Wat dorperheid is dit, onedele gemeente?
Vondel. Palamedes.
"O Jonker Seerp!" riep Sytsken: "spreek een woord voor den armen Feiko,
wien men naar de boeien wil brengen."
De nieuwaangekomene, tot wien zij sprak, was een jonkman van
ruim dertig jaren, lang en mager, doch gespierd en forsch. Zijn
gelaatstrekken, ofschoon regelmatig, waren te sterk geteekend
om innemend te heeten, en de opslag zijner oogen gaf hoogheid en
eigendunk te kennen. Zijn kleeding was uitheemsch, evenals die van
Feiko; doch van kostbaarder stof. Een geelzijden doek, met zilveren
ruiten en franje van dezelfde stoffage, was om zijn hoofd gewonden
en hing aan de linkerzijde in breede plooien af, het haar geheel
verbergende, hetwelk naar een gewoonte, welke den Frieschen adel
van elken anderen onderscheidde, hoog boven de ooren kaalgeschoren
was. De zijden bovenrok was geel, met vergulde randen voorzien en
met vergulde haakjes gesloten. Een prachtige ponjaard stak in den
sierlijken gordel, en een krom gebogen oostersch zwaard, welk wapen
den drager voor een man van aanzien kennen deed, hing daarvan af. De
gevesten der wapenen zoowel als de versierselen des gordels waren mede
zwaar verguld. Een driedubbele gouden keten prijkte om den hals; doch
was ten deele door den lichtgroenen overrok verborgen. Enge hozen van
groen laken bedekten het been, terwijl de voeten in puntige schoenen
staken, rijkelijk met gouden sterren bezaaid.
"Wie vermeet zich zulke buitensporigheden?" vroeg hij op zijn beurt,
na de klacht van Sytsken te hebben vernomen, terwijl zijn valkenoog
langs den volkshoop rondwaarde.
Een enkele blik was hem genoeg om te ontdekken wat er gaande
was. Zonder zich te bedenken, doch ook zonder zijn tred te verhaasten,
stapte hij naar de geleiders van Feiko toe, die alle moeite deden om
den knaap met zich te sleuren: en zonder een woord te spreken sneed
hij met zijn dolk de touwen los, waarmede de gevangene gebonden was
en rukte hem uit de macht der knevelaars.
"Nieuwe rebellie!" riep meester Claes Gerritsz: "hei ho! wakkere
poorters! laat den gevangene niet ontsnappen."
"Gij zult mij toch niet willen houden," riep Feiko, die niets in de
wereld boven een Frieschen edelman stelde, "tegen den wil van Jonker
Seerp Van Adeelen?"
"Stil Feiko!" zeide deze: "vertel mij wat de reden van dit rumoer is."
"Wat mocht hij vertellen," riep Claes Gerritsz: "een vreemdeling
mag niet tegen een burger gehoord worden, volgens artikel II van
het Pr...."
"Antwoord wanneer men u vragen zal, Haarlemmer mug!" duwde hem Seerp
Van Adeelen met bitsheid toe: "of," vervolgde hij, hem met een donkeren
blik aanziende: "kunt gij mij zeggen, wie hier de stoutheid heeft
gehad een dienaar van den Olderman te knevelen?"
Claes Gerritsz trad bedremmeld terug, toen hij den norschen oogopslag
des Frieschen edelmans ontmoette: maar de boschwachter Walger, die
door zijn beroep meer gewoon was, met edellieden evenals met kameraden
om te gaan, nam het woord op:
"Deze snaak veroorzaakte hier opschudding: en daar het ongeoorloofd
is, messen te dragen, althans te trekken, binnen het rechtsgebied
van Haarlem, zoo brachten wij hem naar den Schout: en wij zouden u
raden, Jonker! u hier niet tegen te verzetten, of het kon ook met u
slecht afloopen."
"Wij zullen zien," zeide Adeelen: "wie zich vermeten zal de handen aan
hem te slaan nu hij onder mijn bescherming is. Ik ben afgevaardigde
van Friesland en heb met uwe zotte bepalingen en Privileges niets
van nooden. Volg mij, Feiko."
