VIERDE HOOFDSTUK.

Neen neen, Achilles' ziel kan zulk een hoon niet lijden

En trachten naar geen wraak.

Huydecoper. Achilles.

Nadat Seerp Van Adeelen, van Feiko en Sytsken vergezeld, het tooneel

des gevechts verlaten had, trad hij eerst met een bedaarden en

langzamen, vervolgens, zoodra hij uit ieders gezicht geweken was,

met een meer snellen en verhaasten stap, de lanen en kronkelpaden

van het bosch door, totdat hij buiten den Hout gekomen was en op een

weide kwam, welke hij dwars overstak en recht op een gebouw afging,

hetwelk zich aan de overzijde aan zijn gezicht voordeed, en waar

hij door een zijdeurtje, dat door middel eener plank met het weiland

gemeenschap had, werd binnengelaten.

Het huis, waarin hij ontvangen werd, beval zich meer door zijn

uitgestrektheid en ligging aan, dan wel door eenige fraaiheid van

bouworde of sieraden. De voorkant, op den grooten landweg uitziende,

van breede steenen te zamen gesteld en onregelmatig opgetrokken,

droeg duidelijke blijken van trapsgewijze vergrooting: 't geen vooral

daaruit te zien was, dat de poort of hoofdingang, die van zwaar ijzer

was saamgesteld en met ettelijke gewelfde bogen omgeven, zich niet

meer, gelijk te voren, in het juiste midden, maar op een derde van den

voorgevel bevond. Deze geheele zijde was zonder eenig raam of uitzicht,

behalve alleen een vierkant gat naast de poort, hetwelk echter met een

verroest traliewerk voorzien was. Boven de deur ontdekte men een nis,

welke vroeger met het beeld eens heiligen geprijkt scheen te hebben,

en naast de deur was een zitbank tegen den muur gemetseld, bestemd

om den vermoeiden voorbijganger, of hem, die aan de poort vertoefde,

de gelegenheid te verschaffen om een oogenblik uit te rusten. Aan den

linkervleugel van het gebouw paalde een vrij hooge muur, dicht met

klimop bewassen, die zich, langs den heirweg, tot op eenige roeden

afstand verlengde, en vervolgens, een hoek makende, zich weder aan

den achtergevel aansloot en een hof omvatte, gelijk te zien was aan

ettelijke hoog opgegroeide vruchtboomen, wier takken, met welig groen

en schitterende bloesems voorzien, over den muur afhingen. Aan den

kant van het weiland, was de eerste verdieping mede geheel blind,

doch de tweede met een aantal kleine venstertjes voorzien, die door

deels verroest, deels half vergaan traliewerk gesloten waren. Een

zwaarmoedig, hier en daar ingevallen dak van blauwe, grootendeels

afgewaaide of gebroken tegels, bedekte het gebouw. Slechts hij, die

het op eenigen afstand van over de weide beschouwde, zag een hooger

gewelf, in den smaak eener kerk opgetrokken, uit het midden oprijzen.

Dit gebouw, of liever deze gebouwen hadden, gelijk men bij de meest

oppervlakkige beschouwing bespeuren kon, in vroeger tijd tot een

klooster gediend. Het waren de Sint-Jans heeren, die alhier hunne

woning of Commanderij gehad hadden, doch in 1312 waren overgeplaatst

naar een nieuw gebouw binnen de stad Haarlem, hetwelk rijkelijk door

Graaf Willem den Goeden begiftigd werd en talrijke voorrechten van

hem ontving, waarvan geen der minste was, dat aan den Commandeur der

orde de bediening van Ontvanger der Graaflijkheid was opgedragen. Ter

vergoeding hiervan moest ook de Commanderij altijd voor den Graaf en

zijn hofgezin openstaan, en verstrekte hem bij zijne komst in Haarlem

ter gewone huisvesting. Het voormalige klooster aan het einde van den

Hout had, sedert de Sint-Jans heeren hunne nieuwe woning betrokken,

ledig gestaan, en men was reeds dikwijls van meening geweest, het voor

afbraak te verkoopen, welk voornemen echter door ontstane hindernissen

geen voortgang had gehad. Toen zich nu, bij gelegenheid van het feest

te Haarlem, talrijke scharen van vreemdelingen derwaarts begaven,

en er, gelijk wij boven gezien hebben, geene genoegzame huisvesting

voor allen was, hadden de Sint-Jans heeren begrepen, ook van dit

gebouw partij te kunnen trekken. Zij durfden dit echter niet doen

zonder voorkennis van hun hoogen beschermheer; maar deze, toen hem

dat verzoek werd voorgedragen, nam terstond het besluit om dit gebouw

ter bereiking van zijn eigen oogmerken te doen strekken.

Hij was namelijk omtrent dezen tijd niet weinig bezorgd over den

staat der gemoederen in Friesland. Dit gewest, hoewel het vaak voor de

wapenen der Hollandsche Graven had moeten zwichten, was nooit geheel

ten onder gebracht, en haastte zich steeds elke gelegenheid te baat te

nemen, om ook het geringe juk, hetwelk op zijn schouders gelegd werd,

weder af te schudden. Niettegenstaande het innerlijk verdeeld was

door de in de geschiedenis zoo befaamde partijen van Schieringers en

Vetkoopers, op wier bloedige twisten wij in den loop van ons verhaal

soms terug zullen moeten komen, niettegenstaande zoowel de Graven

van Holland en Gelderland, als de Bisschop van Utrecht vaak van die

verdeeldheid zochten partij te trekken, om hunne wapenen op Frieschen

bodem te brengen, was de zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid

den Friezen zoodanig ingeschapen, dat zij, bij den geringsten aanval

van buiten, hun onderlinge veeten aan een zijde stelden en zich ter

afwering des vijands vereenigden.

