VIJFDE HOOFDSTUK.

De schoon-geveêrde Paauw aanhoorde met begeeren

Het Nachtegaelken in de wilgen quinkeleeren,

En werd byna verlieft op 't lieffelyck gezanck

En 't goddelyck musyck, dat uyt de tacken klanck.

Vondel. Warande der dieren.

Ruim een half uur nadat het in het vorige Hoofdstuk vermelde onderhoud

was afgeloopen, wekte een herhaald geklop aan de poort de aandacht van

Feiko, die zich toevallig op het binnenplein bevond. Hij ging terstond

opendoen en herkende de beide Ridders, die hem des morgens uit den

nood hadden geholpen:--"Zijt welkom!" riep hij met een verheugde

stem. "Ik had niet durven hopen u zoo spoedig terug te zien."

"Bevinden uw meesters zich nog te huis?" vroeg Deodaat, zonder af

te stijgen: "ga hun zeggen, dat wij hier zijn om hen naar 's Graven

jachthuis te geleiden."

"Ik ga terstond de boodschap doen: hunne Edellieden zullen in

een ommezien gereed zijn. Hier, Sikko! Hidde! luiaards! waar zijt

gij? Brengt de paarden van die beide Edellieden op stal. Gaat binnen,

mijne Heeren! gaat binnen!"

"Wij kunnen evenzoo goed in den boomgaard wachten," zeide Deodaat,

terwijl hij de teugels van zijn ros eenen dienaar in handen gaf; en,

den arm van zijn vriend nemende, wandelde hij den hof in.

"Ziedaar ons den geheelen dag in touw, ten gerieve van dat Friesche

gespuis," zeide Reinout op gemelijken toon: "de Graaf had de uitvoering

van dezen lastpost ook wel aan anderen kunnen opdragen."

"Het is niemands schuld dan de uwe," zeide Deodaat: "wat behoefdet

gij onze ontmoeting van hedenmorgen op het jachtslot te verhalen? De

Graaf heeft ons gezonden, omdat hij begreep, dat wij, wegens den

bewezen dienst, den Friezen de meest welkome geleiders zouden wezen."

"Vlei u daarmede!--Gij zult zien hoe vriendelijk die Adeelen ons zal

aanzien.... ik zou voorwaar lust hebben hem een poets te spelen: ik

geloof dat ik den kokeler, dien de Gravin voor hedenavond ontboden

heeft, eenige grooten in de hand stop om hem te betrekken."

"Denk, hoe de Graaf dat op zou nemen; doch van dien kokeler gesproken,

ik ben verlangend te weten of hij behendiger zal wezen dan Paolo. Heugt

het u, hoe die ons, toen wij kinderen waren, met zijn kunsten wist

te vermaken?"

"Wij waren toen kinderen, en met weinig tevreden:--ik hield niet van

dien Paolo: hij sloeg mij altijd."

"Ja, omdat gij hem altijd tot overlast waart;--maar of onze heeren

nog niet gereed zijn!"

"Indien zij niet spoedig komen, rijd ik weer heen," zeide Reinout.

"Dwaas!" zeide Deodaat: "zij wisten immers niet, dat wij komen

zouden, en 't verwondert mij niet, dat zij lang werk hebben, althans

Adeelen, wiens gescheurde hozen waarschijnlijk naar den snijder

zijn. Intusschen verlang ik naar hun komst; want deze moesbedden zijn

spoedig rondgewandeld en uw gezelschap is alles behalve opbeurend,

in de aangename stemming, waarin gij u bevindt."

"Stil!" zeide Reinout, hem haastig in den arm grijpende: "luister!"

"Ik hoor niets," zeide Deodaat.

"Spreek zacht. Was het geen citer, die daar gestemd werd?"

"Een citer? Zou het lieve meisje van hedenmorgen ons een serenade

geven, ten einde ons het wachten wat te verzoeten?"

"Bij onze lieve Vrouwe! men herhaalt het geluid! Dezen hoek om! hier

komt het vandaan."

Deodaat volgde zijn vriend, en, de kerk omloopende, welke midden

tusschen de andere gebouwen in den boomgaard vooruitsprong,

bevonden zich de beide Ridders voor een klein afzonderlijk huisje,

dat met slechts één, vrij hoog geplaatst raam voorzien was, uit welk

raam de tonen herklonken, die hun ooren hadden getroffen. Aandachtig

luisterden zij; maar hun verwondering klom hooger, toen zij bespeurden,

dat die accoorden slechts het voorspel waren van een lied, hetwelk nu

door een zuivere, smaakvolle stem werd aangeheven. De woorden waren

Friesch en ongeveer van de navolgende beteekenis:

Zegt mij, vriendinnen!

Gij die het weet,

Baart ons het minnen

Blijdschap of leed?

Is liefde aan ons leven

Tot vreugde gegeven,

Of stort ze ons in zorgen en pijnlijk verdriet?--

--Ik weet het niet.

'k Hoor alle dagen,

Vroolijk van zin,

Liesken gewagen

Van 't heil der min;

"Zij voert ons tot zegen

Langs bloemrijke wegen.

't Is hemelsche vreugd, die haar goedheid ons biedt."

--Ik weet het niet.

Foelkjen daartegen

Klaagt zonder end:

"Ik heb dien zegen

Nimmer gekend.