Dit gezegd hebbende, wendde hij zich om en wandelde met bedaarde
schreden heen, met Feiko en Sytsken achter hem. Zoolang de menigte
nog door de verbazing van het oogenblik, de krachtige taal en het
forsch gelaat des edelmans in bedwang was gehouden, was zij stil en
besluiteloos gebleven, en geen arm was tegen Feiko opgeheven geweest;
maar evenals kleine keffers, die beangst wegdruipen wanneer een moedige
dog hen aanziet, maar hem nablaffen, zoodra hij zich verwijdert, zoo
hief het gepeupel een verward en woest getier aan, zoodra men de zoo
gevreesde Friezen niet meer in 't aangezicht zag. Dan het bleef niet
bij de vloeken en verwenschingen, die men hen nazond: ras werden deze
opgevolgd door een hagelbui van modder, steenen, kluiten, boomtakken,
en alles wat men reedst kon vinden by der hant,
om met vader Vondel te spreken. Adeelen bleef gedurende eenigen tijd
zijn weg voortzetten als trok hij zich die beleedigingen niet aan;
maar toen een potscherf hem tegen het hoofd aangonsde en in de plooien
zijner muts bleef hangen, kon hij zijn woede niet langer bedwingen;
zijn lemmer vloog de scheede uit: als een gewonde tijger keerde
hij zich om, sprong op de menigte toe en deed haar in verwarring
terugstuiven. Juist op het oogenblik waren eenige dienaars van den
Schout, met staven gewapend, op het gerucht komen toeschieten, die,
ziende wat er gaande was, 's Graven vrede uitriepen en de vechters
poogden vaneen te scheiden. Doch hier was geen denken meer aan: reeds
had het zwaard van Adeelen bloed doen vloeien; en het volk, op dat
gezicht verbitterd, had de vrees voor de wraakzucht doen zwijgen:
van alle zijden drong men aan op den edelman en op Feiko, die aan
Walger zijn kodde had ontrukt en wakker in het rond sloeg:--en beiden
waren misschien de slachtoffers van dezen ongelijken strijd geweest,
zoo de aankomst van eenige nieuwe personages daaraan geen spoedig
einde gemaakt had.
De nieuwaangekomenen waren twee edellieden uit het gevolg van Graaf
Willem, met name Reinout en Deodaat van Verona, die met eenige dienaars
en stalknechts uit Haarlem kwamen aangereden, alwaar zij een boodschap
voor hun Heer hadden volbracht. De plek waar het gevecht voorviel,
lag niet volkomen in hun weg; doch zij hadden aan den ingang van den
Hout de troostelooze Sytsken ontmoet, die van verre was blijven staan,
toen Adeelen en Feiko den strijd begonnen waren, en nu, hun gevaar
bespeurende, op het hoefgetrappel was toegesneld, ten einde de hulp
der ruiters in te roepen. Beide de edellieden waren jong en minnaars
van het avontuurlijke: zij toefden dus niet om aan het verzoek van
het bevallige meisje een gunstig oor te verleenen, en togen in vollen
ren naar de kampplaats. Hier kwamen zij juist intijds. Adeelen was
door middel van een haak omvergerukt, en een uit het volk stond
reeds gereed om hem met zijn eigen dolk te doorboren, toen Deodaat,
het gevaar ziende, waarin de Fries verkeerde, zoo heftig tegen den
poorter aanreed, dat deze achterovertuimelde, terwijl Reinout, zijn
paard midden tusschen het volk drijvende, in de stijgbeugels oprees
en met kracht uitriep: "pais en vree, gespuis van den Satan! niemand
verroere zich, of het zal hier zwaardslagen regenen zoo dicht als
hagel! Wat doet gij hier, schelm van een boschwachter?" vervolgde hij,
zich tot Walger keerende: "zoo de Graaf verneemt dat gij, in plaats
van op boomschenders en stroopers te passen, u hier in twisten steekt
tusschen poorters en vreemdelingen, zal het er slecht met u uitzien."
"'t Is die schoelje, die oorzaak van alles is," bromde Walger, op
Feiko wijzende.
"Is het de wil van den Graaf," vroeg Adeelen, die opgestaan was
en hijgende op zijn zwaard stond te leunen, "dat men Frieslands
afgevaardigden en hunnen dienaars smaadheden aandoe?"
"Wanneer Frieslands afgevaardigden rebellie plegen," balkte Claes
Gerritsz, "dient art. 16 van het Privil...."
"'t Is geen schrale marktschrijver die het in allen gevalle ten
uitvoer moet leggen," zeide Reinout, den voorvechter der Privileges
in de rede vallende.
"Neen heer Ridder!" riep de Onderschout, die, met een gelaat zoo rood
als een kalkoensche haan, zweetende en blazende kwam aangeloopen:
"maar wanneer mijne dienaars 's Graven vrede opleggen, behoort die te
worden in acht genomen: en het is mijn plicht hier alle twistzoekers
in bewaring te nemen."
"Neem dan den aap van den kokeler in bewaring," zeide Feiko, "want
die is de oorzaak van al de opschudding."