Met dat al hadden het landschap Westergoo, althans een gedeelte

daarvan, en de stad Stavoren, afgemat door langdurige vijandelijkheden,

zich aan graaf Willem den Goeden onderworpen, gelijk uit een

verdragbrief van 4 Juli 1320 kan blijken; behalve uit nog een stuk

van denzelfden tijd, mogelijk een aanhangsel tot dat verdrag, waarin

bepaald wordt, op wat wijze de Graven van Holland zich hadden te

gedragen, wanneer zij in Friesland kwamen, om aldaar terechtzittingen

te houden. Uit dit geschrift blijkt echter dat de onderwerping der

Friezen niet onbepaald was, dat zij den Graaf niet anders erkenden dan

als een Rechter of Stadhouder van 's Rijks wege aangesteld, en dat zij

alleen den Keizer als hun Opperheer beschouwden: welke afhankelijkheid

van den Keizer echter bleek, niet anders dan een voorwendsel te zijn,

gelijk aan een schild, waarachter zij schuilden, zoo dikwijls hun

onafhankelijkheid door 's Keizers leenmannen bedreigd werd.

De schijnbare onderwerping was dan ook verre van duurzaam te zijn: het

gezag der ambtenaren, in Friesland van 's Graven wege aangesteld, werd

weldra miskend, en zij zelven beleedigd, ja mishandeld: de wijsheid der

Friesche regenten, die al het nadeel van een oorlog met hun machtigen

nabuur inzagen, had echter een volslagen opstand weten te voorkomen,

en den toorn des Graven verzoend; en het was nu een geruimen tijd in

Friesland rustig geweest, toen, kort na Willem de Vierdes terugkomst

uit Duitschland, een nieuw oproer te Stavoren uitberstte. Het was

ter voorkoming eener wraakneming over het gebeurde, dat de Friezen

op een te dien einde gehouden Landdag besloten, een gezantschap naar

den Graaf te zenden, ten einde de zaak in der minne te schikken,

en het bestuur in Friesland op een meer geregelden en vasten voet te

brengen, zonder inkorting echter der voorrechten en vrijheden, waarop

de Friezen zoo trotsch waren, en welke zij beweerden, van Karel den

Grooten te hebben ontvangen. De Graaf, die er veel belang in stelde,

om de Friesche aangelegenheden op een vreedzame wijze bij te leggen,

begreep, zoodra hij van de voorgenomene bezending kennis bekwam,

de afgevaardigden met de meest mogelijke voorkomendheid te moeten

behandelen en alle pogingen in 't werk te stellen, om hen tot het

behartigen zijner belangen over te halen. Hij had hen daarom doen

uitnoodigen, zich te Haarlem te vervoegen, ten einde aldaar met

hem te overleggen, wat er ten nutte van hun gewest te doen stond,

en hij vleide zich niet weinig, dat de eer, welke hij voornemens

was hun op de te houdene feesten te bewijzen, hun oogen verblinden,

en hen tot rekkelijkheid en toegevendheid aansporen zou. Ten einde

hen niet vruchteloos naar een herberg te laten zoeken, had hij last

gegeven, dat men een geschikt gebouw op zou sporen, om hen gedurende

hun verblijf te huisvesten: en zoodra hij het verzoek der Sint Jans

heeren vernam, zijn oog doen vallen op het ongebruikte klooster in den

Hout. De Ridders merkten den wensch huns beschermers als een bevel

aan, en voldeden des te bereidwilliger daaraan, vermits de Graaf op

zich nam, het gebouw in staat te stellen gasten te ontvangen en het

met de noodige meubelen deed voorzien.

Het was in een lange zaal van dat voormalige klooster, welke vroeger

tot refter of eetvertrek der geestelijke Ridders had gestrekt, en

van waar men het uitzicht had op den binnenhof en boomgaard, dat

drie personen, die allen den middelbaren leeftijd voorbij waren, aan

een ronde tafel of schijf, gelijk men ze in dien tijd noemde, waren

neergezeten. Het gewaad van twee hunner kondigde den geestelijken

stand aan, waartoe zij behoorden; echter bestond het bij den eenen

voor dit oogenblik alleen uit een wit linnen kleed; vermits de Abt

(want de persoon dien wij bedoelen bezat geen mindere waardigheid),

uithoofde der heete luchtsgesteldheid, zich van alle oppergewaden

ontdaan had. Alleen de rozenroode halsband, aan wiens einde een gewerkt

gouden kruis afhing, gaf zijn rang eenigszins te kennen. Wat zijn

persoon betrof, die was geenszins van statelijkheid ontbloot, ofschoon

zijn zwaarlijvigheid hem, wanneer hij, zooals nu, niet in pleeggewaad

was, wel een eenigszins plomp voorkomen gaf. Zijn gelaatstrekken

waren regelmatig, en de vorm van voorhoofd, neus en kin, zoude tot

model voor een Griekschen beeldhouwer hebben kunnen verstrekken, zoo

zijn hangende wangen en vette hals, beide kenmerken eener bloeiende

gezondheid, waaraan de kloosterregels geen nadeel schenen te doen, en

zijn groote blauwe oogen, die alle uitdrukking misten, de waardigheid

zijns gelaats niet verminderd hadden. Een krans van grijsachtige

haren omringde zijn kruin, en de kin was glad geschoren.

