"_Gala-Madammen_!" riep hij, zich verbaasd omdraaiende: "eilieve
Gerrit! Het schijnt, dat er een bijzonder Tarief is voor de dames
die hier vertering maken. Maar waar is nu het Tarief voor de
_Gala-Heeren_?"
"Kom! gij zijt een ezelskop!" zeide Gerrit, zonder zich te
verwaardigen, slechts even zijn houding te veranderen! "Het is het
tarief der _Galamadammen_, dat zijn: de _Dammen_ van _Galama_."
"Hm! zoo!" hernam Willem: "men mag niet eens meer een onnoozele
woordspeling maken. Denkt uwe hoogverlichte wijsheid, dat ik dit niet
zonder uwe opheldering vatte? Denkje dat ik niet zoo goed en beter
dan gij weet, dat zich in deze omstreken de Galamaas ophielden, van
den driesten strooper af, die Graaf Floris den Vetten een steek gaf,
tot den wakkeren Vetkooper Ige toe?"
"De jongste broeder van Ige was de stamvader van mijn grootmoeder,"
zeide met een piepend stemmetje een der aan de tafel gezetene personen.
"In waarheid!" riep Willem, zich verheugd naar den spreker wendende,
een klein, schraal, ineengedrongen mannetje, met een half boersch,
half steedsch voorkomen: "heb ik waarlijk de eer, mij met een
afstammeling der Galamaas in gezelschap te bevinden?--Dan moet er
dadelijk licht komen, opdat ik u beschouwen moge, en wijn, opdat ik
uw gezondheid drinke."
"Ja maar! 't Is alleen van moederszijde," zeide de Fries. "Mijn naam
is Dirk Broddelsma."
"Om 't even! Het echte _frije_ Friesche bloed stroomt u toch nog in de
aderen, en gij zult dienvolgens al zoomin tegen een glas wijn hebben
als uw voorouders:--schoon die meer bier dronken."
Licht en wijn werden hierop binnengebracht: en Willem, de glazen
gevuld hebbende, stelde de gezondheid van den Heer Broddelsma in,
die door al de aanwezigen gedronken werd. Alleen Gerrit, die reeds met
verdriet voorzag, dat de gulhartigheid van Willem tot een drinkpartij
aanleiding zoude kunnen geven, welke hun beiden op hun nachtrust en op
een goede som gelds daarenboven zou komen te staan, vergenoegde zich,
zijn glas even aan de lippen te brengen en het daarna weder voor zich
te plaatsen.
"Hoe is het?" vroeg Willem: "drinkje niet? dan geloof ik waarlijk
dat het slecht met u gesteld is."
"Ik heb mondpijn," zeide Gerrit, "en geloof dat alle verhitting
schadelijk voor mij is."
"Er is hier een uitmuntende _quack_ [1] in de buurt," zeide een
der aanwezigen: "die een kwade kies zal trekken, trots den besten
tandmeester."
"Het is geen kies die het doet," zeide Gerrit; "het is eerder
scheurbuik: mijn tandvleesch is gezwollen."
Triboulet, de hofnar van François I, merkte eenmaal op, dat er
geen beroep was, hetwelk zoo algemeen werd uitgeoefend als dat van
geneesheer; de waarheid van deze bewering werd ook nu bevestigd:
want elk der aanwezigen gaf dadelijk een geneesmiddel aan de hand:
de een prees lepelblad aan: de ander sprak van mastik en wierook:
een derde schreef zwavel en magnesia voor: een vierde beweerde, dat
een pruim van echte baai alle pijn dadelijk zoude stillen; de meid
uit de herberg daarentegen hield vol, dat het beste middel in het
water over de deur groeide.
"Laat maar wat _harntje_ rijs plukken," zeide zij: "dat is, afgekookt,
de beste mondspoeling tegen alle scheurbuik."
