XX.

Den vijftienden Augustus, op den dag van Onze Lieve-Vrouwe, werd

Rozeke's tweede kind geboren: een meisje. Hoe wonderbaar: het was dan

toch precies uitgekomen zooals Alfons het in zijn koorts gedroomd had;

en 't kind werd ook onder den naam van Marie gedoopt, ter eere van de

Lieve-Vrouw en ook omdat Alfons het in zijn ijlen zoo genoemd had.

Moeder Van Dalen en La, die meetje zou zijn, verbleven op het hoevetje

de laatste dagen vóór hare bevalling, en ook Rozeke's vader en haar

broeders kwamen, en weldra verscheen ook de jonge barones, met mooie

geschenken voor de moeder en het kind. Rozeke had den laatsten tijd haar

lieve jonkvrouw, zooals zij haar nog altijd noemde, maar zelden meer

gezien; ook zij verwachtte haar eersteling tegen den winter en samen

hielden zij nu lange en vertrouwelijke moederpraatjes. De

maatschappelijke kloof was even door overeenkomst van zorgen, liefde en

gevaren tusschen hen gedempt, zij waren niets meer dan twee liefhebbende

vrouwen en verteederde moeders, de eene reeds ervaren en de andere nog

vol van 't onbekende, maar met gelijkkloppende harten alle twee. De

jonge barones leefde nog steeds in de verrukking van haar zalig,

onverdeeld geluk; en ook Rozeke zag nu meer en meer een blijde toekomst

tegemoet, want Alfons werd met den dag sterker en zijn gezondheid beter.

Hij hoestte bijna niet meer en kon reeds, zonder zich te vermoeien,

halve dagen op den akker blijven.

De jonge barones vertelde van haar man. Hij was op 't oogenblik in

Frankrijk, met zijn automobiel, naar de groote wedrennen. Niet dat hij

zelf nog mee deed; 't was veel te gevaarlijk en hij had haar en ook haar

ouders moeten beloven nooit in snelheidsritten meer mee te rennen; maar

hij stelde er nog steeds zooveel belang in en dat genoegen gunde zij hem

gaarne. En zij vertelde ook aan Rozeke dat zij nu een heel mooi huis

hadden in Brussel, vlak naast het huis van haar vader, waar zij 's

winters zouden wonen en waar ook hun eerste kindje zou geboren worden.

Rozeke moest er haar later eens met Alfons komen opzoeken, als zij haar

kindje had.

Rozeke's moeder die 't gesprek bijwoonde en de uitnoodiging hoorde,

kwam, op eenigszins misnoegden toon, met een bezwaar in 't midden:

"'n Vroag gij heur moar nie te veele, mevreiwe. Nen boer en 'n boerinne

moên op ulder hof blijven; anders spelen knechten en meissens den boas!"

Zij doelde op Smul, wiens misplaatst bazig optreden haar reeds vanaf 't

eerste oogenblik geërgerd had. Maar Rozeke, die de toespeling dadelijk

vatte, meende zich te moeten verontschuldigen:

"Wa moeste we doen, moeder; we zaten doar alle twieë lijk lam? We

mochten nog heul blije zijn da w' hem hân."

"Tuttuttut! al wa konten!" riep moeder met boersche ruwheid, zonder zich

aan de voorname tegenwoordigheid te storen; "nen boas es nen boas en ne

knecht moe ne knecht blijven, of anders 'n deugt het niet. Mijne man hè

euk dikkels ziek geweest en ik hè zeven kinders g'had: moar ne knecht of

'n meissen 'n hân verdeeke! nie moeten probeeren van in ònz' ploatse

boas of bezinne te spelen! Ze zoên rap op stroate gevlogen hên! Voader

gijnk wirken zeu lank of dat hij op zijn bienen kon stoan en den

uchtijnk dat-e gij geboren zijt hé 'k nog onz' koe gemolken. Tuttuttut!

al wa konten, zeg ik."

"Ha joa moar, moeder, wie zoe 't anders gedoan hên? Ge 'n hadt gulder

giene knecht of gien meissen," weerlegde Rozeke.

De jonge barones, die van de gansche toebracht niets begreep, zette

verwonderde oogen op.

"Waarvan is er kwestie?" vroeg zij eindelijk.

Moeder en Rozeke vertelden 't haar om de beurt, ieder op haar manier,

Rozeke even boos omdat moeder zoo beslist sprak over iets waar zij

eigenlijk veel te weinig van af wist.