Zijn buurman aan tafel, wiens kleeding, schoon in vorm vrij gelijk aan

die van Seerp Van Adeelen, hoogst eenvoudig was, had geen uitwendigen

tooi noodig, om zich als een edelman te doen kennen. Niettegenstaande

de diepe vorens, welke lange en moeizame tochten, maar, meer nog,

droeve en hartverscheurende bekommernissen, op zijn gelaat en

voorkomen geprent hadden, en het droefgeestige floers, dat zijn oogen

benevelde, was echter zulk een majesteit, met zachte welwillendheid

getemperd, over al zijn wezenstrekken verspreid, en blonk een zoo

ongemeene uitdrukking van scherpzinnigheid op zijn gelaat, dat

niemand hem beschouwen kon, zonder met belangstelling en eerbied

te worden ingenomen. Al zijn wendingen en manieren waren edel en

welgepast: zijn taal was altijd kiesch, ofschoon gepaard met die vrije

rondborstigheid, welke bij de meesten zijner landgenooten in boersche

plompheid ontaardde: en schoon hij den Frieschen tongval bezigde, kon

men aan zijn wijze van zich uit te drukken al ras gewaarworden, dat

hij ook andere landen bezocht had, en in hun talen geen vreemdeling

was. Zijn buitengewone bekwaamheden hadden hem dan ook sinds lang

de achting en het vertrouwen zijner landgenooten doen verwerven;

want niet slechts was de Heer van Aylva (dus was zijn naam) geroepen

geweest, om de waardigheid van _Olderman_ of eersten ambtenaar in de

stad Leeuwarden te bekleeden; maar ook was hij tot lid benoemd van

de zending, welke nu Frieslands belangen bij den Graaf kwam behartigen.

De derde persoon was aan het lager einde der tafel geplaatst, niet,

gelijk de beide vorigen, in een gemakkelijken leunstoel, maar op

een nederig houten schabelletje, en droeg eenvoudig het gewaad der

Benedictijners. Zijn magere, door onthouding en studie vervallen en

verbleekte gelaatstrekken, duidden schranderheid van geest en vastheid

van karakter aan, en zijn daden hadden deze uiterlijke kenteekenen

nooit gelogenstraft. Schoon geene waardigheid in de Sint-Odulfsche

_hiërarchie_ bekleedende, oefende hij over zijn broeders dat gezag

uit, hetwelk de min verhevene zielen onmisbaar onderwerpt aan den

invloed van de zoodanigen, die met rijkere vermogens van verstand

en geest door het Opperwezen begiftigd zijn:--en geen besluit werd

ooit genomen, geene benoeming gedaan, geen brief van eenig aanbelang

geschreven, waar broeder Syard niet over geraadpleegd werd. Daar hij

zich echter nooit op zijn meerdere bekwaamheid liet voorstaan, en

noch eer- noch heerschzucht, maar slechts dienstvaardigheid en ijver

voor het belang der orde zijn daden bestuurden, was hij de afgunst en

jaloezie zijner broederen ontgaan. De nederige wijze, waarop hij in

zijn raadgevingen en hulpbetoon altijd zich zelven op den achtergrond

plaatste, en het genomen besluit niet als uit zijn brein gesproten,

maar als een gevolg van het algemeene gevoelen der vergadering deed

voorkomen, had hem niet slechts de toegenegenheid der broederen,

maar ook de gunst van den Abt gewonnen. Deze, vol vertrouwen in zijn

eigene kunde en bekwaamheden, en overtuigd, dat een Abt van Sint-Odulf

onfeilbaar moest zijn, wist zich zelven altijd op te dringen, dat er

nooit een ander besluit werd aangenomen, dan hetgeen hij aan de hand

gedaan had, en dat Syard altijd juist den raad gaf, welken hij zelf

voornemens was aan te bevelen. Het gevolg hiervan was, dat hij zijn

eigen oordeel hoe langer hoe hooger schatte, terwijl hij gewoon was

van den monnik te zeggen: "broeder Syard is een vroom en getrouw man,

die mijn bedoelingen en inzichten volkomen weet te vatten. Zoo hij wat

meer overwicht bij de broeders bezat, zou hij niet ongeschikt zijn,

om den ouden broeder Prior te vervangen."

Het was dan ook geenszins uit gebrek aan zelfvertrouwen, of uit een

gevoel van behoefte aan de raadgevingen van broeder Syard, dat de

Abt hem met zich genomen had op zijn reis naar Holland: een andere

oorzaak had hiertoe aanleiding verschaft.

Reeds sedert een geruimen tijd waren in Friesland de twee partijen

ontstaan, van welke ik hierboven heb gewag gemaakt, en welke zich

omtrent het jaar 1280, nadat zij lang zonder bepaalde leuzen gewoed

hadden, door onderscheidene teekenen, levenswijs, en de benamingen van

Schieringer en Vetkooper, van elkander onderscheidden. De Vetkoopers

waren, gelijk later de Kabeljauwschen in Holland, de voorstanders

der zich langzamerhand ontwikkelende nijverheid, en hun leus werd

voornamelijk door de ingezetenen der steden, en door de nieuw opgekomen

geslachten gevolgd; terwijl de partij der Schieringers uit den hoogen

adel en de aanhangers van het oude bestond.

