ZESDE HOOFDSTUK.

Tot u koom ick om hulp, vermits u swarte flessen

Gaen dieper in gespoock als alle toveressen.

Wat ick u bidden magh, laat my door uwe gunst

Eens sien, tot myn gerief, de krachten van de kunst.

Cats. Spoock-liefde.

Het was in den tijd, waarin onze geschiedenis voorviel, ja nog

wel later, geene ongewone zaak, dat reizende zangers, vinders,

meistreels of potsenmakers ter verkorting der middaguren bij groote

Heeren werden ontboden: en noch _l'Incomparabile_ noch zijn hansworst,

noch zijn aap, betoonden dus eenige verlegenheid, toen zij zich door

een daartoe afgezonden page voor het edel gezelschap op het grasperk

gevoerd zagen. De kist, door de kunstenaars medegebracht, werd nu

ontpakt: al de aanwezigen plaatsten zich op last der Gravin in een

wijden kring en ontvingen stipt bevel, de te verrichten toeren niet

te storen, noch den kokeler te nauw op de vingers te kijken en hem

zijn geheimen af te neuzen, want de Gravin behoorde tot die lieden,

welke, niet vlug zijnde om het fijne van een kunstgreep te vatten,

daarom juist niet gaarne zien, dat anderen die beter begrijpen dan zij.

Zoodra de toestel in behoorlijke orde gebracht was, begon de hansworst,

na een diepe buiging, een treflijke redevoering, waarin hij de

schoone Gravin en haren doorluchtigen Echtgenoot boven alle andere

vorsten van Europa verhief, en er breed van opgaf, dat de beroemde

Barbanera zich alleen de verre reize naar Holland getroost had, om

in de tegenwoordigheid van den Graaf aller Graven en den Veldheer

aller soldaten gebracht te worden.

"Een fraaie aanspraak!" zeide de Aartsbisschop van Trier tegen de

Gravin, toen de nar algemeen werd toegejuicht: "jammer maar, dat ik

die op mijn doorreize woordelijk door den spreker heb hooren opsnijden

aan het Hof van Gelder, alleen met verandering van namen en titels."

"Onze waarde neef van Gelder zal zich toch niet beroemen dat hij nu

reeds de Hertog aller Hertogen is, tenzij hij het sedert een paar

dagen geworden zij," antwoordde de Gravin, doelende op de Hertogelijke

kroon, welke den Graaf van Gelder geschonken was, en die zij wist,

dat door haren gemaal geweigerd zou worden.

Onderscheidene toeren, door de drie kunstenaars met een gelukkig gevolg

ten uitvoer gebracht, droegen, meer nog dan de aanspraak, de algemeene

goedkeuring weg, welke echter, om een echt grammaticale spreekwijze te

bezigen, aan den kwakzalver in den stelligen, aan den alwillensdwaas

in den vergelijkenden, en aan den aap in den overtreffenden trap

geschonken werd. Alleen het gelaat der Gravin had zijn koele stemming

hernomen, welke zelfs, toen de kunstverrichtingen eenigen tijd

geduurd hadden, door kennelijke teekenen van weerzin en ongeduld

werden vervangen. Om deze verandering in hare gemoedsgesteldheid,

welke door een al te haastigen lezer wellicht aan een vrouwelijke gril

zoude kunnen worden toegeschreven, te verklaren, dient men te weten,

dat de Gravin naar de kunstenaars niet zoozeer verlangd had, om hunne

behendigheid in gewone goochelaars-kunsten te bewonderen (ofschoon

deze de voorgewende reden ware): als wel omdat zij vernomen had, dat

meester Barbanera het in de verborgene wetenschappen tot een hoogte

gebracht had, welke de zoodanigen, die er getuigen van geweest waren,

met verbazing vervuld had, en dat zij in 't geheim vurig verlangde,

eenige bewijzen zijner bekwaamheid in die vakken te vernemen. De gewone

kunsten, hoe vernuftig ook gedacht en hoe behendig ook uitgevoerd,

verwekten bij haar dus niets dan verveling, evenals dikwijls een wel

uitgevoerd treurspel geen aandacht waardig is bij dezulken, die alleen

om het ballet gekomen zijn: zij haakte naar het oogenblik, dat al die

bekers en balletjes en kastjes verdwijnen zouden om voor de in haar oog

meer belangrijke kunsten plaats te maken; maar, gelijk het doorgaans

gaat, zij was beschroomd om daartoe stelligen last te geven, ja zelfs

om hare geheime begeerte aan iemand mede te deelen. Eindelijk echter

werd zij uit dien staat van ongeduld verlost, door een vraag, welke

Treslong aan den hansworst deed, wat of er namelijk in den zak school,

dien hij bij zijn komst zoo zorgvuldig onder de tafel geplaatst had.

