeten:

terwijl verder de kerk vervuld was met een uitgelezen schaar van

Vorsten en Heeren, uit alle beschaafde landen hier samengekomen,

waarachter een vierdubbele rij van Ridders, Edellieden en Vroede

mannen, wier getal dat van duizend overtrof, tegen de wanden stond

geschaard. Alleen in het midden was de doortocht vrij en een voegzame

ruimte voor den zetel opengelaten.

Nadat de Herauten stilte hadden bevolen, gingen vier hunner naar den

hoofdingang om aldaar de Aartsbisschoppen van Keulen en van Trier,

die, in plechtgewaad en van een luisterrijken stoet vergezeld,

de kerk binnentraden, af te halen en voor den Grafelijken zetel te

geleiden. Toen rees de Graaf op, uit eerbied voor zijn Leenheer, wien

deze Dignitarissen vertegenwoordigden: en nu gaf hem de eerstgemelde

Rijksvorst in een lange en sierlijke aanspraak te kennen, dat de

Keizer, getroffen door zijn schitterende verdiensten, en hem een

blijk zijner hooge achting willende geven, hem de Hertogelijke kroon

had toegedacht, welk gunstbewijs hij zich vleide, dat door den Graaf

met dankbaarheid en welwillendheid zou worden aanvaard.

"Hoogwaardigste!" antwoordde Willem, "wij bidden u, na uw terugkeer

in Duitschland, de uitdrukking onzer erkentenis voor den Keizerlijken

troon te willen brengen. Het blijk der gunst van onzen genadigen

Leenheer zal ten allen tijde ons hart voor hem van liefde en

getrouwheid vervuld doen zijn. Maar laat de Keizer het echter zijnen

dienaar niet wijten, noch het aan eenige minachting zijner genade

toeschrijven, indien wij zijn gunstbewijs niet aannemen. Ieder op

deze aarde heeft zijne bepaalde eerzucht: de onze was altijd, de

eerste Graaf des Duitschen rijks genoemd te worden.--Deze wensch is

vervuld geworden; maar hooger stijgt hij niet: en, om onbewimpeld

te spreken, wij willen liever, zoo in den slag als op de feesten,

alle Graven voorgaan, dan dat wij alle Hertogen zouden volgen moeten."

Deze woorden uitgesproken hebbende, zag Willem om zich heen, en verhief

zich zijn hart met niet weinig hoogmoed, toen hij dien luisterrijken

stoet van Ridders en Baronnen overzag, die hem ten oorlog volgen

moest, en gelijk geen ander Graaf, ja gelijk geen Rijksvorst in staat

was onder zijn banier te scharen. Helaas! wat is de heerlijkheid des

menschen? Weinig dacht hij toen, de machtige Graaf, dat binnen weinige

maanden hij zelf en die gansche adel, waarmede hij zulke roemvolle

overwinningen behaald had, van het aardsche tooneel door de meest

verachte handen zouden worden weggemaaid.

Een algemeene toejuiching had het antwoord van den Graaf gevolgd: en de

Aartsbisschoppen (die echter te voren onderricht waren, welk bescheid

zij bekomen zouden) werden naar het voor hen bestemde gestoelte geleid,

terwijl alsnu de Friesche afgevaardigden, die ter zijde gezeten waren,

voor den zetel werden geroepen. Zij traden met deftigheid naar voren,

en hielden op een kleinen afstand van den zetel stil. Daar gekomen,

deed de Abt, die Aylva rechts en Adeelen links van zich had, nog een

stap voorwaarts, en richtte het woord tot den Graaf. Zijn aanspraak,

aan welker samenstelling vader Syard ongetwijfeld deel had gehad, was

een meesterstuk van diplomatieken stijl, en zoude ook in onze dagen een

gezant, die gekomen was om _niets_ te zeggen, eer hebben aangedaan. Zij

behelsde een menigte zwierige en vleiende betuigingen van eerbied en

hoogachting voor den Graaf, met menige Latijnsche spreuk doorzult,

gaf hartelijk leedwezen te kennen over het gebeurde te Stavoren, en

eindigde met een ontboezeming der hoop, door de Friezen gekoesterd,

dat de eensgezindheid tusschen den Graaf en hen steeds duurzamer

zoude blijven stand houden. Maar ook het scherpzinnigste vernuft zou

uit dien ganschen vloed van woorden niet één blijk van onderdanigheid

getrokken hebben, noch een enkel bewijs, dat de Friezen den Graaf als

hunnen Heer, nauwelijks dat zij hem als hunnen beschermer aannamen

of erkenden. Willem had dit ook weldra bemerkt; en meer dan eens

hadden zijn gefronst voorhoofd, en een zijdelingsche blik, op Beaumont

geslagen, zijn innerlijke ontevredenheid te kennen gegeven. Hij liet

echter den gezant uitspreken, altijd nog hopende, dat een betuiging

van hulde en getrouwheid zijn rede zoude besluiten; doch toen hiervan

niets kwam, en de Abt, na zijn aanspraak te hebben uitgebracht, weder

tusschen zijn beide landgenooten terugtrad, kon hij zijn ongenoegen

niet langer bedwingen. De woorden, waarin zijn antwoord vervat werd,

waren echter gematigder, dan de toon waarop hij dat antwoord uitsprak:

en alleen aan de trilling zijner lippen en aan de heeschheid zijner

stem was zijn innerlijke gemoedsaandoening te bespeuren.

"Wij danken onze Friesche _onderzaten_," zeide hij, op dit laatste

woord drukkende, "voor de betooning hunner verknochtheid; wij hadden

echter iets meer durven hopen dan loutere betuigingen, en billijk

verwacht, dat er van hunnen kant ook daden zouden hebben gesproken. Gij

kunt niet onwetend zijn, edele Heeren! dat onze Ambtenaren te Stavoren

mishandeld zijn geworden. Is de orde aldaar reeds hersteld? en welke

straf hebben de schuldigen ondergaan?"

