TWEEDE HOOFDSTUK.

Terwijl ik wandel, door nieuwsgierigheit gedreven,

Zie ik van verre in 't dorp twee goochelaars verheven

Op hunne ladders staan, die, rustende aan den muur,

Het volk vermaaken by 't gezwets met kuur op kuur.

De kinkel grijnst en houdt zijn oor en mondt wijt open.

Hy schatert, juicht en zwelt, terwijl zy windt verkoopen.

De tandelooze bes, die lang aan 't flerezijn

Nog onlangs lag te bedde en kromp van smart en pijn,

Vergeet haar leet. Dit spel kan haaren geest bekooren,

Zy grinnikt in haar vuist en meesmuilt onder 't hooren.

Zoo werken ijdle klap en potsen in 't gemeen

Veel meer op 't hart van 't volk, dan welgezoute reên

En stichtendt onderhoudt.

Rotgans. De Boerekermis.

Het was in den voormiddag van een der dagen, die den aanvang der

plechtige feesten voorafgingen, dat een hoopje burgers en boeren

zich op een plein naast den Hout, ongeveer te dier plaatse gelegen,

waar thans het Hazepatersveld gevonden wordt, verzameld had om

een stellage, van waar een kwakzalver of goochelaar (want beide

deze verhevene hoedanigheden waren in zijn persoon vereenigd) hun

belangstelling wekte door het ten toon stellen zijner zonderlinge

apotheek, of hun verwondering ten top voerde door zijn onbegrijpelijke

kunstverrichtingen en behendige streken. Het uiterlijke van dit

doorluchtig personage was aan de rol, die hij bekleedde, volkomen

geëvenredigd. Zijn hoofd was met een zwarten doek omwonden, die onder

de kin was vastgestrikt en bovendien met een kroon van verguld papier

versierd. Zijn, insgelijks zwarte tabbaard van saai, met getande roode

zoomen en wijde mouwen, welke hem bij zijn kunstgrepen te stade kwamen,

was met goudpapieren sterren bezaaid en reikte tot aan de voeten,

terwijl zij, van voren open zijnde, het roode onderkleed liet zien,

dat om de middel gesloten was door een breeden gordel, waarop de

dierenriem was afgebeeld. Om de borst prijkte een vierdubbele, zoo

't heette, vergulde keten, waaraan een peervormig gesteente hing,

hetwelk waarschijnlijk tot een talisman moest dienen. Van de eene

zijner dorre, dunne handen naar de andere vloog gestadig de ivoren

tooverstaf heen en weder, welk onmisbaar werktuig ongeveer een elleboog

lang, en aan het uiteinde met een gouden handje voorzien was.

Het gelaat van dezen goochelaar, of, zooals men toen zeide, _kokeler_,

was, evenals zijn geheele persoon, lang en schraal: langs de verbrande

wangen hingen pekzwarte haren, die veel op paardemanen geleken, tot op

de schouderen af: een enkele vlok vertoonde zich op het bruingerooste

voorhoofd, en reikte, in de gedaante van een omgekeerden kegel, tot

aan den langen neus, wiens kromte een brug scheen, waarover men den

stekeligen baard bereikte, die, even zwart en lang als het hoofdhaar,

tot op den gordel nederdaalde. De oogen van dit geheimzinnig personage

schenen in zich zelven gekeerd en nimmer te kunnen worden afgetrokken

door hetgeen hem omringde, 't geen hem het voorrecht verschafte,

dat men, bij het staren op zijn kunstverrichtingen, omtrent den weg,

dien zijn blikken namen, altijd misleid en door zijn toeren des te

eerder verrast was.

