Helaas! ook haar lieve bescherm-vriendin zou Rozeke weldra voor goed
ontnomen worden!--Sinds maanden en weldra sinds jaren, sinds zij, midden
in haar jong geluk, in de volheid van haar liefde en haar vertrouwen,
het bedrog ontdekte van den eenigen man dien zij bemind had en aan wien
zij alles had gegeven, was iets in haar geknakt dat nooit meer kon
hersteld worden. De wettelijke scheiding was nu uitgesproken, zij had
het kind en van hèm hoorde zij niets meer; maar nooit, nooit, geen enkel
oogenblik van gansch haar verder leven kon ze zich over de verwoesting
van haar geluk heen zetten. De slag was te hard, te onverwacht geweest;
niets, zelfs geen schim van argwaan of wantrouwen had er haar op
voorbereid; opeens, als een donderslag was 't uitgebarsten: zijn vlucht
met die vrouw, eene waarmee hij het al lang, van vóór zijn huwelijk
hield, eene die hij bijna dagelijks zag, eene die geheimlijk met hen
mede was op de huwelijksreis en ook op alle reizen die zij verder
ondernamen;... opeens, door een toevallige omstandigheid; door een
brief voor hem die in haar handen kwam, had alles zich ontsluierd; en
vanaf dat oogenblik was 't in haar ziel als een onverpoosd werkend en
knagend vergif, tot het een langdurige, kwijnende ziekte werd, die haar
onmeedoogend naar 't noodlottig einde sleepte.
Rozeke, die haar weer sinds maanden niet gezien had, hoorde zeggen dat
ze zoo ziek was en ging haar op 't kasteel bezoeken.
't Was op een zachten, helderen, stilglanzenden najaarsdag. Heel het
groote park met zijn machtige boomen stond roerloos, als vereeuwigd, in
purper en in goud van herfstschakeeringen; paden en grasvelden lagen met
een flonkerend tintelkleed van rood en bruin en goud bedekt; en ietwat
terzijde van het rood kasteel, dichtbij een boschje rhododendrons, zag
Rozeke van verre haar teergeliefde jonkvrouw zitten, als altijd gansch
in 't zwart gekleed, met witte kussens in den rug, onder een grijslinnen
tuin-parasol, op een houten bank. Een zwarte non met glinsterend-blanke
vleugelkap stond aan haar zijde, dichtbij een bruin fauteuil-wagentje
met elastieken banden.
Rozeke's keel kneep van emotie toe en tranen kwamen onweerstaanbaar in
haar oogen. O! wat zag ze er geel en mager uit! wat was ze nog verouderd
en afgevallen sinds den dag dat Rozeke haar voor 't laatst op 't
hoevetje gezien had!
Door een soort schrik bevangen trad zij op haar toe; maar de barones
lachte haar zacht en vriendelijk te gemoet en zei met een weeke,
verteederde stem:
"O, Rozeke, dat doet mij toch genoegen dat ge mij ook eens komt
bezoeken; ik heb al zoo dikwijls aan u gedacht,"--En zij verzocht Rozeke
naast haar te komen zitten, terwijl het nonnetje, ingetogen en
bescheiden, even wegging.
"Hoe goat 't mee ou, mevreiwe?" vroeg Rozeke, zich inspannend om haar
ontroering te verbergen.
"Och," zuchtte zij en trok haar magere, bijna puntige schouders op. En
zwak-glimlachend wees zij naar het wagentje en zei:
"Dàt zijn mijn beenen nu."
"Ge moet koeroage hèn, mevreiwe, ge zij nog zeu jonk, 't zal nog wel
beteren," poogde Rozeke te troosten.
Een uitdrukking van grenzelooze droefheid kwam eensklaps als een donkere
schaduw over 't magere gelaat der jonge vrouw. Hare verzwakte oogen
schenen zich, als voor een gruwelbeeld, weg te trekken tot in 't diepst
van hun holten en zij zuchtte:
"Ik ben gelukkig geweest, Rozeke, ik ben het geweest, heerlijk en
volkomen, maar te kort, te kort...."
Zij zaten beiden even zwijgend in verre, verre gedachten. Het was of zij
elkander nu niets meer te zeggen hadden; alles was uitgesproken in die
droeve korte woorden en alleen haar hart sprak nog, tikkend en jagend in
haar boezem als een gefolterd, gevangen wezen dat niet meer ontsnappen
kan. Gouden blaren vielen ritselend uit de hooge, gouden kruinen vóór
haar voeten op den grond en de lauwe najaarszon in vlekloos-blauwen
hemel, glansde zoo zacht en zoo weldadig. De stilte was volkomen. Het
rood kasteel met zijn heldere ramen en spitse torens rees in statige
rust uit den droomenden vijver op en in de malsche, groene weide bij de
boerderij graasde kalm onder elkaar, als in paradijsch geluk en vrede,
een bonte kudde vee en paarden. Het kón niet schooner op de wereld en in
die volle harmonie van de natuur voelden zij hun zware droefheid als een
wanklank dien zij nauwelijks nog zuchtend durfden uiten.
"Hij hé ou bedrogen, e-woar, mevreiwe?" vroeg eindelijk Rozeke met
aarzelende, matte stem.