"Geloof hem niet," riep de hansworst, die gedurende het vechten niet
van zijn stellage geweken was: "hij is een valsche munter en draagt
de tasch vol ongangbaar koper."
"'t Is goede Ezekermunt," zeide Feiko, zijn geld toonende, "die elke
schipper mij zal inwisselen."
"Al genoeg!" riep de Onderschout, aan wien Claes Gerritsz een
waarachtig verhaal van het voorgevallene had pogen te geven: "de
beide Friezen moeten naar de gijzeling, tenware zij borg stellen van
op den eerstkomenden rechtsdag te zullen verschijnen."
"Ik lach met uw rechtsdag en rechtsgebied," zeide Adeelen: "mijn
persoon is heilig en onschendbaar: en wat dezen knaap betreft, alle
beleediging hem aangedaan, beschouw ik als tegen mij gericht."
De twee Ridders hadden zich inmiddels te zamen beraden.
"Heer Onderschout!" zeide eindelijk Deodaat, den ambtenaar ter zijde
trekkende, "ik mag u in dezen niets voorschrijven: maar een goeden raad
wil ik u geven: bezin eer gij begint. Gij weet welk belang er de Graaf
in stelt, de gemoederen in Friesland te winnen. Eene onvoorzichtigheid
zoude aanleiding tot nieuwe onlusten en oorlogen kunnen geven."
"Met dat al...." hernam de Onderschout.
"En u de ongenade des Graven op den hals halen," vervolgde Deodaat,
gevoelende dat deze beweeggrond nog krachtiger zoude werken dan
de vorige.
"Dat alles is waar," hervatte de Onderschout: "maar daar is bloed
van onze poorters gestort: daar is schipper Harmen Harmsz., die
zijn neus kwijt is, en de bakker aan de Nieuwsteeg, die een houw in
't been heeft, en anderen meer, die builen en blutsen hebben. Moet
onze burgerij zich door vreemdelingen straffeloos laten mishandelen?"
"Schaam u, heer Onderschout!" zeide Deodaat: "zij waren honderd
tegen één!"
"Kort en goed," viel Reinout in: "gij zult uw gijzeling gerust kunnen
gesloten houden; want ik joeg u liever allen in 't Sparen, eer ik
het minste leed aan deze wakkere kerels gebeuren zag."
"Welaan," zeide de Onderschout, de schouders ophalende: "indien deze
edelman en zijn dienaar zich verbinden willen, 's Graven vrede met
de burgerij van Haarlem te houden en den meester te betalen, die de
gewonden zal helpen, dan zullen wij de zaak niet verder drijven."
"Wat meester!" bulkte de hansworst er tusschen in: "komt bij meester
Barbanera, die zal u van alle ondergane kwetsuren genezen, binnen
den tijd van drie dagen: neemt den echten Sineeschen balsem, die alle
wonden heelt: voor den prijs van drie groot hebt gij een potje."
"Het is veeleer dat gespuis," zeide Adeelen, "hetwelk zich verbinden
moest, geen hoon meer aan te doen aan Frieslands afgevaardigden of
hun dienaars; doch wie zoude zich hunne beloften bekreunen? Ik zal
hier geen twist beginnen, tenzij mijn eer gekrenkt worde: en wat uw
gewonden betreft, laten zij zich doen genezen."--Onder het uitspreken
dezer woorden nam hij een handvol geld uit de tasch en wierp het den
Onderschout voor de voeten.
"Wat u betreft," vervolgde hij, zich tot de Ridders wendende, "grooten
dank voor uw tijdige hulp, zonder welke Seerp Van Adeelen Friesland
nooit had kunnen teruggezien. Zijt echter zoo goed uw Graaf te zeggen,
dat hij zijn onderzaten in toom houde; want een tweede beleediging
zoude op een wijze gewroken worden, die hem rouwen mocht."
"Ik ben niet gewoon dergelijke boodschappen aan uwen en mijnen Heer
over te brengen," antwoordde Deodaat eenigszins geraakt.
"Onze Heer weet beleedigingen te voorkomen," voegde Reinout er bij:
"doch hij weet die ook te wreken, op wie dan ook."
"Onze Heer!" mompelde Adeelen met bitterheid: "ellendig
dienstvolk!"--en zonder verdere groete verwijderde hij zich met Feiko
en Sytsken.
"Die onbeschaamde!" riep Reinout uit: "een woord meer en mijn degen
had hem geleerd de lompe tong te snoeren."
"Indien een ezel tegen u balkt, zult gij hem dan het hoofd
afslaan?" vroeg Deodaat: "een verachtelijk zwijgen is al wat die
ongelikte beren waardig zijn.--Dan wij hebben hier tijds genoeg
doorgebracht! Voortgereden! anders komen wij te laat voor het maal."
