Dit was de laatste maal dat zij haar buiten zag. Toen zij na een paar
weken op het kasteel terug kwam, lag de jonge barones te bed om het niet
meer levend te verlaten. Zij spraken nog een poosje met elkaar, zij
spraken van het zacht en lief verleden, van hun eerste ontmoetingen, van
beider hoop en geloof in een toekomst van geluk, die zich helaas, voor
geen van beiden had verwezenlijkt.--En toen was 't uit, de grijze dood
stond eensklaps tusschen hen; hun teedere, wederzijdsche genegenheid,
zoo vertrouwelijk en zoo innig ondanks het groot verschil in stand, als
een in leed en in geluk harmonieus opgaande en begrepen liefde, alles
was plotseling stil en koud en dood; voor altijd op aarde waren ze door
het noodlot gescheiden. Zij ging het Groot Mysterie tegemoet; zij ging
daar waar Alfons reeds was en waar ook Rozeke vroeg of laat komen zou.
Zij stierf op een der laatste, droeve dagen van November.... Rozeke, die
wist dat het einde naderend was, luisterde iederen ochtend en avond in
angstige spanning of de verre doodsklok op den kerktoren galmde.--En
eindelijk, op een koud-stillen, grijs-mistigen avond hoorde ze 't: de
driemaal herhaalde, in lugubere kadans galmende slagen: het bimbim ...
bombom ... bambam der groote, plechtige begrafenissen.
"De jonge mevreiwe zal deud zijn!" riep zij ontroerd tot Meleken, die
bezig was met de luiken dicht te doen. Zij had nog willen twijfelen maar
het was bijna niet mogelijk. Zij liep gejaagd naar de buren, en daar
hoorde ze 't: ja, de jonge barones was overleden. De menschen kwamen uit
hun huis, spraken elkaar met bedroefde gezichten aan. Allen hadden
steeds zooveel van haar gehouden en zooveel medelijden gevoeld met haar
ongelukkig jong leven.--De grauwe nevel-lucht leek vol van rouw en
treurnis, in alle schuren staakte 't doffe bonzen van de dorschvlegels
en het gegons der zwingelraderen; eenieder stond huiverend in de kou
buiten te luisteren naar het verre droeve galmen van de doodsklok; en in
vele huisjes werden kaarsen ontstoken en bad men, neergeknield bij de
heilige beeldjes, voor de zielerust der liefelijke en zoo rampzalige
jonge vrouw.
Den volgenden dag ging Rozeke naar 't kasteel en vroeg of zij haar
vriendin nog eens mocht zien. Door een zwijgenden knecht werd zij in een
sombere, doodstille kamer gelaten en na een poosje hoorde zij een zacht
geruisch van rokken en vóór haar stond de donkere gestalte van het
stille nonnetje, die haar fluisterend met zich mede wenkte. Over den
zwaren looper van de breede trap gingen zij naar boven. Hooge ramen van
blauw, geel en purper gekleurd glas hulden vestibule en trapportaal als
in een atmosfeer van kerk; en door een lange, donkere gang kwamen zij
aan een witte deur, die 't nonnetje zachtjes voor haar openduwde.
Bevend en snikkend trad Rozeke binnen. En door haar tranen heen zag zij
eerst niets dan een witachtigen nevel, waaruit bedwelmende aromas van de
fijnste bloemen schenen op te wasemen. 't Was of zij in een donkere
bloemen-serre kwam, waarin alleen twee witte kaarsjes op een witte tafel
brandden; en eerst toen ze vóór 't bed stond zag zij haar geliefde
jonkvrouw liggen, o zoo schoon, zoo heilig teer en schoon, het fijne,
wasgeel hoofd een ietsje scheefgezakt op 't blanke kussen, de oogen toe,
het prachtig haar in twee zware, donkere vlechten op haar schouders
golvend en de fijne gele handen als biddend op de strakke borst
gevouwen.--O, zij scheen zoo heilig-kalm te rusten en te bidden; en om
haar heen, op 't blanke bed, was het een schat van pure, blanke bloemen,
die als de geurende essentie van haar allerlaatst gebed in onzichtbaren
wierook rondom haar ten hemel stegen.
Rozeke was met gevouwen handen vóór het doodsbed op haar knieën gezonken
en een poos was er geen ander geluid in de stille, donkere dooden-kamer
dan het geknetter van de waskaarsen en het snikken van 't geknakte
boerenvrouwtje in lijdende aanbidding voor haar doode meesteres. Toen
stak het nonnetje met stil gebaar een vochtig palmtakje naar haar uit en
Rozeke nam het in de hand en besproeide even, in vrome teederheid, de
lijkwade der doode. Een laatste maal staarde zij, door haar tranen heen,
naar de zoo geliefde trekken en toen vertrok ze, waggelend, als in
duizeling, door de donkere gang tot aan de schemerige trap door 't
stille nonnetje begeleid.
* * * * *