XLIV.

Helaas! ook haar lieve bescherm-vriendin zou Rozeke weldra voor goed

ontnomen worden!--Sinds maanden en weldra sinds jaren, sinds zij, midden

in haar jong geluk, in de volheid van haar liefde en haar vertrouwen,

het bedrog ontdekte van den eenigen man dien zij bemind had en aan wien

zij alles had gegeven, was iets in haar geknakt dat nooit meer kon

hersteld worden. De wettelijke scheiding was nu uitgesproken, zij had

het kind en van hèm hoorde zij niets meer; maar nooit, nooit, geen enkel

oogenblik van gansch haar verder leven kon ze zich over de verwoesting

van haar geluk heen zetten. De slag was te hard, te onverwacht geweest;

niets, zelfs geen schim van argwaan of wantrouwen had er haar op

voorbereid; opeens, als een donderslag was 't uitgebarsten: zijn vlucht

met die vrouw, eene waarmee hij het al lang, van vóór zijn huwelijk

hield, eene die hij bijna dagelijks zag, eene die geheimlijk met hen

mede was op de huwelijksreis en ook op alle reizen die zij verder

ondernamen;... opeens, door een toevallige omstandigheid; door een

brief voor hem die in haar handen kwam, had alles zich ontsluierd; en

vanaf dat oogenblik was 't in haar ziel als een onverpoosd werkend en

knagend vergif, tot het een langdurige, kwijnende ziekte werd, die haar

onmeedoogend naar 't noodlottig einde sleepte.

Rozeke, die haar weer sinds maanden niet gezien had, hoorde zeggen dat

ze zoo ziek was en ging haar op 't kasteel bezoeken.

't Was op een zachten, helderen, stilglanzenden najaarsdag. Heel het

groote park met zijn machtige boomen stond roerloos, als vereeuwigd, in

purper en in goud van herfstschakeeringen; paden en grasvelden lagen met

een flonkerend tintelkleed van rood en bruin en goud bedekt; en ietwat

terzijde van het rood kasteel, dichtbij een boschje rhododendrons, zag

Rozeke van verre haar teergeliefde jonkvrouw zitten, als altijd gansch

in 't zwart gekleed, met witte kussens in den rug, onder een grijslinnen

tuin-parasol, op een houten bank. Een zwarte non met glinsterend-blanke

vleugelkap stond aan haar zijde, dichtbij een bruin fauteuil-wagentje

met elastieken banden.

Rozeke's keel kneep van emotie toe en tranen kwamen onweerstaanbaar in

haar oogen. O! wat zag ze er geel en mager uit! wat was ze nog verouderd

en afgevallen sinds den dag dat Rozeke haar voor 't laatst op 't

hoevetje gezien had!

Door een soort schrik bevangen trad zij op haar toe; maar de barones

lachte haar zacht en vriendelijk te gemoet en zei met een weeke,

verteederde stem:

"O, Rozeke, dat doet mij toch genoegen dat ge mij ook eens komt

bezoeken; ik heb al zoo dikwijls aan u gedacht,"--En zij verzocht Rozeke

naast haar te komen zitten, terwijl het nonnetje, ingetogen en

bescheiden, even wegging.

"Hoe goat 't mee ou, mevreiwe?" vroeg Rozeke, zich inspannend om haar

ontroering te verbergen.

"Och," zuchtte zij en trok haar magere, bijna puntige schouders op. En

zwak-glimlachend wees zij naar het wagentje en zei:

"Dàt zijn mijn beenen nu."

"Ge moet koeroage hèn, mevreiwe, ge zij nog zeu jonk, 't zal nog wel

beteren," poogde Rozeke te troosten.

Een uitdrukking van grenzelooze droefheid kwam eensklaps als een donkere

schaduw over 't magere gelaat der jonge vrouw. Hare verzwakte oogen

schenen zich, als voor een gruwelbeeld, weg te trekken tot in 't diepst

van hun holten en zij zuchtte:

"Ik ben gelukkig geweest, Rozeke, ik ben het geweest, heerlijk en

volkomen, maar te kort, te kort...."

Zij zaten beiden even zwijgend in verre, verre gedachten. Het was of zij

elkander nu niets meer te zeggen hadden; alles was uitgesproken in die

droeve korte woorden en alleen haar hart sprak nog, tikkend en jagend in

haar boezem als een gefolterd, gevangen wezen dat niet meer ontsnappen

kan. Gouden blaren vielen ritselend uit de hooge, gouden kruinen vóór

haar voeten op den grond en de lauwe najaarszon in vlekloos-blauwen

hemel, glansde zoo zacht en zoo weldadig. De stilte was volkomen. Het

rood kasteel met zijn heldere ramen en spitse torens rees in statige

rust uit den droomenden vijver op en in de malsche, groene weide bij de

boerderij graasde kalm onder elkaar, als in paradijsch geluk en vrede,

een bonte kudde vee en paarden. Het kón niet schooner op de wereld en in

die volle harmonie van de natuur voelden zij hun zware droefheid als een

wanklank dien zij nauwelijks nog zuchtend durfden uiten.

"Hij hé ou bedrogen, e-woar, mevreiwe?" vroeg eindelijk Rozeke met

aarzelende, matte stem.

