Toen ze weer tot haar zelve kwam had ze den indruk of er eensklaps iets
met ruw geweld diep uit haar binnenste was weggerukt.--Hij was
verdwenen, zij stond alleen in de schemerige schuur en 't leek alles zoo
vreemd: zij schreide noch klaagde noch voelde zich boos; zij had alleen
maar dat zonderling, onbegrijpelijk gevoel of heel haar leven plotseling
was omgekeerd, of alles wat ze tot nog toe goed had gekend en liefgehad,
opeens heel verre van haar was verwijderd, terwijl alles wat zij als het
vreemde en ongekende vreesde, als door een donderslag in haar was
neergesmakt. Haar ouders, haar kinderen, de teere nagedachtenis en haar
belofte aan Alfons, haar broeders en haar zuster, de jonge barones en de
baron, alles, àlles wat zij kende en liefhad, tot zelfs haar buren en
bedienden, tot zelfs de menschen uit haar vroeger leven die zij nu en
dan slechts eens terugzag; en ook de onbezielde dingen van haar
dagelijks bestaan: haar beesten, haar landerijen, de boomgaard, het
huisje, alles leefde nog een laatste oogenblik met pijlsnelle
intensiteit voor haar geschokten geest op en zonk toen weg in 't niet,
om plaats te maken voor de stormkomst van den woesteling-alleenheerscher,
die eensklaps als het ware uit den grond gerezen was en zonder een
woord, enkel door zijn bruut-geweld van aanrander, allen en alles om
haar heen weg- en stukgeslagen en haar zelve als een nietig, weerloos
slachtoffer in zijn bezit genomen had.
Als in een droom stapte zij uit de schuur, wonder kalm, maar
voorgevoelend dat de schok in al zijn hevigheid eerst later zijn
vernielingskracht zou botvieren, kwam buiten in de heldere werkelijkheid
van 't zonnelicht, ging machinaal weer in het woonhuis. Wat was het
alles vreemd en toch zoo dood gewoon! Wat voelde ze zich
onverschillig-kalm en nuchter! Waarom huilde en raasde ze niet? Waarom
holde ze den misdadiger niet schreeuwend na? Waarom troepte ze de heele
buurt niet samen om hem daar ter plaatse dood te steenigen?--Neen,
niets.--Zij sprak gewoon met Meleken die met haar kinderen speelde; zij
keek hoe laat het was; zij liep even in haar kamer en kwam er dadelijk
weer uit, zonder te weten wat zij er gaan doen was.
"Smul es thuis, weet ge 't, bezinne? 'K hè hem doar op 't hof zien
leupen," hoorde zij het meisje eensklaps zeggen. En zonder de minste
moeite wist Rozeke zich te beheerschen terwijl ze doodkalm: antwoordde:
"Joa, 'k hè hem euk gezien. Hij es zeker zat?"
"'K en weet 't nie, bezinne; hij 'n ziet er toch moar oardig uit. As hij
om eten komt 'k zal 't hem toch wel moete geven?"
Zij keek het meisje aan, roerloos en stom een oogenblik, als was het
haar niet mogelijk die eenvoudige woorden te begrijpen.
"Wat dijnkt ou, bezinne?" herhaalde 't meisje bedeesd.
"Ach joa g'e-woar," antwoordde zij eindelijk, als uit een droom
ontwakend; "hij zal nou woarschijnlijk wel honger hèn; hij...." Zij beet
op haar lippen en staarde opnieuw, sprakeloos, als verwilderd, 't meisje
aan.
"Wil ik 't hem goan vroagen, bezinne?"
"Joa joa, zeker, goa moar."
Meleken liep naar buiten en Rozeke bleef even met haar kinderen alleen.
Hilairken waggelde op zijn kromme beenen over den vloer; Marietje in
haar stoeltje sloeg halsstarrig met een stokje op de houten armleuning.
"Oeder, Eleken wig," kwam Hilairken naar haar toe; en hij poogde op haar
schoot te klauteren.
Zij schrikte hevig, als onder een plotse pijnsteek, bij de zachte
aanraking der kleine handjes. Heftig schoof zij haar stoel achteruit en
strekte, als 't ware verdedigend, haar beide handen vóór zich uit,
terwijl zij riep met heesche stem:
"Nie nie kind, nie nie kind, ge 'n meug niet; moeder es steit, moeder es
vuil!"
Het dienstmeisje kwam weer in huis:
"Hij es bezig in de peirstal, bezinne en hij zegt dat hij gienen tijd 'n
hèt om te komen eten. Hij vroagt of 'k hem doar 'n stik breud en 'n glas
bier wille brijngen."
"Brijng het hem," zei Rozeke.
"'n Stik roggen-breud mee 'n schel heufvlakke, bezinne?"
"Joa, 't es goed."
Meleken ging in den kelder, kwam met een vol glas bier, met het
roggebrood en de schotel hoofdkaas weer boven. Zij sneed een dikke homp
van 't brood, legde een zware plak hoofdkaas er boven. Roerloos en
zwijgend zag Rozeke er haar mee weggaan naar de stallen, als met het
eten voor een beest.
"Oeder, 'k moe euk 'n stik heufvlak hèn," kwam Hilairken zaniken.
Werktuigelijk stond zij op, ging naar de schotel, sneed er een plakje af
en gaf het aan den bengel.
Marietje, in haar stoeltje, zat met juichende armen te slaan, opgewonden
zwoeg-ademend, de groote, blauwe, hunkerende oogen op de
hoofdkaasschotel. Zij wilde ook een stukje en Rozeke gaf het haar en
weer ging ze roerloos-stom vóór 't venster zitten, als op een vreemde
plaats waar niets meer van haar was en waar zij ook geen mensen meer
kende.
* * * * *