"Daar in dien zak," was het antwoord, "zit het wonderbare glas,

waarin mijn meester de toekomst leest."

"Ei! de toekomst!--en kunt gij die ook reeds verklaren, vriendje?"

"Bij Sint-Julfus," zeide de nar: "ik heb dagwerk om den menschen de

dwaasheden te verwijten, die zij gedaan hebben, zonder dat ik er die

behoef bij te voegen, welke zij zullen doen."

"Een goed antwoord," zeide Treslong; "maar zoo het Mevrouw behaagt,

zouden wij de geheimen van dat tooverglas ook wel eens willen kennen."

"Mijn vermaarde meester," zeide de hansworst, "zou het uit eigen

beweging niet gewaagd hebben, de kennis, welke hem zijn verborgen

wetenschap van de bovenzinnelijke en bovennatuurlijke dingen verschaft

heeft, op zulk een verheven gezelschap toe te passen: en hij zal

daartoe niet overgaan dan op drie voorwaarden, waar de billijkheid

aan een iegelijk van zal blijken."

"Men moet ze echter eerst hooren om ze te kunnen beoordeelen," zeide

de Heer van Teylingen: "welke zijn uw voorwaarden?"

"De eerste is, dat het de uitdrukkelijke begeerte van Mevrouw de

Gravin is, dat mijn meester zijn verborgene kennis ten toon spreide."

"Mevrouw de Gravin hoort wat die nar verlangt," zeide Treslong

lachende: "zal zij zoo goed zijn, een bevel dienovereenkomstig

te geven?"

"Het zij zoo!" zeide de Gravin, half tevreden en half wrevelig:

tevreden, omdat aan haar wensch voldaan werd; wrevelig, omdat zij

zulks bekennen moest.

"Het tweede verzoek mijns meesters is, dat niemand het hem wijte,

noch hem op de eene of andere wijze mishandele of benadeele, zoo

altemet deze of gene zijner woorden iets bevatten mocht, dat min

aangenaam in de ooren klonk."

Het voorhoofd van den Heer van Treslong fronselde zich en hij zag de

Gravin vragende aan.

"Deze bede is hoogst billijk," zeide de Gravin: "en ik verwacht,

dat niemand der aanwezigen zich tegen hare vervulling verzetten zal."

"Wat de derde betreft," vervolgde de dwaas, een koddige buiging

makende, "zij bestaat alleen daarin, dat het aanzienlijk gezelschap

indachtig zij, hoe wetenschap boven vlugheid verheven is en dus op

eene hoogere belooning aanspraak mag maken."

De Gravin knikte goedkeurend met het hoofd en wachtte nu, evenals elk

ander, met ingespannen nieuwsgierigheid wat er volgen zou. Met behulp

van zijn makker ruimde Barbanera alles wat hem hinderen kon van de

tafel, plaatste er vervolgens een glas op van buitengewone grootte,

vulde het tot op de helft met een doorschijnend vocht, hetwelk hij

uit een lederen flesch schonk, en wierp er onderscheidene poeders in,

waarna hij den bokaal weder toedekte. Straks werd men een zonderlinge

werking in het glas gewaar: de daarin geworpen stoffen losten zich

op en vormden onderscheidene gedaanten, naar ertsen en plantsoorten,

ja zelfs naar dieren en menschen zweemende, verschillende van kleur

en grootte. Nadat men gedurende eenige oogenblikken dit schouwspel

had aangestaard, kondigde de hansworst aan, dat al wie zulks verkoos

eenige vragen aan zijn meester kon doen.

Geen mensch deed zich op; want, behalve dat niemand bij zulke

gelegenheden gaarne het voorbeeld geeft, dorst men niet beginnen zonder

de toestemming der Gravin, op welke alle blikken gevestigd waren.