Naast den kokeler stond een kast, of soort van vliegende apotheek,

in dien opzichte van onze hedendaagsche medicijnkasten verschillende,

dat zij, behalve een aanzienlijke hoeveelheid fleschjes, potjes en

poeders, ook een menigte voorwerpen bevatte, wier nut en strekking zich

bij de beschouwing geenszins raden lieten, maar de verklaring van den

verkooper noodig hadden. Voor hem was een tafeltje geplaatst, waarop

al hetgeen te dier tijd het vereischte eener goocheltasch uitmaakte,

ten toon was gesteld.

Deze merkwaardige duivelskunstenaar, gelijk hem de boeren noemden,

bewaarde gewoonlijk een volstrekt stilzwijgen, 't zij dat hij de

Hollandsche, of, als men toen zeide, de Duitsche taal niet genoegzaam

machtig was om zich te doen verstaan, 't zij dat hij vreesde zijner

achtbaarheid te kort te zullen doen, indien hij zich vernederde om

tot gewone menschen het woord te voeren. Hij liet deze taak over aan

zijn metgezel of hansworst, die aan zijn radde tong evenveel beweging,

als zijn meester rust aan de zijne gaf.

Deze ambtgenoot of medehelper van den kokeler was, gelijk al de

narren vanouds, in een veelkleurig gewaad uitgedost, prijkende hij

met een half rood, half geel buis en met groene hozen: een houten

sabel of brits, die door zijn lederen gordel gestoken was, duidde

zijn hoedanigheid aan, zoowel als de bellen, die aan zijn zotskap

en gewaad klingelden. Een roode, naar boven gekrulde neus, die een

niet geringe verknochtheid aan het druivennat kenteekende, levendige

grijze oogen en een dubbele rij hagelwitte tanden, gaven aan zijn

gelaat een vroolijke en onbezorgde uitdrukking, die niet weinig werd

verhoogd door de wijnmoer en het meel, waarmede het voorhoofd en de

wangen bestreken waren. Op zijn schouder zat een aap, verscheidene der

omstanders ergerende door zijn kleeding, die uit een pelgrimsmantel

en hoed met schelpen bestond.

De taak van dezen _alwillens dwaas_, of nar, was, gelijk men

lichtelijk begrijpt, om de toekijkers oplettend te maken op de

wonderen, die zijn meester òf reeds gewrocht had, òf ten gerieve der

vrome burgerij van Haarlem en der geëerde inwoners van het graafschap

nog wel zou willen daarstellen: op de merkwaardige genezingen, door

den grooten man uitgewerkt of nog uit te werken, en op ongehoorde en

schier ongelooflijke kunstverrichtingen, die hij met een alles te boven

gaande gemakkelijkheid uitvoerde. Nu eens breidde hij al de verdiensten

des kwakzalvers uit in een lang en bloemrijk verhaal, hetwelk hij met

vaardigheid doch tevens met gepasten nadruk, waar die behoorde, in vrij

verstaanbaar Hollandsch, ofschoon met een eenigszins hoogen tongval,

opsneed; dan weer zette hij nog meer kracht en levendigheid aan zijn

voorstelling bij door het aanwenden van een plotselinge toespraak, tot

dezen of genen der omstanders meer onmiddellijk gericht en daardoor

een sterkere, dikwijls onwederstaanbare uitwerking hebbende. Een

staaltje zijner welsprekendheid zal hier niet ongepast schijnen,

te meer daar het aanleiding geven zal om met sommige personen onzer

geschiedenis als van zelf in kennis te geraken.

"Ja! vrome burgers en landlieden!" zeide hij: "hoe zal ik u opsommen

en verhalen al de groote en ongelooflijke kuren, die mijn meester

Barbanera of 'met den zwarten baard,' bijgenaamd _l'Incomparabile_, 't

welk in 't Italiaansch zooveel wil beduiden als 'de onvergelijkelijke,'

