XXXIX.

Een der laatste dagen van December, toen al het graan der komende

oogsten was gezaaid en reeds in fijne groene stengeltjes uit den

grauwen, natvruchtbaren bodem begon op te kijken; toen 't wijde,

doodsche veld onder mistig-grijze schemerlucht in killen wintersluimer

lag, met zwarte en bonte benden kraaien, die er in loom-tragen

vleugelslag, als sombere boden van droefheid en rouw, schor-krassend

overheen vlogen; toen al het vee weer in de stallen was en ook de

kouwelijke menschen rustend na de zomerdrukte in hun dichtgesloten

huisjes bij het haardvuur zaten, waarvan de schoorsteenen alom over het

land den lichten grijzen rook ten grijzen hemel deden kronkelen... op

een van die natte, ijzige, triestige winterdagen, greep het huwelijk:

het droevig tweede huwelijk van Rozeke van Dalen met Smul plaats. Wat

was het toch alles anders geworden dan zij vroeger had gedacht? Waar was

de blijde zomeravond waarop zij van haar huwelijksreis met Alfons uit de

stad terugkwam? Waar waren de bloemen? waar was het meisje dat haar een

gedichtje voorlas? waar waren de vroolijk-joelende feestvierders om het

rood-oplaaiend vuur?--Nu waren zij alleen, geheel en gansch alleen met

hun vier vreemde, ergens uit de buurt gevraagde getuigen. Geen enkel

familielid; geen enkele vriend! Haar ouders, broers en zusters waren

allen onverzoenlijk boos op haar geworden; en ook de jonge barones had

haar beschermende hand van haar afgewend. Op een middag was zij op het

hoevetje gekomen en had aan Rozeke gevraagd: "het is niet waar toch,

Rozeke, wat ik heb hooren zeggen, dat ge met zoo'n vent zult gaan

hertrouwen!" en toen Rozeke, in tranen, haar gezegd had dat het wèl

gebeuren zou en haar verteld had hoe 't gekomen was, en waarom het nu

niet anders kon meer; toen was de barones eerst in verontwaardiging

uitgebarsten en had gezegd dat zoo'n schurk bij de politie diende

aangeklaagd; maar eindelijk was haar toorn veranderd in medelijden, en

vol teleurstelling en leed had ze zuchtend haar schouders opgehaald en

was vertrokken. Zij zelve was nu niet gelukkig meer. In 't dorp werd er

veel over gefluisterd en Rozeke had het ook gehoord: haar man liep

openlijk met andere vrouwen; de oude baron en barones wilden hem op het

kasteel niet meer ontvangen en er werd reeds van scheiding gesproken.

Overal zag Rozeke rouw en droefheid om zich heen. Zij was zoo jong nog,

pas zes en twintig geworden en al het lieve en frissche van haar leven

was reeds uitgebloeid of doodgeknakt. Alfons gestorven, haar ouders

boos, haar zachte, lieflijke bescherm-vriendin diep ongelukkig en van

haar vervreemd; en nu dat somber tweede huwelijk van geweld en dwang,

van woeste aanranding en van verkrachting, dat huwelijk waar zij van

walgde, maar dat zij aanging uit nood, uit broodnood, voor haar en voor

't bestaan van hare kinderen!

't Was haar te moede als woonde zij haar eigen lijkdienst en begrafenis

bij. O, die wettelijke verbintenis op het stadhuis, in die stoffige

kamer der secretarie, waar dezelfde mannen die haar liefde-huwelijk met

Alfons bezegeld hadden, nu met onaangename, zure gezichten van verveling

en minachting ook haar tweede huwelijk met Smul voltrokken! Dat

toonloos, onverschillig gezanik van woorden waar niemand naar luisterde,

dat krassen van de pennen op 't papier, dat nauwelijks gebromd

"proficiat" van de getuigen; en dan die koude, akelige borrels jenever

in de koude ongezellige herbergkamer van 't gemeentehuis, o, wat was het

alles hard, en kil, en akelig, en wat voelde zij nijpend al die

hardheid, al die nauwelijks bedwongen minachting en vijandigheid om zich

heen! En dan in de kerk, de leege, ijzige, sombere kerk, den

misprijzenden blik van den pastoor, het valsch gezang van den koster op

't oxaal, en de strenge, korte bevelen van den kerkbaljuw die hen rechts

of links duwde, die hen deed opstaan of deed zitten, die hen beval hoe

ze zich houden moesten! Het kropte in haar keel, zij had het hardop

kunnen uitsnikken en huilen; en meteen knaagde de wroeging aan haar

hart, de wroeging over haar geschondene, plechtige belofte op Alfons'

sterfbed!