De beide Ridders deden hunne rossen de sporen voelen en waren spoedig
met hun gevolg door een stofwolk aan elks oog onttogen.
"'t Is de goede tijd niet meer," zeide Claes Gerritsz, het hoofd
schuddende: "het schijnt wel, dat de ingezetenen niets meer hebben
in te brengen."
"'t Is zeker wat erg," merkte Walger aan, terwijl hij met een frissche
teug uit het lederen fleschje, dat aan zijn bandelier hing, zijne
door het gevecht verloren krachten poogde te herstellen, "'t is zeker
erg dat twee Friezen hier onze landslui komen doodslaan en door twee
Italianen aan de straf onttrokken worden. Blieft gij ook gediend?"
"Is 't een wonder," zeide de Marktschrijver, na gebruik gemaakt te
hebben van Walgers aanbod, "dat men aan vreemdelingen de voorkeur
geeft? Dat zoude onder Koning Willem niet gebeurd zijn, die ons het
Privilege gaf, noch onder zijn Zoon Floris, wiens ziel bij God is:
maar dat waren ook echte Hollanders: en onze tegenwoordige Graaf is
zelf een vreemdeling."
"Stil!" zeide de Onderschout: "het past niet zulke dingen aan te
merken in 't bijzijn van 's Graven ambtenaar."
"Ik zeg niets kwaads," hernam Claes Gerritsz: "de Graaf is een wijs
en dapper man, maar dat hij dien sleep van bloedzuigers uit vreemde
landen heeft met zich gebracht, dat moge hij voor God verantwoorden."
Het wijze mannetje voegde hier nog veel bij, doch wij zullen hem
voor het tegenwoordige aan zijn aanmerkingen laten, en trachten onze
ruiters in te halen, die nog altijd in vollen draf op weg zijn naar
's Graven jachtslot, de Vogelesang genaamd, een groot uur gaans ten
Zuiden van Haarlem gelegen. Waarschijnlijk zullen sommigen onzer lezers
nog meer dan Claes Gerritsz verwonderd zijn geweest, twee Italianen te
Haarlem en in het gevolg van den Hollandschen Graaf aan te treffen,
en deswege eenige opheldering verlangen, welke wij ook gaarne te
dezer plaatse geven, daar wij niet tot diegenen behooren, welke,
in verhalen van een aard als dit, den lezer gedurende het gansche
werk in een pijnlijke onzekerheid laten, ook omtrent die punten,
welker verstand noodzakelijk is om den draad van het geheel niet ieder
oogenblik te verliezen, en die alle opheldering, ook de meest noodige,
tot de laatste bladzijde verschuiven.
Aan hen, die de geschiedenis des Vaderlands beoefend hebben, zal het
gewis niet onbekend wezen, dat Jan van Beaumont, 's Graven oom en een
der volmaakste Ridders van zijn tijd, door godsdienstijver gedreven,
in den jare 1331 een veldtocht tegen de Saracenen in Spanje deed,
alwaar hem vele Hollandsche en Henegouwsche Ridders gevolgd waren. De
roem van dapperheid en beleid, welke hem vooruit was gegaan, had ook
bij edellieden van vreemde landen den lust opgewekt om zich onder zulk
een waardig krijgshoofd in de wapenkunst bekwaam te maken, en lauweren
te verwerven, of wel om een reeds verkregen roem te handhaven. Onder
deze laatsten onderscheidde zich een edelman uit Opper-Italië, Carlo
della Scala geheeten. Twee knapen, der kindsheid nauw ontwassen, waren
met hem gekomen, en onder de namen van Rinaldo (of Reinout) en Deodaat
van Verona aan Beaumont voorgesteld geworden. Hoe jong nog, reeds vroeg
gaven zij blijken van dapperheid, en verworven zich de vriendschap van
den Henegouwer. In een der aan de Saracenen geleverde gevechten bekwam
Carlo della Scala een doodelijke wonde. Zijn einde voelende naderen,
riep hij Beaumont en de beide jongelingen aan het ziekbed, waarop
hij lag uitgestrekt, en deelde hun de volgende omstandigheden mede.