Nooit vond ik die bloemen,

Waar minnaars van roemen.

Ach! dorheid en dorens is al wat men ziet."--

--Ik weet het niet.

Wat Liesken zeide

Had mij verheugd;

Maar Foelkjen schreide:

Weg was mijn vreugd.

Wat moet ik beginnen?

Hoe zullen mijn zinnen

Den twijfel ontgaan, dien heur rede mij liet?--

--Ik weet het niet.

'k Wil niet verhelen,

Of, naar ik gis,

Beî mijn gespelen

Hebben het mis.

Genoegen en smarte

Schenkt liefde aan het harte;

Maar wat weegt nu zwaarder, de vreugde of 't verdriet?--

--Ik weet het niet.

Het gezang had reeds een geruimen tijd aangehouden, toen nog

de beide vrienden in aandachtige stilte onbeweeglijk stonden te

luisteren. Intusschen hadden de betooverende tonen, welke zij gehoord

hadden, op beider ziel een verschillenden indruk gemaakt. Het kalm

gemoed van Deodaat gevoelde zich in die weldadige stemming gebracht,

welke goede muziek altijd teweegbrengt op zielen als de zijne. Hij

was met zich zelven en met de wereld tevreden: en hij verlangde,

ja, de zangster te leeren kennen, welke zoo bevallig, zoo zuiver had

gezongen; doch hij vergat geenszins dat hij in den boomgaard stond van

een voormalig klooster, naast een bed, waarop aardbeziën groeiden. De

bruisende ziel van Reinout daarentegen, aan wien die hemelsche zang

de melodieën van zijn bekoorlijk vaderland herinnerd had, gevoelde

zich in een andere wereld overgeplaatst; hij verbeeldde zich weder

aan den oever van de Etsch of Anio de zuivere accoorden te hooren,

door de welluidende orgelkelen der Italiaansche schoonen met zulk

een onwederstaanbaar vermogen voortgebracht:--een brandend, weelderig

verlangen bedwelmde zijn zinnen: en hij zou op dat oogenblik de wereld

gegeven hebben om die hemelsche zangen, welke hem te meer bekoorden

naarmate hij de woorden minder verstond, nogmaals te hooren, en de

zangeres, die zijn gloeiende verbeelding met al de bekoorlijkheden

van jeugd en schoonheid versierde, aan zijn kloppend hart te drukken

of stervend van genot aan haar voeten neder te zinken.

"Waarlijk"--zeide eindelijk Deodaat: "het wachten zou mij nooit

vervelen, indien ik altijd op een dergelijke muziek werd onthaald, doch

hoe is het met u? droomt gij? of heeft dat lied u in slaap gemaakt? Gij

zijt beter kenner dan ik; maar mij is het zeer goed bevallen!"

"Zeer goed!" herhaalde Reinout opstuivende: "en gij durft zeggen:

zeer goed!"

"In waarheid," hernam Deodaat: "voor zooverre mij scheen, was de

stem volkomen zuiver en ontbrak het der zangster niet aan gevoel;

misschien zult gij zeggen, dat zij nog eenige leiding behoeft, om....."

"Zeer zuiver!.... geen gebrek aan gevoel!.... Deodaat! gij zijt

de armzaligste, smakelooste aller menschen. Zijt gij een zoon van

Italië? Ik heb er dikwijls aan getwijfeld; doch nu ben ik zeker

van het tegendeel. Kunt gij zoo flauw, zoo afgepast spreken van

de goddelijkste accoorden, die ooit menschenooren troffen. Die

zangster was geen schepsel van klei en water: het was een engel,

een heilige!--Santa Maria!--Zeer zuiver!.... veel gevoel!"

"Nu, wind u zelf maar zoo niet op: ik zal alles gaaf toestemmen,

ofschoon het mij spijten zou, indien die lieve stem aan eenig ander

dan een menschelijk wezen toebehoorde; want ik zou gaarne kennis maken

met de zangster: en met engelen of heiligen ware ik misschien minder

op mijn gemak;--doch hoe komt zulk een virtuose in 't gezelschap dier

plompe Friezen?--de nachtegaal bij de kikkers?"

"Spreek mij niet van die Friezen.--Hoe kunt gij mijn zoete droomen

door het noemen van zulke onbehaaglijke voorwerpen zoo wreedaardig

verstoren?"

"Om u des te beter het dwaze uwer opgetogenheid te doen gevoelen. Wie

weet, die zangster is wellicht eene dier logge, rondwangige,

flauwoogige, plompe Friesche deernen, waar gij hedenmorgen niets van

wildet hooren."

"Zoo gij een ander waart dan Deodaat," zeide Reinout, half boos en

half lachende, "zou ik u uitdagen tot een gevecht op leven en dood,

dat gij zoo kwalijk spreekt van iemand, die ik van heden af voor

mijne jonkvrouw verkies."

"Des te beter," zeide Deodaat: "want wij zouden ook geen tijd voor

een kamp hebben, vermits de Friezen hun middagslaapje schijnen gedaan

te hebben; althans daar komt er een naar ons toe. In waarheid! die

schijnt iets menschelijks te bezitten! Ik geloof waarachtig, dat hij

een beschaafd voorkomen heeft."

