XL.

Voortaan was Rozeke's leven afgesloten in een nauw-beperkten kring,

waarin zij zelve haast geen verandering meer verwachtte. In vroeger

jaren had ze geleefd in hoop, in vrees, in afwachting van zij wist niet

wat al komende of mogelijke gebeurtenissen: nu scheen haar alles vast

vooruit geregeld, alsof het al jaren en jaren te voren onwederroepelijk

aldus voorspeld en geschikt was.

Vanaf het eerste oogenblik stelde hij zich tyranisch aan als eenig

opperhoofd en baas en zij werd dadelijk als een tweede dienstmeid, te

nauwernood verheven boven deze welke er reeds was. Hij was vertoornd op

haar ouders, die zich tegen haar huwelijk met hem gekant hadden en

verbood haar nog ooit een voet over hun drempel te zetten, noch iemand

van haar familie bij zich aan huis te ontvangen. Hij vroeg haar den

sleutel van de geldkast en nooit meer zag zij hem terug. Wanneer ze geld

noodig had moest ze 't hèm voortaan vragen.

Kort was hij met haar in zijn woorden en deze klonken steeds als

bevelen. Nooit noemde hij haar bij den naam. Hij riep haar, als een

knecht of meid, met een "hè!" of een "hier!" zooals men tegen een hond

spreekt; en, als ze 't niet dadelijk hoorde of begreep, vloekte hij op

haar.

Zijn leven was dag aan dag 't zelfde: om half vijf op en dadelijk naar

den stal, terwijl zij, gedwongen gelijk met hem op te staan, in de

keuken 't vuur aanmaakte en de koffie maalde. Meleken was toen ook reeds

op en molk de koeien; Vaprijsken gaf het voeder aan de beesten.--Even na

vijf uur kwam hij terug in huis, ging sprakeloos aan tafel zitten, liet

zich door Rozeke bedienen, slikte gulzig twee tarwe-boterhammen in en

slurpte twee groote koppen koffie leeg. Dan stak hij zijn pijp op, ging

weer naar den stal, haalde met het eerste daglicht paard en kar uit en

reed weg naar den akker.

Om acht uur of half negen was hij op de boerderij terug. Zijn tweede

ontbijt stond klaar: een dikke snee spek op een stuk roggebrood, naast

een glas bier. Haastig gebruikte hij dat alles en als hij eenigszins

goed ter sprake was, wisselde hij met haar enkele woorden, steeds kort

van toon, zonder haar aan te kijken en steeds uitsluitend zakelijk. De

kinderen waren dan op en kwamen hem "goên dag" wenschen, hem "voader"

noemend, zooals Rozeke het hun geleerd had. Hij mompelde een "goên dag"

terug, maar zonder ze ooit aan te halen of er verder eenige notitie van

te nemen. Hij stond op, stak een pijp aan en ging weer naar 't veld,

waar hij tot twaalf uur bleef.

Dan zat hij met Rozeke en de kinderen, met Meleken en Vaprijsken aan de

gemeenschappelijke tafel. Hij maakte als de anderen zijn kruisteeken,

bad en at, praatte soms even over weer en landbouwaangelegenheden, stond

gelijk met de anderen op en was weer met hen weg, tot 's avonds. Dan

weer het eten, de pijp, een kort gepraat, en vroeg naar bed.

's Zondags zond hij Rozeke naar de vroegmis en zelf ging hij later naar

de hoogmis. Daarna liep hij enkele herbergen af waar hij borrels dronk

en kaart speelde. Met hoogrood gezicht en waterige oogen kwam hij tegen

twaalf uur terug. Hij zag er altijd woedend uit en zijn adem stonk naar

jenever. Hij slikte als een dier zijn eten in, sprak meestal met niemand

een woord en ging dadelijk na den eten een paar uur op zijn bed liggen.

Tusschen drie en vier was hij weer op de been, slurpte koffie, ging even

naar zijn stallen en dan verder, zonder Rozeke te waarschuwen, naar de

kleine herbergjes van het gehucht, waar hij tot laat in den avond bleef

drinken en spelen.

Den ganschen nacht lag hij dan als een dier aan haar zijde te snurken.

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 40 / 51 题