Te Verona uit een der aanzienlijkste geslachten geboren, had Carlo
della Scala zijn jongelingsjaren door al die genoegens en voorrechten
zien opgeluisterd, welke rijkdom en aanzien kunnen verschaffen. Een
enkele zaak ontbrak aan zijn geluk, of liever belette hem, een waar
geluk te smaken; het was het bezit eener gade, zijner waardig. Vurig
beminde hij de schoone Bianca di Salerno; doch hopeloos was zijn
liefde: daar niet slechts de vader der Veroneesche schoone zijn
aanzoeken had afgeslagen; maar ook zij zelve hem menigmalen betuigd
had, dat hij zich met haar vriendschap en achting tevreden moest
stellen, daar zij hem nimmer wedermin kon schenken. Troosteloos over
haar herhaalde weigering, verliet hij zijn vaderstad om in den krijg
zijn liefde te vergeten. Toen hij na drie jaren terugkwam, vond hij
den staat van zaken veranderd. Bianca was door den dwang haars vaders
de echtgenoote van Carlo's bloedverwant, Francesco della Scala, en
die Francesco de dwingeland zijner geboortestad geworden. Onwillig,
om de snoode inzichten en bedoelingen van dezen booswicht door zijn
tegenwoordigheid te schragen, of zich in diens paleis te vertoonen,
en aldaar het voorwerp zijner liefde onder de heerschappij eens
anderen terug te vinden, verkocht Carlo zijn bezittingen in Verona
en zette zich in Pisa neder. Slechts weinige maanden had hij in zijn
nieuwe woonplaats doorgebracht, toen hem op een morgen twee kinderen
van ongeveer twee jaren gebracht werden, welke de hovenier aan den
ingang van den hof in een korfje had vinden liggen. Een brief werd
bij hen gevonden, waarbij Carlo gebeden werd, in naam van de Moeder
Gods en van alle Heiligen, het hem toevertrouwde kind, dat uit Verona
en van adellijken huize was, tot zich te nemen, en als het zijne op
te brengen.
Het is niet te verwonderen, dat Carlo vreemd opzag, vooreerst om het
zonderlinge geschenk, ten tweede omdat er in den brief slechts van
één kind melding gemaakt werd, terwijl hij er twee uit het korfje
zag kruipen, die bitter schreiden en om hun moeder riepen. Ook kon
hij niet begrijpen, aan wien hij een zoo vreemde gift, of wel een
zoo groot bewijs van vertrouwen verschuldigd was. Dit merkte hij op,
dat de knaapjes waarschijnlijk geen broeders waren: want het eene
was blond als een zoon van het Noorden, en het andere had de donkere
kleur der Italianen.
Zijn medelijden met de onschuldige, hulpbehoevende wezens en de
gedachte, dat wellicht de ouders dier kinderen als slachtoffers
der dwingelandij van Francesco gevallen waren en hunne kinderen
daaraan hadden wenschen te onttrekken, zegevierden eindelijk over
alle bedenkingen: hij besloot aan het in hem gestelde vertrouwen te
beantwoorden en de beide knaapjes als de zijne op te voeden. Zij
toonden zich de zorg aan hen besteed niet onwaardig. Carlo della
Scala hechtte zich gedurig meer aan zijn voedsterlingen, en nam hen,
zooras zij in staat waren een zwaard te voeren, als schildknapen met
zich naar Spanje, gelijk wij hierboven verhaald hebben.
De edele man overleed na het afleggen dezer verklaring, zijn paarden,
krijgstuig en al hetgeen hij verder aan goud en kostbaarheden had
met zich gevoerd, aan zijn pleegkinderen nalatende, die zich nu
aan Beaumont hechtten, en hem na het einde van den veldtocht naar
Henegouwen volgden. Sedert deelden zij in al de krijgsbedrijven,
door hem of door zijn neef Grave Willem verricht, volgden dezen
laatste op zijn reis naar Palestina, en streden in Pruisen aan zijne
zijde. Het was daar, dat Willem, reeds lang door de verdiensten der
beide jongelingen getroffen, hen op het slagveld tot Ridders sloeg,
ondanks het morrend misnoegen van sommige edellieden, die met leede
oogen zagen, dat twee gelukzoekers, die geen bewijs van adeldom,
zelfs niet van een vrije geboorte konden aantoonen, een voorrecht
genoten, alleen voor den adel weggelegd, en in vele opzichten aan
afstammelingen der oude Duitsche geslachten werden voorgetrokken.