"Men is bezig een gerechtelijk onderzoek naar het voorgevallene te

doen," antwoordde Aylva, "en wij twijfelen niet, of de schuldigen

zullen naar de wetten geoordeeld worden."

"Men heeft te lang gewacht," zeide de Graaf: "op heeter daad had men

de misdadigen moeten vatten en vonnissen."

"Het ware intusschen te wenschen," vervolgde de Olderman, als

had hij 's Graven aanmerking niet gehoord, "dat uwe Genade het

gebeurde geliefde te vergeten en den moedwil van een onberaden hoop

vergeven. De Fries, aan zijn vrijheden verknocht, is nog ongewoon aan

het eerbiedigen van vreemde instellingen, en een te groote gestrengheid

bij zijn eerste vergrijp zou wellicht nadeeligen invloed kunnen hebben

en een scheuring verwekken, die in het belang uwer Genade en in dat

van Friesland moet worden voorkomen."

"Inderdaad!" hernam Willem: "waarom geeft gij ons niet liever den

raad, onze ambtenaren uit Friesland terug te trekken, opdat gij

ulieden geheel naar uw eigen goeddunken zoudt kunnen regeeren."

"Dit ware zekerlijk het verkieslijkste, om alle botsing te

vermijden." zeide Adeelen: "en wellicht," voegde hij er met fierheid

bij: "ware het beter dat zulks thans geschiede, nu het als een gunst

ontvangen kan worden, dan later, wanneer de drang der omstandigheden

het tot een noodzakelijkheid zal maken."

Een algemeen gemor deed zich hooren bij het vernemen dezer hooghartige

taal. Zelfs de Abt van Sint-Odulf, die zich in deze schitterende

vergadering slecht op zijn gemak voelde, en de beradene Aylva, die

zoo gaarne een vredebreuk wilde vermijden, zagen hun ambtgenoot met

een blik van ontevredenheid aan. De Graaf echter, die reeds daags

te voren de onbuigzaamheid van Adeelen had leeren kennen, nam zijn

woorden thans minder euvel op dan men verwachtte: "Wij danken u,

Heer van Adeelen!" zeide hij, "dat gij zoo onbewimpeld spreekt;

want uit uwe redenen kunnen wij opmaken, hoe weinig zich de Friezen

in het algemeen aan hunnen Heer laten gelegen liggen. Alleen moeten

wij u doen opmerken, dat zulk een taal weinig strookt met het doel,

dat wij aan uwe zending toeschreven, en weinig die onderwerping ademt,

welke wij recht hadden van u te verwachten."

"Vraag visschen aan het geboomte en bloemen aan de zee," riep Adeelen

uit: "maar vraag nimmer onderwerping aan een vrijen Fries."

"Hoe nu!" hernam de Graaf: "zijn dit de woorden uwer lastgevers? En

stemmen de Eerwaardige Abt en de Heer van Aylva mede in die onbezonnen

taal?"

De Abt, die reeds een poos met angstige verlegenheid zijn oogen van den

Graaf op Adeelen, en van dezen op Aylva had doen dwalen, antwoordde

niets, maar veegde zich de zweetdroppelen van 't gelaat. Aylva nam

het woord op.

"Edele Graaf!" zeide hij: "het is nooit de wensch noch de bedoeling

onzer lastgevers geweest, uwe Genade in hare rechten en waardigheid

te verkorten. Wat onze ambtgenoot heeft gezegd, moge hij zelf

verantwoorden: onze taak was alleen, uwer Genade de betuiging van

Frieslands verknochtheid over te brengen en uw verlangen aan te

hooren. Verder strekt zich onze lastbrief niet uit."

"Gij hebt dan geene machtiging," vroeg Willem met eenige verbazing,

"om ons, uit naam van hen die u zonden, openlijke hulde als Heer van

Friesland te doen?"

"Ik herhaal het," antwoordde Aylva: "hetgeen uwe Genade ons zal

gelieven te bevelen, zal getrouwelijk door ons aan onze lastgevers

worden overgebracht."

--"_Vive Dieu_!" riep de Graaf, zich met een bitteren lach tot

de naastbij gezetenen wendende: "Gij hoort het, mijne Heeren! men

verzoekt onze bevelen te vernemen, ten einde die door onze getrouwe

Friesche onderzaten in overweging worden genomen en beoordeeld of

zij wel in overeenstemming zijn met de oude vrijheden des lands. Bij

Sint-Japik!" vervolgde hij tot de Friezen, "zoo wij alleen gehoor gaven

aan hetgeen onze waardigheid als Graaf van ons vordert, zouden wij

u dadelijk onzen wil te kennen geven en voor de uitvoering zorgen,

zonder ons te bekreunen, in hoeverre ons verlangen met de inzichten

onzer overzeesche onderzaten strookt: doch wij willen in dezen

slechts aan onze liefde voor verdoolde kinderen gehoor geven en de

zaak in rijpe overweging nemen, ten einde men niet van ons zegge,

dat wij overijld besluiten en handelen. Intusschen raden wij u, onze

getrouwen! uwe landgenooten te doen aanmanen, dat zij niet door nieuwe

ergerlijke tooneelen onze zachtmoedigheid tergen. Mijne Heeren! de

zitting is opgeheven!"

Met deze woorden rees hij van zijn zetel en verliet het gebouw

op dezelfde wijze als hij gekomen was, terwijl weldra de gansche

vergadering zijn voorbeeld volgde en uiteenging.

De Roos van Dekama · 第 15 / 46 题