"_Probatum est_!" riep Willem: "dat is de _herba brittannica_, waar
Plinius reeds van spreekt en waaraan hij diezelfde pijnstillende
krachten toeschrijft."
"Ik 'loof ook, dat ik die 'evonden heb in het oude _receptenboek_,
dat ik thuis heb," zeide de afstammeling der Galamaas.
"Een oud receptenboek?" herhaalde Willem, den spreker met een
nieuwsgierigen blik aanziende.
"Ja toch! daar is onze familie raar aan 'ekomen:--door dien zelfden
Ige Galama, waar jou van sprak."
Aandachtig schoof Willem zijn stoel bij, en Gerrit zelf, het hoofd
oplichtende, keek den verteller met belangstelling aan.
"Jou moet dan weten," verhaalde de Heer Broddelsma, "dat er op een
dorp hier kort bi, dat Hemelum heet, een klooster bestond, waarbinnen
een sterke plaats was, de _Spiker_ genaamd. Nu had de Abt van dat
klooster, die Agge geheeten was en een groot Schieringer.... want
jou moet weten, dat er twee partieën in Friesland waren, die...."
"Nu ja!" viel Willem in, "_haec lippis et tonsoribus nota_, 't geen
zooveel zeggen wil als: vertel maar verder."
"Nu! de Abt lag overhoop met Ige Galama en zijn broers (waarvan de
jongste, Douwe, mijn stamvader was), over eenige pondematen lands,
daar ze allebei recht op vermeenden te hebben: en het liep zoover,
dat de Abt hen in den ban deed: dat was nu zoo de manier in die tiden."
"'t Mocht wat!" zeide Willem: "de manier was toen, er om te vechten,
totdat een van beiden alles inhad."
"Jawel juust! dat zal jou hooren: Ige en zijn broers lachten wat om
dien ban; en met behulp van Juw Jongema, die een wakkere Vetkooper was,
en van eenige Hollanders, belegerden zij het klooster en namen den
_Spiker_ in. Zij haalden er alles uut wat zij vonden: en Ige behield
een grooten buut voor zich; maar mijn stamvader Douwe, die een man
van studie was, nam er de perkamenten en papieren uut, waaronder er
waren, die, zooals men zeide, herkomstig waren uut Sint-Odulf, dat een
klooster was nabi Staveren, maar dat nu onder de zee bedolven ligt."
"En bestaan die papieren nog?" vroeg Willem, verheugd opspringende.
"Ze zijn zoo langzamerhand verbruukt," zeide de Heer Broddelsma,
zijn pijp omdraaiende: "alleen het receptenboek, dat hebben we nog
bewaard, want dat komt nog eens te pas als men veel kinderen heeft
en de _quack_ is niet bi huus."
"Verbruukt!" herhaalde Willem: "verbruukt!
Quis talia fando
Temperet a lachrymis?
't geen zooveel zeggen wil als: kan men dat receptenboek ook eens te
zien krijgen?"
"O ja, waarom niet?" antwoordde de gulhartige Fries: "mijn State is
hier kort bi, en zoo jou morgen een pijp bi mi wilt komen rooken en
een kommeke koffie gebruken, zal ik jou met vermaak dat stukske wizen."
Willem haastte zich deze aanbieding met dankbaarheid aan te
nemen, zonder acht te geven op de wenken van zijn vriend, die van
oordeel was, dat hun dat receptenboek een dag nutteloos zoude doen
verliezen. Desniettegenstaande liet zich Gerrit, toen op den volgenden
morgen zijn mondpijn grootendeels geweken was, zonder dat hij een der
hem aangeprezene middelen had aangewend, overhalen om zijn reisgenoot
te vergezellen; echter aan zich houdende om, zoodra hij zich verveelde,
te mogen aftrekken en een der andere gasten van den vorigen avond te
gaan opzoeken, zijnde een schoolmeester, in wiens heiligdom hij hoopte
met den staat van het lager onderwijs daar te lande bekend te worden.