Hij bedroog zich niet; want het was de Heer van Aylva, die, in een

donkerkleurig gewaad uitgedost, dat de waardigheid zijner houding

nog beter deed uitkomen, naar hen toetrad.

"Het doet mij leed, edele Ridders!" zeide hij: "dat de onwetendheid,

waarin wij verkeerden, dat ons verblijf door u met een bezoek zou

vereerd worden, oorzaak is geweest dat gij u eenigen tijd zult

verveeld hebben."

"O! wat dat betreft," zeide Deodaat haastig: "wij hebben ons geen

oogenblik verveeld:--gij bezit hier voortreffelijke middelen tot

tijdkorting."--Hier trapte hem Reinout op den voet om hem te doen

zwijgen.

"Ik heb," vervolgde Aylva, "den dienst vernomen, welken gij aan mijn

reisgenoot en aan een mijner dienaars bewezen hebt: en ik bid u,

de betuiging mijner oprechte dankbaarheid aan te nemen. 't Is door

dergelijke hulpbetooningen, dat de wederzijdsche vriendschap tusschen

Hollanders en Friezen meer en meer zal bevestigd worden, en dat onze

taak, welke daarheen leiden moet, aangenaam en gemakkelijk worden zal."

De twee jongelingen zagen elkander aan, als verwonderd over zooveel

minzaamheid en beschaafdheid bij een Fries.

"Maar ik mag u niet langer ophouden," zeide Aylva: "zijt zoo goed

mij naar het binnenplein te volgen, waar mijn mede-afgevaardigden u

reeds verwachten."

De Ridders volgden op deze uitnoodiging den Olderman, doch niet

zonder meermalen om te zien naar het raam, waaruit het lied zich

had doen hooren; evenals scholieren, die een poppenkast niet dan

schoorvoetende verlaten, wanneer het uur van schooltijd slaat.

Vergeefs! niets deed zich aldaar bespeuren en zij moesten voor het

oogenblik de hoop opgeven, om van haar, wier gezang hen verrukt had,

ook het gelaat te leeren kennen.

Op het binnenplein vonden zij den Abt van Sint-Odulf, in een half

geestelijk, half wereldsch gewaad, en niet, zooals de kerkvoogden

in andere landen, op een muilezel, maar op een zwaar, wel doorvoed

Friesch paard gezeten, terwijl Adeelen een prachtigen witten hengst

van reusachtige gestalte onder zich deed huppelen, en een zestal

dienaars, mede te paard, hem omringden. Adeelen en de beide Ridders

groetten elkaar met die gedwongene beleefdheid, welke doorgaans

plaats vindt tusschen den verplichte en den verplichter, wanneer zij

elkander niet lijden mogen. De Abt was daarentegen recht uitbundig

in zijn welkomstgroet: en zich in zegepraal de handen wrijvende,

reed hij Aylva, die inmiddels op een klein bruin blesje gestegen

was, op zijde: "ik had het wel gedacht," fluisterde hij hem in:

"broeder Syard heeft den wenk begrepen, dien ik hem bij het verlaten

der eetzaal gegeven heb: hij is gebleven en heeft Seerp Van Adeelen

tot betere gedachten gestemd."

"Mij dunkt," zeide Aylva, lachend om zich heen ziende, tegen Adeelen:

"dat wij dien sleep van dienaars wel te huis kunnen laten. De weg van

hier tot aan de Vogelesang zal, hoop ik, wel veilig zijn: en al ware

hij het niet, onder uwe bescherming en die van deze waardige Ridders

geloof ik niet, dat wij twee oude lieden iets te vreezen hebben."

Adeelen was op het punt, hem te antwoorden, dat hij voor zich meer

reden tot argwaan dan tot geruststelling zag in het gezelschap van

's Graven dienaars; hij bedwong zich echter en antwoordde op een

koelen toon:

"'t Is zooals het u goeddunkt:--ook dient er wel iemand hier te

blijven om te waken voor hetgene wij te huis laten."

"Gij ziet," fluisterde Deodaat Reinout in, "met welk een zorg zij

hun _harem_ wenschen te bewaren."

Reinout antwoordde niets; doch, zich op de lippen bijtende, zag hij

Adeelen met een verstoorden blik aan.

De dienaars nu, op een viertal na, weggezonden hebbende, begaf de

geheele stoet zich op weg.

"Is het ons veroorloofd," zeide Aylva, onder het voortrijden, "de namen

te vragen der edele Ridders, aan wie wij heden dubbel verplicht zijn?"

"Het smart mij," antwoordde Deodaat, "dat het vermelden daarvan u

weinig bevredigen zal, daar onze namen u waarschijnlijk onbekend in de

ooren zullen klinken. Mijn vriend heet Reinout, ik Deodaat van Verona."

"Verona!" herhaalde Aylva, verbleekende en Deodaat met ingespannen

verwachting aanstarende: "Zijt gij van Verona geboortig?"

"Wij zijn te Bononië opgevoed bij den edelen Carlo della Scala,"

viel Reinout haastig in, een hem altijd onaangenaam onderzoek naar

zijn geboorte willende vermijden.

Aylva zweeg, en een sombere droefgeestigheid verspreidde zich over

zijn wezen. Hij scheen echter nog een vraag te willen doen; maar

Adeelen was hem vooruit.

"Alzoo zijt gij geen Hollanders," zeide hij, met een opgeruimden blik.