al heeft teweeggebracht door zijne kunst. Een wijs man zoude daarmede

zeven jaren kunnen zoek brengen: hoe zoudt gij dan van eenen armen

nar als mij vergen, dat hij het in een uurtje vertelde. En wat

behoef ik u ook veel te vertellen? Is het u niet genoeg, den man

slechts aan te zien, om van zijn kunde en bedrevenheid overtuigd te

wezen? Maar wat denkt gij, dat gij in hem ziet? Een man van vijftig,

zestig jaren? ganschelijk niet. Tweehonderd en tien jaren is hij oud:

en zoo hij nog zoo fiksch en wakker daar voor u staat, en zoo zijn haar

nog niet grijs is, het is alleen door het vermogen van zijn kunst. Acht

gij misschien dat ik u knapuiltjes vertel, burgers en landlieden? koopt

het _elixir longae vitae_ en de kraaienmergzalf, en gij zult er u

zelf bij uw eigen ondervinding van kunnen overtuigen." (Hier haalde

de kwakzalver een fleschje en een potje uit zijn voorraad voor den

dag, en toonde die met uitgestrekte armen aan de schare.) "Gij! vrome

_pater_!" vervolgde de zot, zich tot een Karmelieter monnik wendende,

die hem van midden uit den volkshoop met een verachtelijken blik

aanstaarde, "gij hebt het nog niet verder kunnen brengen dan het ambt

van spijsverzorger in uw konvent waar te nemen: koop het _elixir_,

dat het leven rekt, en gij zult alle uwe oudere broeders overleven

en eenmaal tot Proost, tot Abt, ja tot Bisschop verkozen worden: ja

zelfs zoude een Kardinaalshoed niet kwalijk passen op uw eerwaardig

aangezicht. De heilige Aartsbisschop van Kantelbergh zou zooverre niet

gekomen zijn zonder 't _secours_ van dat middel, maar ware een arme

Benediktijner gestorven,--koop het _elixir_, eerwaarde _pater_! en

gij zult oud genoeg worden, om al de schatten dezer aarde tot u te

zien toestroomen."

"Wij hebben gelofte van armoede gedaan," zeide de pater: "en begeeren

de schatten niet, die uwe duivelskunstenarijen verschaffen."

"Zeg wat gij wilt, vrome man!" hernam de hansworst: "maar gij zult

aan deze goede burgers en landlui niet doen gelooven, dat gij niet

liever als een rijke Bisschop uw vazallen, dan als een arme monnik

het gevogelte zoudt plukken voor 's Graven tafel."

Hier ontstond een algemeen gelach ten koste van den pater; want het was

bekend, dat, in tijden van groote drukten, maaltijden en feesten zooals

die, welke thans te Haarlem plaats vonden, het plukken van gevogelte

evenals het bereiden van sauzen en specerijen voor 's Graven tafel aan

de kloosters werd opgedragen, die zich dan die taak ter wille van den

Landheer en voor een klein drinkgeld moesten getroosten. De monnik

voelde den steek en verwijderde zich ook terstond, na een toornigen

blik op den gek te hebben geslagen, wien hij in zijn hart beloofde

deze beschimping betaald te zullen zetten.

