EERSTE HOOFDSTUK.

daer 't Sticht ter merreckt quam

De Goier, Aemstelaer, de Veene- en Waterlander.

Zy staplen vrucht en vee en zuivel op elckander.

Gevogelte, en gewas, en wat de nooddruft eischt,

Ter liefde van 't gewin, daer 't al om draeft,

en reist,

En vlet, en vaert, en woelt: terwijl de burgeryen

Van d' eene aen d'andere weeck, bij deze merckt gedyen,

En kelder en schappra, met opgepropten schoot,

Bezorgen als de mier haer hol, voor hongersnoot.

Vondel. Inwyding van 't Stadhuis.

Onder die steden, welke vanouds aan de grafelijke kroon van Holland

gelijk zoovele edelgesteenten flonkerden, en wier macht en rijkdom tot

een hechten steun verstrekten aan des Landheers gezag, was Haarlem,

gelijk genoeg bekend is, een der voornaamste. Haar ouderdom verloor

zich in den nacht der tijden: 't zij, dat men haar, met Boxhorn, voor

de vroegere verblijfplaats der Herulen houde en den naam Haarlem,

als een verbastering van _Herulen-heim_ aanmerke: 't zij, dat men

dien, met Langendijk, van den Noorman Hariald afleide: 't zij, dat

men met de oude landskronieken veronderstelle, dat zekere Koning

of Vorst, Lem genaamd, aan de door hem gestichte stad de benaming

van _Heer Lems_ stad, naderhand Haarlem, hebbe achtergelaten, of

met een lateren taalkenner eenvoudig aanneme, dat het woord _harel_

dezelfde beteekenis hebbe als _hard_, en door _harelheim_ een harde

grond te verstaan zij:--genoeg is het, dat juist de onzekerheid van

dien naamsoorsprong de aloudheid der plaats zelve aanduidt.

Aan den oever eener rivier gebouwd, waarvan zij zich als van twee armen

bedienen kon, om, aan de eene zijde, het Haarlemmermeer en de daarom

gelegen landen, aan de andere, het IJ, en door het IJ, de Zuiderzee

te bereiken, had zij van deze gunstige ligging reeds vroeg partij

getrokken, om een handel te drijven, die, schoon zich zelden verder

uitstrekkende dan de gewesten, welke om die binnenzeeën gelegen waren,

haar niettemin gelegenheid gaf, om de voortbrengselen van hare door

geheel Europa beroemde lakenweverijen te slijten en daardoor aan hare

ingezetenen welvaart en aanzien te verschaffen: terwijl zij in hare

bierbrouwerijen, die de bewoners der omliggende landstreken met den

toenmaals zoo algemeenen drank voorzagen, een niet min voordeeligen tak

van bestaan gevonden had, vooral, sedert door een grafelijk besluit

het verkoopen van vreemd bier binnen Holland verboden en aan Haarlem

alzoo een soort van alleenhandel in het graafschap vergund was.

De bekoorlijke omtrek, die zich niet alleen door een in Holland zoo

zeldzame heuvelachtigheid onderscheidde, maar ook aan den adel de

heerlijkste gelegenheid aanbood om in een klein bestek de rijkste

genoegens van jacht en visscherij te smaken, had in de nabijheid der

stad een immer toenemend aantal van aanzienlijke sloten en jachthuizen

doen verrijzen, wier adellijke bewoners in een schier ongestoorde

eensgezindheid met de poorters levende, het hunne toebrachten om

den bloei der stad te bevorderen. En, opdat geen roem aan Haarlem

ontbreken zou, de Graven zelven kwamen meermalen zijn vest bezoeken,

waar zij alsdan door hun prachtige hofhouding, door hun milddadigheid,

door het vieren van ridderlijke feesten, welvaart en genoegen onder de

ingezetenen verspreidden. Het was vooral aan twee der Graven, die den

naam van Willem droegen, dat de Sparenstad groote verplichting had. De

eerste van die twee, Koning Willem, was binnen haar wal geboren, en

beschonk zijn moederstad met ruime voorrechten, terwijl de andere,

Willem van Henegouwen, schoon een uitlander, die stad boven andere

tot zijn verblijfplaats koos, en aan haar vooral den naam van den

Goede verdiende.