"Mevrouw!" riep eindelijk Treslong: "indien uwe Genade het voorbeeld

niet geeft, zal niemand onzer de vermetelheid hebben het orakel

te raadplegen."

"Wat zou ons lot ons kunnen schelen," zeide de Aartsbisschop

van Keulen, "indien wij niet omtrent dat onzer edele gastvrouw

gerustgesteld waren."

"Hoe, Hoogwaardigste!" zeide zij glimlachende, "gij, die een Prelaat

zijt, gij spoort ons aan, een duivelskunstenaar te raadplegen?"

"'t Zijn allemaal fratsen en narrepoetserijen," hervatte de Dignitaris:

"ik heb dat al meer gezien; maar het loopt op dwaasheid uit."

"Welaan dan," zeide zij: "hoewel het ons weinig betaamt, zullen wij

ons niet aan het algemeene verlangen onttrekken: doch wij begeeren,

dat niemand ons volge, uitgenomen Yolente van Dampmartin en Ottilia

van Naaldwijk: wij vrouwen," vervolgde zij met een vroolijken

lach, "vertrouwen ongaarne onze geheimen aan de ooren van zooveel

bijstanders."

Men trad eerbiedig op zekeren afstand terug: de Gravin, door de

twee jonkvrouwen vergezeld, begaf zich naar den kokeler, wien zij

de vraag voorstelde, of zij nog lang met haren echtgenoot gelukkig

zoude wezen. Barbanera boog zich eerbiedig, lichtte het deksel van

het glas, stak er het eene einde van zijn tooverstaf in, en gaf haar

het andere in de hand, terwijl hij zelf met een zilveren pijpje in

het vocht blies.

Terwijl zij des meesters voorschrift opvolgde, gaf, ondanks haar

voorgewende bedaardheid, het trillen van het glas haar heimelijken

angst te kennen: de waarzegger zag haar beurtelings scherp in de oogen

en dan weder in het glas. Op eens trok hij de wenkbrauwen saâm; de

Gravin ontstelde en zag in het glas: het vocht was op eenmaal zwart

geworden, en de zich daarin bewegende gedaanten zwommen als paarlen

of tranen heen en weder. Het gelaat der schoone vrouw werd bleek als

een doek.

De omstanders, die de vraag niet gehoord, doch wel de kleurverandering

der Gravin bespeurd hadden, stonden verbaasd en verstomd. Treslong

deed een stap voorwaarts: maar trad weder terug, toen hij bemerkte,

dat de zwarte tint na eenige oogenblikken weder verdwenen was en

alles zich in het glas voordeed als te voren.

Nu stak Barbanera het hoofd naar de Gravin: en de tooverroede

terugnemende, fluisterde hij haar de navolgende voorspelling in 't oor:

"Sombres jours bientôt viendront:

Haults Seigneurs trépasseront;

Paix et lesse jâ suivront:

Lis et roses fleuriront." [8]

Teffens wees hij op het glas, waar de Gravin, òf werkelijk, òf door een

spel van hare verbeelding, een bloemkransje op den bodem zag liggen.

"Het slot vergoedt het begin," zeide zij zuchtend: "ik verlang verder

niets te weten. Mejuffers!" vervolgde zij tot de haar omringende dames,

zoodra zij naar hare plaats gekeerd was:--"ik raad geene van u allen

aan, den meester te gaan raadplegen. Het is een te gevaarlijk spel

voor vrouwen."

"Het zal derhalve onze beurt worden," zeide 's Graven vertrouweling,

de Heer van Naaldwijk: "wat mij betreft, ik geef er niet om of iemand

de vraag en het antwoord hoore. Heksenmeester!" vervolgde hij, "een

stuk geld op de tafel werpende: zeg mij slechts of mij een lang leven

is toegedacht?"

De waarzegger stelde hem het stokje ter hand: maar nauwelijks stak de

Ridder het in 't water of hij zag de kleur daarvan in die van bloed

veranderen, terwijl hem Barbanera toeriep:

"Arc est tendu et flêche preste,

Qui bientot férira ta teste." [9]

"Het zij zoo!" hernam Naaldwijk, nadat hem Deodaat, op zijn verzoek,

de beteekenis dier woorden had doen kennen: "ik zal dan voor 't minst

een krijgsmansdood sterven."