Al wie echter billijk dacht, moest de gunst rechtvaardigen, door den
Graaf aan de beide jongelingen bewezen. Men zag den mangel aan een
erkende afkomst over het hoofd, wanneer men de stoute feiten, door
hen bedreven, en de krijgskundige bekwaamheden, die zij bezaten,
in aanmerking nam. Bovendien had elk van beiden zijn bijzondere
bekwaamheden, waardoor hij zich onderscheiding verwierf, en ontzag
of vriendschap inboezemde. Beiden waren schoon en welgemaakt,
uitmuntende in alle soorten van spelen en lichaamsoefeningen, en
bij het schoone geslacht, dat den palm meestal rechtvaardiglijk
uitreikt, welgezien. Rinaldo, of Reinout, gelijk men hem in Holland
noemde, had een wel niet rijzige, maar toch in allen deele fraai
gevormde gestalte. Ravenzwart haar krulde hem met bevalligheid om de
slapen: zijn gelaatstrekken waren fijn en regelmatig, en, schoon van
nature bleek en door de zuiderzon en de vermoeienissen des oorlogs
met een gele tint overdekt, hoogst bevallig en innemend. Geest en
scherpzinnigheid straalden uit zijn gitzwarte oogen, wier levendigheid
waarde gaf aan alles wat hij zeide. Wat zijn zielshoedanigheden
betrof, hij was onverschrokken, ondernemend en vroolijk van aard; maar
tevens wispelturig, oploopend en heerschzuchtig. Aan degenen, die hem
onbescheidene vragen of aanmerkingen betreffende zijn geboorte deden,
had hij zulks meer dan eens en wel zoo gevoelig doen bekoopen, dat
aan anderen de lust vergaan was, hem daarover te onderhouden. Ofschoon
hij de min goede zijde van zijn inborst slechts zelden vertoonde, en
wanneer het pas gaf met het vernis der hoffelijkheid wist te bedekken,
was hij over 't algemeen meer ontzien en gevreesd, dan bemind.
Anders was het gelegen met Deodaat, wiens goedhartigheid en welwillende
aard door ieder erkend werden, en hem de genegenheid van het gansche
hof verworven hadden. Wel was hij niet van fierheid ontbloot; doch
die hooghartigheid zelve weerhield hem van zich zulke zinspelingen
op zijn afkomst aan te trekken, waarop Reinout vlam zoude gevat
hebben. Hij begreep te recht, dat driftige woorden en een uitgetogen
zwaard wel ontzag konden baren, doch niet genoegzaam waren om een
adellijke geboorte te bewijzen, en vermeed derhalve zorgvuldig alle
gesprekken, welke tot dusdanige twisten aanleiding geven mochten. Werd
de onbescheidenheid echter te grof, dan wist hij die te straffen,
zoowel als zijn vriend; maar slechts zelden bevond hij zich in de
noodzakelijkheid om tot zoodanige uitersten te komen, daar de meesten
hem genegen waren en schroomden, een algemeen beminden Ridder en wel
's Graven lieveling te beleedigen.
Gewoonlijk opgeruimd en kalm, werden zijn ronde en frissche
gelaatstrekken slechts zelden aangedaan door kommer of verdriet. Er
waren korte stonden van zwaarmoedigheid, waarin een pijnlijke
gedachte aan den geheimzinnigen sluier, die zijn geboorte overdekte,
soms toevallig bij hem opgewekt, zijn heldere blauwe oogen met een
nevel van droefgeestigheid overdekte, die echter werd opgehelderd,
wanneer hij nadacht, dat hij zich in een schooneren maatschappelijken
toestand bevond dan hij immer had kunnen hopen of verwachten, en dat
hij dien aan zich zelven te danken had.
Gelijk in jaren en omstandigheden en noodlot, wapenbroeders sedert
hun prilste jeugd, en op al hun tochten nimmer vaneengescheiden,
waren Reinout en Deodaat door de nauwste vriendschapsbanden aan
elkander verbonden, ja was het vaak of ééne ziel hun beider lichamen
bewoonde. Nooit had de een ééne gedachte voor den ander verborgen
gehouden: geen wensch werd door den eenen gekoesterd, geen plan
gevormd, waarvan de ander geen kennis droeg, en waren zij eenige
dagen vaneengescheiden, dan scheen het elk hunner toe of hij een
zijner zintuigen miste. Men moet hier echter geenszins uit opmaken,
dat er altijd een volkomen overeenstemming tusschen hun neigingen en
begeerten heerschen bleef: integendeel liepen die somtijds uiteen,
en gaven aanleiding tot geschillen, waarbij echter de bedenkingen
en tegenwerpingen, welke over en weder gemaakt werden, veel hadden
van die, welke iemand zich zelven doet, wanneer hij een besluit moet
nemen en het voor en tegen in zijn geest overweegt.
Gelijk wij gezegd hebben, de beide Ridders hadden op een snellen draf
den weg naar de Vogelesang genomen; weldra bevonden zij zich op een
hoek, waar de weg zich in tweeën verdeelde, nabij de plaats, waar,
veertig jaren vroeger, de Vlamingen door Witte van Haemstede aan
't hoofd der Haarlemmer poorters verdreven waren geweest.