Het was onder de regeering des zoons van dezen Vorst, dat de voorvallen

plaats vonden, in deze bladeren vervat, en waarvan de bijzonderheden

aan de vergetelheid zijn ontrukt geworden op de wijze, aan den lezer

medegedeeld.

Het was in het voorjaar 1345, dat een talrijk aantal van naburen

en vreemdelingen naar Haarlem was toegestroomd, ter bijwoning

van een plechtig feest, hetwelk binnen zijn muren door Graaf

Willem den Vierden stond gegeven te worden. Deze Vorst, sedert

kort teruggekeerd van een buitenlandschen tocht, waarop hij niet

alleen het Heilige Land bezocht, maar zich ook met roem beladen had,

door op zijn heenreize de Mooren in Spanje, en bij zijn terugreize

de ongeloovige Lithauwers op de Pruisische grenzen te bestrijden,

had zijn behoudene wederkomst bij zijn onderzaten, op het voetspoor

zijns doorluchtigen vaders, met luisterrijke spelen willen vieren,

waarop, als naar gewoonte, niet slechts de adel zijner graafschappen,

maar ook die des Duitschen rijks bij rondgaande brieven en openlijke

bekendmaking was genoodigd. Een aanzienlijk getal dier Edelen

had aan deze oproeping voldaan, met dezelfde graagte, waarmede

zich thans nieuwsgierigen en lediggangers naar deze of gene stad

begeven, waar het een of ander eeuw- of jubelfeest gevierd wordt:

ja zelfs zoude ik durven verzekeren, dat de prikkel, die den adel

van vroegere tijden naar hunne feestvermaken dreef, nog meerdere

kracht bezat. Eensdeels toch was deze soort van spelen de eenige, in

dien tijd bekend of in aanzien, terwijl tegenwoordig ieder inwoner

eener groote stad dagelijks uitspanningen genoeg kan vinden, en de

eeuwfeesten zoo menigvuldig voorkomen, dat zij al het verrassende

der nieuwheid missen: anderdeels bepaalden zich bij die feesten van

vroegere dagen de genoodigden niet altijd bij de rol van stilzittende

aanschouwers, maar namen er meermalen een bedrijvige op zich, en keken

althans nimmer met een onverschillig oog toe: daar het zelden miste,

of er was onder hen, die zich door dapperheid of behendigheid bij

die feesten onderscheidden, deze of gene, die met hen vermaagschapt

was en wiens bijzondere feiten zij tot eer van hun gansch geslacht

konden rekenen en derhalve met innige belangstelling gadesloegen.

Er was dan ook geen kasteel noch adellijke huizinge in den omtrek

van Haarlem, die niet te dezer gelegenheid aan ettelijke adellijke

gastvrienden tot een tijdelijk verblijf verstrekte, geëvenredigd naar

ruimte of geschiktheid. Niet slechts schreef de toen in Europa nog

algemeen heerschende gastvrijheid het herbergen van vreemdelingen

den slotvoogden voor als een plicht, waaraan zij zich niet mochten

en ook niet wilden onttrekken; maar ook waren de Hollandsche Edelen,

door hun talrijke en hooge betrekkingen met vreemde huizen, aan

onderscheidene der Brabantsche, Vlaamsche, Geldersche, Henegouwsche

of Hoogduitsche bezoekers door de banden van maag- of vriendschap

verknocht, en vergolden zij hun door een ruim onthaal de vroegere,

door deze bewezene, diensten.

Ook de poorters van Haarlem en de vrije opgezetenen der omliggende

dorpen waren niet achterlijk om het voorbeeld der Edelen te volgen, en

geen hunner was er, die niet naarmate hem zulks zijn vermogen toeliet,

een of meer vrienden van buiten af gehuisvest had, bij wie het feest

niet minder belangstelling wekte dan bij den adel; dewijl er toch,

behalve de tornooi- en ridderspelen, waaraan de laatste alleen deelnam,

onderscheidene, zoogenaamde _mysteriën_ en volksvermakelijkheden zouden

plaats hebben, waarin de goede burgerij de hoofdrol speelde. In onze

hedendaagsche eeuw van beschaafdheid en verlichting zou een gelegenheid

als deze met gretigheid door de ingezetenen worden te baat genomen, om

voordeel te doen met de verlegenheid der vreemdelingen, die huisvesting

behoefden: en men zou zich den omslag, voor hun verblijf veroorzaakt,

volgaarne getroosten uit aanmerking der hooge huren, die men voor het

afstaan zelfs van de kleinste zoldertjes, in logeerkamers herschapen,

hun zou afpersen;--doch in die dagen scheen men de waarde van het

geld nog niet genoeg op prijs te stellen: en menig burger stond zijn

woonvertrekken niet alleen, maar zelfs zijn schuren, bergplaatsen en

fabriekzalen, ten behoeve der aangekomene gasten af.

