Drie weken lang lag Smul tusschen leven en dood. Zijn beide beenen waren
gebroken en hij had ernstige, inwendige kneuzingen. Toen begon hij
langzamerhand te herstellen. Hij mocht weldra gewoon eten en drinken en
vóór het einde van de tweede maand kwam hij op en zat bij den haard, in
denzelfden leunstoel waar Alfons destijds zooveel droeve maanden had
gesleten.
Eerst toen hij weer begon te loopen werd het duidelijk hoe zwaar
gehavend hij was geweest. Zijn linkerbeen, niet bijzonder handig door
den dorpsdokter weer in elkaar gezet, stond krom-vergroeid gelijk een
boog, en was wel drie vingers korter dan het andere. Hij hinkte.
Somber zat hij in den donkeren schoorsteenhoek bij 't vuur en sprak
gansche dagen lang slechts de aller-noodigste woorden. Feitelijk sprak
hij alleen om te bevelen. Hij zei barsch den knecht zijn dagelijksch
werk; bestelde kort en ruw aan Rozeke en Meleken wat hij eten wou of
drinken. Hij at en dronk veel; en wanneer hij niet at of dronk, zat hij
zwijgend te pruimen of te rooken. Van 't ongeluk, van wat hij dien
middag gedaan had, van waar hij geweest was, geen woord. Rozeke wist
enkel, door menschen uit het dorp, dat hij woest, als een gek, door de
straten had gereden, dat hij in vele herbergen geweest was, dat hij
herhaaldelijk zijn paard geslagen en mishandeld had.
Het kon haar ook niet schelen. Hij bestond niet meer voor haar. Zij
leefde buiten hem om, voor haar kinderen en zijn gebrekkig lichaam
maakte haar nu sterker tegenover hem. Hij zou haar, ook al durfde hij
nog, niet zoo gemakkelijk meer kunnen mishandelen als vroeger. Zij kon
voor hem vluchten; hem ontsnappen. Dat was haar als een zachte wraak in
al haar ongeluk; en telkens als hij Weer opbruischte en op haar schold
en vloekte, keek zij hem met stil misprijzen aan en dacht: "Raas maar,
vloek maar, slaan kunt ge mij niet meer; ik ben de vlugste en daardoor
de sterkste nu. Zij had maar één vrees: dat hij nog verder zou genezen
en weer in vlugheid van beweging háár de baas worden. Doch daar was
weinig kans op. Alleen als vrouw, des nachts, kon zij hem niet
ontsnappen; zij mòèst wel bij hem blijven dan en dat was haar een
onuitsprekelijke gruwel. Dan was ze in zijn bezit en telkens was 't weer
als een woeste aanranding en telkens dacht ze ook weer, met nijdig op
elkaar geklemde tanden: "O, 'k wenschte dat ge toch dood waart!"
Maar 't werd een sleur en ook dàt vlijmend gevoel van walg en opstand
ging allengs in haar aan het verdooven, en de hoop op haar verlossing
door zijn dood zong weldra nog slechts in haar zijn vage verre rythmen,
als een illuzie die zij wellicht nooit beleven zou.
Zij versufte, leefde machinaal en onverschillig. Toen weldra weer een
kind moest komen, trok ze 't zich nauwelijks aan en leed er niet meer
onder.
Het kwam ook heel gemakkelijk, haast zonder smart; het werd geboren
midden op den dag, zonder hulp van dokter of baker, terwijl Smul even
naar het veld gehinkt was. En zij liet hem ook voor de gebeurtenis niet
terugroepen; hij hoorde 't eerst van Meleken, toen hij 's avonds weer
naar huis kwam en keek het wichtje ook maar eventjes en onverschillig
aan, zijn pijp nog in den mond, stinkend naar jenever dien hij in de
herbergjes van het gehucht gedronken had.
En weer verliep de tijd in duffe eentonigheid, nu en dan afgewisseld
door stormvlagen van uitbarstenden haat en vijandschap: en 't jaar
daarna moest weer een kind geboren worden.
Zij trok er haar schouders voor op. Of er nu nog twintig kwamen, 't kon
haar niet meer schelen. Er rustte een vloek op haar; zij kon tegen het
noodlot niet op. Haar wensch dat hij zou sterven mocht maar niet vervuld
worden; wie weet: het was misschien een goddelijke wraak over dien
boozen wensch, dat steeds meer kinderen op de wereld kwamen van den man
dien zij het meest op aarde haatte en verachtte. Maar 't kon haar ook
niet schelen; zij had te veel geleden; te veel van haar teerste illuziën
waren voor altijd vernield; zij geloofde aan geen goede, troostende,
zegenende godheid meer.
Langzamerhand werd hij een geregelde, dagelijksche dronkaard. Halve
dagen zat hij in de herbergjes van het gehucht en verwaarloosde zijn
boerderij. Het ging alles achteruit. Zij zelve, vroeger zoo keurig-net,
werd van lieverlede slordig. De jonge barones, die, hoewel zelve diep
gedrukt en ziekelijk, haar nu en dan nog kwam opzoeken, maakte er eens
opmerkingen over. Maar zelfs voor haar trok Rozeke machteloos de
schouders op: zij kon 't niet helpen, zij was overweldigd, zij had het
te druk, het kon haar niet meer schelen.
"Ach, zóó moogt gij tegen mij niet spreken, Rozeke," zei de barones op
een toon van zoo innige droefheid en verwijt, dat Rozeke eensklaps tot
de tranen er door ontroerd werd.
"Pardon, mevreiwe, pardon, moar 'k ben toch zeu ongelukkig!" schreide
zij, in een plotselinge uitbarsting van al haar te lang opgekropt wee.
De barones poogde haar te troosten en bood haar aan te zorgen voor de
opvoeding van haar beide oudste kinderen, die van Alfons. Rozeke, eerst
wat onthutst, nam weldra dankbaar aan; en, voor een oogenblik weer
dezelfde van vroeger, zoende zij met aanbiddende vereering haar
weldoensters handen. Toen kon de jonge barones ook niet langer zich
beheerschen: zij barstte, evenals Rozeke, in tranen los en beiden
schreiden lang en overvloedig, rouwend over een geluk dat voor beide zoo
wanhopig kort van duur was geweest, zoo vol van een wee dat zij in geen
woorden konden uitdrukken.
Smul werd even voor den vorm geraadpleegd; hij gaf nurksch zijn
toestemming en Hilairken werd uitbesteed bij den ouden schoolmeester
Cattoir, die eindelijk, dank zij de tusschenkomst der barones, een
kleine pensioensverhooging had gekregen, terwijl Marietje bij de
nonnetjes in 't klooster op kostschool werd gedaan.
* * * * *