Dan, het waren niet slechts de edelen en steden, die deel namen

in dezen noodlottigen burgertwist: ook de kloosters, die in groot

aantal in Friesland bestonden, mengden zich daarin en ontzagen zich

niet, somtijds de partij, welke zij aankleefden, gewapenderhand te

staven. Zoo bestond er onder anderen een geweldige veete tusschen

het klooster van Lidlum en dat van Bloemkamp, welke beide in rijkdom

en aanzien wedijverden, en waarvan het eerste de Vetkoopers, het

laatste de Schieringers aanhing. Seerp Van Adeelen, wiens goederen

aan de abdij van Bloemkamp paalden, had dit gesticht zijn bijstand

toegezegd, en Lidlum werd met een vernielingsoorlog bedreigd, toen de

Abt van Sint-Odulf aan de twistende partijen zijn bemiddeling in de

gerezene geschillen door het orgaan van broeder Syard liet aanbieden,

aan welken laatste het werkelijk gelukte, door zijn krachtige vertoogen

en de herhaalde gesprekken, welke hij met de beide kloostervoogden

en met Adeelen hield, de verzoening tusschen hen te bewerken. De

monnik had zich bij die gelegenheid het vertrouwen des onrustigen

jongelings verworven, en toen kort daarna deze laatste met den Heer

van Aylva en den Abt van Sint-Odulf naar Holland werd afgevaardigd,

en deze zijn voornemen te kennen gaf om een der broeders met zich te

nemen, om als klerk bij het gezantschap te dienen, was het niet vreemd

dat Adeelen hem verzocht zijn keuze te dien einde op broeder Syard

te vestigen, hetgeen de Abt gereedelijk toestemde, daarbij tevens

aanmerkende, dat broeder Syard wel geen man van hooge vlucht was,

maar doorgaans zijne bedoelingen goed begreep en zeer bruikbaar was

tot allen zoodanigen arbeid, die ijver en nauwgezetheid vereischte.

Indien er eenig onderhoud tusschen de drie personen, wier aanduiding

wij thans gegeven hebben, had plaats gehad, het was, naar het scheen,

sedert een geruimen tijd afgebroken. Op het gelaat van den Edelman

zoowel als op dat van den Abt was ontevredenheid en bezorgdheid te

lezen, uit een gelijke oorzaak gesproten, maar naar het karakter der

beide personen verschillend gewijzigd. Het was duidelijk te zien,

dat de Heer van Aylva ongerust was over het uitblijven van Seerp,

wiens aard hij kende: en de blik, welken hij nu eens naar de deur,

en dan weder op den monnik wierp, gaf te kennen, dat hij gaarne

gezien zoude hebben, dat deze hun wegblijvenden ambtgenoot eens zou

gaan opzoeken. Doch de vrees, dat Adeelen een dusdanige bezorgdheid

wellicht ten kwade zou duiden, en opvatten alsof men hem voor een kind

aanzag, dat niet op zijn tijd te huis komt, weerhield hem om woorden

aan zijn gedachten te geven. Wat den Abt betrof, diens oogen vestigden

zich ook menigmalen op de deur, doch meer nog op het tinnen bord,

dat voor hem geplaatst was: want het was noen, en de gewone tijd om

het middagmaal te gebruiken reeds aangebroken: men wachtte slechts op

Adeelen, en de Abt, die in zijn convent niet gewoon was naar iemand

te wachten, vond zich hooglijk geraakt en ontevreden, dat er nog met

het maal geen aanvang kon gemaakt worden. Maar ook hij weerhield zich

lang eer hij zijn gedachten uitte, het onvoegzame beseffende, dat hij,

een geestelijke, de eerste zijn zou om te klagen over een vertraging,

welke zijn wereldlijke ambtgenoot alsnog met gelatenheid verduurde.

Eindelijk werd de beproeving te sterk voor het geduld des vromen mans:

"ik weet niet," zeide hij, "of de regelmatigheid, aan welke ik in

mijn klooster gewend ben, mij heden in de war brengt; maar mij dunkt,

onze vriend had reeds te huis moeten zijn. Hij wilde slechts even

een wandeling doen door den Hout, om zijn eetlust wat op te wakkeren,

die echter geene buitengewone vermoeienissen noodig heeft om goed te

zijn: en ziedaar! het is reeds anderhalf uur geleden, dat hij uit is

en uitblijft. Het is hem zeker ontschoten, dat de spijze niet deugt,

wanneer zij te koud of te gaar is."

"Wij zouden iemand kunnen uitzenden om hem aan de klok te herinneren,"

zeide Aylva: "ik heb Feiko hedenmorgen verlof gegeven, om naar

Haarlem te gaan: wellicht heeft hij onzen ambtgenoot ontmoet!"--en

een zilveren fluitje, dat om zijn hals hing, aan den mond zettende,

blies hij een paar schelle noten.

Een dienaar verscheen.

"Waarom komt Feiko niet, wanneer ik fluit?" vroeg Aylva met eenige

ontevredenheid.

"Feiko is hedenmorgen met Sytsken uitgegaan," was het antwoord:

"en geen van beiden is nog terug."

"'t Is vreemd!" hernam de Olderman: "Feiko is anders niet gewoon,

misbruik te maken van mijn goedheid."

"En is Seerp Van Adeelen ook nog niet terug?" vroeg de Abt haastig:

"'t schijnt dat wij vandaag niet zullen eten."

"Het zou zeker onaangenaam zijn te moeten wachten tot de Jonker van

zijn wandeling ware teruggekeerd, maar erger nog ware het, indien

wij ons zonder hem naar den Graaf moesten begeven."

"Erger!" herhaalde de Abt: "ik zie niet, mijn waarde Heer! met welken

grond gij dit erger kunt noemen. Het ware gewis te wenschen, indien

die woeste knaap, die nimmer gelijk gij of ik in de gelegenheid is

geweest met Vorsten en Heeren om te gaan, stil te huis kon gelaten

worden en zich nooit behoefde te vertoonen aan dit hof, waar zijn

plompheid en woelzucht ons van gedurige schaamte zal doen blozen,

zoo zij ons niet in ongeval brengt."

Vermoeid van dezen langen volzin te hebben uitgesproken, schonk zich de

Abt een vollen beker in uit de kan met Rijnwijn, die voor hem stond:

en dien aan den mond brengende, lichtte hij hem er niet af dan nadat

hij den ganschen inhoud in zijn maag had overgegoten.

"'t Ware toch misschien voorzichtigst," zeide Aylva, "een paar dienaars

uit te zenden, om onzen ambtsbroeder op te sporen: hij kan verdwaald

zijn: misschien is hem een ongeluk overkomen."