Maar het was niet alleen door wereldlijken, dat de plicht der

gastvrijheid werd uitgeoefend. De kloosters, die zoo binnen als

buiten de stad waren gelegen, en waarvan ik misschien in de eerste

plaats had behooren te spreken, stonden insgelijks voor den bezoeker

open; doch hun aantal was te dier tijd in Haarlem nog zeer beperkt:

en andere redenen, die later haar plaats in ons verhaal zullen vinden,

waren oorzaak, dat zij slechts aan een klein getal der zich aanmeldende

vreemdelingen huisvesting konden verschaffen.

Ook de zoodanigen, die zich noch in een geestelijk, noch in een

wereldlijk gesticht van een verblijf hadden kunnen voorzien, hadden

de noodige voorzorgen genomen, ten einde geen nuttelooze reis te

doen: en overal rondom de stad, waar de gelegenheid zich aanbood,

hunne tenten nedergeslagen, of brachten, na den geheelen dag in

vroolijkheid op de been te zijn geweest, den nacht door in de wagens,

karren of vaartuigen, waarmede zij gekomen waren.

Het was in 't bijzonder het Sparen en zijn oevers, die bedekt waren

met een aantal vreemdelingen, die, evenals zoovele zwermen land-

en watervogels, aldaar de vleugels, voor zoolang het feest duurde,

hadden gestreken. De rivier, die thans Haarlem in twee deelen scheidt,

vormde te dier tijd zijn zuidelijke grens, daar het gedeelte der stad,

aan den kant van Amsterdam gelegen, toen nog niet was gebouwd. Aan

dien zuidelijken oever vertoonde zich, op het tijdstip, waar wij

van gewagen, een wijduitgestrekte rij van tenten, verschillende in

kleur en vorm en omtrek, die den schijn zou hebben aangeboden van een

vliegend leger, dat Haarlem was overvallen, zoo niet de bonte kleeding

der talrijke wandelaars, die voor de tenten heen en weer drongen,

en niets krijgshaftigs hadden, de stoet van vrouwen en kinderen,

die er overal tusschen krioelden, het blijde gezang en gejuich en

gedans der menigte, het omzwerven van minnezangers en poetsenmakers,

kwakzalvers en goochelaars, in één woord, de vroolijke drukte, die er

heerschte, een sprekend bewijs had opgeleverd, dat "de vernielende

krijgsgod" niets met dat legertje te maken had. Van afstand tot

afstand vertoonde zich een paviljoen, grooter in omvang en rijker

in versierselen dan de overige, ja soms een houten loods, van waar

de groene krans, boven den ingang opgehangen, den voorbijgangers

aankondigde, dat daarbinnen versch bier, blanke melk, zoete meede,

ja zelfs, voor de meest bevoorrechten, echte klareyt, zedewaarswijn

en malvezij te vinden waren.

De rivier zelve leverde, gelijk ik met een woord heb aangemerkt, geen

minder verscheiden tooneel op. Behalve de menigvuldige schuiten en

schepen, die tot huisvesting der eigenaars verstrekten, en aan touwen

of kettingen vastlagen, zag men tallooze vaartuigen de rivier opvaren

en afzakken, beladen met al, wat men kon veronderstellen, dat de stad

gedurende het verblijf der vreemdelingen zou noodig hebben. Groote

platgeboomde aken brachten ossen en varkens uit Waterland, of

vette schapen uit Gooiland, of hooi en gras uit Kennemerland aan:

in kleinere schuitjes zag men de met koper beslagene vaten blinken,

waarin de room of melk werd toegevoerd: hier zag men een schuitje,

dat met warmoes van over het meer aankwam, tegen een Enkhuizer

jol stuiten, die pekvaten voerde om tot de vreugdevuren te dienen:

of een armen palingvisscher schier overzeild door een Noorsche kof

met mastboomhout geladen: wat verder scholden de schippers van een

Rijnsche aak, die wijn aan boord had, en een boterhaalder uit Delftland

elkander de huid vol en betwistten zich een ligplaats zonder elkander

te verstaan, zoowel woordelijk als overdrachtelijk gesproken. In

één woord, aan de gansche zuidzijde der stad had een onophoudelijk

gegons plaats, dat zich reeds op een geruimen afstand hooren liet,

en dat de stedelingen stellig zou belet hebben, een oogenblik rust

te genieten, indien zij niet zelven op dien tijd alle gedachten aan

rust en stilte uit hun geest hadden verbannen.

Een gelijke, ofschoon kleinere verzameling van tenten was aan de

westzijde der stad nedergeslagen op de opene plaatsen, welke haar

afscheidden van het bosch, of, om den stijl des tijds te gebruiken,

van _den Houte_, dat toen niet minder dan tegenwoordig den roem

waardig was, welken het door geheel Holland verkregen had, wegens

de fraaiheid van zijn wandeldreven en zijn statig geboomte, terwijl

het bovendien het voorrecht bezat van niet, gelijk heden ten dage,

een afgesloten hertenkamp te bezitten, maar een werkelijke wildbaan te

zijn, waar deze dieren frank en vrij in 't rond liepen, totdat het den

Grave behaagde er een jachtpartij op te houden, of aan zijn Edelen

de vrijheid te geven er een te schieten. Eens in het jaar echter,

en wel op den derden Maandag in Augustus, was het aan de poorters van

Haarlem vergund, zoowel op deze herten, als op al het wild, dat zich

in de grafelijke domeinen bevond, onverhinderd jacht te maken, onder

gehoudenheid echter van zich tot deze jacht van geen ander geweer dan

van stokken en steenen te bedienen, en onder streng verbod honden

met zich te nemen: bepalingen, die natuurlijk de jachtpartij voor

het wild minder gevaarlijk maakten: dan stroomde Haarlems bevolking

de poorten uit, en bracht den dag door met het najagen der vlugge

reebokken, die, voor dergelijke vervolgers weinig bevreesd, slechts

zorg droegen zich buiten het bereik der toegeworpen keien te houden,

en het overigens beneden zich achtten, zich om een ijdel geraas van

hun gewone weiplaats te verwijderen. Dan wreekten de teleurgestelde

Haarlemmers zich over het mislukken hunner pogingen op de konijnen,

wier zandpaleizen zij opdolven, om de bewoners in zegepraal des avonds

te huis te brengen, en met gestoofde peren op te smullen.--De Graven,

die deze jachtpartijen toelieten, zijn lang in 't stof vergaan:

geene herten loopen meer vrij in Haarlems omtrek rond, en geene

jacht zonder akte van den Opperjagermeester is meer veroorloofd,

maar nog altijd verlaten de Haarlemmers op den derden Maandag in

Augustus hun bezigheden, en stroomen zij de poorten uit: niet meer

om een jachtpartij te houden, maar om aan de Amsterdamsche vaart

een onschuldig kopje thee te drinken, om in tentschuitjes naar de

Brouwerskolk te varen, om den Blinkert op en af te loopen, om aan de

Dreef in den Hout lamme, kreupele of blinde paarden te zien koopen, om

eindelijk, 't geen wel de voornaamste reden is, te gaan waar iedereen

gaat en menschen te zien. De uitspanning is zonder doel geworden,

het vermaak is denkbeeldig; en echter zou er een wonderwerk noodig

zijn om een gebruik te doen vervallen, hetwelk het verloop der tijden

en de rampen der omwentelingen heeft doorgestaan. Zoo waar is het,

dat geen gezag, geen voorschrift, geene wet, zulk een vermogen heeft,

als de heiligheid eener overlevering, die van geslachte tot geslachte

bewaard wordt.

De lezer zal mij goedgunstiglijk een uitweiding vergeven, die zich

hier als van zelve aanbood, en het mij ten beste houden, zoo ik,

om eens adem te halen, het begin van mijn verhaal tot het volgende

hoofdstuk uitstelle.

De Roos van Dekama · 第 5 / 46 题