"Zal mijn lot even voorspoedig wezen?" vroeg de Heer van Spangen,

terwijl hij den wichelaar zijn gift aanbood.

Ook hij zag dezelfde bloedkleur.--"Hou thans uw Fransch maar voor u,"

zeide hij: "ik heb aan dat teeken genoeg."

"Wanneer ik sterven zal, is mij vrij onverschillig," zeide Walcourt:

"zeg mij, zoo gij kunt, wie mij dooden zal," en, den staf met een

vaste hand aangrijpende, stak hij dien in 't vocht.

Meester Barbanera beschouwde een wijl de zich daarin voordoende

gedaanten, en op eene er van wijzende, die naar een dorschvlegel

zweemde, zeide hij:

"De vilain ignoble fléau

Vous occira sur le préau." [10]

Andere Ridders en Edellieden volgden: en bijna ieder ontving een

onheilspellend antwoord. Het was niet onbelangrijk op te merken,

hoe elk hunner zich in deze omstandigheid gedroeg. Sommigen lachten

overluid: doch hun gedwongen houding toonde genoeg aan, hoe weinig zij

innig tot vroolijkheid gestemd waren: anderen zagen den toovenaar met

een gramstorigen blik aan: enkelen bleven, in diep gepeins verzonken,

zijn voorspelling overdenken.

"En gij, mijn Heer van Beaumont!" riep Naaldwijk dezen Edelman toe,

die met Aylva stond te praten: "zijt gij niet nieuwsgierig om uw lot

te vernemen?"

"Ik zie niet," antwoordde Beaumont, "dat de wetenschap, die gij allen

hebt opgedaan, u veel profijt heeft bezorgd."

"Komaan! Komaan! laat u overhalen!" klonken verscheidene stemmen:

"het is immers slechts een spel."

"Indien het u aangenaam kan zijn, welaan dan," zeide Beaumont:

"zeg mij, waarzegger! of ik in het lot van al die brave Heeren

deelen zal; want mij dunkt, dat er een groote slachting onder hen

zal plaats hebben."

"En tout temps te gardera Dieu

D'eau, de fer, de bois et de feu." [11]

was het antwoord des waarzeggers.

"Waarlijk! gij meent het wel met mij," zeide Beaumont lachende, "en

hebt op eene dubbele belooning recht. Komaan, mijn Heer van Aylva,

het is uwe beurt."

"Kunt gij raden wat ik u vragen wilde?" zeide deze tot den profeet.

Nauwelijks had meester Barbanera hem in de oogen gezien of hij wenkte

de omstanders terug te treden.

"Hoe nu!" zeide Aylva, verbaasd het stokje in de hand nemende,

"mag niemand het antwoord hooren?"

"_Ricordatevi_ di Bianca di Salerno," [12] fluisterde hem de waarzegger

in 't oor.

"_Madre di Dio_!" riep Aylva sidderend uit.

Op het hooren van dezen kreet kwamen de omstanders weder naar voren;

waarop de kokeler terstond overluid deze regels volgen liet:

"Il cane la brebis mangea,

Mais l'agnel tôt reviendra." [13]

"Mensch!" zeide Aylva: "van wien hebt gij deze dingen?"

Doch Adeelen was hem reeds voorgetreden. "Elk zijn beurt, vriend

Aylva!" zeide hij: "kom, meld mij eens, kokeler! of Friesland nog

lang vrede zal hebben. Maar spreek mij geene vreemde talen, die ik

toch niet versta."

Barbanera bedacht zich een oogenblik, en terwijl het water weder de

bloedkleur aannam, zong hij het referein van een Platduitsch liedje:

"Waert up de fruntering!

De Viant ist da." [14]

"Men moest een ezel zijn, om dit niet te begrijpen," zeide Adeelen,

terwijl hij vergenoegd aftrok.

"Zal ik goede tijding uit Verona hebben?" vroeg Deodaat, aan wien

Reinout deze vraag had geopperd.--Het antwoord was:

"Nouvelles qui vous parviendront,

Joies et douleurs vous causeront." [15]

"Men behoeft geen toovenaar te zijn om zulk een antwoord te geven,"

zeide Reinout, en zijns makkers plaats innemende, vroeg hij, of hij de

schoone zangster zou leeren kennen, wier maatgeluid hem verrukt had,

en bekwam het navolgend orakel:

"De Sirènes le chant plaira;

Mais male mort s'en suivera." [16]

"En gij, eerwaardige Abt!" vroeg Treslong aan vader Volkert: "wilt

gij ook de wijsheid des kunstenaars niet beproeven?"

