Alweer werden de dagen korter en de bladeren begonnen bruin en geel en
rood te kleuren op de kruinen van de boomen; alweer zaten de donkere
zwaluwtjes met witte borstjes stil-kwetterend als kleine lijkbidders in
lange, onbewegelijke rijen op de kroonlijst van het huis en van de
stallen, geduldig wachtend op 't mysterieuze sein van verren aftocht
naar het zuiden; alweer kwamen de trage, logge, zwarte benden raven,
droef-krassend in de kil-grijze, mistige lucht, over de naakte akkers
zwerven. De winter naderde, als een té wel bekende oude gast, met
triestig gezicht en zwartgallig gemoed. De zonnige vreugde stierf in
grijze droefheid om hem heen, en 't was of hij de menschen vóór zich
wegjoeg: zij vluchtten met opgetrokken schouders in hun donkere huisjes
en kropen er rillend om het knappend, rood-opflakkerend haardvuur.
Alfons was een der eersten, die voor den ouden barren grijsaard
huiverend in den hoek kroop. Het was of al 't herleven van den langen,
schoonen, warmen zomer allengs in hem uitdoofde en wegstierf en of hij
langzaam aan verstijven zou, rillend met angstige oogen en
hoog-opgetrokken knieën bij den haard.
Hij wist niet wat hij had, hij klaagde niet en leed niet, maar weer was
hij aan 't hoesten en aan 't kuchen; en alleen 't gezicht der grijze,
stille, kille lucht daarbuiten boezemde hem een soort van angst en
afkeer in, alsof daar ergens een gevaarlijke, verscholen vijand zat, die
op hem loerde. Zijn groote donkere oogen staarden soms als in
verwildering door de kleine, grijs-groenachtige ruitjes, zijn wangen
werden opnieuw bleek en ingevallen, zijn magere handen schenen zich uit
te lengen en als 't ware doorschijnend te worden, licht-bevend-uitgestrekt
als ze daar lagen op zijn magere, knokkelige knieën. Zelden had hij
eetlust, en gansche dagen, zonder iets uit te voeren, voelde hij zich
zwak en moe als na langdurigen, afmattenden arbeid.--Toen zat hij stil
te hijgen en in dat hijgen hoorde men voortdurend iets heesch en fijn
piepen, alsof er in zijn binnenste een klein, benauwd beestje gevangen
zat, dat vruchtelooze pogingen aanwendde om te ontsnappen.
En weer ook leefde Rozeke in kommer en in angst. Zij voelde aanhoudend
de zwevende dreiging van een ramp, die plotseling uit zou kunnen
barsten.--"Loat ons liever den dokteur nog ne kier hoalen," smeekte zij
telkens, om ten minste uit haar kwellende onzekerheid te geraken; maar
hij wilde niet, er scheelde hem immers niets, hij had geen enkele
onvoorzichtigheid begaan, geen kou gevat, niets; hij hoestte alleen maar
wat en 't was de winter die in hem zat, niets anders dan de winter en
met de eerste schoone dagen zou hij, als de vogels en de bloemen, weer
naar buiten komen.
Maar zij lagen nog zoo verre in het verschiet, de eerste schoone dagen;
en 't waren vooreerst koude ijsbloemen, die op de vensterramen bloeiden
en 't waren dikke, witte sneeuwkapellen, die in den bladerloozen
boomgaard fladderden. De barre, grijze winterman was overal, en in alle
stille boerderijen van het alom-besneeuwde land hield hij de huiverige
menschen van de verdere wereld afgezonderd. De menschen leefden in het
huiselijk familiegroepje hun beperkt bestaan; en lief en leed van
meesters en dienstboden bleef in de lange winter-eenzaamheid binnen de
nauwe, warme muren opgesloten.
Enkele dagen vóór nieuwjaar ontving Rozeke met de post een mooi gedrukt
kaartje in een fijne enveloppe. De jonge barones had een zoontje; dat
was een zegen. Rozeke verblijdde er zich in als in eigen geluk, als in
een straal van hoop en verlichting over haar eigen kwellend leed van 't
oogenblik.
Maar helaas!... haar zou de sombere winterman nog wreed beproeven.
Op een ochtend bleef Alfons langer dan gewoonlijk te bed liggen. Hij was
nooit vroeg de laatste weken; vooral gedurende de eerste uren van den
dag voelde hij zich zoo moe en afgemat en hoestte, tijden lang. Maar 't
werd acht uur, half negen; en Rozeke had in de keuken 't lampje
uitgeblazen en zag, onder het aankleeden van Hilairken en 't verzorgen
van Marietje, de late ochtend triestig grauwen op den boomgaard, waar
het Geluw Meuleken met twee volle emmers uit den stal kwam, en nog
steeds was hij niet op en hoorde zij hem niet bewegen. Zijn koffie stond
reeds klaar en hij zou koud en bitter worden; en de dun-gesneden,
tarwe-boterhammetjes zouden liggen uit te drogen op het bord. Zij liet
haar kinderen even in de steek en ging eens op het steenen trapje van de
voute-kamer luisteren:
"Alfons!" riep ze, "'t es al over half negen en ouë kàffee zal slecht
worden. Zoe-je nie opstoan?"
Een dof en zwak gekreun klonk haar uit het half donker kamertje als
antwoord tegen. Zij schrikte hevig, holde de drie steenen treden van de
voute op, en stond vóór 't lage bed:
"Scheelt er iets, Alfons? Zij-je nie wel?"
Eensklaps, in het schemerduister, zag zij iets zwarts, een breede
donkere vlek, vlak naast zijn hoofd op 't grijze kussen. Instinctmatig
stak zij er de hand naar uit, voelde iets akelig lauwkleverigs, begreep
als door een gruwel-intuïtie, wat het was. Zij vloog naar 't raampje,
rukte 't blind weg, ontwaardde een donkerroode kleur aan hare
vingertoppen, keek schokkend om en zag hem liggen in zijn bloed op 't
kussen, 't gezicht wasgeel, de oogleden dicht, lei-blauw als van een
doode. Zij vloog de trappen af, huilde, schreeuwde om hulp, schreeuwend
het woord, het gruwelijk schorre woord: "bloed! bloed! bloed!"
schreeuwend met uitgepuilde oogen, hollend heen en weer als een
krankzinnige, tot zij op het Geluw Meuleken en op Vaprijsken stootte en
duizelend voor hun voeten in elkaar stortte.
Alfons had bloed opgegeven!--Toen de dokter, in allerhaast door Smul te
paard gehaald, op het hoevetje aankwam, was de zieke weer wat bijgekomen
en lag kalm, bleek en roerloos als een lijk, op het bebloede
hoofdkussen.
* * * * *