Reeds den volgenden ochtend was Smul met pak en zak op 't boerderijtje.
Kort en stug groetend kwam hij binnen, vroeg waar zijn slaapplaats was,
knikte goedkeurend toen hij hoorde dat die op den zolder was boven den
paardenstal, droeg er met behulp van Vaprijsken zijn goed heen en stond
reeds vóór half negen in het keukentje werkklaar, met gefronsde
wenkbrauwen vol aandacht luisterend naar de bevelen van zijn nieuwen
meester.
"Iest en veural de vlasgoard eegen en sleepen, 't es doanig neudig," zei
Alfons met heesche stem. "Vaprijs zal mee ou mee goan om ou te teugen
woar dat hij ligt. Doarachter moên we malgré beginnen onz' eirdappels
planten en oale voeren op de kloaver."
Sprakeloos hoofdknikkend had Smul zich reeds omgekeerd om naar zijn werk
te gaan.
"Eet iest ulderen boterham," zei bedeesd Rozeke, terwijl ze haastig twee
groote koppen volschonk met koffie en een stapel dikke tarwe-smouterhammen
voorsneed. Zij sneed ook twee plakken zwart roggebrood en legde op ieder
een zware snee spek.
Zij aten, haastig slikkend, zonder spreken, en slurpend van hun groote
koppen. Alfons, uitgeput door de inspanning van het bevelen-geven, zat
af en toe heesch in zijn hoek te hoesten; Rozeke liep gejaagd en
onthutst heen en weer. Zij voelde zich plotseling als een vreemde in
haar eigen huis; zij kon haast niet begrijpen dat die man, die Smul,
waar zij nog steeds zoo heimelijk bang voor was, daar nu elken dag vast
zitten zou, dat hij zou deelen in hun dagelijksch leven, dat hij met hen
zou opstaan en zou slapen gaan, dat zij hem ieder oogenblik zou hooren
en zien. Het kwam haar voor als iets onmogelijks, dat toch in geen geval
lang duren kon, en 't was haar nu reeds een verbazing dat hij daar zoo
onbevangen en gewoon te eten en te slurpen zat, terwijl het haar zoo
akelig bevreemdde en ontstelde; dat hij daar zat, aan de tafel van zijn
vroegeren vijand, wiens vrouw hij als jong meisje hartstochtelijk
begeerd en met ruw geweld bijna genomen had. Doch alles ging zoo
doodgewoon en zoo natuurlijk alsof het nooit anders geweest was; hij
vroeg ernstig en kalm onder het haastig eten aan Alfons hoe dit en dat
gedaan moest worden, waar hij 't een of 't ander vinden kon: en van haar
nam hij in 't geheel geen notitie, hield zich alsof hij haar niet zag en
alsof ze voor hem niet bestond. Zoo gauw hij met zijn eten klaar was
stapte hij op, liep naar den paardenstal, haalde de merrie uit en spande
haar voor de driewielkar, waarop hij met een forschen til de zware horde
laadde. En weg was hij, over den boomgaard en door 't open hek, door
Vaprijsken vergezeld. Alfons glimlachte tevreden, hem met een
goedkeurend hoofdgeknik naar Rozeke van uit zijn hoek door 't raampje
nakijkend.
"Dà es ne goên, zille! en ne rappen! Kijk ne kier die merrie goan! Hij
'n zal d'r nie in sloap bij vallen, bij zijn wirk!"
Hun vroegere ruzie scheen Alfons totaal vergeten, hij dacht er niet meer
aan. Hij zag enkel nog in Smul den knappen, flinken werker, die hen uit
den nood kwam helpen.
Rozeke verademde. Misschien zou het toch beter gaan dan zij eerst dacht
en vreesde; maar zij voelde wel dat zij er nog aan wennen moest. Het was
een vreemd gevoel in haar; mengsel van hoop en vrees en ook van ontzag
en een soort schaamte. Waarom schaamte? Dat begreep ze zelve niet, maar
voelde 't zoo.
Even later op den dag, in de zachte, stille zonne-warmte van den
heerlijken mei-ochtend, liep Alfons, door belangstellende
nieuwsgierigheid gedreven, eens tot aan den vlasgaard, waar Smul nu aan
't eggen was.--Hij zag hem komen van het verste eind over den langen
akker: de mooie merrie met trotsch-opgeheven hoofd flink-gelijkmatig in
gestrekten vluggen pas aanschrijdend, en daarachter op de platte horde
Smul, fiks en wijd-beende met de leidsels in de hand, telkens
schuivend-glijdend in als 't ware wevende beweging over 't gladde,
blonde land. Hij zag het gespan komen, ziender oog vergrootende,
stijgend als op een zachtglooienden heuvel naar het middenpunt waar het
veld ietwat hooger lag, en dan weer naar de laagte dalen, de merrie
snuivend, de horde schuivend, tot het heel aan 't ander uiteinde gekomen
was, waar Smul dan met een vluggen, zwierigen zwaai horde en paard deed
omkeeren en dadelijk weer, in flinken, forschen gang, den akker
opgolfde.
"Nondedzju! dà es ne wirkman! den dienen kán watte!" dacht Alfons met
onbedwingbare bewondering alsof het nog de eerste maal was dat hij Smul
zoo aan den arbeid zag.--En lang nog bleef hij daar, op zijn stokje
geleund, bewonderend staan staren en waardeerend genieten.
* * * * *