"Ofschoon ik zijne waarzeggingen voor dwaze en onbeduidende praktijken

houde," antwoordde de Abt, "wil ik echter, uit achting voor het

aanzienlijk gezelschap, hem eene vraag voorstellen. Ik begeer

geenszins het toekomende uit te vorschen, daar zulks in iemand van

mijn karakter hoogst ongepast ware; doch zal hem alleen naar het

tegenwoordige vragen. Zeg mij nu, toovenaar! dragen al de Monniken

van Sint-Odulf hunnen Abt in hun gemoed de achting toe, die zij hem

verschuldigd zijn?"

Een algemeen gelach ontstond toen de waarzegger antwoordde:

"Souvent qui porte mître

d'Abbé n'a que le titre." [17]

"Lacht zooveel gij wilt, mijne Heeren!" zeide vader Volkert: "zooals

zij dan wezen moge, ruil ik mijne waardigheid tegen geene andere:

want in Sint-Odulf heerscht rust en vrede, 't geen men niet van alle

conventen zeggen kan: en ik ben meer heer in mijn klooster dan Jan

van Arkel in zijn Bisdom, waar hij van verdriet is uitgeloopen."

"Kent gij den Bisschop van Utrecht?" vroeg Beaumont.

"Hij is kort na zijn verheffing onze kloosters komen bezoeken.... een

schoon jongeling was hij, en wien de mijter wèl stond, dat mag gezegd

worden:--hij kwam eerst te Sint-Odulf: en toen gaf ik hem op zijn reis

naar de andere kloosters onzen broeder Syard mede, die hem overal heeft

rondgeleid en alles verklaard, of ik het gedaan had.... maar nu, gij,

mijnheer van Treslong, die mij aangespoord hebt om den kokeler te gaan

raadplegen, gij lacht mij uit en zijt zelf nog niet bij hem geweest."

De Ridder zag hem glimlachende aan, en naar Barbanera gaande, nam

hij den tooverstaf uit diens handen. Maar nauwelijks had hij dien

in het vocht gestoken, en de vraag gedaan of hij slagen zou in de

onderneming, welke hij in den zin had, of de waarzegger zag hem met

smeekende oogen aan, wrong de handen en viel op de knieën neder.

"Hoe nu, schurk! wat heeft dat te beduiden?" vroeg Treslong.

"_Perdonatemi, illustrissimo Signor conte!_" riep Barbanera als in

doodsangst uit: "_ma non posso dir_ [18]...."

"Gij kent mij!" zeide de Graaf; want het was Willem IV zelf, die

gewoon was zijn rang af te leggen wanneer hij met zijn hovelingen

aan 't spelen was, en zulks dezen avond langer dan gewoonlijk had

volgehouden, eerst om zich met de Friezen te vermaken en vervolgens

om den toovenaar te misleiden:--"Welnu! wat zegt uw orakel?"

Barbanera liet het hoofd op de borst vallen, sloeg de oogen neder,

kruiste zijn armen en mompelde toen:

_"Non vié altro oracolo che quello del conte di Gelria_ [19]."

"Ellendige!" riep de Graaf vertoornd uit en wierp den tooverstaf

met geweld van zich af. Ten einde de uitwerking van des waarzeggers

woorden te verstaan, dienen mijn lezers zich te herinneren, dat

de oude Graaf Reinout van Gelder, toen hij Willem IV als kind ten

doop hield, de voorspelling gedaan had, dat zijn petekind eenmaal

door het zwaard der Friezen zou omkomen. Hoewel niemand en vooral de

Graaf zelf ooit veel gewicht had gehecht aan de taal des ouden mans,

dien men als half zinneloos beschouwde, liet de aanhaling daarvan,

op zulk een oogenblik en bij een zoo zonderlinge gelegenheid, niet na,

een diepen indruk op het gemoed der aanwezigen te maken.