"Dienaars uitzenden!" zeide de Abt met een angstig wezen; "wij hebben

waarlijk niet te veel knapen in huis: en zoo er hier eens van die

rauwe kermisgasten aankwamen om ons arme vreemdelingen te overvallen,

waren wij van alle hulp ontbloot."

Vader Syard rees van zijn zitplaats op.

"'t Is waar," zeide hij, "dat indien de edele Seerp Van Adeelen in

twist geraakt is, het misschien gewaagd zou zijn, dienaars uit te

sturen, wier kleedij hen zou doen herkennen en in 't zelfde leed

brengen, zonder dat zij van eenig nut zouden kunnen zijn. Ik bied

mij aan, hem te gaan opzoeken. Mijn gewaad zal mij althans overal

ter bescherming zijn."

"_Optime! carissime frater_," zeide de Abt: "gij begrijpt mij volkomen:

ziedaar juist wat ik u vragen wilde. Tracht eenig naricht in te

winnen en breng het verloren schaap, _ovem deperditam_, weder in de

kooi terug. Zeker heeft hij hier of daar weder twist gezocht, gelijk

hij zoo dikwijls doet, en waar de monniken van Lidlum van weten te

getuigen. Seerp Van Adeelen is ongemakkelijk als hij begint, en hadt

gij, broeder Syard, met hem indertijd niet gesproken, gelijk of ik

zelf het gedaan had, de zaken waren zoo gemakkelijk niet afgeloopen

voor onzen Lidlumschen broeder."

Nauwelijks had de Abt gedaan met spreken, of de man, die het onderwerp

van het gesprek had uitgemaakt, trad met drift de kamer in, smeet

de deur achter zich toe en wierp zich zonder een woord te spreken in

een armstoel.

"Goede hemel! wat is er gebeurd?" vroeg de Abt, vervaard over zijn

uitzicht: "waar hebt gij gezeten? en hoe komt gij aan die geweldige

kleur? Gij zult een _calmans_ moeten nemen, waartoe ik kan aanbevelen

een gelijkelijk mengsel van salpeter, kreeftsoogen en zout, een

middel, waarbij broeder Bonifaas, die wat schrikachtig is, zich bij

het laatste oproer zeer wel bevonden heeft."

Adeelen zweeg; doch toonde door het inzwelgen van een teug wijns, dat

hij vooralsnog van het aangeprezen recept geen gebruik dacht te maken.

"In waarheid," vervolgde de Abt, "zoo ik mij niet bedrieg, uw kleederen

zijn bebloed en gescheurd, als waart gij met de Vetkoopers aan den

gang geweest."

"Het verheugt mij u te zien," zeide Aylva, zijnen ambtgenoot de hand

reikende: "ik hoop slechts niet, dat gij u in ongelegenheid hebt

bevonden:--hoewel ik vrees dat dit het geval is geweest."

"Nu geen woord," riep Adeelen met drift: "aan tafel!--daarna zal

ik u alles verhalen:--'t is niet, dat de zaak zelve van belang zij,

doch men kan er ten minste uit opmaken, hoe men hier over ons denkt."

"Ja gewis! aan tafel!" zeide de Abt: "gij zijt lang genoeg uitgebleven

om uw honger te scherpen: en den onzen ook, dat beloof ik u."

Zoodra dit verlangen geüit was, verliet de dienaar, die nog altijd

binnengebleven was, het vertrek en keerde spoedig met zijn makkers

terug, die het middagmaal aanbrachten.

"Mij dunkt, gij zijt er ook niet zonder kleerscheuren afgekomen,"

zeide Aylva met een ontevreden blik tegen Feiko, die zich mede onder

de dienaars bevond.

"Ik verzeker UEd.," zeide Feiko, "dat zonder Jonker Seerp uw trouwe

Feiko hier geen schotel zoude binnenbrengen."

"Ik ben hem dank verschuldigd," zeide Aylva: "doch hiervan straks

nader:--wij moeten het geduld van onzen waardigen Vader Abt niet

langer op de proef stellen."

Het middagmaal werd nu opgedragen, waaraan de monnik en de dienaars,

naar het toenmalig gebruik, mede deelnamen, ofschoon aan een

bijzondere, langwerpige tafel, terwijl de Afgevaardigden aan de schijf

bleven zitten. Een ledige stoel, die zich nog aan deze laatste bevond,

werd op last van Aylva weggenomen.

"Hoe!" vroeg Adeelen, zoodra hij dit opmerkte: "krijg ik hedenmiddag

mijn gewone buur niet aan tafel?"

"Madzy heeft verkozen, dezen middag haar kamer te houden," antwoordde

Aylva: "zij klaagt over hoofdpijn."

"Ik hoop, dat die spoedig zal geweken zijn," zeide de Abt: "maar zou

haar in allen gevalle raden eenige druppels vitriool te gebruiken,

opgelost in dun bier, welk middel ik last zal geven dat men voor

haar bereide."

"Is 't mogelijk dat zij ongesteld is?" zeide Adeelen: "na al de bekers,

die ik gisteren op haar gezondheid geledigd heb."

"Ik geloof zelfs dat gij er te veel geledigd hebt," zeide Aylva,

"en dat dit juist de oorzaak is van haar wegblijven. Wie het hart

van een vrouw wil winnen," voegde hij er halfluid bij, "moet beginnen

met zich zelven te betoomen: en dat deedt gij gisteren niet."

"Hoe!" riep Adeelen: "is het nufje verstoord, omdat ik haar een

onnoozelen kus heb willen geven naar Friesche wijs, toen de _Siward_

werd opgeroepen."

