XLIII.

Drie weken lang lag Smul tusschen leven en dood. Zijn beide beenen waren

gebroken en hij had ernstige, inwendige kneuzingen. Toen begon hij

langzamerhand te herstellen. Hij mocht weldra gewoon eten en drinken en

vóór het einde van de tweede maand kwam hij op en zat bij den haard, in

denzelfden leunstoel waar Alfons destijds zooveel droeve maanden had

gesleten.

Eerst toen hij weer begon te loopen werd het duidelijk hoe zwaar

gehavend hij was geweest. Zijn linkerbeen, niet bijzonder handig door

den dorpsdokter weer in elkaar gezet, stond krom-vergroeid gelijk een

boog, en was wel drie vingers korter dan het andere. Hij hinkte.

Somber zat hij in den donkeren schoorsteenhoek bij 't vuur en sprak

gansche dagen lang slechts de aller-noodigste woorden. Feitelijk sprak

hij alleen om te bevelen. Hij zei barsch den knecht zijn dagelijksch

werk; bestelde kort en ruw aan Rozeke en Meleken wat hij eten wou of

drinken. Hij at en dronk veel; en wanneer hij niet at of dronk, zat hij

zwijgend te pruimen of te rooken. Van 't ongeluk, van wat hij dien

middag gedaan had, van waar hij geweest was, geen woord. Rozeke wist

enkel, door menschen uit het dorp, dat hij woest, als een gek, door de

straten had gereden, dat hij in vele herbergen geweest was, dat hij

herhaaldelijk zijn paard geslagen en mishandeld had.

Het kon haar ook niet schelen. Hij bestond niet meer voor haar. Zij

leefde buiten hem om, voor haar kinderen en zijn gebrekkig lichaam

maakte haar nu sterker tegenover hem. Hij zou haar, ook al durfde hij

nog, niet zoo gemakkelijk meer kunnen mishandelen als vroeger. Zij kon

voor hem vluchten; hem ontsnappen. Dat was haar als een zachte wraak in

al haar ongeluk; en telkens als hij Weer opbruischte en op haar schold

en vloekte, keek zij hem met stil misprijzen aan en dacht: "Raas maar,

vloek maar, slaan kunt ge mij niet meer; ik ben de vlugste en daardoor

de sterkste nu. Zij had maar één vrees: dat hij nog verder zou genezen

en weer in vlugheid van beweging háár de baas worden. Doch daar was

weinig kans op. Alleen als vrouw, des nachts, kon zij hem niet

ontsnappen; zij mòèst wel bij hem blijven dan en dat was haar een

onuitsprekelijke gruwel. Dan was ze in zijn bezit en telkens was 't weer

als een woeste aanranding en telkens dacht ze ook weer, met nijdig op

elkaar geklemde tanden: "O, 'k wenschte dat ge toch dood waart!"

Maar 't werd een sleur en ook dàt vlijmend gevoel van walg en opstand

ging allengs in haar aan het verdooven, en de hoop op haar verlossing

door zijn dood zong weldra nog slechts in haar zijn vage verre rythmen,

als een illuzie die zij wellicht nooit beleven zou.

Zij versufte, leefde machinaal en onverschillig. Toen weldra weer een

kind moest komen, trok ze 't zich nauwelijks aan en leed er niet meer

onder.

Het kwam ook heel gemakkelijk, haast zonder smart; het werd geboren

midden op den dag, zonder hulp van dokter of baker, terwijl Smul even

naar het veld gehinkt was. En zij liet hem ook voor de gebeurtenis niet

terugroepen; hij hoorde 't eerst van Meleken, toen hij 's avonds weer

naar huis kwam en keek het wichtje ook maar eventjes en onverschillig

aan, zijn pijp nog in den mond, stinkend naar jenever dien hij in de

herbergjes van het gehucht gedronken had.

En weer verliep de tijd in duffe eentonigheid, nu en dan afgewisseld

door stormvlagen van uitbarstenden haat en vijandschap: en 't jaar

daarna moest weer een kind geboren worden.

Zij trok er haar schouders voor op. Of er nu nog twintig kwamen, 't kon

haar niet meer schelen. Er rustte een vloek op haar; zij kon tegen het

noodlot niet op. Haar wensch dat hij zou sterven mocht maar niet vervuld

worden; wie weet: het was misschien een goddelijke wraak over dien

boozen wensch, dat steeds meer kinderen op de wereld kwamen van den man

dien zij het meest op aarde haatte en verachtte. Maar 't kon haar ook

niet schelen; zij had te veel geleden; te veel van haar teerste illuziën

waren voor altijd vernield; zij geloofde aan geen goede, troostende,

zegenende godheid meer.

Langzamerhand werd hij een geregelde, dagelijksche dronkaard. Halve

dagen zat hij in de herbergjes van het gehucht en verwaarloosde zijn

boerderij. Het ging alles achteruit. Zij zelve, vroeger zoo keurig-net,

werd van lieverlede slordig. De jonge barones, die, hoewel zelve diep

gedrukt en ziekelijk, haar nu en dan nog kwam opzoeken, maakte er eens

opmerkingen over. Maar zelfs voor haar trok Rozeke machteloos de

schouders op: zij kon 't niet helpen, zij was overweldigd, zij had het

te druk, het kon haar niet meer schelen.

"Ach, zóó moogt gij tegen mij niet spreken, Rozeke," zei de barones op

een toon van zoo innige droefheid en verwijt, dat Rozeke eensklaps tot

de tranen er door ontroerd werd.

"Pardon, mevreiwe, pardon, moar 'k ben toch zeu ongelukkig!" schreide

zij, in een plotselinge uitbarsting van al haar te lang opgekropt wee.

De barones poogde haar te troosten en bood haar aan te zorgen voor de

opvoeding van haar beide oudste kinderen, die van Alfons. Rozeke, eerst

wat onthutst, nam weldra dankbaar aan; en, voor een oogenblik weer

dezelfde van vroeger, zoende zij met aanbiddende vereering haar

weldoensters handen. Toen kon de jonge barones ook niet langer zich

beheerschen: zij barstte, evenals Rozeke, in tranen los en beiden

schreiden lang en overvloedig, rouwend over een geluk dat voor beide zoo

wanhopig kort van duur was geweest, zoo vol van een wee dat zij in geen

woorden konden uitdrukken.

Smul werd even voor den vorm geraadpleegd; hij gaf nurksch zijn

toestemming en Hilairken werd uitbesteed bij den ouden schoolmeester

Cattoir, die eindelijk, dank zij de tusschenkomst der barones, een

kleine pensioensverhooging had gekregen, terwijl Marietje bij de

nonnetjes in 't klooster op kostschool werd gedaan.

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 43 / 51 题