Den vijftienden Augustus, op den dag van Onze Lieve-Vrouwe, werd
Rozeke's tweede kind geboren: een meisje. Hoe wonderbaar: het was dan
toch precies uitgekomen zooals Alfons het in zijn koorts gedroomd had;
en 't kind werd ook onder den naam van Marie gedoopt, ter eere van de
Lieve-Vrouw en ook omdat Alfons het in zijn ijlen zoo genoemd had.
Moeder Van Dalen en La, die meetje zou zijn, verbleven op het hoevetje
de laatste dagen vóór hare bevalling, en ook Rozeke's vader en haar
broeders kwamen, en weldra verscheen ook de jonge barones, met mooie
geschenken voor de moeder en het kind. Rozeke had den laatsten tijd haar
lieve jonkvrouw, zooals zij haar nog altijd noemde, maar zelden meer
gezien; ook zij verwachtte haar eersteling tegen den winter en samen
hielden zij nu lange en vertrouwelijke moederpraatjes. De
maatschappelijke kloof was even door overeenkomst van zorgen, liefde en
gevaren tusschen hen gedempt, zij waren niets meer dan twee liefhebbende
vrouwen en verteederde moeders, de eene reeds ervaren en de andere nog
vol van 't onbekende, maar met gelijkkloppende harten alle twee. De
jonge barones leefde nog steeds in de verrukking van haar zalig,
onverdeeld geluk; en ook Rozeke zag nu meer en meer een blijde toekomst
tegemoet, want Alfons werd met den dag sterker en zijn gezondheid beter.
Hij hoestte bijna niet meer en kon reeds, zonder zich te vermoeien,
halve dagen op den akker blijven.
De jonge barones vertelde van haar man. Hij was op 't oogenblik in
Frankrijk, met zijn automobiel, naar de groote wedrennen. Niet dat hij
zelf nog mee deed; 't was veel te gevaarlijk en hij had haar en ook haar
ouders moeten beloven nooit in snelheidsritten meer mee te rennen; maar
hij stelde er nog steeds zooveel belang in en dat genoegen gunde zij hem
gaarne. En zij vertelde ook aan Rozeke dat zij nu een heel mooi huis
hadden in Brussel, vlak naast het huis van haar vader, waar zij 's
winters zouden wonen en waar ook hun eerste kindje zou geboren worden.
Rozeke moest er haar later eens met Alfons komen opzoeken, als zij haar
kindje had.
Rozeke's moeder die 't gesprek bijwoonde en de uitnoodiging hoorde,
kwam, op eenigszins misnoegden toon, met een bezwaar in 't midden:
"'n Vroag gij heur moar nie te veele, mevreiwe. Nen boer en 'n boerinne
moên op ulder hof blijven; anders spelen knechten en meissens den boas!"
Zij doelde op Smul, wiens misplaatst bazig optreden haar reeds vanaf 't
eerste oogenblik geërgerd had. Maar Rozeke, die de toespeling dadelijk
vatte, meende zich te moeten verontschuldigen:
"Wa moeste we doen, moeder; we zaten doar alle twieë lijk lam? We
mochten nog heul blije zijn da w' hem hân."
"Tuttuttut! al wa konten!" riep moeder met boersche ruwheid, zonder zich
aan de voorname tegenwoordigheid te storen; "nen boas es nen boas en ne
knecht moe ne knecht blijven, of anders 'n deugt het niet. Mijne man hè
euk dikkels ziek geweest en ik hè zeven kinders g'had: moar ne knecht of
'n meissen 'n hân verdeeke! nie moeten probeeren van in ònz' ploatse
boas of bezinne te spelen! Ze zoên rap op stroate gevlogen hên! Voader
gijnk wirken zeu lank of dat hij op zijn bienen kon stoan en den
uchtijnk dat-e gij geboren zijt hé 'k nog onz' koe gemolken. Tuttuttut!
al wa konten, zeg ik."
"Ha joa moar, moeder, wie zoe 't anders gedoan hên? Ge 'n hadt gulder
giene knecht of gien meissen," weerlegde Rozeke.
De jonge barones, die van de gansche toebracht niets begreep, zette
verwonderde oogen op.
"Waarvan is er kwestie?" vroeg zij eindelijk.
Moeder en Rozeke vertelden 't haar om de beurt, ieder op haar manier,
Rozeke even boos omdat moeder zoo beslist sprak over iets waar zij
eigenlijk veel te weinig van af wist.