"Er werd geen _Siward_ opgeroepen," zeide de Abt: "ik was het, die

Broeder Syard riep en dit hebt gij verkeerd verstaan."

Ter verklaring van dit gezegde moet ik den lezer het oude gebruik

op de Friesche maaltijden herinneren om een opziener, _Siward_

(waarschijnlijk hetzelfde als het Engelsche _Stewart_) te verkiezen,

die zorg moest dragen dat er geene ongeregeldheden geschiedden. Telken

reize als de naam _Siward_ gedurende den maaltijd werd opgeroepen,

stond het den gasten vrij de naast hen gezeten vrouwen of meisjes

te kussen: en Adeelen had den vorigen dag, naar het schijnt, van dit

voorrecht, hoewel te onpas, gebruik willen maken.

"Al had ik u verkeerd verstaan," zeide Adeelen: "dat was geene zaak

om daarover alarm te maken, althans daar wij allen meer of min door

den wijn verhit waren."

"Veroorloof mij, u te doen opmerken," zeide de Abt, "dat noch de

edele Olderman, noch ik, noch Broeder Syard eenigszins de grenzen

eener betamelijke welvoeglijkheid zijn te buiten gegaan."

"Broeder Syard!" hernam Adeelen, den monnik van ter zijde aanziende:

"ik geloof het waarachtig wel!--de vrome man drinkt nooit iets

als water."

"Broeder Syard handelt wijselijk en wel," zeide de Abt: "waren

alle monniken hem gelijk, mijn vrome broeder de Abt van Lidlum ware

niet vermoord geworden door zijn eigen monniken, omdat hij hun het

wijndrinken beletten wilde."

"Voorwaar!" zeide Adeelen, luidkeels lachende: "met uw vriendelijk

verlof, dat was ook een gestrengheid, welke niet veel beter verdiende,

en welke gij, Heer Abt, wel nooit in 't werk zult stellen."

"Een weinig wijns is nuttig," zeide de Abt: "want wat zegt de apostel:

_modico vino utere_, en ik heb altijd vrede en eensgezindheid onder

de kudde van Sint-Odulf weten te bewaren, door den wijn niet geheel

te verbieden, doch de onthouding daarvan aan te bevelen: en broeder

Syard, die door zijn voorbeeld de matigheid aanprijst, vervult volkomen

mijne bedoelingen."

"Mij dunkt, edele Seerp," zeide Aylva, na een ruim stilzwijgen,

gedurende hetwelk de Abt zich van het langdurig verwijl, en Adeelen

van het hem wedervaren ongeval op de voor hen staande spijzen krachtig

hadden gewroken, "mij dunkt, hetgeen gij reeds gebruiktet, moet u

de verloren krachten eenigszins terug hebben gegeven en u in staat

gesteld, onze nieuwsgierigheid te voldoen, door ons een verslag te

schenken van uw wedervaren."

De dienaars rezen op en vertrokken, en vader Syard maakte zich uit

bescheidenheid gereed om hun voorbeeld te volgen, toen Adeelen hem

verzocht weder te gaan zitten, daar men zijne hulp als klerk van het

gezantschap waarschijnlijk behoeven zoude.

Adeelen deed vervolgens zijn verhaal, hetgeen door de aanwezigen

met aandacht en belangstelling werd aangehoord. Zoolang het

duurde scheen de Abt eenigszins onzeker of hij het gedrag, door

den verhaler gehouden, al of niet moest goedkeuren; want ondanks

zijn zelfvertrouwen, wanneer hij eenmaal een besluit genomen of een

oordeel geveld had, had de goede Abt een bepaalden leiddraad noodig

aleer hij zooverre kwam: hij zag dan ook beurtelings den Olderman

en vader Syard steelswijze aan: het onverwrikbare gelaat van den

monnik gaf hem geene hulp; doch toen op het voorhoofd van Aylva zich

eenige rimpels vertoonden, welke ontevredenheid schenen aan te duiden,

trok ook de Abt de wenkbrauwen samen en loosde, toen Adeelen zweeg,

een diepen zucht. Er was een oogenblik stilte.

"Ik moet erkennen," zeide eindelijk Aylva, "dat ik aan u verplichting

heb voor de edelmoedige wijze, waarop gij mijn dienaar zijt

bijgesprongen. Gij hebt u als een waren Fries betoond, zoo niet als

iemand, die met een gewichtige zending is belast. Wel is waar, gij

hebt een weinig onvoorzichtig gehandeld, door u tegen de overmacht,

en, wat meer zegt, tegen de overheid te verzetten, maar wie zou een

zoodanige onvoorzichtigheid niet gaarne verschoonen? Bedaardheid en

kalm overleg van jeugdig bloed te wachten, ware even ongerijmd als

dat men den zoeten smaak van den room in een hoorn vol hoppebier

wilde zoeken. Ik ben ook jong geweest en zou waarschijnlijk niet

anders hebben gehandeld dan gij.... alleen spijt het mij, dat gij

die Ridders, die u ontzet hebben, niet op ons maal genoodigd hebt."

"Dat zij in Friesland komen!" riep Adeelen uit, met kracht zijn

drinkhoorn opvattende: "komen zij als vrienden, Adeelastins [4]

staat voor hen open: komen zij als vijanden, ik zal hun den trots,

die hen bezielt, verleeren."

"Hoe!" zeide Aylva, hem met verbaasdheid aanziende: "de dienst, dien

zij u bewezen, schijnt weinig dankbaarheid bij u te hebben verwekt."

"Ik haat hen dubbel!" zeide Adeelen, "om dien dienst zelven. Wat

kon mij erger overkomen, bij de eeuwige veete, die ik tegen alle

Hollanders voede, dan weldaden van hen te genieten?"

