XXI.

Alweer werden de dagen korter en de bladeren begonnen bruin en geel en

rood te kleuren op de kruinen van de boomen; alweer zaten de donkere

zwaluwtjes met witte borstjes stil-kwetterend als kleine lijkbidders in

lange, onbewegelijke rijen op de kroonlijst van het huis en van de

stallen, geduldig wachtend op 't mysterieuze sein van verren aftocht

naar het zuiden; alweer kwamen de trage, logge, zwarte benden raven,

droef-krassend in de kil-grijze, mistige lucht, over de naakte akkers

zwerven. De winter naderde, als een té wel bekende oude gast, met

triestig gezicht en zwartgallig gemoed. De zonnige vreugde stierf in

grijze droefheid om hem heen, en 't was of hij de menschen vóór zich

wegjoeg: zij vluchtten met opgetrokken schouders in hun donkere huisjes

en kropen er rillend om het knappend, rood-opflakkerend haardvuur.

Alfons was een der eersten, die voor den ouden barren grijsaard

huiverend in den hoek kroop. Het was of al 't herleven van den langen,

schoonen, warmen zomer allengs in hem uitdoofde en wegstierf en of hij

langzaam aan verstijven zou, rillend met angstige oogen en

hoog-opgetrokken knieën bij den haard.

Hij wist niet wat hij had, hij klaagde niet en leed niet, maar weer was

hij aan 't hoesten en aan 't kuchen; en alleen 't gezicht der grijze,

stille, kille lucht daarbuiten boezemde hem een soort van angst en

afkeer in, alsof daar ergens een gevaarlijke, verscholen vijand zat, die

op hem loerde. Zijn groote donkere oogen staarden soms als in

verwildering door de kleine, grijs-groenachtige ruitjes, zijn wangen

werden opnieuw bleek en ingevallen, zijn magere handen schenen zich uit

te lengen en als 't ware doorschijnend te worden, licht-bevend-uitgestrekt

als ze daar lagen op zijn magere, knokkelige knieën. Zelden had hij

eetlust, en gansche dagen, zonder iets uit te voeren, voelde hij zich

zwak en moe als na langdurigen, afmattenden arbeid.--Toen zat hij stil

te hijgen en in dat hijgen hoorde men voortdurend iets heesch en fijn

piepen, alsof er in zijn binnenste een klein, benauwd beestje gevangen

zat, dat vruchtelooze pogingen aanwendde om te ontsnappen.

En weer ook leefde Rozeke in kommer en in angst. Zij voelde aanhoudend

de zwevende dreiging van een ramp, die plotseling uit zou kunnen

barsten.--"Loat ons liever den dokteur nog ne kier hoalen," smeekte zij

telkens, om ten minste uit haar kwellende onzekerheid te geraken; maar

hij wilde niet, er scheelde hem immers niets, hij had geen enkele

onvoorzichtigheid begaan, geen kou gevat, niets; hij hoestte alleen maar

wat en 't was de winter die in hem zat, niets anders dan de winter en

met de eerste schoone dagen zou hij, als de vogels en de bloemen, weer

naar buiten komen.

Maar zij lagen nog zoo verre in het verschiet, de eerste schoone dagen;

en 't waren vooreerst koude ijsbloemen, die op de vensterramen bloeiden

en 't waren dikke, witte sneeuwkapellen, die in den bladerloozen

boomgaard fladderden. De barre, grijze winterman was overal, en in alle

stille boerderijen van het alom-besneeuwde land hield hij de huiverige

menschen van de verdere wereld afgezonderd. De menschen leefden in het

huiselijk familiegroepje hun beperkt bestaan; en lief en leed van

meesters en dienstboden bleef in de lange winter-eenzaamheid binnen de

nauwe, warme muren opgesloten.

Enkele dagen vóór nieuwjaar ontving Rozeke met de post een mooi gedrukt

kaartje in een fijne enveloppe. De jonge barones had een zoontje; dat

was een zegen. Rozeke verblijdde er zich in als in eigen geluk, als in

een straal van hoop en verlichting over haar eigen kwellend leed van 't

oogenblik.

Maar helaas!... haar zou de sombere winterman nog wreed beproeven.

Op een ochtend bleef Alfons langer dan gewoonlijk te bed liggen. Hij was

nooit vroeg de laatste weken; vooral gedurende de eerste uren van den

dag voelde hij zich zoo moe en afgemat en hoestte, tijden lang. Maar 't

werd acht uur, half negen; en Rozeke had in de keuken 't lampje

uitgeblazen en zag, onder het aankleeden van Hilairken en 't verzorgen

van Marietje, de late ochtend triestig grauwen op den boomgaard, waar

het Geluw Meuleken met twee volle emmers uit den stal kwam, en nog

steeds was hij niet op en hoorde zij hem niet bewegen. Zijn koffie stond

reeds klaar en hij zou koud en bitter worden; en de dun-gesneden,

tarwe-boterhammetjes zouden liggen uit te drogen op het bord. Zij liet

haar kinderen even in de steek en ging eens op het steenen trapje van de

voute-kamer luisteren:

"Alfons!" riep ze, "'t es al over half negen en ouë kàffee zal slecht

worden. Zoe-je nie opstoan?"

Een dof en zwak gekreun klonk haar uit het half donker kamertje als

antwoord tegen. Zij schrikte hevig, holde de drie steenen treden van de

voute op, en stond vóór 't lage bed:

"Scheelt er iets, Alfons? Zij-je nie wel?"

Eensklaps, in het schemerduister, zag zij iets zwarts, een breede

donkere vlek, vlak naast zijn hoofd op 't grijze kussen. Instinctmatig

stak zij er de hand naar uit, voelde iets akelig lauwkleverigs, begreep

als door een gruwel-intuïtie, wat het was. Zij vloog naar 't raampje,

rukte 't blind weg, ontwaardde een donkerroode kleur aan hare

vingertoppen, keek schokkend om en zag hem liggen in zijn bloed op 't

kussen, 't gezicht wasgeel, de oogleden dicht, lei-blauw als van een

doode. Zij vloog de trappen af, huilde, schreeuwde om hulp, schreeuwend

het woord, het gruwelijk schorre woord: "bloed! bloed! bloed!"

schreeuwend met uitgepuilde oogen, hollend heen en weer als een

krankzinnige, tot zij op het Geluw Meuleken en op Vaprijsken stootte en

duizelend voor hun voeten in elkaar stortte.

Alfons had bloed opgegeven!--Toen de dokter, in allerhaast door Smul te

paard gehaald, op het hoevetje aankwam, was de zieke weer wat bijgekomen

en lag kalm, bleek en roerloos als een lijk, op het bebloede

hoofdkussen.

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 14 / 51 题