"En gij, jonge deerne!" vervolgde de nar, die, zonder zich het gram

gelaat des paters aan te trekken, zijn toespraak nu tot een aardig

meisje wendde, dat onder de menigte stond, "en gij! wilt gij uwe

glimmende zwarte haren behouden? koop de zalf van meester Barbanera,

en uw vrijer zal u nooit een grijs haartje verwijten. Maar gij

vreest misschien, dat de kleur van uw lieve koontjes met de jaren

zal verbleeken en dat uw witte tandjes, die zoo aardig en net als

een parelsnoer blinken, wanneer gij lacht evenals nu, eenmaal zoo

hot en haar zullen staan als de steenen van het kerkhof der Joden op

Bakenes? Neem de _reliquie_, die mijn meester u toereikt, en die,

om uw hals gehangen, u zoo jong en frisch zal doen blijven als gij

tegenwoordig zijt. Vrees niets, dat zakje bevat een gedeelte van de

asch der heilige _Juventa_, die op last van den Sultan van Egypte

werd verbrand, voor honderd zeven jaren, en waarvan mijn meester een

potje vol gegaard heeft, waarvan dit het overschot is; want gij moet

weten, dat, al is mijn meester in het vermaarde Keizerrijk van Sina

geboren, boven op een porseleinen toren, die tienmalen zoo hoog is als

honderd Domtorens van Utrecht op elkaar gezet, hij echter een goed

christenmensch is, en omgang heeft gehad met alle vrome kluizenaars

in Syrië, Arabië, Indië, Ethiopië en Moorenland.--Kom hier, mijn

brave jager! indien uw pijl wel eens mist; ik doe u het onfeilbaar

middel aan de hand om alle wild te raken. Deze kleine fiool bevat twee

droppelen van het bloed des Heiligen Huybrechts; zoo gij er onder het

zeggen van twee _aves_ en drie _paters_ de punt van een nieuwen pijl

indoopt, zal u geen haas of reebok meer kunnen ontgaan."

"Ik geloof, dat een goed oog en een vaste hand meer zullen afdoen dan

al uw snuisterijen," zeide de boschwachter, hem op vrij schamperen

toon in de rede vallende: "niettemin, zoo gij mij de proef eens wilt

laten nemen van dat fleschje, ik heb hier juist een nieuwen pijl: en

er vliegen kraaien genoeg door den Hout, om de kracht van uw middel in

't werk te stellen."

De hansworst stond een oogenblik beteuterd van den onvoorzienen

voorslag: doch hij herstelde zich terstond.

"De proef nemen! de proef nemen, met een zoo heilige _reliquie_! Weet

gij wel dat dit zooveel als een spotternij met het heilige zou

wezen? Neem het fleschje of neem het niet, tot uw dienst; maar weet,

dat het u voor 't oogenblik toch niet zou baten: het kan alleen

dienen voor dezulken, die absolutie hebben bekomen: en wanneer ik de

karbonkels aanzie, die uw neus omringen, dan houde ik mij overtuigd,

dat er menige pekelzonde bij u huist, waar uw biechtvader nog niets

van vernomen heeft, en dat uw arme vrouw ondervinding genoeg heeft,

dat gij goed weet te raken."

De omstanders keken lachende den jager aan; te meer daar de nar

juist geraden had, en de boschwachter niet slechts bekend stond

als een liefhebber van den drank, maar ook zijn vrouw meermalen in

dronkenschap mishandelde.--Hij vergenoegde zich echter zijn kodde op

een dreigende wijze te schudden en den potsenmaker grimmig aan te zien:

toen de kokeler, waarschijnlijk om de toeschouwers den tijd niet te

laten van over het gebeurde na te denken, opeens als in verrukking

oprees, twee vergulde balletjes voor zich op de tafel nederwierp,

en die terstond met twee tinnen bekers overdekte.

"Let op nu, burgers en boeren! let op!" riep de hansworst met

luider stemme, zoodra hij de beweging van zijn meester gewaarwerd:

"nu eerst zult gij de kunst _del maestro incomparabile_ in haar vollen

luister mogen bewonderen. Ja, niet voor niets is hij aan het hof van

Egypte geweest, en heeft hij jarenlang bij den Keizer van Ethiopië

gewoond, en al de geheimen der tooverkunst aan de magi van die landen

afgezien. Let op nu! burgers en boeren! wat er gebeuren zal."

Een ieder stond met open mond en gespannen aandacht den toovenaar

aan te staren, die de ballen beurtelings van onder de bekers

deed verdwijnen, en weer te voorschijn komen, en ettelijke andere

kunstverrichtingen deed, welke bij ons verlicht hedendaagsch publiek

slechts een medelijdend schouderophalen zouden verwekken, doch in

die eeuw met verbazing en opgetogenheid werden aanschouwd.