Weldra bereikten zij Broddelsma-state, bestaande uit een nette woning
met de daaraan gebouwde ruime voorraadschuur en beestenstal, staande
op een werf, met enkele dwergachtige pereboomen beplant en door een
sloot omgeven. Daar de in Friesland gewone waarschuwing: _wacht u voor
den hond_! ook hier voor het hek te lezen stond, traden onze beide
vrienden ook niet eerder de brug over, die de werf van den landweg
scheidde, dan voordat hun geroep eerst een grooten dog en eenige
keffertjes, vervolgens een drietal kinderen, daarna een knecht en
eindelijk een paar knappe boerendeernen had doen te voorschijn komen,
die allen (uitgenomen de blaffende honden) op een afstand bleven staan
kijken; totdat ten laatste de eigenaar zelf voor den dag trad en hen
wellekom heette. In zijne woning getreden vonden zij de koffiekan,
den roompot en de witte klontjes reeds op tafel staan en, nadat men
een pijp gestopt en aangestoken had, werd het receptenboek voor den
dag gehaald uit een glazen kast, waar het tusschen eenige gouden
en zilveren zweepen, hoofdstellen, schenkkannen en andere prijzen,
op harddraverijen behaald, lag te rusten.
Met bevende handen en het gemoed van eerbied doordrongen, sloeg Willem
den juchtlederen band open. Het was een handschrift op perkament,
tot opschrift voerende:
THESAURUS SANITATIS
in usum
Venerandi Monasterii sub patronatu Sancti Odolfi,
collectus ab
Occone Varnesensi,
in eodem monasterio medic. chir. et obstetr. artem excercente.
"Ik denk niet dat de laatstgenoemde kunst den Heer Occo van Warns in
een klooster van veel nut zal geweest zijn," merkte Gerrit aan.
"Zeg dat niet," zeide Willem: "daar moest gezorgd worden, dat de vrome
vaders niet uitstierven; maar bovendien en zonder gekscheren, vermits
te dier tijd de kunsten en wetenschappen hier alleen in de kloosters
beoefend werden, was het niet meer dan natuurlijk dat elke soort van
beroep en kostwinning een vertegenwoordiger moest hebben in gestichten
van dien aard, waarheen ieder zich wendde, die eenige hulp, in welk
vak of van welken aard ook, voor zich of voor de zijnen van doen had."
Dit zeggende, bladerde hij het handschrift door, hetwelk in de oude
Friesche landtaal met een nette hand geschreven was, en een lijst
van recepten bevatte tegen alle soorten van kwalen. Sommige der
opgegevene geneesmiddelen waren niet onderscheiden van die, welke
ook thans nog in zwang zijn: andere waren van een soort, die sedert
in onbruik geraakt is en vereischten een onbepaald geloof aan die
wonderbare sympathetische krachten, vroeger toegeschreven aan enkele
voortbrengselen uit het plantenrijk en aan de meeste gesteenten en
metalen. De juiste ouderdom van het werk viel moeilijk te bepalen, daar
het van geen jaartal voorzien was;--maar uit ettelijke kantteekeningen,
van een andere, min keurige hand ter neder gesteld en onderschreven:
Volcardus Abbas, kon men besluiten dat het werk althans ouder zijn
moest dan de eerste helft der Veertiende Eeuw, vermits de Abt Volkert,
gelijk ieder weet, in 1340 nog leefde.
"'t Is jammer, dat uw broeder de dokter hier niet is," zeide Gerrit
tot zijn vriend: "die had daar meer aan dan wij."