De barones keek Rozeke met ernstige, bijna afkeurende oogen aan.
"O, Rozeke, ge zult toch nooit...."
Zij kon haar zin niet voltooien, zóó hartstochtelijk viel Rozeke haar in
de rede:
"Ha moar mevreiwe toch! Wa peist-e gij toch wel van mij?"
Zij was niet in staat haar ontroering te beheerschen, zij barstte
plotseling in overstelpende tranen uit, zwak nog na haar laatste
kinderbed, en verweet scherp haar moeder dat zij haar een onverdienden,
slechten naam gaf.
De jonge barones legde zacht hare hand op Rozeke's schouder en bracht
haar zoet-sussend tot bedaren. Wel neen, wel neen, niemand had iets
verkeerds bedoeld, zij had alleen maar willen waarschuwen. Zij waren
gelukkig alle twee en moesten hun geluk steeds waardig blijven.
Nog even snikte Rozeke, met droog-hikkende stem:
"Onze lieven Hiere weet da 'k moar iene wensch op de weireld 'n hè: da
Alfons weere stirk en gezond genoeg zoe meuge worden om den anderen te
keune missen. Ik 'n hè hem nie gevroagd; Ik ... zoe hem veel liever ...
noeit op ons hof genomen hên.... 't Es Alfons zelve die 't gewild hèt.
Hij ... hij ... hij hè mij gedwongen hem te nemen...."
Zij droogde hare laatste tranen af en alle drie zwegen. Alfons kwam
daar, over den zonneglinsterenden boomgaard, glimlachend, met zijn spade
op den schouder. Hij was nog wel zeer mager, met ingezakte borst en
hooge schouders, maar zijn gelaatskleur was gezonder en de uitdrukking
zijner zacht-donkere oogen opgeruimd en levendig.
"Hoe vindt g' onz' jonge dochter, mevreiwe?" vroeg hij aan de jonge
barones; en toen zij hem vriendelijk had gelukgewenscht met het kind
keek hij even, als onthutst, naar haar eigen zwaargeworden figuur en
ging bedeesd en gegeneerd-stilzwijgend zitten.
Daarbuiten op den boomgaard, galmde plotseling luid zweepgeklap en klonk
de ruwe stem van Smul, die een bevel schreeuwde. Zij keken door het
raampje en zagen hem met een hooge vracht goudgeel koren opgereden
komen. Met gestrekte spieren trok de zware, bruine merrie, al haar
krachten inspannend om den wagen door den mullen grond tot vóór de
schuur te halen. Rukkend en schreeuwend hing Smul aan de leidsels en
Vaprijsken hield, duwend met een lange vork, de iewat scheef geschokte
lading in het evenwicht.
Moeder Van Dalen, de wenkbrauwen gefronst, bromde, met van moeielijk
ingehouden toorn bevende stem:
"Es da nou 'n vrecht veur 'n bieste die veulen in hêt! 'K 'en weet toch
nie wat da peist, Fons, da g'hem da nie verbiedt!"
Alfons schudde zijn hoofd en antwoordde:
"'t Es wa veele; moar 't en es gelukkig moar veur 'n klein eindsjen en
hij doe 't toch om wel te doen. Hij es schouw veur onweer en hij hoast
hem binnen mee 't loaste van den oest."
Moeder zei niets meer en ging hoofdschuddende weg. Rozeke zat starend,
met teedere oogen, te kijken naar haar jongste kind in 't wiegje en de
barones gaf een tikje met de punt van haar schoen aan Gessler, die vóór
haar voeten lag, en stond op. Zij duwde met haar zachte vingeren twee
kleine kuiltjes in de mollige wangen van het slapend wichtje, glimlachte
het teeder aan en keerde zich zuchtend, met liefde-tranen in de oogen
om.
"Tegen wannier verwacht ge 't ouwe, mevreiwe?" durfde Rozeke haar
fluisterend op den drempel vragen.
"Ik denk einde December," antwoordde stil de barones, zacht-kleurend.
"En wa moet 't zijn?" glimlachte Rozeken, "'n jongentsjen of 'n
meisken?"
"Al wat de lieve Heer verleent zal welkom zijn, Rozeke, maar wij hopen
een jongen."
"'K zal d'r veure lezen, mevreiwe" beloofde Rozeke met ontroerde
vroomheid.
* * * * *