Het was nu ongeveer één uur na den middag en de zon was brandend
heet. "Wij komen nog tijdig genoeg," zeide Deodaat; "zouden wij niet
wat zachter rijden?"
"'t Is mij wel," antwoordde Reinout, en zijn paard doende stappen,
liet hij de teugels varen en kruiste de armen voor de borst.
"Waaraan denkt gij, dat gij zoo stipt voor u kijkt als een slang
op een vogeltje?" vroeg Deodaat in 't Italiaansch, welke taal zij
gewoonlijk te zamen spraken, wanneer zij zich alleen bevonden, of
ook wanneer zij door hun knechten verzeld waren, en door dezen niet
verlangden verstaan te worden.
"Ik denk aan dien verwaanden Fries," antwoordde Reinout: "het spijt mij
slechts, dat ik hem mijn handschoen niet in 't gezicht heb gesmeten."
"Waant gij, dat ik er minder trek toe gevoelde dan gij? Maar wij
mochten de belangen van onzen Graaf, die noodzakelijk gevaar loopen
bij de minste beleediging, welke dien Friezen wordt aangedaan, niet
in de waagschaal stellen."
"Alles zeer waar: en ik ben niet geneigd tweespalt te verwekken
tusschen den Graaf en zijn gehoorzame Friesche onderzaten; maar ik
denk de beleefdheid zoover niet uit te strekken om mij straffeloos
onbeleefdheden te laten zeggen: en om des lieven vredes wille hoop ik,
dat ik vooreerst geen van hen ontmoeten zal."
"Wat mij betreft," hernam Deodaat: "ik help het u wenschen. Mits het
buiten ons toedoen geschiede, zoude een kleine oorlog met Friesland
mij niet mishagen, al ware het slechts om het land eens te zien. Ik
ben nooit aan gene zijde van de Zuiderzee geweest."
"Een fijn vermaak! Wij zouden er veel aan hebben om ons met die lompe
boeren te meten, bij wie geen eer noch profijt te halen is. Ik trok
even gaarne nogmaals tegen de Lithauwer heidenen te velde."
"Stel Friesland zoo laag niet: er is buit genoeg te halen. Stavoren
moet oudtijds een vrij rijkere stad dan Dordrecht of Haarlem zijn
geweest."
"Geweest is leelijk," merkte Reinout lachende aan.
"En er is oude adel in Friesland, dapper genoeg om den overwinnaar
eer aan te doen."
"Ik twijfel er niet aan: die Friezen brengen immers hun stamregisters
tot aan Alexander den Grooten."
"En bovendien de schoonste meisjes, welke op de aarde te vinden zijn,"
vervolgde Deodaat.
"Zoo hoor ik;--doch al die logge, roodwangige, blauwoogige Noordsche
vrouwen doen mij om water-en-melk en zoete koek denken, twee zaken,
waar ik een onoverwinnelijken afkeer van heb."
"Met uw verlof! die kleine deerne, welke ons hulp kwam vragen, deed
op mij een geheel andere uitwerking."
"Inderdaad, zij was niet onaardig.... Zoude zij ook tot het gevolg der
afgevaardigden behooren? Zij zijn drie in getale, hoor ik: een zekere
Heer van Aylva [2], die, zoo men zegt, een stedelijk ambt bekleedt
in de stad Leeuwarden.... een fraaie zaak voor een edelman!--dan,
die snoever, welken wij uit de handen van 't gepeupel verlost hebben,
en de Abt van Sint-Odulf. Wie van drieën zoude het recht van patronaat
over dit meisje uitoefenen?"
"Ik denk geen van drieën, en zou eer gelooven, dat die kloeke gast,
die haar in 't heengaan onder den arm nam, haar onder zijn bijzondere
bescherming heeft. Vraag het intusschen eens aan Seerp Van Adeelen, en
gij zult zien welk antwoord hij u geven zal, indien hij zich slechts
niet te verre boven u verheven acht om u te antwoorden; want hij
beschouwt zich, geloof ik, van hooger adel dan onzen Graaf. Hij waant,
naar ik hoor, uit dezen of genen ouden Frieschen Koning gesproten
te zijn, wiens naam buiten Flie en Lauwers even onverstaanbaar als
onbekend is."
"Een fraai edelman, die met dorpers en boeren gaat bakkeleien!--doch
van adel gesproken, de pelgrim, die zich belast had met te Verona
onderzoek te doen naar onze geboorte, blijft lang uit."
"Wat mij betreft," zeide Deodaat, "ik wensch van harte dat hij nimmer
terugkome."
"Hoe kunt gij zoo onverschillig zijn omtrent een punt, dat ons zoo
na aan 't hart moest liggen."
