De eerste rimpels van zorg en vroegtijdig verflensen groefden zich
gedurende dien droeven winter onuitwischbaar op Rozeke's eertijds zoo
frisch en zacht gelaat. Zij werd mager, haar ronde borst verslapte, haar
rug werd gebogen en hare schouders zakten. Eene bestendige uitdrukking
van angst lag diep en schuw in 't helderblauwe van haar oogen en om de
hoeken trokken zich haar oogleden omlaag, alsof zij, zwaar van
droefheid, dreigden dicht te zullen vallen.
Zorgen, zorgen en nog zorgen ... aldoor zwaardrukkende zorgen!--De crisis
was voorbij, hij was weer op de been en zat in 't hoekje van den haard,
maar onbekwaam met iets zich te bemoeien, levend als een teer, ziekelijk
plantje in een warme broeikas. Hij was lastig en chagrijnig, hij en haar
beiden kinderen namen al haar tijd in beslag, eischten al haar zorg van
ieder oogenblik, en het gansche beheer en bedrijf der boerderij moest
aan de welwillende hulp en werkzaamheid van Smul, van 't Geluw Meuleken
en van Vaprijsken worden overgelaten. In het begin kwam moeder; en ook
haar vader, haar zuster en broeders kwamen om de beurt; doch wat baatte
het? Zij konden nooit langer dan een paar dagen blijven, en 't gaf ook
dadelijk aanleiding tot wrijving en gekibbel, niet alleen met Smul, maar
ook nog met het Geluw Meuleken en met Vaprijsken, die allen veel voor
Alfons en voor Rozeke over hadden, maar dreigden weg te gaan indien zij
gedwongen werden aan vreemdelingen, zooals zij Rozeke's ouders en
familieleden noemden--te gehoorzamen.
"Hawèl, loat ze goan en neemt er ander!" had moeder Van Dalen reeds meer
dan eens nijdig uitgeroepen. Maar wanhopig haalde Rozeke de schouders
op: moeder leek wel gek haar zulken raad te willen geven. Wat zou ze,
wat kon ze, geboeid en gekneld als ze daar zat, met nieuwe, onbekende
dienstboden aanvangen? Zij begon weldra moeders komst eerder te vreezen
dan te verlangen: en alles ging zijn gang zoo goed en zoo kwaad als het
kon, en Rozeke zuchtte en weende en legde zich machteloos bij den
ellendigen toestand neer.
De lente naderde nog eens en met de eerste schoone dagen kwam weer de
drukte van 't werk op den akker.
Moeder was boos geworden omdat Rozeke naar haar zin niet handelde en
zette haast geen voet meer op de hoeve. Ook Vader kwam er nog maar
zelden en La en haar broeders hadden 't nu op Van Dalen's eigen
boerderijtje druk genoeg. De dokter had uitdrukkelijk aan Alfons
verboden zich voorloopig met iets te bemoeien en nog eens kon Rozeke
niet anders dan Smul en Vaprijsken volle vrijheid van handelen geven.
Zij riep hen bij elkaar en smeekte hen met tranen in de oogen haar te
willen blijven helpen. Zij beloofden 't en hielden ook trouw hun woord.
Zij werkten als voor eigen, maar regeerden ook als eigen goed wat hun
was toevertrouwd. Vooral Smul. Die was dè echte baas geworden, aan wien
zelfs Vaprijsken, na de ranselpartij van 't vorig jaar, als een
onderdaan gehoorzaamde. Smul besliste, beval, eischte van de anderen de
slaafsche uitvoering zijner bevelen. Wel poogde Rozeke soms haar
prestige van bazin nog te doen gelden, maar zij voelde zich nog steeds
zoo heimelijk bang voor hem; en bij de minste opmerking keek hij haar
aan, zóó vrijpostig en brutaal, dat de woorden in haar mond versteven,
terwijl zij, telkens kleurend als van schaamte, dadelijk den blik ten
gronde sloeg. En toch ... sommige dingen kon noch mocht zij zoo niet
blijven dulden: op een namiddag, tegen avond, had zij Smul, bijna op
heeterdaad, betrapt met 't Geluw Meuleken in de hooischuur. Zij waren
haastig van elkaar gegaan bij haar plotseling verschijnen en dien dag
had ze geen gelegenheid meer gehad hèm het gebeurde te verwijten;--zij
wist ook nog niet zeker of zij wel gedurfd zou hebben--maar het Geluw
Meuleken had ze duchtig onder handen willen nemen; en 't Geluw Meuleken,
die vroeger zoo beleefd en nederig was, had ook eensklaps brutaal en
onbeschaamd geantwoord; en met wanhoop had Rozeke begrepen dat ze tegen
den toestand niet op kon en dat ze zich nog mocht gelukkig achten
wanneer ze slechts maar alles deden wat hun beliefde, zonder haar verder
in den steek te laten.