"Maar! wat u nog vreemder zal voorkomen dan al hetgeen gij tot nu

toe gezien hebt," hernam de hansworst, na een korte pauze, "is de

heerschappij die mijn meester ook over de wildste en ongezeglijkste

dieren uitoefent, en het vernuft, dat hij in de redelooze schepselen

weet te ontwikkelen. Gij ziet den aap, die op mijn schouder zit,

burgers en boeren? welaan! dit dier was woest en ongetemd toen het nog

in de bosschen van Indië rondsprong. Eenige weinige lessen van mijn

meester hebben hem niet alleen een trap van behendigheid en kunde doen

bereiken, welke men zelden bij gewone menschen aantreft, maar hem ook

in staat gesteld, verborgene zaken uit te vorschen, ja het toekomende

te voorspellen. Cezar! groet de eerbiedwaardige vergadering."

De aap sprong van zijn schouder, nam den hoed af en boog zich

deemoedig.

"Ga nu aan die waardige lieden vragen, of zij u een kleinigheid willen

schenken om met mij op hunne gezondheid te drinken."

Cezar liet zich langs een touw van de stelling afglijden en hield

den omstanders zijn hoed voor.

"Een aalmoes voor den armen pelgrim!" riep de hansworst, naarmate

Cezar rondging om giften in te zamelen: "hij komt van verre en heeft

het noodig: maar pas op, Cezar! en ontvang geen andere munt dan die

van het land."

"Ga voorbij, onguur beest!" bromde de boschwachter, toen de aap hem

den hoed toestak: "indien uw meester zulk een toovenaar is als hij

beweert, kan hij zich geld genoeg verschaffen, en behoeft hij het

ons niet uit den zak te kloppen."

De aap liet driemalen de reeds ontvangen specie in den hoed rammelen,

en toen, ziende dat de jager aan zijn verzoek geen gehoor gaf,

grijnsde hij hem op een kwaadaardige wijze aan, en vervoegde zich

bij meer milddadige toeschouwers.

Zijn inzameling gedaan hebbende, keerde hij bij zijn oppasser terug,

en na eenige sprongen en kunsten verricht te hebben, beantwoordde hij

door middel van den hansworst, die hem tot tolk verstrekte, eenige

door de omstanders voorgestelde vragen op dezelfde wijze en met niet

minder behendigheid, dan de wijd vermaarde en waarschijnlijk van hem

afgestamde aap van meester Pieter, wiens bekwaamheid door Cervantes

vereeuwigd is.

Ondertusschen had de beroemde meester Barbanera het niet beneden

zijn waardigheid geacht, de ontvangene schatting der nieuwsgierigen

na te tellen en te onderzoeken. Bij het verrichten dezer bezigheid

had weldra zijn scherpziend oog een koperen geldstuk ontdekt, dat van

vreemden oorsprong was, althans niet gangbaar op de plaats, waar zij

zich thans bevonden. Hij nam het tusschen duim en voorsten vinger,

bezag het een wijl met dezelfde aandacht, waarmede een oudheidkenner

een zeldzamen penning zoude beschouwen, en reikte het vervolgens

onder een veelbeteekenend hoofdschudden aan zijn medehelper over.

"Gij hebt niet opgepast, meester Cezar!" zeide de hansworst tegen

den aap, hem het geldstuk met een bestraffenden blik voorhoudende:

"ik had u immers gelast geen andere dan inlandsche munt op te halen,

en gij brengt mij een stuk, dat alleen bij heidenen en Turken gangbaar

is. Spoedig! breng het terug en verzoek om een ander."

Cezar nam met een deemoedige houding het geldstuk aan, sprong weder

naar beneden en ging den volkshoop, die nieuwsgierig het einde van

dit tusschenspel stond af te wachten, met bedaardheid rond, ieder

der omstanders en dan zijn meester beurtelings aanziende, totdat hij

eindelijk, hetzij uit eigen beweging, hetzij op een geheim teeken

van den hansworst, stand hield bij een kloek gebouwden kerel, wien

hij het muntstuk voorhield.

