Kalm, zonder gebeurtenissen, ging de zomer voorbij. Met de schoone lange
dagen voelde Alfons zich weer veel beter en hij kon buiten zitten vóór
het huis in de schaduw of langzaam slenteren in de zon, over de wegen
van zijn akker.--Maar niet zoo gauw kwamen de kortere dagen en de
langere, dauw-vochtige nachten, of weer bleef hij instinctmatig binnen,
als voelde hij zich door een gevreesden en geheimen vijand achtervolgd.
Op een ochtend in de laatste dagen van October kwam de barones hem met
den dorpsgeneesheer in haar rijtuig nog eens opzoeken. Dat was een
afgesproken, bijna plechtig bezoek; en dadelijk begon de dokter over het
heilzaam verblijf in het Zuiden, het eenige redmiddel voor kwalen als
die waaronder Alfons kwijnde.
Met groote, holle oogen van twijfel en angst zat de zieke in zijn
leunstoel bij den haard te luisteren en te beven; en ook Rozeke zuchtte
en beefde, als voor een groote ramp waaraan zij beiden haast niet meer
ontsnappen konden. Den ganschen zomer had het hun als een dreiging boven
't hoofd gehangen; en nu de barones er zoo beslist weer over begon,
gesteund ditmaal door het gezag des dokters, zagen zij aan de gevreesde
noodzakelijkheid geen ontkomen meer. Zij beschouwden het beiden als een
niet te ontwijken dwangplicht, als iets dat hun, wel goed bedoeld, maar
toch huns ondanks, werd opgelegd en waaraan ze zich te onderwerpen
hadden omdat de jonge vrouw hun meesteres en zij haar nederige
onderdanen waren.
"Och, as 't het absoluut moet, mevreiwe," zuchtte hij: "ge zij gulder
onz' miesters en we moeten wij g'heurzoamen, e-woar?--Moar al da wirk
hier!... en de mirrie die te noaste moand moe veulenen!..."
De barones werd bijna boos.
"Maar hoe is 't toch mogelijk, Alfons!" riep zij geërgerd. "Ik wil u
toch niet dwingen en ik doe het waarlijk niet voor mijn plezier. Ik doe
het maar om u te genezen, omdat ik weet dat gij anders niet meer kunt
genezen."
Hij glimlachte gepijnigd en zijn groote, holle lijders-oogen keken haar
even dankbaar aan.
"'K weet het, mevreiwe; 'k weet hoe goed da ge veur ons zijt,"
verontschuldigde hij zich; "moar 'k vrieze dat 't hier slecht zal goan
op 't hof, mevreiwe, as ik hier in zeu lank nie 'n ben."
"'t Moe nòù wel goan; ge'n keun gij nou toch euk nie wirken," kwam de
dorpsdokter in 't midden.
"Nien ik menier den dokteur, 'k en kan nie wirken, moar 't es toch zulk
'n greut verschil as ze weten dat den boas op 't hof es, zelfs al 'n kan
hij nie wirken," antwoordde de zieke met triestigen glimlach.
Maar 't was besloten, zij voelden beiden dat 't besloten was en dat het
zou gebeuren. En zij stribbelden niet langer tegen; een vage, verre hoop
verzachtte hun tegenzin en zij vroegen wat zij al doen moesten, hoe hij
daar komen zou, hoe ver hij reizen moest, waar hij eten en slapen zou,
hoe lang het duren moest eer Rozeke van hem tijding kreeg als hij
eenmaal vertrokken was.
"Laat dat alles aan mij maar over; hij reist met ons mee en wij zullen
voor alles zorgen," zei de barones.
"Moar hij 'n hè hij gien klieren, mevreiwe, om ginter bij al da rijk
volk te zijn! En wa moet hij ginter klappen? Hij 'n kent hij gien
Fransch!" zei Rozeke bezwaard.
"Laat dat alles maar aan mij over en ik verzeker u dat hij niets te kort
zal hebben," herhaalde de barones. "Ik heb er naar ginder al over
geschreven. Hij zal er bij een Hollandsche familie komen, die ook heel
goed Vlaamsch verstaat en als een kind des huizes hem zal ontvangen."
Zij zwegen.--Sterker werd de vage hoop en de tegenzin verzwakte. Hun
angst voor 't onbekende was zoo groot niet meer en zij luisterden met
ontroerde belangstelling naar de verhalen van de barones en van den
dokter, die daar ook geweest was, over de prachtige natuur van bosschen
en bergen, over de warme zon die er gansche dagen aan den blauwen hemel
stond, over de bloemen en vruchten, die er den ganschen winter, schooner
en rijker dan hier in den zomer, bloeiden en tierden. Het was er
werkelijk een Aardsch Paradijs, zooals de oude schoolmeester het
opgetogen noemde, en de dokter schudde plotseling het hoofd en lachtte:
"'K weinsche dat er mij euk iemand op zuk 'n plezierreisken trekteerde.
Ze zoên 't mij gien twie kiers moete vroagen; 't zoe wa beter zijn dan
hier heul de winter in kouwe regen, ijs of sneeuwe te zitten."
Zij waren overtuigd en gewonnen. Zij lachten ook, eindelijk verzoend met
het gevreesde denkbeeld; en inniger glansde de hoop op de toekomst, als
een zacht-streelend licht van nog mogelijke herleving en geluk.
* * * * *