En toen weer, na de kerkelijke plechtigheid, het slenteren in de

herbergen, het drinken van borrels in den wrangen rook der pijpen, 't

geraas der mannen onder elkaar en zij als vrouw alleen daarbij, gansch

alleen, als verloren, zonder iemand die zich met haar bemoeide of naar

haar omzag! Zij liep maar mee, als een die er niet bij behoorde en toen

zij eindelijk naar de boerderij terugkeerden om te gaan eten, trok Smul

voorop met de vier getuigen en kwam zij enkele passen achter, het hoofd

gebukt en de oogen vol tranen, als hun slachtoffer.

Zij aten en dronken, Meleken, Vaprijsken en de kinderen mee aan tafel;

en toen de maaltijd geëindigd was, trok zij weer haar gewone

dagelijksche kleeren aan en waschte met het dienstmeisje de vaten om,

terwijl Smul en de getuigen met koffie en borrels aan de kaarttafel

zaten.

Toen ze naar hartelust gespeeld hadden gingen zij in de vroege

schemering naar buiten en Smul liet hun de boerderij: de schuur, de

stallen, de zwijnen, de koeien en de paarden zien. Hij haalde zelfs de

merrie en het veulentje uit en liet ze aan den teugel door den boomgaard

heen en weer draven, heel trotsch op de mooie beesten die voortaan de

zijne waren.

Rozeke, door hun uitroepingen van bewondering gelokt, kwam even op den

drempel kijken. Zij zag de schoone sterke merrie als 't ware

hunkerend-hinnikend door Smul in toom gehouden, met gespitste ooren en

wild-blikkerende oogen, naar de dolle sprongen kijken van het veulentje,

dat door Vaprijsken bij den breidel heen en weer tusschen de boomen werd

geloodst. Telkens draaide het hoofd der moeder met de wentelingen van

het jong mee en Rozeke dacht opnieuw met tranen in de oogen aan Alfons,

die voor het jong en vroolijk-huppelend beestje zijn doodelijke ziekte

had opgedaan.--O, grijze, kille, droeve tweede-huwelijksdag! Een heel

klein, donker vogeltje, nauwelijks zichtbaar in het

naakt-twijgen-gewirwar van een appelboom, zong kort en fijn een

doodweemoedig deuntje. 't Was als de stil-trillende klacht van een

zwak-lijdend zieltje in de wijde, winter-eenzame verlatenheid. Zij

huiverde en met een diepen zucht ging zij weer Meleken helpen

omwasschen...

De mannen liepen slenterend verder. Zij wandelden om de akkers heen en

kwamen ergens voor een landelijk herbergje, waar zij binnen traden en

weer aan 't drinken en kaartspelen gingen.--'t Werd avond, vroege,

droeve winteravond; 't werd nacht, kille, nevelige winternacht.--Nog

steeds was hij met de mannen uit.--Opnieuw kwam Rozeke huiverend op den

drempel staan en keek en luisterde. Alles was stil en eenzaam in den

omtrek. De mist sijpelde met zacht geruisch in trage dikke tranen, uit

de boomentwijgen in het natte gras; en verder hoorde zij niets dan den

langzamen, doffen kadansslag van een enkelen laten dorschvlegel, ergens

in een schuur.

Zij ging weer binnen en legde zich te bed. De kinderen en Meleken waren

reeds slapen gegaan....

Laat in den nacht kwam hij terug. Zij hoorde van verre zijn struikelende

voetstappen en rilde van afkeer en angst.--Hij opende de deur en deed ze

weer op 't nachtslot. Heel eventjes bromde daarbuiten de waakhond.

Toen kwam hij op de kamer waar zij lag en kleedde zich sprakeloos

uit.--Zij rilde, rilde ... Zwaar zwoegde zijn adem in een benauwende

lucht van tabak en drank die om hem heen walmde.

Toen kwam hij bij haar....

Dat was het einde van den eersten dag van Rozeke van Dalens tweede

huwelijk....

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 39 / 51 题