"Wij hebben die eer evenmin als gij," antwoordde Reinout op een

scherpen toon.

"Des te beter," hervatte Adeelen, zonder de bedoeling des Ridders te

bemerken: "dan behoef ik met u niet te veinzen; want ik kom er rond

voor uit: ik haat alle Hollanders, en het kost mij moeite, hun eenige

vriendschap te bewijzen."

"Met uw verlof," zeide Deodaat: "wij hebben in dit land gastvrijheid

genoten en mogen in onze tegenwoordigheid geene beschimpingen jegens

zijn bewoners dulden."

"Verschoon mijn vriend," zeide de Abt, haastig tusschen beiden

rijdende, ten einde een twist te voorkomen: "hij heeft de ongelukkige

gewoonte der Friezen nog niet kunnen afleeren, van overluid te zeggen

wat hij denkt."

"Ik hoop, Heer Abt!" merkte Reinout aan, die met deze vergoelijking

weinig tevreden was, en als 't ware verlangde om aan alle woorden der

Friezen een hatelijke uitlegging te geven, "ik hoop, dat gij van ons

het tegendeel niet gelooft."

"_Sono due pazzi_ [5]," fluisterde Deodaat hem in 't oor; echter zoo

zoetjes niet of Aylva had het gehoord.

"_E possibile_," zeide deze: "_ma hanno tutti due il cor ben posto_

[6]."

"Is uwe Edelheid in ons land geweest?" riep Deodaat, verwonderd van

zijn landtaal zoo onverwachts en zoo zuiver te hooren spreken.

"Ik heb er een jaar doorgebracht," antwoordde Aylva, "het gelukkigste

en tevens het rampzaligste mijns levens:--dan, vergeef mij, het

voegt mij op mijnen leeftijd niet, in de tegenwoordigheid van hen,

die opgeruimd en jong zijn, aan treurige herinneringen plaats te

geven. Zoo gij wat gelieft aan te rijden, ben ik daartoe bereid. Het

zoude weinig beleefd zijn, te laat op het lustslot te komen."

Dit voorstel vond algemeene goedkeuring, en men nam nu een vluggen

draf aan. "Reinout!" zeide Deodaat in 't voortrennen tot zijn vriend:

"ik wed al wat gij wilt, dat uw schoone zangeres ook in Italië is

geweest. Wil ik het hem zoo aanstonds eens vragen?"

"Geen woord van haar tegen die Friezen," zeide Reinout: "zoo gij mij

eenigszins vermaak wilt doen. Ik zal u wel eens nader zeggen waarom."

Welhaast bevonden zich nu de ruiters in de breede laan, welke recht op

's Graven jachtslot aanliep. Tot nog toe was het uitzicht meestentijds

beperkt geweest door golvende duintjes, deels met eiken kreupelhout

beplant, waarvan de dorre takken nog hier en daar voorzien waren met

de verschrompelde en saamgetrokken bladeren van een vorig seizoen,

deels met berken, wier jeugdig lentegroen het oog verheugde,--deels

met enkele popelstruiken, wier aankomend blad in eeuwige onrust op

den wind fladderde,--deels alleen overdekt met krakend mos en geurige

duinviooltjes: doch overal aan den benedenkant begroeid met welriekend

pijpkruid, met donkere netelstruiken en andere ontelbare gewassen,

wier verscheidenheid vooral in het eerste lenteseizoen de omstreken

van Haarlem in den dos der vreugde kleedt.--Maar nu werd dat uitzicht

ruimer: tusschen de kleine dwergeiken door, welke aan weerszijden in

de laan stonden, blikte men over een min of meer afhellende vlakte,

met een frisch glanzend grastapijt overdekt, op hetwelk duizenden

voorjaarsbloemen hare lachende kleuren ten toon spreidden. Op de

helft der laan was een plankenbrug, gelegd over een smalle vaart of

wetering, die van nabij Haarlem af tot aan Noordwijk liep, en van

welke, ofschoon meest verzand, nog de sporen te vinden zijn op de

plaats, die wij beschrijven. Deze vaart werd niet verre van daar gevoed

door een smalle beek, welke het overtollige duinwater aanvoerde, en,

alvorens zij zich ontlastte, om een gedeelte der vlakte heenkronkelde

en er een soort van afgezonderd vak van maakte, dat nimmer door eenig

vee betreden werd, maar tot een lustperk diende, waar de Graaf zich,

benevens zijn hofgezin, met onderscheidene spelen en oefeningen ging

vermaken, en 't welk daarom 's _Gravenmade_ [7] heette, welke naam

tot heden nog aan die plek gebleven is.