"Indien u dusdanige gevoelens bezielen," zeide Aylva, op een scherpen

toon, die hem anders niet eigen was, "dan verwondert het mij, dat

gij een zending op u hebt genomen, die geheel van een vredelievenden

aard is: althans zoo beschouw ik die en ook, geloof ik, de eerwaarde

Vader Volkert."

"Voorzeker," zeide de Abt: "onze zending is geheel vredelievend!"

"Het betaamt mij niet, uwe bedoelingen te beoordeelen," zeide Adeelen:

"wat mij betreft, ik weet wat mijn lastgevers van mij verwachten;--maar

hoe dit ook zij, ik vertrouw, gij zult nimmer van mij vergen, dat

ik het ontzag, aan Afgevaardigden verschuldigd, in mijn persoon zal

laten hoonen: en dat een ernstig vertoog, door ons drieën bij den

Graaf ingeleverd, mij recht zal verschaffen van de schelmen, die mij

zoo onbeschaamd hebben aangerand."

"'t Is zeker," merkte vader Volkert aan, "dat onze waardigheid

dergelijke onbetamelijkheid niet dulden kan; maar onze zending is

vredelievend, gelijk ik gezegd heb: en daar blijf ik bij."

"Zoudt gij dan begeeren," vroeg Aylva, zich met eenige bevreemding

tot Adeelen wendende, "dat de Graaf om uwentwille die dorpers liet

opknoopen? Ware een dergelijke wraak een Edelman als gij zijt niet

onwaardig?"

"Gij hebt gelijk," antwoordde Adeelen: "en ik verlang ook geenszins,

dat er om mij te gelieven eenig boer of burger tot spijs der raven

verstrekke;--doch het zijn voornamelijk de poorters van Haarlem,

die mij beleedigd hebben; en hun stad moet voor hen instaan. Laat

een bezending uit de Overheden mij om verschooning komen vragen,

en ik zal de zaak als afgedaan beschouwen; doch ontvang ik geen

genoegdoening, zoo verklaar ik onze zending afgeloopen, en vertrek

morgen weer naar Friesland."

Niettegenstaande zijn ontevredenheid over den dwazen eisch van Adeelen,

kon Aylva den glimlach niet terughouden, welken diens buitensporige

taal hem afperste: zijn gelaat nam echter spoedig weder een ernstiger

plooi: maar gevoelende, dat hij, door Adeelen tegen te spreken,

slechts olie in het vuur zoude gieten, hernam hij op een minzamen toon:

"Ik dacht, gij hadt ons verhaald, dat de zaak door tusschenkomst van

's Graven edellieden was bijgelegd en dat gij over en weder vrede

beloofd hadt."

"Ik weet wat ik beloofd heb," zeide Adeelen met trotschheid, "en

zal het ook nakomen; maar ik heb niet beloofd, geene genoegdoening

te zullen eischen. Gij hebt mij, hoop ik, verstaan, mijne Heeren! en

gij ook, Vader Syard! ik zal u verzoeken, een vertoog in den zin als

ik het bedoel op het papier te stellen."

Dit zeggende, keek hij den monnik aan, die hem van zijn kant insgelijks

aanstaarde met een strakken blik, die zoowel bevreemding als ongenoegen

teekende.

"Hebt gij mij niet begrepen?" hernam Adeelen, bij wien die wijze van

aanzien eenigen wrevel verwekte.

"Ik wacht," antwoordde de monnik, "dat de eerwaarde vader Abt en de

Olderman mij mede hun wil doen verstaan."

"Recht zoo!" zeide vader Volkert: "ziedaar juist wat ik wilde gaan

zeggen. Seerp Van Adeelen is niet alléén afgevaardigd, en mij dunkt

dat wij, in een zaak van dat gewicht, niet naar zijne pijpen behoeven

te dansen, om mij van een wereldsche uitdrukking te bedienen. Wat

dunkt er den waardigen Olderman van?"

"Ik heb er niets bij te voegen," zeide Aylva, "dan alleen dit, dat,

zoo Seerp Van Adeelen zich beleedigd acht, niets hem belet, zich bij

den Graaf te beklagen, mits hij dit in zijn eigen naam en niet als

Afgevaardigde van Friesland doe."

"En het is op deze wijze," riep Adeelen uit, terwijl hij de

van gramschap vonkelende oogen van den eenen op den anderen liet

rondgaan, "dat gij de eer van onzen landaard ophoudt? een landsman,

een mede-afgevaardigde laat gij straffeloos hoonen en weigert gij

uwe medehulp, wanneer hij vergoeding eischt. Vervloekt zij de dag,

toen mijn landsluiden hunne keus op mij lieten vallen! vervloekt het

uur, dat ik mij die liet welgevallen! vervloekt de heele zending,

waarvan ik mij nooit iets dan rouw voorspeld heb."

"Bedaar Adeelen!" zeide de Olderman, "en bedenk u tweemalen, eer gij

om een bijzondere zaak die van Friesland in de weegschaal stelt. Noch

de hoon u aangedaan, noch uwe jonge jaren, zouden u tot verschooning

kunnen strekken, indien gij in dit geval meer gehoor gaaft aan uw

drift dan aan het belang uwer landslieden."

"Mijn jonge jaren!" herhaalde Adeelen: "zoo spreekt men altijd!--Men

is altijd te jong of te oud. Ik heb toch de drie kruisen achter den

rug en ben toch geen kind meer, al hebt gijlieden wat langer in de

wereld rondgetuimeld. En gij moest niet vergeten, dat de stem mijner

landgenooten mij gelijke rechten heeft toegekend als aan u: en dat,

wanneer ik spreek, ik het in hunnen naam doe."