Aylva was de eerste, die de stilte brak, welke dit voorval had doen

ontstaan. Eerbiedig naderde hij Willem en, zich ontdekkende: "Heer

Graaf!" zeide hij: "vergeef het mij, die u vroeger reeds herkend had,

zoo ik u niet eer de hulde heb bewezen, die u toekomt; maar ik had

uw verlangen, van onbekend te blijven, geraden en geëerbiedigd. Het

voegde mij niet, ongeroepen het woord tot u te voeren; maar de taal,

door gindschen bedrieger gesproken, maakt het mij tot een plicht, u

te verzekeren, dat, zoolang de Friezen in u een goeden en gunstigen

beschermer vinden, gij van Friesche zwaarden niets zult te vreezen

hebben."

"En ik waarborg u," voegde Beaumont er bij, "dat uwe Genade geen

waardiger en getrouwer vriend kunt hebben dan den Heer van Aylva,

althans zoo hij nog dezelfde is, die hij voor vijf en twintig jaren

was."

"Wij danken u, waardige Aylva," zeide de Graaf, hem bewogen de hand

toereikende: "wees verzekerd, dat ons het welzijn van een gewest,

waarin wij zulke getrouwe vrienden bezitten, op 't naaste aan 't

harte ligt. Vergeef ons, zoo wij ons niet dadelijk aan u bekend hebben

gemaakt; maar wij moesten den dag van morgen aan onze waardigheid geven

en daarom wilden wij dien van heden buiten den band der plichtplegingen

doorbrengen."

"De Heer van Aylva had er wel bij mogen voegen, dat hij thans uit

zijn eigen naam sprak en niet als afgevaardigde van Friesland,"

zeide Adeelen halfluid tegen den Abt.

"Stil! stil!" voegde hem deze zachtjes toe: "onze vriend is een

wijs man; maar hij vergeet somtijds dat hij mede-afgevaardigden

heeft. Intusschen voegt het ons, insgelijks den Graaf te gaan

begroeten."

"Ik zal wachten, dat hij zelf mij aanspreekt," hernam Adeelen:

"o! dat ik hem eerder gekend hadde, ik had liever deze hand afgekapt

dan dat ik ze hem had toegestoken."

"Gij zijt toch niet verstoord op ons, mijne goede Heeren!" zeide de

Graaf, op datzelfde oogenblik minzaam tot hen tredende. "Wij hebben

gehoord, dat er hedenmorgen een uwer in den Hout onaangenaamheden

heeft gehad. Deze zaak zal onderzocht worden. Reeds hebben wij een

der aanstokers van dat geschil, een boschwachter, die in onzen eigen

dienst was, zijn afscheid doen geven."

De Abt boog zich met eerbied. Adeelen maakte een stijve buiging en

bleef toen strak voor zich kijken.

"Gij hebt zoo straks uwe hand aan den Heer van Treslong gegeven,"

vervolgde Willem: "zult gij die aan den Graaf weigeren?"

Adeelen stond nog roerloos. Beaumont, die een uitbersting vreesde,

trad haastig tusschen beiden.

"Het is niet aan den afgevaardigde van Friesland," zeide hij, "het is

aan Jonker Seerp Van Adeelen, dat Willem van Henegouwen de hand biedt."

"Seerp Van Adeelen heeft vrijwillig de hand aan den heer van Treslong

gegeven," zeide de weerbarstige Fries: "den Grave komt òf de hulde

òf den handschoen van Frieslands afgevaardigde toe."

"'t Is genoeg," zeide Willem, die zich, zonder naar deze taal te

luisteren, reeds had omgewend: _"on ne scauroit faire boire un asne

s'il n'a soif [20]."_ "Mevrouw de Gravin! zou het uwe goedkeuring

wegdragen, indien we de paarden lieten opzadelen?"

De Gravin boog zich toestemmend: en het gezelschap, dezen wenk

verstaande, maakte de noodige toebereidselen om te vertrekken.

"Wat belieft uwe genade, dat met deze kokelers gedaan worde?" vroeg

Reinout aan den Graaf, terwijl hij op Barbanera wees, die, met behulp

van zijn makker, den toestel bereids weer had ingepakt.

"Mij dunkt, zij zouden een groot versiersel zijn voor den kastanjeboom

op het achterplein," zeide Naaldwijk.

"Dat men hen met zweepslagen den Vogelesang afdrijve," zeide Willem

op een gestrengen toon.