Ten noorden en ten zuiden paalde deze vlakte aan onafzienbare weiden,

waarop vette runderen graasden, of waar men jeugdige veulens in zag

dartelen; en ten westen aan een heuvelachtigen grond, met schapen

bedekt en door kleine partijen kreupelhout omgeven, terwijl de blanke

toppen der zeeduinen zich daarachter verhieven en den gezichteinder

sloten. Maar, recht voor zich uit, zagen de ruiters het jachthuis,

omringd met eeuwenheugende eiken en beuken, waarvan de eerste door

hun talrijkheid, door den rijkdom en de menigte hunner takken en

twijgen, bijna even weinig doortocht aan de zonnestralen vergunden,

als de breede en dichtgebladerde kruinen der laatstgemelde. Geen oord

ter wereld levert in den voorjaarstijd zulk een verscheidenheid en

menigte op van lieflijk zingende vogels als Holland, en in Holland

is er geene streek, waar zij zich in zulk een aantal ophouden als

aan den duinkant: en welke plek ook op aarde schooner en rijker aan

prachtige of lieflijke tooneelen wezen moge, geen bestaat er, waar

de natuur zich zoo bestendig levendig voordoet. Het was dan ook geen

wonder, dat Floris de Vijfde, toen hij het bevalligst en best gelegen

hoekje gronds, dat in zijn gebied te vinden ware, had uitgezocht om

er een jachtverblijf neer te zetten, geen meer geschikten naam voor

het nieuwgebouwde lusthuis wist uit te denken, dan dien, welken het

bestendig gezang der vogelen, die den omtrek vervroolijkten, hem als

van zelf aan de hand moest doen.

Het jachthuis zelf was eenvoudig en slechts van hout getimmerd, doch

bevatte ruimte genoeg om desnoods een tijdelijke huisvesting aan

den Graaf en aan zijn meest verheven gasten te verschaffen, terwijl

eenige kleinere gebouwen, welke dieper in 't bosch en minder in 't

gezicht gelegen waren, de jagers van minderen rang konden bergen,

en tot stalling dienden voor paarden en honden. Geene gracht noch

muur verdedigde het hoofdgebouw, 't welk dan ook niets aanbood,

dat een vijand in de verzoeking had kunnen brengen om er een aanval

op te beproeven, daar het, als van den weg af gelegen, geen punt

opleverde, dat de moeite waardig was om versterkt te worden, en

bovendien geen anderen buit verschaffen kon dan de weinige meubelen,

waarmede het voorzien was. Op de gewelfde poort prijkte nog altijd

de oude liebaard van Holland: welken de Graven uit het Henegouwsche

huis, zoowel uit hoogachting voor de nagedachtenis des stichters,

als uit inschikkelijkheid voor de dankbare gevoelens, die de naburige

landbewoners jegens hunnen weldoener Floris bleven koesteren, waren

blijven eerbiedigen; maar ook hunne leeuwen vertoonden zich op de

banier, die, als bewijs van 's Graven aanwezigheid, uit een der

kruisramen stak, hoedanige er drie in den voorgevel waren, om wier

bogen kunstig gesnedene bloemfestoenen praalden, en boven welke drie

hertenkoppen de bestemming van het gebouw aankondigden. Vier kleine

torentjes, den vorm hebbende van peperbossen, staken boven het dak uit,

hetwelk eenvoudig met riet gedekt was.

Het was echter niet binnen dit gebouw dat zich de nieuw aankomenden

begaven. Links daarvan, op een vrij uitgestrekt plein, hetwelk met

fraaie ijpeboomen omgeven en door een gevlochten heining tegen alle

inbreuk beveiligd was, oefenden zich eenige wapenknechten, althans dit

geleken zij van verre te zijn, in het schieten met den kruisboog. Een

verlengde maaltijd had hen naar het scheen in eene vroolijke stemming

gebracht, en men kon reeds op zekeren afstand hun uitbundig gelach

en juichen vernemen. In weerwil van het spel, dat hen bezig hield,

hadden zij de aankomende ruiters van verre bespeurd, en een hunner

had uit al zijn macht het perk verlaten, om hen in 't gemoet te

loopen. Hij naderde Deodaat, wisselde zachtjes een paar woorden met

hem, en keerde vervolgens naar zijn makkers terug.

"Deze knaap verzocht mij," zeide Deodaat, zich tot de Friezen wendende,

"u uit te noodigen om hier af te stijgen, en u bij het gezelschap te

voegen, dat ginds met den boog bezig is; gij kunt u aldaar vermaken,

totdat de Graaf van zijn middagslaap ontwaakt en de Gravin van haar

rit terug is."

Tegen dit verzoek was niets in te brengen. De paarden werden aan

de dienaars overgelaten, die hen naar de stallingen brachten, en de

afgestegen ruiters wandelden naar de boogschutters, die, zonder hun

spel voor een oogenblik te staken, zich vergenoegden met den Friezen

een nieuwsgierigen blik toe te werpen, en, voor zooverre zij in de

nabijheid stonden, hen met een korten, doch wellevenden groet te

verwelkomen. Dit onthaal, hoewel zonder plichtpleging, was politiek

en door den Graaf voorgeschreven. Men wilde bij de afgevaardigden

de overtuiging doen ontstaan, dat zij, als goede vrienden en

bekenden, zonder complimenten ontvangen werden, en behandelde hen als

zoodanig. Een enkele der aanwezigen, die het ambt van ceremoniemeester

scheen waar te nemen, kwam uit den drom te voorschijn, en sprak de

afgevaardigden aan: "het heeft den Graaf zeer leed gedaan," zeide

hij, "u hedenmiddag niet ter maaltijd te kunnen hebben; maar het

is hier buiten slecht ingericht tot het geven van gastmalen:--in

't laatst der week hopen wij er hier echter een te geven, waartoe

de voorbereidselen gemaakt worden.--Ik zie, geloof ik, hier den

edelen Aylva," (eene buiging) "den waardigen Abt van Sint-Odulf,"

(eene buiging) "den doorluchten afstammeling van Frieslands koningen,"

(eene buiging). "Zoo gij, mijne Heeren! u, zoolang de Graaf niet hier

is, met ons gezelschap wilt vergenoegen, en een glas echten gekruiden

wijn met ons drinken, zal het ons tot eer strekken. Wij ontvangen u

gul en vrij:--morgen is het de dag der plichtplegingen."