"Wel ja!" zeide Willem; "even alsof onze tegenwoordige geneesheeren
iets anders dan een blik van verachting zouden schenken aan een
werk, waarin de amethysten als een voorbehoedmiddel tegen alle
vergiften en de karbonkels als een waarborg tegen verraad worden
voorgeschreven.--Maar eilieve! zie eens: hier eindigt het receptenboek
en er volgt nog wat anders, dat wellicht merkwaardiger is: hoor eens,"
vervolgde hij, overluid lezende:
"_Hic incipit narratio victoriae memorabilis quam de Hollandis
reportaverunt Frisii, nec non aliorum, sempiterna quae memoria digna
sunt, negotiorum_."
En terstond verder lezende, ontdekte hij, dat het vervolg een Latijnsch
verhaal bevatte van den slag, bij Sint Odulfs klooster in den jare
1345 gestreden, maar doorvlochten met zoodanige omstandigheden,
bijzondere personen en gebeurtenissen betreffende, als welke onze
kroniekschrijvers onbekend zijn gebleven, althans niet door hen
vermeld worden.
Deze ontdekking scheen onzen jeugdigen oudheidminnaar belangrijk
genoeg toe, om wereldkundig gemaakt te worden: en hij wist, ofschoon
met moeite, door zijn welbespraaktheid het zooverre te brengen, dat
de Heer Broddelsma hem het Handschrift ter leen afstond; want van
een verkoop wilde de goede man niets hooren. Bijzondere huiselijke
omstandigheden, voor den lezer van geen belang, beletteden echter
den jongeling aan zijn plan tot uitgave van het stuk eenig gevolg te
geven; maar hij zond het receptenboek aan een geneeskundig tijdschrift,
waarin het, zoo wij hopen, eerlang, met ophelderende aanteekeningen
verrijkt, aan de aandacht van het publiek zal worden aangeboden:
en den schrijver van dit voorbericht werd verzocht de uitgave der
kroniek op zich te nemen. Deze had echter niet zoodra de handen
aan 't werk geslagen en tot toelichting van het verhaal de noodige
overleveringen, geschiedenissen en localiteiten geraadpleegd, of
hij begon te vreezen, dat, bij de uitgave, het werk zelf in de massa
der noten en ophelderingen zou verstikt worden, iets, dat thans wat
algemeen in zwang is geraakt, maar hetgeen hem altijd denken deed aan
die stukjes chocolade of suikergoed onzer hedendaagsche banketbakkers,
zoodanig met gesatineerde papiertjes, deviezen, verguldsel en prentwerk
omtogen, dat niet alleen de prijs van het geheel aanmerkelijk verhoogd,
maar ook het hoofdingrediënt tot een accessorium wordt. Hij besloot
uit dien hoofde de bijzonderheden, in het verhaal vermeld, met die,
welke hij door eigen onderzoek en nasporing had leeren kennen, tot een
geheel te verzamelen en in den vorm eener doorloopende geschiedenis,
te boek te stellen:--in hoeverre hij, door dezen arbeid, geslaagd zij
aan zijn lezers eenige oogenblikken aangenaam, en (zoo hij hoopt)
ook nuttig te laten doorbrengen, zal de toekomst leeren. Wie op de
fantastische schildering van _exceptioneele_ personen belust is, zooals
de hedendaagsche literatuur onzer naburen die meestal aanbiedt, zal
zich bedrogen vinden: hij zal hier slechts menschen aantreffen, zooals
zij nog heden ten dage zijn, met hun goede en slechte hoedanigheden,
met hun driften en hartstochten,--maar gewijzigd naar de denkbeelden,
zeden en gebruiken van den tijd. Maar hij zal, na het ten einde brengen
dezer bladeren, de waarheid daarin bevestigd vinden der stelling, dat,
zoo niet al het goede op deze wereld zijn loon noch het kwade zijn
straf ontmoet, diegene ten minste, die zich laat overmeesteren door
eenigen hartstocht, al ware die zelfs uit zijn oorsprong te billijken,
altijd zal achterstaan bij hem, die, uit welk beginsel dan ook, de
omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en,
gelijk de schrijver zich uitdrukt, aan wien wij ons motto ontleenen:
Wacht en stille sitt.