"Onverschillig!--Gij weet het, Reinout! dat zulks bij mij het
geval niet is. Neen! ik zou onze Lieve Vrouwe met vurigheid danken,
indien ik ten gevolge onzer nasporingen het geluk mocht bereiken
van een liefhebbenden vader of een teedere moeder terug te vinden;
maar gij weet het, ik blijf altijd schrikken tegen het denkbeeld,
dat de ontdekking onzer afkomst misschien verwijdering tusschen ons
zou kunnen baren. Denk eens na, Reinout! indien het eens uitkwame,
dat een van ons de afstammeling van een aanzienlijk geslacht en de
ander de zoon van een boerenkinkel ware; zou dan adellijke Ridder
zich de vriendschap van zijn wapenbroeder niet schamen?--Zou deze zich
even vertrouwelijk en vrij jegens zijn meer verheven vriend gedragen
kunnen?--Zou er geen jaloezie in zijn hart ontstaan, wanneer hij zijn
voormaligen wapenbroeder door elk geëerd en gevleid, en zich zelf
versmaad en veracht zag?--Neen, duizendmaal liever blijf ik in mijn
onwetendheid, dan dat ik het gevaar loope van een vriend te missen."
"Gij hebt gelijk, duizendmaal gelijk," zeide Reinout, "ofschoon
ik niet geloof, dat iets ooit in staat zou wezen onze vriendschap
te doen verflauwen;--maar met dat al: ik moet uit dien pijnlijken
staat van onzekerheid, die mij ondraaglijk is, verlost worden, wat
het ook koste. Wat mijn ouders betreft, die verlang ik niet terug
te vinden: daar zij onnatuurlijk genoeg waren, mij te verstooten,
hebben zij alle aanspraak op mijn liefde verbeurd; maar ik wil weten
wat ik ben: ik wil niet langer blootstaan aan de aanmerkingen dier
trotsche hovelingen: zoo ik, gelijk mijn hart het mij voorspelt,
uit een aanzienlijk huis geboren ben, dan wil ik hun toonen dat ik
met hen op ééne lijn kan staan."
"En zoo niet?" vroeg Deodaat.
"Zoo niet?--Welnu, dan verlaat ik dit hof en ga elders fortuin
zoeken;.... doch het is onmogelijk!--Ware intusschen die pelgrim maar
terug! Ik had hem de boodschap niet moeten opdragen, en hem althans
dien brief niet moeten vertrouwen, die bijna het eenige bewijsstuk
is onzer geboorte. Hij had een fielten-gezicht en heeft ons zeker
misleid."
"Waarom altijd de menschen gewantrouwd? Laat ons eens
narekenen. Wanneer is hij van hier vertrokken?"
"In October of daaromtrent."
"De wegen zijn vrij. Hij kon in December te Verona wezen."
"Indien hij niet eerst naar Rome en Loretto gegaan is, gelijk ik
vermoede."
"Dan kan hij moeilijk voor Maart in de hofplaats van Can Francesco [3]
zijn aangekomen; en daar hij lang heeft kunnen rondzoeken, is er
niets vreemds aan, dat wij nog geen tijding ontvangen hebben.--Zijn
wij zelven, toen wij met den Graaf te Venetië waren, niet naar Verona
gereisd, om op te sporen welke kennissen Carlo della Scala daar
had gehad, die in staat waren hem een geschenk van twee kinderen te
doen? en is onze tocht niet vruchteloos afgeloopen?"
"Een fraaie tocht voorwaar! Twee dagen zijn wij er stil geweest, en
toen moesten wij weer vertrekken, omdat de Graaf zijn vertrek naar
Cyprus niet uit kon stellen."
"Wij zouden langer tijd gehad hebben," zeide Deodaat, "indien gij
niet ontijdig twist gezocht hadt met een wapensmid, omdat hij ons
voor studenten van Padua aanzag: waarlijk! een fraaie reden."
"Hoe dit zij, wij hadden den tijd niet om behoorlijke navorschingen
te doen;--en wij moesten ons schuil houden voor Can Francesco, die
ons als verspieders wilde doen vatten;--maar mij dunkt, dat, wanneer
de pelgrim overal rondbazuint, dat de knapen, die bij Carlo della
Scala zijn opgebracht, zich thans in hoog aanzien aan het hof des
Graven van Holland bevinden, er zich wel iemand zal opdoen, die zich
hunner aantrekt."
Deodaat haalde de schouders op en zweeg: en daar zij zich op dat
oogenblik in 't gezicht van 's Graven jachtslot bevonden, liep hier
hun onderhoud ten einde.