Hij, die deze woorden sprak, was een man van middelbare gestalte, en

naar het scheen tusschen de dertig en veertig jaren oud: zijn houding

was edel en vrij: zijn toon was kortaf, als van iemand die gewoon is

in 't veld bevelen te geven: zijn tongval eenigszins uitheemsch. Zijn

gelaat, door de zon geroost, kondigde iemand aan, die nimmer tochten

of vermoeienissen geschroomd had, en zijn sprekende oogen een fiere

hooghartigheid. Wat zijn kleeding betreft, die was hoogst eenvoudig

en bestond, evenals die van de meeste aanwezigen, uit een groen buis

met mouwen, dat op de dijen afhing, om het midden gesloten en met

bonte randen voorzien was: een kleine kalot, van rood of geel laken,

met een klep van achteren, en van boven met een topje voorzien,

waarvan zij den naam van _toppermuts_ had, bedekte het hoofd tot

over de ooren: een vest en hozen van dezelfde kleur en stoffage,

benevens zwarte tootschoenen, maakten de verdere dracht uit der

aanwezige boogschutters.

"Wij zijn gevoelig aan de beleefdheid, welke men ons bewijst," zeide

Aylva tegen den edelman, die het woord gevoerd had: "een rond en gul

onthaal is ons het aangenaamst: en het zou ons spijten, indien iemand

om onzentwil plichtplegingen maakte."

"Bij Sint-Nicolaas!" zeide Adeelen halfluid tegen den Abt: "men had

ons toch een betere plaats kunnen geven dan onder stalknechten en

jagers, zooals dit volkje schijnt."

"Wat dat betreft," zeide lachende de edelman, die deze aanmerking

gehoord had, "stel u gerust daaromtrent. Gij ziet hier al wat onze

adel luisterrijks bezit: die nu den boog spant is de Heer van Ligny:

naast hem, de Heeren van Walcourt en Antogne: Henegouwen bezit geen

kloeker ridders dan deze drie Baanrotsen: die jongeling met zijn

blonden kroeskop is de Heer van Brederode, en die met hem spreken

zijn twee gebroeders uit den huize Teylingen; die met het deftige

uitzicht is een Haemstede:--allen zijn aan het voormalige stamhuis

vermaagschapt, en getrouwe dienaars van het tegenwoordige."

"En gij zelf," zeide Adeelen, terwijl de vreemdeling voortging met

de namen der aanwezigen op te noemen: "mag men naar uw naam vragen?"

"Ik ben Heer van Treslong in 't Henegouwsche," antwoordde de Ridder,

terwijl een vluchtig rood zijn wangen bedekte; "maar komt, mijne

Heeren! hoe is het? zult gij niet met ons een kans wagen?--Het

smart mij, dat ik op het oogenblik buiten de gelegenheid ben om den

waardigen Abt een gezelschap overeenkomstig zijn stand te bezorgen;

maar al de geestelijke Heeren zijn met de Gravin uit rijden."

"Bekommer u deswege niet," zeide de Abt: "ik zie gaarne een goed

schot."

"Hij zou desnoods nog een boog hanteeren," zeide Adeelen: "ik verzeker

u, Heer van Treslong, naardien dat uw naam is, dat onze Friesche

monniken de strijdkolf en den boog meer in de hand hebben dan het

getijboek en dat, bijaldien ik geen goed kuras gedragen had, mij een

Lidlummer monnik voor mijn tijd naar de eeuwigheid gezonden had."

"Inderdaad!" zeide Treslong: "en heeft die twist gevolgen gehad?"

"Eenige bebloede koppen.--Wij hebben vrede gemaakt en den zoen met een

deftigen maaltijd gevierd, waar wij alle veete hebben af gedronken."

"Van drinken gesproken.--Ik zou bijna vergeten u het welkom te

brengen.--Herman! hier! vul ons een verschen nap."

De schenker, tot wien dit bevel gericht was, had bij zich op een houten

stelling een fiksch vaatje staan met net geschuurde zilveren randen

en een kraan van 't zelfde metaal. Drinkschalen van onderscheiden

vorm en soort waren daarnevens: en die gevuld hebbende, bood hij ze

Treslong en den Friezen aan.

"Ziethier den echten drank van 't land," zeide Treslong, "waarvoor

ik hypocras en malvezij laat staan, mits hij slechts naar den eisch

bereid worde. Gelooft mij, mijne Heeren! deze is volgens het echte

recept: zuivere Lotterwijn, gelijk onze neef.... ik meen gelijk de

Graaf.... de Hertog van Gelder, wil ik zeggen, dien niet drinkt."

Hier zweeg hij, eenigszins verward, terwijl Aylva hem opmerkzaam

aanzag.

"Ik heb nooit beter drank geproefd," zeide de Abt, de drinkschaal

met welgevallen ledigende.