Steeds dringender had zij behoefte aan steun, aan hulp, aan iets goeds
en vriendelijks, dat haar wat op kon beuren; en met het vurigste
verlangen zag zij uit naar de komst der jonge barones, die van haar
droevigen toestand op de hoogte was en beloofd had haar zeer spoedig na
hun intrek op 't kasteel te komen opzoeken.
En op een middag kwam zij, schitterend mooi van gezondheid en van
moederlijk geluk, met haar zoontje in een sneeuwwit wagentje, dat door
een jonge, kloeke, frissche min in langen, wijden mantel en witte muts
met enorme breede en lange, wit-en-zwart-geruite, op den rug hangende
linten, werd geduwd. Rozeke, weemoedig gestemd door al haar eigen zoo
zwaar contrasteerende droefheid, begon dadelijk bij 't eerste zicht,
overvloedig te schreien, terwijl zij, als in een vurig, zwijgend
smeeken, herhaaldelijk de hand harer voorname vriendin en weldoenster
kuste. Toen keek zij naar het kindje in de wieg en sloeg, nu schreiend
van emotie en bewondering, de handen in elkaar.
"Azeu 'n scheun kind, mevreiwe! Azeu 'n scheun ijngelke van 'n kind!"
herhaalde zij met bibberende stem.
"Niet waar!" riep trotsch de jonge moeder. Maar zij voelde dat haar te
rijk geluk het arme boerevrouwtje leed moest doen en vroeg haar met
bezorgd gezicht hoe 't met Alfons gesteld was en of zij hem kon zien.
"Kom binnen, mevreiwe," riep Rozeke; en zij wilde ook de min met het
wagentje doen binnenkomen. Maar de jonge barones sprak met schielijken
angst enkele haastige woorden in 't Fransch tot de min, die dadelijk met
het wagentje omdraaide en onder de boomen heen en weer ging rijden,
terwijl de barones Rozeke in 't woonhuis volgde.
Alfons voelde zich de laatste dagen weer wat beter. Hij had haar door
het raam gezien en hooren binnenkomen en hij was uit zijn leunstoel
opgestaan, angstwekkend bleek en mager, met groote, vreemd-glinsterende
oogen en een zonderlingen, bijna gepijnigden glimlach op zijn
blauwachtige lippen. Een groote, zwartwollen bouffante was dubbel om
zijn ontvleesden hals geslagen en zijn stem klonk hol en heesch als kwam
zij uit een kelder, toen hij de bezoekster welkom heette en verzocht om
te gaan zitten.
De jonge vrouw voelde zich plotseling door 't diepste medelijden
aangegrepen. Zij had niet gedacht dat het zóó erg was met hem; zij
schrikte van zijn uiterlijk en had alle moeite om dien akeligen indruk
te verbergen.
"Hoe vindt g' hem, mevreiwe?... al weere veel beter, e-woar, nou dat de
scheune doagen beginnen te komen?" vroeg Rozeke gemaakt-opgewekt, als
wilde zij niet alleen hèm, maar ook nog zichzelf met een bedriegelijke
illuzie troosten.
"Zeker, zeker," antwoordde machinaal de barones, terwijl het in haar
keel kropte van meelijdende droefheid.
Alfons kuchte even, heel zacht en heel voorzichtig, als was hij bang
voor een geduchte hoestbui en zijn bleeke lippen glimlachten met
inspanning, terwijl zijn heesche stem op bijna fluisterenden toon zeide:
"As 't moar 'n beetse goe weer'n blijft, mevreiwe; as ik moar weere
buiten in de zonne kan goan zitten. 't Es toch zeu triestig, altijd in
huis."
