XIX.

Langzamerhand, met de rust en met de mooie dagen, werd Alfons beter;

maar hij was toch nog veel te zwak om te werken. Zoolang hij kalm en

rustig bleef, voelde hij zich tamelijk goed, doch bij de minste

inspanning begon hij weer te hijgen, te kuchen en te hoesten en dagen

lang waren er dan noodig om hem opnieuw op zijn verhaal te brengen. 't

Zal moeten slijten, had de dokter gezegd; en nu hij toch zulke goede

hulp had aan Smul en alles weer voorspoedig ging op 't hoevetje, nam hij

zijn lot nog al geduldig op.

Rozeke, van haar kant, was eindelijk ook aan den toestand gewend

geraakt. De vaste tegenwoordigheid van Smul kwam haar niet langer meer

voor als een steeds dreigend gevaar, alles bleef natuurlijk en gewoon

zijn kalmen gang gaan, hij poogde zich geen rechten aan te matigen die

hem niet toekwamen en ook met 't Geluw Meuleken en met Vaprijsken

verkeerde hij op goeden voet; en weldra genoot ook Rozeke iets van de

rust en zekerheid, die door Smuls flinke en krachtige bekwaamheid op

Alfons' gemoed heilzaam werkte. Die rust en zekerheid waardeerde zij te

meer nu ze weer spoedig haar verlossing te gemoet zag. Evenmin als

Alfons ware zij op 't oogenblik in staat geweest voor de eigenlijke

zaken van de boerderij doelmatig handelend op te treden en zoo gebeurde

het bijna van zelf en onvermijdelijk dat alles meer en meer door den

sterken en actieven Smul bedisseld en beredderd werd.

In het begin kwam hij nog telkens aan Alfons vragen: "Baas, zouden we

dit of dat niet doen? zou het geen tijd worden om hier-of-daar mee te

beginnen?" Doch Alfons was vanwege zijn ziekelijken toestand niet altijd

op de hoogte om te beslissen en zoo kwam het meer dan eens voor dat hij

zelf aan Smul moest vragen hoe die er over dacht en wat hij zou aanraden

te doen. Zoo ging het toen het gras gemaaid moest worden en ook later

toen het tijd werd om het koren in te oogsten. Smul was het die

besliste, die de maaiers ging ontbieden en de noodige bevelen uitdeelde.

Van 't paard trok Alfons zich heelemaal niets meer aan; dat was in Smuls

handen en hij zou wellicht niet geduld hebben dat een ander, zelfs de

baas niet, zich er nog mee bemoeide. Hij was er weer mee bij den hengst

geweest, op een door hem alleen gunstig geacht oogenblik; en weldra leed

het geen twijfel meer, dat de merrie veulen droeg.

Maar nu gebeurde 't dat Smul, in zijn toenemende, algemeene bazigheid,

zich ook met den koestal ging bemoeien, wat speciaal Vaprijskens werk

was, en dit gaf aanleiding tot wrijving en gekibbel, tusschen de twee,

totnogtoe goed met elkaar omgaande knechts. Dat koestal-geharrewar werd

nog ingewikkelder door een vagen naijver om 't Geluw Meuleken, waar zij

allebei een beetje 't oog op hadden. Scherpe woorden waren reeds een

paar keer gewisseld; en eindelijk, op een middag, voor een

beuzel-kwestie van al of niet te geven klaver, kwam het tot een

plotselinge, woeste vechtpartij. Geducht werd het veel zwakkere

Vaprijsken geranseld, en kwam daarop huilend en vloekend bij Alfons en

bij Rozeke zijn aanklacht doen, gillend dat zij tusschen hem en Smul te

kiezen hadden en dat hij wegging indien Smul nog langer bleef. Groot was

de plotselinge ontsteltenis van Alfons en van Rozeke! Wat moesten ze

doen? Zeker was Vaprijsken een uitmuntende stalknecht en moeilijk kon

hij op de hoeve gemist worden, maar onder de omstandigheden van het

oogenblik kon Smul dat nog veel minder en hun gedwongen keus was niet

twijfelachtig. Zij slaagden er eindelijk in, met heel veel moeite, na

smeeken en vleien, om Vaprijsken te bedaren en hem te doen blijven; maar

dat was meteen de beslissende triomf voor Smul, die van af dat oogenblik

de onbetwiste opperbaas der hoeve werd en er voortaan alles naar zijn

eigen zin wist te doen buigen.

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 12 / 51 题