"Ja," fluisterde zij.--En, als 't ware met een korten knak, zonk haar

hoofd op haar magere borst.

Rozeke kon geen woord meer spreken. Zij had het hoofd van haar vriendin

wel, uit medelijden, tusschen haar handen willen nemen en het duizend en

duizend maal streelen en zoenen. Maar zij durfde niet; het woelde

onstuimig in haar binnenste en kropte in haar keel en weer zaten zij een

poos doodstil, in zwaar-benauwde drukking. De gouden dorre bladeren

ritselden glinsterend om haar heen en ergens in een boschje liet een

vogeltje nog eventjes zijn laatst, fijn en melancholisch klinkend liedje

hooren.

"Had ik maar naar mijn ouders geluisterd," zuchtte eindelijk de barones.

Rozeke meende in die woorden ook een indirect verwijt tot zich te hooren

en zij antwoordde berouwvol:

"Joa; en ha 'k ou mee hem in ons huis niet te goare gebrocht!"

Maar de zieke schudde zacht, met een verontschuldigenden glimlach, haar

gebogen hoofd:

"Neen neen, Rozeke, dat kondt gij niet weten; en ook,... toen was hij

nog goed ... toen dacht ik ten minste dat hij zoo goed zou zijn voor mij

en ik voelde mij gelukkig."

Om den hoek van een allee verschenen plotseling de oude baron en de

barones, met het nonnetje en een bleek, blondharig, geheel in 't zwart

gekleed knaapje. Rozeke stond op om te vertrekken; maar de oude baron en

zijn vrouw gingen door naar 't kasteel en 't nonnetje met het kind

kwamen naar de bank toe.

"Nee, Rozeke, nog niet weggaan, ge moet eerst mijn zoon eens zien," zei

de jonge barones.

Het kind stond voor haar.--"Dis bonjour, Jacques, et donne la main,"

zeide zij.

Het knaapje zei "bonjour" en stak aarzelend zijn handje naar Rozeke uit,

meteen, als vreemd, zijn lijfje wat terugtrekkend. Met zijn heldere,

lichtblauwe oogen staarde het Rozeke even strak aan. Het nonnetje

glimlachte stil, onbewegelijk naast hen staande.--Toen gingen zij

verder.

"Op wie lijkt hij?" vroeg de barones, nadat zij achter het boschje

rhododendrons verdwenen waren.

Rozeke aarzelde.

"Zeg het maar; op hèm, niet waar?"

"Joa hij mevreiwe, hij gelijkt er veel op."

Toen ondervroeg zij Rozeke over Smul, en Rozeke vertelde van zijn

vloeken en zijn drinken, maar dat hij haar toch niet meer durfde

mishandelen, omdat hij laf en bang geworden was na de bedreigingen van

de barones. En Rozeke dankte innig haar vriendin voor de liefdadige hulp

aan haar kinderen besteed. Hilairken was zoo tevreden en leerde zoo goed

bij meester Cattoir en Marietje voelde zich zoo gelukkig bij de

nonnetjes in 't klooster.

"Rozeke, ik heb voor u en voor uwe kinderen gezorgd," zeide de barones.

"Ik heb u in mijn testament gezet voor een som waar hij nooit aan kan

komen."

"O, mevreiwe, mevreiwe, 'k hope toch da ge zilt genezen; 'k hope uit de

grond van mijn herte da ge langer zilt leven as ikke!" riep Rozeke, in

tranen uitbarstend.

Maar de barones schudde weemoedig het hoofd en bracht Rozeke door een

zacht gebaar weer tot bedaren.

Het nonnetje kwam terug, met vlugge, stille pasjes, in de strakke lijnen

van haar donker kleed, haar frisch en immer opgewekt gezicht gehuld in

't wit kornetje met de witte, uitgespreide vleugeltjes van ongeschonden

reinheid. Zij deed Rozeke denken aan het lief begijntje dat destijds

Alfons' oude nicht verpleegde, en een wereld van herinneringen rees

kwellend weer in haar op.

"Il est temps, madame, le soleil se couche," fluisterde het nonnetje nu

de barones vriendelijk toe.

De zieke knikte langzaam met het hoofd ten teeken van gehoorzaamheid.

Het nonnetje hielp haar met zachte handen opstaan en bracht haar in het

wagentje. Zij vroeg aan Rozeke of zij de kussens wilde meenemen.--En

duwend reed zij de patiënte langzaam, in 't stil geklaag der kiezeltjes

onder de elastieke banden, terug naar het kasteel, waar reeds twee

knechten op het bordes stonden te wachten, om haar naar binnen te

dragen.

"Zult ge mij nóg eens komen bezoeken, Rozeke?" vroeg ze zacht

glimlachend, bij de steenen treden van 't bordes.

"O joa ik, mevreiwe, joa ik; en 'k zal alle doagen onze lieven Hiere

bidden omdat Hij ou toch genezen zoe," zuchtte Rozeke met hikken in de

stem.

De zieke dankte met een langen, stillen blik van liefde en als een doode

vracht zag Rozeke haar in het wagentje naar boven dragen, terwijl zij

zelve snikkend heenging....

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 44 / 51 题