Zijn mooie donkere oogen, die haar week en vriendelijk in vreemde
schittering toelachten, omsluierden zich plotseling als 't ware met een
floers van wanhopige droefheid en hij sloeg ze neer ten gronde als wou
hij zijn diepe smart niet laten merken. Maar zij hadden 't gezien en
innig gevoeld alle twee en Rozeke keerde zich eensklaps naar het raampje
om met trillende lippen, terwijl de jonge barones iets als een ijskoude
stilte in haar binnenste voelde neerzijgen. Zij peilde plotseling de
diepte van een onuitsprekelijke levenssmart vlak naast haar eigen jong
en frisch geluk en 't huiverde in haar van medelijden en van angst,
terwijl haar oogen even als verstard gevestigd bleven op het gelouterd
en nobel gezicht van dien jongen man, zooals hij daar uitgeput en
hijgend in zijn stoel zat neergezakt, zoo duidelijk omvademd reeds door
de sombere schim van den dood.
Zij stond op en nam afscheid. Ook hij wou opstaan, om haar te begroeten,
maar zij verzocht hem dringend stil te blijven zitten; en aan de deur
keek zij nog eens, bijna moederlijk, naar hem om en knikte hem ontroerd
en vriendelijk toe, terwijl het wit wagentje met haar kind in
feestelijke zonneglinstering, onder de witte en roze bloemenkruinen van
den boomgaard, vol wemelende licht- en schaduwloovertjes, over het
heldergroene gras tot haar genaderd kwam.
O! dat contrast! die komende, bloeiende frischheid en blijheid van
zonnelicht en levenslente in al 't verjongde en uitbundige feestgetij
van de herlevende natuur,... en dáár die bleeke uitgemergelde gestalte,
als een geraamte in 't donkere van zijn kleeren en in 't schemerduister
van het laaggebalkt en zwart-gerookte keukentje!...
Buiten nam zij Rozeke apart en zei:
"Hij is wel ziek, erg ziek, Rozeke; maar misschien is hij nog te redden.
Luister, ik heb daar iets bedacht. In 't Zuiden, daar waar wij op onze
huwelijksreis geweest zijn, bestaan er streken waar de longlijders
genezen. Daar moet hij naar toe. Hij mag hier den volgenden winter niet
doorbrengen; hij zou ook niet kunnen. Met November gaan wij weer naar 't
Zuiden, voor een langen tijd. Hij mag met ons meereizen en wij zullen
hem daar eenige maanden doen verplegen. Wie weet, het is misschien nog
niet te laat. Misschien komt hij gezond en sterk bij u terug."
Onthutst keek Rozeke hare weldoenster aan. Zij begreep niet, zij
geloofde niet, alles verwarde in haar hoofd. Zij begreep alleen maar dat
hij maanden lang van haar weg zou gaan; en 't was voor haar of men hem
dood uit 't huis zou dragen.
"O, mevreiwe, dat 'n es nie meugelijk! Hij 'n kan hij hier nie wig! hij
'n zal hij nie willen!" riep ze, schor van angst.
"Wat zoudt ge verkiezen, Rozeke, hem hier bijna met zekerheid te zien
sterven; of ginder nog de kans op een mogelijke genezing te wagen?"
vroeg de barones met droef-ernstig gelaat.
Rozeke stond even sprakeloos, met strakke, vochtig-schitterende oogen
van kwellende ontroering. Zij wist niet, begreep niet; zij was bang, zij
was verbouwereerd; het was te verre, zij kon er zich de werkelijkheid
niet van voorstellen. En hoe moest het op de boerderij ook gaan als hij
eenmaal weg was?--Och neen, het kon niet, het zou ook niet gebeuren; de
jonge barones stelde dat maar voor om iets te zeggen, om haar wat te
troosten. Maar zij voelde zich heelemaal niet getroost en vertwijfelend
schudde zij het hoofd als voor een onoplosbaar vraagstuk, terwijl zij,
toch werktuigelijk dankend, hare weldoenster met het schitterend-blank
kinderwagentje en de prachtig-getooide min tot aan 't hekje
vergezelde...
* * * * *