"Ei lieve, goede vriend!" zeide de hansworst: "gij ziet, mijn Cezar

laat zich niet verschalken. Wees zoo goed, neem uw valsche munt terug,

en geef hem een beter stuk geld voor zijn moeite."

De gezel, tot wien hij deze toespraak richtte, was een stevig jonkman

van zes voet hoog, grof gespierd en zwaar van leden; doch wiens heldere

blauwe oogen goedhartige welwillendheid teekenden. Zijn kleeding, in

vele opzichten verschillend van de Hollandsche volksdracht, duidde een

vreemdeling aan. Hij droeg een bruinen rok, van voren open, met een

bonten rand voorzien, en gesloten door middel van een zwart lederen

gordel, met zilver versierd. Op zijn zilverblonde haren prijkte een

bonten muts of pet met vooruitstekende klep en zilveren kwastjes,

terwijl een scherp mes met een zilveren heft in zijn gordel blonk,

en hem onderscheidde van de overige omstanders, die van stalen of

ijzeren wapenen voorzien waren. Aan zijn arm haakte of hing een

klein bevallig meisje, wier hoofdhaar geheel verborgen was onder

een bontgeruiten doek, wiens tippen zich om hals en kin vereenigden

als de sluier eener Tartaarsche vrouw. Haar gewaad was van een zware

wollen stoffage, geel van kleur met blauwe strepen, en om het midden

door een zilveren gordel vastgehecht. Een soort van borstkuras

van hetzelfde metaal, op de schouders met haakjes gesloten en in

't midden voorzien met een versiersel in den vorm van een omgekeerd

schoteltje, gaf aan haren opschik een nog vreemder aanzien. Reeds

lang had zij menigen verwonderden blik tot zich getrokken, en door

haar zonderlingen tooi den spotlust opgewekt der omstanders, die,

gelijk onze natie van oudsher doet en wel altijd doen zal, zich niet

konden begrijpen hoe iemand anders kon gekleed gaan, dan op de gewone

en bij ons aangenomen wijze. Reeds had men haar verscheidene schimp-

en spotwoorden toegevoegd, en haar onder andere boertende gevraagd,

of zij niet bijgeval eene weggeloopen non was, dat men haar hoofdhaar

niet bespeurde, en onder welken ridder zij als wapenknecht diende,

dat zij zoo geharnast verscheen: van al hetwelk zij noch haar geleider

gelukkig niet veel verstaan hadden.

Evenmin had deze laatste, zoo 't scheen, het gebarenspel van den

aap, noch de toespraak van diens meester recht begrepen: althans

hij draaide het hem gegeven muntstuk herhaalde keeren tusschen de

vingers en zag, met eenige verlegenheid, nu eens den hansworst, dan

weder zijn gezellin, dan de omstanders aan, welke laatsten eindelijk

in een schaterend gelach uitberstten, hetgeen zijn verlegenheid

nog vergrootte. Het jonge meisje begreep eerder dan hij de oorzaak

van deze algemeene vroolijkheid, en, zich op de teenen verheffende,

fluisterde zij hem eenige woorden in, waarvan ook de naastbijstaanden

niets verstonden, vermits zij in een vreemde taal gesproken werden. De

jongeling scheen echter over de gegeven opheldering weinig tevreden,

althans hij schudde het hoofd, mompelde eenige onverstaanbare woorden,

haalde een handvol van dezelfde koperen stukken uit zijn tasch,

en, die op de breede linkerhand uitspreidende, scheen hij met den

rechterwijsvinger aan te duiden, dat zij alle van gelijk gehalte waren

en dat hij dus aan het verzoek van den kunstenaar niet kon voldoen.

"Kom goede vriend!" zeide de veldwachter, zich met een hoonenden

lach bij hem vervoegende: "geef den baviaan zijn zin en schenk hem

een stuk van achten: dan zal hij wel tevreden zijn."