"Mijn edele Heer!" riep de Gravin, hem bij de hand nemende: "zij hebben

mijn woord in uw bijzijn ontvangen, dat men hun geen leed zou doen."

De Graaf bedacht zich eenige oogenblikken. "Welaan!" zeide hij

vervolgens: "breng hun een paar gulden: en daarbij onzen stelligen

wil, dat zij na vier en twintig uren zich niet weder in onze Staten

vertoonen, op straffe van aan den Rechter te worden overgeleverd,

als schuldig aan duivelskunstenarijen. Gij hebt ons verstaan,

Reinout! zorg dat zij het wel begrijpen:--en deel onzen last aan den

Schout van Haarlem mede, dat hij voor de uitvoering zorge.--En nu,

mijne Heeren! is het tijd van gaan. Wie ons liefheeft, volge ons."

In weinige oogenblikken was de gansche stoet te paard gezeten en naar

Haarlem in aantocht. Alleen Reinout en Deodaat bleven een poos achter,

om den kokeler 's Graven besluit mede te deelen, en volgden toen,

ofschoon op eenigen afstand, den trein.

Het was eerst nabij het oude Johanniter-klooster, dat zij dien weder in

't oog kregen en zagen, dat de Friezen, waarschijnlijk om den Graaf

eer aan te doen, niet afstapten, maar mede naar Haarlem reden. "Hou

even op," zeide Reinout: "ik krijg daar een inval."

"Deze of gene zottigheid?" zeide Deodaat.

"Neen, in ernst!--Wij hebben den avond vrij: laat ons dien besteden

om achter het geheim te geraken, dat mij zoo na aan 't harte ligt."

"Wat zijn uwe voornemens?"

"Volg mij, en gij zult die vernemen," antwoordde Reinout, terwijl

hij rechtsaf een weg insloeg.

"Gaat gij verre?" vroeg Deodaat: "ik ben vermoeid en verlang hartelijk

naar mijn bed."

"Niet verder dan de hut van Walger den boschwachter, waar wij onze

paarden zullen laten," antwoordde Reinout.

"En dan?"

"En dan!--maar gij bezit niet de minste verbeeldingskracht! Dan sluipen

wij naar het klooster, trachten onze schoone zangster te ontdekken...."

"Beklauteren de muren, rooven haar weg, slaan alles dood, en voeren

onzen buit naar ons paleis te Verona:--is dat uwe bedoeling niet?"

"Niet volkomen!" antwoordde Reinout, lachende in weerwil van zich

zelven: "indien wij haar slechts kunnen zien en hooren, dan ben

ik voldaan."

"Ik beken u van harte, dat ik al zoo lief op mijn bed lag en van daar

die hemelsche tonen hoorde:--zoo wij eens betrapt worden, terwijl

wij rondom dat klooster dwalen, zal onze ontdekkingsreis stofs genoeg

opleveren tot een maand bespotting."

"Welnu! laat mij dan alleen gaan," zeide Reinout, wrevelig: "ik geloof

inderdaad, dat men alleen beter tot zulk een tocht geschikt is."

"Reinout!" zeide Deodaat, het hoofd langzaam schuddende: "dat heb

ik niet aan u verdiend!--Gelooft gij, dat ik u verlaten zou, hoe zot

het avontuur dat gij voorhadt ook wezen mocht?"

"Vergeef mij," zeide Reinout: "heb slechts de goedheid mij niet weer

te kwellen; gij weet, wanneer ik verliefd ben, versta ik geen boert."

Gedurende deze woordenwisseling waren zij de woning des boschwachters

genaderd: deze was tegen een klein duintje gelegen, en van den

zijweg, waarop de vrienden zich bevonden, afgescheiden door een

scherm elzenhakhout en door twee zware wilde kastanjeboomen, die

thans in vollen bloei stonden, en tusschen welke het pad lag, dat

dwars door het hakhout naar den ingang der woning geleidde. De Ridders

stegen af, en terwijl Reinout de paarden aan den boomstam bond, begaf

zich Deodaat naar de hut, om den boschwachter of iemand der zijnen

te roepen, ten einde bij de paarden te blijven en die te bewaken,

zoolang zij op hunne ontdekkingsreis uit waren.

De Roos van Dekama · 第 10 / 46 题