"Ja," fluisterde zij.--En, als 't ware met een korten knak, zonk haar
hoofd op haar magere borst.
Rozeke kon geen woord meer spreken. Zij had het hoofd van haar vriendin
wel, uit medelijden, tusschen haar handen willen nemen en het duizend en
duizend maal streelen en zoenen. Maar zij durfde niet; het woelde
onstuimig in haar binnenste en kropte in haar keel en weer zaten zij een
poos doodstil, in zwaar-benauwde drukking. De gouden dorre bladeren
ritselden glinsterend om haar heen en ergens in een boschje liet een
vogeltje nog eventjes zijn laatst, fijn en melancholisch klinkend liedje
hooren.
"Had ik maar naar mijn ouders geluisterd," zuchtte eindelijk de barones.
Rozeke meende in die woorden ook een indirect verwijt tot zich te hooren
en zij antwoordde berouwvol:
"Joa; en ha 'k ou mee hem in ons huis niet te goare gebrocht!"
Maar de zieke schudde zacht, met een verontschuldigenden glimlach, haar
gebogen hoofd:
"Neen neen, Rozeke, dat kondt gij niet weten; en ook,... toen was hij
nog goed ... toen dacht ik ten minste dat hij zoo goed zou zijn voor mij
en ik voelde mij gelukkig."
Om den hoek van een allee verschenen plotseling de oude baron en de
barones, met het nonnetje en een bleek, blondharig, geheel in 't zwart
gekleed knaapje. Rozeke stond op om te vertrekken; maar de oude baron en
zijn vrouw gingen door naar 't kasteel en 't nonnetje met het kind
kwamen naar de bank toe.
"Nee, Rozeke, nog niet weggaan, ge moet eerst mijn zoon eens zien," zei
de jonge barones.
Het kind stond voor haar.--"Dis bonjour, Jacques, et donne la main,"
zeide zij.
Het knaapje zei "bonjour" en stak aarzelend zijn handje naar Rozeke uit,
meteen, als vreemd, zijn lijfje wat terugtrekkend. Met zijn heldere,
lichtblauwe oogen staarde het Rozeke even strak aan. Het nonnetje
glimlachte stil, onbewegelijk naast hen staande.--Toen gingen zij
verder.
"Op wie lijkt hij?" vroeg de barones, nadat zij achter het boschje
rhododendrons verdwenen waren.
Rozeke aarzelde.
"Zeg het maar; op hèm, niet waar?"
"Joa hij mevreiwe, hij gelijkt er veel op."
Toen ondervroeg zij Rozeke over Smul, en Rozeke vertelde van zijn
vloeken en zijn drinken, maar dat hij haar toch niet meer durfde
mishandelen, omdat hij laf en bang geworden was na de bedreigingen van
de barones. En Rozeke dankte innig haar vriendin voor de liefdadige hulp
aan haar kinderen besteed. Hilairken was zoo tevreden en leerde zoo goed
bij meester Cattoir en Marietje voelde zich zoo gelukkig bij de
nonnetjes in 't klooster.
"Rozeke, ik heb voor u en voor uwe kinderen gezorgd," zeide de barones.
"Ik heb u in mijn testament gezet voor een som waar hij nooit aan kan
komen."
"O, mevreiwe, mevreiwe, 'k hope toch da ge zilt genezen; 'k hope uit de
grond van mijn herte da ge langer zilt leven as ikke!" riep Rozeke, in
tranen uitbarstend.
Maar de barones schudde weemoedig het hoofd en bracht Rozeke door een
zacht gebaar weer tot bedaren.
Het nonnetje kwam terug, met vlugge, stille pasjes, in de strakke lijnen
van haar donker kleed, haar frisch en immer opgewekt gezicht gehuld in
't wit kornetje met de witte, uitgespreide vleugeltjes van ongeschonden
reinheid. Zij deed Rozeke denken aan het lief begijntje dat destijds
Alfons' oude nicht verpleegde, en een wereld van herinneringen rees
kwellend weer in haar op.
"Il est temps, madame, le soleil se couche," fluisterde het nonnetje nu
de barones vriendelijk toe.
De zieke knikte langzaam met het hoofd ten teeken van gehoorzaamheid.
Het nonnetje hielp haar met zachte handen opstaan en bracht haar in het
wagentje. Zij vroeg aan Rozeke of zij de kussens wilde meenemen.--En
duwend reed zij de patiënte langzaam, in 't stil geklaag der kiezeltjes
onder de elastieke banden, terug naar het kasteel, waar reeds twee
knechten op het bordes stonden te wachten, om haar naar binnen te
dragen.
"Zult ge mij nóg eens komen bezoeken, Rozeke?" vroeg ze zacht
glimlachend, bij de steenen treden van 't bordes.
"O joa ik, mevreiwe, joa ik; en 'k zal alle doagen onze lieven Hiere
bidden omdat Hij ou toch genezen zoe," zuchtte Rozeke met hikken in de
stem.
De zieke dankte met een langen, stillen blik van liefde en als een doode
vracht zag Rozeke haar in het wagentje naar boven dragen, terwijl zij
zelve snikkend heenging....
* * * * *