"'t Zijn al goede muntspeciën in Friesland," antwoordde de andere,

met een sterken Frieschen tongval sprekende.

"Ja maar, wij zijn hier in Holland," hernam de jager: "en wij kunnen

uwe Friesche stukken niet gebruiken: berg ze maar gerust weg, zoowel

als uw Friesch mes, eer de dienaars u bij de kladden krijgen als

valschen munter en als breker van 's Graven vrede."

"Valsche munt!" riep de Fries verbolgen uit: "een valschaard die

't zeit."

"Ho! ho!" zeide de jager, spottende: "bak maar spoedig zoete broodjes;

gij zijt hier niet in uw _frije Friesland_, waar men ongestraft op

de Hollanders scheldt. Berg dat mes, of er zullen goede stukken van

achten uit uw zak moeten komen."

"'t Is zeker," zeide een klein, in 't zwart gekleed mannetje, 't welk

zich den schijn van deftigheid wilde geven en evenals een ekster naar

hen toe kwam trippelen, "'t is zeker, dat volgens het Privilege van

Koning Willem niemand binnen den banne van Haarlem een mes mag dragen

op een boete van tien pond, waarvan de helft aan den...."

"Zoudt ge mij mijn mes willen ontnemen?" riep de Fries, het heft met

kracht omvattende.

"Rebellie tegen art. 15 van het Privilege," kraaide het kleine

mannetje, tevens met een ontsteld gelaat achteruitwippende: "al wie

het mes trekt binnen de stad Haarlem ofte derzelver...."

"Ik weet van geen Privilege," riep de Fries, zijn mes half

uittrekkende: "hier is mijn Privilege."

"In den stok met hem!--Te water met den muiter!--Dienaars hier!--'s

Graven vrede!" riepen terstond een verwarde menigte stemmen, waaronder

die van het zwarte ventje zich onderscheiden liet:--en de zooeven

nog rustige en vroolijke kring leverde een tooneel op van onrust en

verwarring. De kinderen klommen verschrikt op de stellage en in de

boomen of hielden zich aan de moeders vast: de vrouwen drongen zich

beangst tegen haar mans, broeders of vrijers aan of poogden zich

te verwijderen: de mans hielden zich deels bevreesd op een afstand;

deels hieven zij hun stokken of vuisten op om den Fries te lijf te

gaan en hem zijn mes te ontweldigen.

Dit was echter geen gemakkelijk werk. Bij de eerste bedreiging had

de jongeling zich schrap gesteld, zijn mes met de rechterhand op de

hoogte van het aangezicht brengende ten einde allen aanval af te wenden

en met de linkerhand het meisje van zich afwerende, dat hem wilde

tegenhouden. Niemand der omstanders durfde hem van voren braveeren;

doch sommigen poogden hem van achteren te bespringen en zijn arm te

grijpen. Zoodra hij dit bespeurde, draaide hij zich om. Sneller dan

de gedachte beschreef zijn arm een halven cirkel en gleed zijn mes in

't voorbijgaan langs de aangezichten en kleederen zijner bespringers,

onderweg eenige aan dezen toebehoorende lappen vleesch en laken en

een gedeelte des hoeds van het kleine mannetje medenemende. Door deze

beweging vond zich de Fries teffens met den rug tegen het theater des

kokelers geplaatst, zoodat hij althans naar zijn en elks meening van

achteren gedekt stond; doch hij was daardoor ook afgescheiden van zijn

gezellin, die in de algemeene verwarring van hem verwijderd werd, zich

nu, weerloos klagende, in een bedrukten toestand tusschen vreemdelingen

bevond en vergeefs onder angstig gekerm om haren vriend Feiko riep.