"'t Smaakt wel!" zeide Adeelen: "doch ik voor mij zou een teug

_swietendrank_ blijven verkiezen."

De omstanders, voor zooverre zij dit hoorden, zagen Adeelen met

verbaasdheid aan, niet wetende wat hij door _swietendrank_ bedoelde:

maar de Abt redde hen uit de onzekerheid, door de mededeeling,

dat het een Friesche drank was, uit gedroogde rozijnen getrokken;

op het vernemen waarvan de meeste edellieden de schouders ophaalden

en Adeelen medelijdend aanzagen.

Treslong en de beide Friesche edelen namen nu mede deel aan het spel:

Aylva gaf weldra blijk, dat hij de oefeningen zijner jeugd onderhouden,

althans niet verleerd had, daar hij de schijf nooit miste. Tot zijn

bevreemding zag hij, dat de meesten der aanwezigen vrij slecht schoten

en nooit het middelpunt zoo nabij kwamen als de Heer van Treslong.

"Waarachtig!" fluisterde hem Adeelen in: "zoo dat volk niet beter

weet te mikken, zal er nooit eer in steken om met hen slaags te raken."

Meer en meer begonnen de gemoederen door drank en spel verhit te

worden, toen er een twijfelachtig schot plaats vond, waardoor de goede

harmonie, die tot nog toe geheerscht had, gevaar liep van verbroken te

worden. Adeelen had namelijk de schijf herhaalde reizen in de middelste

kringen geraakt en dacht reeds zeker van den prijs te zijn, toen de

Heer van Treslong zoo juist aanlegde, dat hij zijn pijl volkomen in

het middelpunt dreef. Straks ontstond er een uitbundig gejuich, en de

Heer van Spangen, die den inzet bewaarde, was reeds gereed dien aan

den winnaar ter hand te stellen, toen Adeelen tusschenbeide trad,

en beweerde dat het schot niet gelden mocht, aangezien Treslong,

toen hij afschoot, niet op den behoorlijken afstand was blijven

staan, maar een stap voorwaarts gedaan had. Uit éénen mond spraken

de aanwezige edelen den Fries tegen, die, verontwaardigd dat men,

zoo hij 't noemde, de waarheid zoo onbeschaamd dorst loochenen, zijn

handschoen uittrok en dien op het zand wierp, tevens zwerende, zijn

gezegde te zullen goedmaken tegen al, wie een kamp met hem dorst wagen.

Vlugger dan een patrijshond, die op het gevelde wild aanschiet, was

Reinout, die met Deodaat en eenige Ridders van minderen rang op een

afstand was blijven staan, dadelijk naar het ridderpand toegesprongen

en reeds strekte hij de hand uit om het op te vatten, toen Treslong

met een donderende stem uitriep: "terug!"--Terstond trad de jongeling

verlegen achteruit en er ontstond een algemeene stilte.

"De Friesche edelman heeft gelijk," zeide Treslong: "ik ben

onwillekeurig een stap vooruitgegaan: ik zou echter de verschooning

kunnen bijbrengen, dat hij zijn aanmerking had behooren te doen vóór,

of op het oogenblik dat ik mijn pijl afschoot; maar daarvan wil ik

geen gebruik maken. Ik sta hem den prijs af."

"Gij zijt bij God de eenige ronde kerel, dien ik hier ontmoet heb,"

zeide Adeelen, naar hem toegaande en hem de hand toestekende,

die Treslong al lachende schudde; de overige edellieden, over de

uitdrukking van den Fries gebelgd, zagen bleek of rood van gramschap

en meer dan een sloeg de hand aan zijn dolk.

"Met uw verlof," zeide de Heer van Brederode tegen Treslong, "is het

uwe bedoeling, dat wij ons hier straffeloos door dien vreemdeling

laten beleedigen?"

"Ik ken hier geen vreemdeling, mijn Heer!" zeide Treslong; "ik houde

al de aanwezigen voor getrouwe vazallen van Graaf Willem, en het is

mijn ernstig verzoek, dat de zaak hierbij blijve en dat alle ongenoegen

met den beker worde afgewisseld."

Aylva zag nogmaals den Heer van Treslong zijdelings aan; maar zijn

verwondering over den hoogen toon, welken deze voerde, was geweken. Hij

trad een weinig terug, en Adeelen ter zijde trekkende, fluisterde

hij hem ongemerkt in 't oor: "bedwing u zooveel mogelijk: ieder is

hier niet wat hij verbeeldt te zijn, of ik bedrieg mij grootelijks."

Nauwelijks was de eensgezindheid, ten minste schijnbaar, teruggekeerd,

of een daverend hoefgetrappel liet zich aan den boschkant hooren

en een schitterende stoet van edele Heeren en Vrouwen kwam een der

zijlanen uitgereden. Nabij het perk stapten zij af, om zich bij het

gezelschap te vervoegen, dat aldaar vereenigd was. Een schoone vrouw,

in sierlijk rijgewaad gekleed, en welke men, zoo aan haar uiterlijke,

als aan de eer, welke men haar bewees, voor de Gravin van Holland

herkende, trad vooruit, aan de hand van een edelman van ruim vijftig

jaren, wiens deftig mannelijk voorkomen wel geschikt was om ontzag

en eerbied in te boezemen.