"En gelooft gij dan," zeide Aylva, terwijl zijn oogen getuigden van de

edele verontwaardiging, die hem bezielde: "gelooft gij, dat ik minder

dan gij ons Vaderland en onze eer bemin? Neen, indien ik de dwaasheden

wensch te voorkomen, waartoe een kwalijk begrepen eerzucht u aanspoort,

het is omdat ik sidder voor de gevolgen, welke zij voor Friesland

kunnen teweegbrengen. Ik weet, dat gij er u niet over bekommert, of uw

beklag een vredebreuk doet ontstaan: dat gij zelfs niets wenschelijker

zoudt achten dan een oorlog tegen den Graaf; doch ik weet tevens,

dat het ons niet geoorloofd is, om ter voldoening aan bijzondere

wenschen en inzichten de fakkel der verwoesting in ons vaderland te

brengen en alle onze landgenooten in een wis verderf te storten."

"Gij verkiest dus des Graven boeien, welke hij niet eens meer de

moeite neemt van te vergulden, boven de vrijheid?" zeide Adeelen.

Aylva haalde zuchtend de schouders op: "ik zie, waarde Seerp!" zeide

hij: "dat uw ontmoeting van heden u van alle kalmte en bedaardheid

heeft ontbloot: en die zijn echter noodig wanneer men een zoo gewichtig

onderwerp bepraat:--wij zullen dus hier liever afbreken. Ik ga mij

kleeden, ten einde vaardig te zijn om aan des Graven noodiging te

voldoen. Vaarwel!"

Met deze woorden rees de Olderman op en begaf zich uit de kamer:

een voorbeeld, dat terstond door den Abt gevolgd werd, die weinig

lust gevoelde om den woordenstrijd met zijn halsstarrigen ambtgenoot

te vervolgen. Adeelen bleef dus alleen met vader Syard.

Deze stond bedaard, met de armen kruiselings over elkander geslagen,

den onstuimigen jongeling aan te zien, die, in zijn leunstoel

neergezonken, met de beenen uitgestrekt en de vuisten krampachtig

gesloten, scheen te zullen stikken van woede. Eindelijk sprong Adeelen

met woestheid op, ging vlak voor den monnik staan en zag hem met

fonkelende oogen aan.

"Ik achtte u een echten Fries, monnik!" zeide hij.

"Ik heb niets gedaan, voor zooverre ik weet," zeide vader Syard,

"waarmede ik dezen naam zou verbeurd hebben."

"Gij," vervolgde Adeelen, "gij, die mij aanspoordet vrede te maken met

den Abt van Lidlum, ten einde de Hollander geen gebruik zou maken van

onze verdeeldheden! gij, die mij den raad geeft, mij met de Vetkoopers

te verzoenen en de wapens niet te gebruiken dan tegen onzen algemeenen

vijand, gij weigert een vertoog voor mij op te stellen, hetwelk niet

nalaten kon een gewenschten oorlog teweeg te brengen."

"Gelooft gij dan," zeide de monnik, "dat uwe mede-afgevaardigden

dat vertoog zouden hebben willen goedkeuren? Zoo gij waant op

een dergelijke wijze het doel te bereiken, waar gij naar streeft,

bedriegt gij u zelven. Of waant gij in staat te zijn, alleen met uwe

bloedvrienden en volgeren, de Hollandsche macht te weerstaan?"

"Gansch Westergoo zal de wapens opvatten, zoodra ik het zwaard

ontbloot!"

"Dat valt nog te betwijfelen," hernam vader Syard: "doch zeker is het,

dat noch de Camminga's, noch de Martena's, noch de Beyma's, noch een

der vrienden van Aylva de hand zullen verleggen, wanneer zij vernemen,

dat het niet de zaak van Friesland, maar den bijzonderen wrok van Seerp

Van Adeelen geldt. En wat zal dan het gevolg van uwe oploopendheid

wezen? Niets anders, dan dat Graaf Willem u in ketens slaat, uwe

goederen verbeurd verklaart, en gelijk Koning Rehabeam weleer, in stede

van touwen, schorpioenen gebruikt om er Friesland mede te geeselen."

"Wij zullen ons in dat geval reeds van nu af aan het juk moeten

gewennen; want èn uw nietige Abt, èn de gedienstige Olderman zijn even

geneigd, blindelings al de vorderingen des dwingelands toe te staan,

mits zij slechts den lieven vrede behouden."

"Er zal onmisbaar oorlog komen," zeide de monnik: "doch gij zijt

de man niet, die hem verwekken moet. De vreedzame Aylva zelf zal

zich eenmaal genoodzaakt zien, zijne landgenooten ten strijde op te

roepen. Wees tot zoolang bedaard: een te onberaden driftbetoon van uwe

zijde kan alles bederven. Beloof mij, om, eer drie dagen verloopen

zijn, niet daaraan toe te geven: alsdan zal ik u mijne inzichten en

verwachtingen mededeelen."

"De inzichten en verwachtingen van vader Syard!" zeide Adeelen,

terwijl hij den monnik met een spottenden glimlach van 't hoofd tot

de voeten bekeek.

"Een kleine worm doorknaagt soms een paal, dien een groote stier

vergeefs poogt omver te stooten, en de verachte monnik zal wellicht

verrichten, wat Seerp Van Adeelen en geheel zijn luisterrijk gezin

nimmer kunnen volvoeren. Doch ga en kleed u: men moet geene Graven

van Holland laten wachten."

Dit gezegd hebbende, keerde hij zich om en verliet het vertrek. De

Edelman oogde hem een poos vol verbazing na, en begaf zich vervolgens

naar zijn kamer, gedurig nadenkende over de vreemde uitdrukking,

die de monnik gebezigd had, en over den onverklaarbaren invloed,

welken deze over hem uitoefende.

De Roos van Dekama · 第 8 / 46 题