XXXVIII.

Eenige dagen verliepen. Weer ging het leven zijn gewonen gang op 't

boerderijtje, alsof er niets gebeurd was. Maar die gewoonheid was

slechts een bedriegelijke schijn; de groote slag had in de diepte alles

omgewoeld en 't was of allen op de hoeve er iets van voelden zonder het

nog te begrijpen. Het bleef vaststaan dat Smul den volgenden zaterdag

weg zou gaan; eenieder wist het, 't was of het reeds gebeurd zou zijn,

maar niemand sprak er nu meer over; en Smul zelf, steeds in zijn

halsstarrig zwijgen teruggetrokken, werkte en sjouwde, maaide, ploegde,

zaaide en egde, als een die er in 't geheel niet aan denkt om te

vertrekken, als een die niet gemist kan worden. Hij zaaide in

vruchtbaren akker het zaad van de komende oogsten en zij allen, die hem

zagen werken, voelden nu instinctmatig de onwaarschijnlijkheid, ja, de

onmogelijkheid van zijn vertrek.

En Rozeke liep als versuft in huis en op haar erf rond. Het was zoo

vreemd in haar, zij leed maar niet, zij was nog steeds niet boos, niet

verontwaardigd, er bleef iets dofs in haar, iets dofs en zwaks, dat alle

kracht van opstand in haar verlamde, dat alle smart en wroering doodde,

iets dat haar onverschillig en gevoelloos maakte voor het akelige dat

gebeurd was en voor 't akelige dat haar nog te wachten stond. Het leek

wel of ze zich nog maar geen juiste rekenschap van de gebeurtenis kon

geven; het was te ruw, te overweldigend geweest; er was te veel gebeurd

in een te korten tijd; zij twijfelde, zij sufte, 't was als een

nachtmerrie geweest; en nu wist ze ook niet meer hoe met hem te handelen

en kon ook niet begrijpen noch voorzien wat nu verder zou geschieden.

Maar de tijd ging en de werkelijkheid naderde, de onoverkomelijke

werkelijkheid, die hen fataal opnieuw tegenover elkaar zou stellen; want

zij moest wel met hem afrekenen, zij moest met hem nog spreken, het was

niet mogelijk dat hij zoo opeens van haar zou weggaan, zonder dat nog

iets gezegd werd, zonder dat nog iets,--zij wist niet wat--gebeurde.

't Was vrijdag-avond. Den volgenden dag liep zijn tijd ten einde. Rozeke

was radeloos. Hij zei steeds niets, nam hoegenaamd geen notitie meer van

haar, maar maakte ook geen de minste toebereidselen voor zijn vertrek.

Hoe moest dat eindigen? Wat was hij van plan?

De kinderen sliepen. Meleken en Vaprijsken waren ook reeds naar bed.

Smul zelf was reeds lang naar zijn paardenstal terug en Rozeke zat nog

alleen in de keuken te suffen en te peinzen. Al haar vroeger leed kwam

kwellend weer in haar op; het welde langzaam op, als uit een diepe,

diepe bron, het eene na het andere, o, reeds zooveel! Voor 't eerst

sinds al die laatste dagen leefde de herinnering aan Alfons intens weer

in haar ziel; en 't was alsof de bron van al haar droefheid zich van

lieverlede tot een zee van smart uitbreidde, waarin zij dreef en

worstelde, gelijk een hopelooze drenkelinge zonder reddingsboei. Alles,

o, àlles had ze met hem verloren. Hij was haar liefde en levenslicht

geweest en nu het voor altijd was uitgedoofd, zwierf zij in duisteren

nacht als een verdwaalde rond. Zij was te zwak als vrouw alleen, zij

voelde alles, alles haar ontglippen; een vrouw alleen was niets, zij

hoefde hulp en steun, of moest ten ondergaan. En die steun had ze niet,

zag ze niet, vond ze niet, nergens. Haar ouders konden haar maar niet

doelmatig helpen; haar geliefde bescherm-vriendin, de jonge barones, zag

ze den laatsten tijd niet meer; alles verliet haar, alles vergat haar;

zij schudde 't zwakke hoofd en strekte verdwaald-zoekend haar bange

sidderende handen uit en sloot ze weer, met leege, vruchtelooze grepen

in elkaar.--Haar hoofd zakte in haar handen en zij snikte, snikte....

Eensklaps ging de voordeur open en stond Smul vóór haar. Met een

schorren angstkreet sprong zij op:

"Wa komt-e gij hier doen? Zij-je gij nog noar ou bedde niet?"

Hij zag bleek en was gejaagd. Hij schudde 't hoofd en zij zag zijn keel

even zenuwachtig hikken. Star en stijf, als in verwildering, keken zijn

koude, grijze oogen haar aan.

"Nien ik," antwoordde hij heesch. "'K hè espres gewacht tot da g'

alliene woart.'K moe ou spreken; 'k moe ou nog wa vroagen."

"Watte? wa es 't?" riep ze kortaf, doodsbleek, de lippen bevend, de

beide handen aan de leuning van een stoel geklemd, het gansche lichaam

als tot zelfverdediging gespannen en gestramd.

"Of ge nou mee mij wilt treiwen?" vroeg hij dof.

"Nien ik! nien ik! nien ik!" kreet zij schor, in strak-gespannen

houding.

Een korte vlam van toorn schoot uit zijn barsche oogen. Hij

grijnslachte; maar eensklaps kalm:

"'t Es goed; betoal mij dan.--'K goa morgen wig."

Het knakte haar plotseling neer als onder een slag. Haar weigering, haar

stugge opstand waren niets dan een instinctieve opbruising geweest; zij

bezat de kalme kracht van een vast beredeneerd besluit niet meer: en

alles was nu weer zoo diep verward in haar, onder het onverwachte van

zijn komst en van zijn woorden: zij wist niet eens meer wat ze 't meest

verlangen of het innigst vreezen moest: zijn blijven of zijn heengaan.

Haar gelaatstrekken verwrongen zich en zij begon te schreien; zij

antwoordde slap en zuchtend: "'t es goed, 'k zal om ou geld goan," en

als in een droom nam ze 't lampje van de tafel en ging er mee in de

kamer waar haar geld was, zonder zelfs te denken dat zij hem in de

duisternis van de keuken alleen liet.

Zij dacht er eerst aan toen ze reeds binnen in de kamer was en keerde

zich haastig en plotseling om. Zij wilde een kaars van boven de kast

nemen en plaatste de lamp even op 't schoorsteenblad, toen hij haar

eensklaps, als een roofdier op de teenen kwam nagehold, de lamp uitblies

en in een woeste pranging haar omknelde.

Zij slaakte een gil, maar kort; hij drukte haar de handen op den mond en

kreet dof:

"Zwijgt, of ik vermeurd ou!"

Zij viel in onmacht, zijlings tegen 't bed, dat vaag-wit schemerde in

een hoek.

Hij knarsetandde, grinnekend als een sater, van woest genot en wraak....

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 38 / 51 题