Maar Feiko was niet in staat haar te hulp te komen, daar hij genoeg

te doen had om zich tegen de volksmassa te beschermen, die hem nu

op alle wijze bestoken kwam. Geen van hen dorst hem echter van nabij

aanvallen, toen op eens de koddebeier, die de eerste aanleiding tot

den twist gegeven had, door de omstanders, die hij rechts en links van

zich afstootte, heen drong en zich vlak tegenover den Fries plaatste.

"Hoe!" riep hij, "schaamt gij u niet? honderd tegen eenen en gij

zijt den vreemden gauwdief nog niet meester? heeft geen van die lamme

poorters een hart in 't lijf? wacht! ik zal hem alleen wel krijgen."

Onder het uiten dezer woorden had hij zijn kodde opgeheven met oogmerk

om den Fries een geweldigen slag op het hoofd toe te brengen; doch

Feiko voorkwam het dreigend gevaar door snel het rechterbeen op

te lichten en den jager een trap voor de borst te geven, die hem

sprakeloos tegen den grond wierp.

Dan op hetzelfde oogenblik kregen de aanvallers een bondgenoot, dien

zij verre waren van te verwachten. De aap namelijk was bij het ontstaan

van den twist weder op het theater gevlucht en van daar beschouwde

hij op zijn gemak het gevecht. Toen nu de Fries bij de stellage was

komen staan, naderde hem het boosaardige dier, en zoodra Feiko zich na

den gegeven trap in postuur stelde, rukte de aap hem vlug de muts van

't hoofd en bracht die grinnekende aan zijn meester.

Feiko, niet wetende wie dien onverhoedschen aanval op zijn hoofddeksel

deed, keerde zich onthutst om, ten einde zich daartegen te verdedigen;

en deze wending was hem noodlottig: tien der naastbijstaanden

maakten van dit oogenblik gebruik: hij werd aangegrepen, en eer hij

weerstand kon bieden, lag hij met de helft der aanvallers op den

grond te worstelen. Het was echter niet dan met moeite dat men hem

meester werd, het mes ontweldigde en met een eind touw, hetwelk aan

de bagage des kwakzalvers ontnomen werd, vastknevelde.

"Mijn hemel! Feiko!" riep het arme meisje, dat nu weder door den

volkshoop naar voren gedrongen was, "waar brengt men u? Ik wil met

u gaan! wat zullen de Olderman en de Jonker wel zeggen als zij het

hooren."

"Sytsken! loop naar den Olderman" brulde Feiko: "en zeg hem, hoe die

honden met een vrijen Fries handelen."

"Wees zoo dwaas niet, zoet zusje!" zeide de koddebeier, die intusschen

weer op de been geraakt was, terwijl hij Sytsken bij den arm nam:

"laat uw lompen vrijer gerust aan zijn lot: de Schout zal wel weten

wat met hem te doen: kom, geef mij een arm: ik zal u brengen waar

gij wezen wilt."

"Blijf van mij af, schurk!" riep de verschrikte Sytsken, vruchteloos

pogende zich van de omarming des jagers los te maken: "ik wil niet

met u gaan: ik haat u: gij zijt de oorzaak van alles."

"Laat het meiske gaan, vriend Walger!" zeide het zwarte mannetje:

"gij hebt geen recht op haar, en volgens art. 17 van het Privilege

van Koning Willem is alle maagdenroof strafbaar met....."

"Moei u met uwe zaken, meester Claes Gerritsz," duwde hem Walger toe:

"ik ben geen poorter van Haarlem en hoest wat in uwe Privileges. Ik ben

's Graven koddebeier en zal dit zoete kind brengen waar het wezen wil,

zonder iets meer dan een kusje voor mijn loon te vragen."

En hij wilde zich reeds te voren van dat loon verzekeren, toen Sytsken

zich op eens uit zijn armen losrukte en met een kreet van blijdschap

naar een jongeling toesnelde, die op eenigen afstand door eene der

lanen kwam aangewandeld.

De Roos van Dekama · 第 6 / 46 题