Treslong ging hen te gemoet en wisselde eenige woorden met hen,

welke door de Gravin met koele deftigheid en door haar geleider met

een bedenkelijk hoofdschudden werden aangehoord.

Aylva had insgelijks een schrede vooruit gedaan, toen hij in den nieuw

aangekomen edelman den Heer van Beaumont herkende, met welken hij voor

vijf en twintig jaren meer dan één wapentocht gedaan had. Hij bleef

echter staan, in afwachting of deze hem insgelijks herkennen zoude.

"Gelijk ik u gezegd heb, Mevrouw!" zeide Treslong overluid tot de

Gravin: "het is nog onzeker of de Graaf heden wel verschijnen zal,

nu hij zoo met die verwenschte schele hoofdpijn geplaagd is. Mag

ik intusschen aan u, gelijk aan den Heer van Beaumont, de edele

Afgevaardigden van Friesland voorstellen?"

De Gravin beantwoordde met eene koude beleefdheid den groet der

Friezen, en had zelfs moeite om eene kleine opwelling van wrevel en

ongeduld te bedwingen, toen haar de goede Abt welwillend aanraadde

zijn middel van vitriool en dun bier tegen 's Graven hoofdpijn te

beproeven;--maar Beaumont, die Aylva terstond herkende, trad naar

hem toe en drukte hem hartelijk de hand.

"'t Is lang geleden, dat wij elkander laatst ontmoet hebben," zeide

hij, "en het verheugt mij hartelijk iemand te vinden, met wien ik

nog over den ouden tijd kan praten. Ware ik niet, ten einde mijn

reputatie als galant Ridder op te houden, verplicht geweest de dames

op haar rijtochtje te vergezellen, ik zoude wel hier gebleven zijn

om u vroeger te ontvangen. Ik zie met vreugde, dat gij onze oude

krijgstochten nog niet vergeten zijt. Althans de keten, die u mijn

broeder vereerde, en waarvan hij mij goedwillig een gelijke aanbood,

hangt nog ter herinnering aan uw hals.--Mij dunkt," vervolgde hij,

met een ontevreden blik omziende, en Aylva ter zijde trekkende:

"die ontvangst is niet geweest gelijk ze behoorde."

"Het onthaal was gul en vroolijk," antwoordde Aylva: "en men moet der

jeugd zoowat toegeven;--doch wanneer men denkt een ouden gediende,

als ik ben, beet te hebben, bedriegt men zich."

"De grap was niet oorspronkelijk tegen u gericht," zeide Beaumont:--"en

ik kan u betuigen, dat er geen opzet tot beleedigen bestaat."

Intusschen hadden de Gravin en hare Edelvrouwen meerendeels op

aangebrachte vouwstoelen, schabellen of tuinbanken plaats genomen,

en zich met de Edellieden aan onderscheidene in zwang zijnde spelen

gezet. Adeelen, die weinig van die spelen verstond, vergenoegde zich

met den in zijn oog zoo vreemden en zonderlingen tooi der jonkvrouwen

aan te gapen, nu en dan, zonder te wachten tot men hem bediende, zijn

beker aan het wijnvaatje te vullen, (een ongemanierdheid, waarover

ieder groote oogen opzette, en welke aan verscheidene dames deed

vragen, wie toch die kaalgeschoren wildeman ware), en somtijds hard

te geeuwen, waaraan niemand zich ergerde. Wat den goeden Abt betrof,

hij was wel aan de Aartsbisschoppen van Keulen en van Trier en aan

andere hooge prelaten voorgesteld; doch deze machtige rijksvorsten

achtten het te veel beneden zich, met den kerkvoogd van Sint-Odulf in

gesprek te treden; die zich dan ook genoodzaakt zag, zijne toevlucht

te nemen tot het spelen van de rol van opmerker en tot het heerlijke

vocht, dat hem echter spaarzamer werd toebedeeld dan hij wel verlangde.

Nadat men eenigen tijd op deze wijze had doorgebracht en zich

ondertusschen met kruidkoeken en andere lichte spijzen had verkwikt,

wezen plotseling verscheidene vingers onder een vroolijk gelach naar

de oprijlaan, waarheen zich dadelijk aller oogen wendden. Niemand was

er bijna, die zijn vroolijkheid bedwingen kon bij het zien der twee

zonderlinge personen, die van verre kwamen opdagen. De een was niemand

anders dan de beroemde meester Barbanera, op een paard gezeten, zoo

mager als hij zelf, hetwelk moeite genoeg had om door het zand voort

te komen op drie pooten, welke den schijn hadden of zij elk van een

afzonderlijk paard genomen waren, zoo weinig evenredigheid hadden

zij onderling: terwijl een vierde poot in trage luiheid achteraan

sleepte. De andere persoon was de hansworst, die een grauwen ezel

bereed, welke, behalve met hem, nog belast was met een houten kast,

waarboven Cezar in alle baviaansche deftigheid te pronk zat.

Nauwelijks had de Gravin hen opgemerkt, of de koele onverschilligheid,

waarmede zij tot nog toe in spel en onderhoud gedeeld had, maakte

plaats voor een schier kinderachtige blijdschap: en terstond gelastte

zij, dat men die beide kwanten, tot wier ontbieding zij zelve last

had gegeven, in hare tegenwoordigheid zou geleiden.

De Roos van Dekama · 第 9 / 46 题