XLI.

Zij voelde zich niet bepaald ongelukkig. Zooals hij was, zoo had zij het

van hem verwacht. Dat was zijn aard. Toch schrikte zij haast van zijn

ruwe onverschilligheid, toen zij hem op een ochtend mededeelde, dat zij

weer zou moeder worden. Hij trok zijn schouders op, alsof het hem niet

schelen kon. "Heu! doar 'n es nie aan te doene," antwoordde hij kortaf

en ging zonder meer, als elken dag, naar zijn gewone bezigheid. Maar

dien zelfden middag greep een heftige scène plaats en, voor het eerst

sinds hun huwelijk, voelde zij opnieuw haar vroegeren angst voor hem.

Dat was terwille van Vaprijsken. Hij had het al lang op 't aardige

knechtje gemunt, daar stak nog steeds een oude wrok achter; en nu had

Vaprijsken 't een of ander durven antwoorden op een aanmerking die Smul

hem maakte. Op staanden voet had deze Vaprijsken den dienst opgezegd en

daarop hadden zij hevig gekeven en elkaar de ergste scheldwoorden naar

't hoofd gegooid. Rozeke was in 't midden gekomen, had gepoogd de beide

mannen te bedaren, had Vaprijsken excuses doen maken en ook Smul tot

verzoening aangemaand; maar de woesteling was eensklaps als razend op

haar afgevlogen en had haar vloekend met slagen bedreigd, waarop Rozeke

sidderend van angst in huis was weggevlucht. Tusschen Smul en Vaprijsken

was het toen tot een bepaald gevecht gekomen; het knechtje ging reeds

met pak en zak denzelfden avond weg; en Smul, niet wetend meer op wie

zijn razernij te koelen, was woedend en scheldend weer op haar afgekomen

en had, met de beide vuisten voor 't gezicht, gedreigd haar plat te

slaan, indien ze zich nog ooit met zijn zaken durfde bemoeien.

Die slagen, de ruwe mishandeling, die zij wist en voelde toch te zullen

en te moeten komen, vielen dan ook eindelijk, op een zondagmiddag, toen

hij, als naar gewoonte half dronken, van het dorp terugkwam. Het ging

kort, ruw en vlug, als een weerlicht.

Het eten was een ietsje aangebrand; hij had een paar happen geproefd en

daarbij een vies gezicht getrokken, en plotseling gaf hij, met een

krakenden vloek, een dreunenden vuistslag op de tafel en keilde zijn

bord met eten tot scherven op den vloer.

--Gie leulijke sloeber!" riep zij instinctmatig, verschrikt opspringend,

in onbedwingbaar-losbarstende verontwaardiging.

Maar zij stond nog niet geheel overeind of een baldadige vuistslag in 't

gezicht smakte haar met een noodkreet op den grond.

De kinderen gilden schril, het dienstmeisje schreeuwde om hulp. Kamiel,

de pas nieuw gehuurde knecht, een flinke, blonde jongen, sterk als een

reus, greep Smul midden in de lenden vast en hield hem tegen, uit al

zijn kracht.

Rozeke had zich opgericht. Zij hield de linkerhand op haar mond gedrukt,

die bloedde. Zij huilde niet, maar de oogen flikkerden vreemd in haar

doodsbleek gelaat.

"Kom," zei zij met inspanning, tot haar luid-schreeuwende kinderen. Zij

nam het kleintje, dat pas loopen kon, bij de hand en door 't oudste

gevolgd klom zij rennend de drie steenen treden van de voute-kamer op en

sloot de deur achter zich met den grendel.

Razend, vloekend, scheldend, met purper gezicht en fonkelende oogen,

poogde Smul zich intusschen vruchteloos uit des knechts omstrengeling

los te worstelen.

"Loat mij los, Kamiel! loat mij nondedzju los, of 'k schup ou euk van 't

hof, lijk Vaprijs!" riep hij knarsetandend. "Loat mij los, zeg ik ou, da

'k heur de kop in sloa!"

Maar Kamiel, reuzensterk, hield hem hoe langer hoe steviger gekneld en

hijgde, bedarend-kalm:

"Nie nie, boas, ge'n meug niet, 't zoe ou spijten! 't zoe ou spijten! Ge

moet wachten,... wachten ... tot da ou keleire veurbij es!"

Eerst toen Smul wat tot bedaren was gekomen en ophield met schelden en

vloeken liet hij hem los. Meleken, bevend en nog snikkend, kwam hem

vragen of hij iets anders wilde eten.

"Nien ik, nondedzju! Eet zelf uldere smeirige kost op!" brulde hij haar

in 't gezicht.--En plotseling was hij weg, woest stappend uit het huis

en naar het hek, den landweg op, naar de herbergjes van het gehucht, om

nog meer te drinken.

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 41 / 51 题