De barones keek Rozeke met ernstige, bijna afkeurende oogen aan.

"O, Rozeke, ge zult toch nooit...."

Zij kon haar zin niet voltooien, zóó hartstochtelijk viel Rozeke haar in

de rede:

"Ha moar mevreiwe toch! Wa peist-e gij toch wel van mij?"

Zij was niet in staat haar ontroering te beheerschen, zij barstte

plotseling in overstelpende tranen uit, zwak nog na haar laatste

kinderbed, en verweet scherp haar moeder dat zij haar een onverdienden,

slechten naam gaf.

De jonge barones legde zacht hare hand op Rozeke's schouder en bracht

haar zoet-sussend tot bedaren. Wel neen, wel neen, niemand had iets

verkeerds bedoeld, zij had alleen maar willen waarschuwen. Zij waren

gelukkig alle twee en moesten hun geluk steeds waardig blijven.

Nog even snikte Rozeke, met droog-hikkende stem:

"Onze lieven Hiere weet da 'k moar iene wensch op de weireld 'n hè: da

Alfons weere stirk en gezond genoeg zoe meuge worden om den anderen te

keune missen. Ik 'n hè hem nie gevroagd; Ik ... zoe hem veel liever ...

noeit op ons hof genomen hên.... 't Es Alfons zelve die 't gewild hèt.

Hij ... hij ... hij hè mij gedwongen hem te nemen...."

Zij droogde hare laatste tranen af en alle drie zwegen. Alfons kwam

daar, over den zonneglinsterenden boomgaard, glimlachend, met zijn spade

op den schouder. Hij was nog wel zeer mager, met ingezakte borst en

hooge schouders, maar zijn gelaatskleur was gezonder en de uitdrukking

zijner zacht-donkere oogen opgeruimd en levendig.

"Hoe vindt g' onz' jonge dochter, mevreiwe?" vroeg hij aan de jonge

barones; en toen zij hem vriendelijk had gelukgewenscht met het kind

keek hij even, als onthutst, naar haar eigen zwaargeworden figuur en

ging bedeesd en gegeneerd-stilzwijgend zitten.

Daarbuiten op den boomgaard, galmde plotseling luid zweepgeklap en klonk

de ruwe stem van Smul, die een bevel schreeuwde. Zij keken door het

raampje en zagen hem met een hooge vracht goudgeel koren opgereden

komen. Met gestrekte spieren trok de zware, bruine merrie, al haar

krachten inspannend om den wagen door den mullen grond tot vóór de

schuur te halen. Rukkend en schreeuwend hing Smul aan de leidsels en

Vaprijsken hield, duwend met een lange vork, de iewat scheef geschokte

lading in het evenwicht.

Moeder Van Dalen, de wenkbrauwen gefronst, bromde, met van moeielijk

ingehouden toorn bevende stem:

"Es da nou 'n vrecht veur 'n bieste die veulen in hêt! 'K 'en weet toch

nie wat da peist, Fons, da g'hem da nie verbiedt!"

Alfons schudde zijn hoofd en antwoordde:

"'t Es wa veele; moar 't en es gelukkig moar veur 'n klein eindsjen en

hij doe 't toch om wel te doen. Hij es schouw veur onweer en hij hoast

hem binnen mee 't loaste van den oest."

Moeder zei niets meer en ging hoofdschuddende weg. Rozeke zat starend,

met teedere oogen, te kijken naar haar jongste kind in 't wiegje en de

barones gaf een tikje met de punt van haar schoen aan Gessler, die vóór

haar voeten lag, en stond op. Zij duwde met haar zachte vingeren twee

kleine kuiltjes in de mollige wangen van het slapend wichtje, glimlachte

het teeder aan en keerde zich zuchtend, met liefde-tranen in de oogen

om.

"Tegen wannier verwacht ge 't ouwe, mevreiwe?" durfde Rozeke haar

fluisterend op den drempel vragen.

"Ik denk einde December," antwoordde stil de barones, zacht-kleurend.

"En wa moet 't zijn?" glimlachte Rozeken, "'n jongentsjen of 'n

meisken?"

"Al wat de lieve Heer verleent zal welkom zijn, Rozeke, maar wij hopen

een jongen."

"'K zal d'r veure lezen, mevreiwe" beloofde Rozeke met ontroerde

vroomheid.

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 13 / 51 题