XVIII.

Reeds den volgenden ochtend was Smul met pak en zak op 't boerderijtje.

Kort en stug groetend kwam hij binnen, vroeg waar zijn slaapplaats was,

knikte goedkeurend toen hij hoorde dat die op den zolder was boven den

paardenstal, droeg er met behulp van Vaprijsken zijn goed heen en stond

reeds vóór half negen in het keukentje werkklaar, met gefronsde

wenkbrauwen vol aandacht luisterend naar de bevelen van zijn nieuwen

meester.

"Iest en veural de vlasgoard eegen en sleepen, 't es doanig neudig," zei

Alfons met heesche stem. "Vaprijs zal mee ou mee goan om ou te teugen

woar dat hij ligt. Doarachter moên we malgré beginnen onz' eirdappels

planten en oale voeren op de kloaver."

Sprakeloos hoofdknikkend had Smul zich reeds omgekeerd om naar zijn werk

te gaan.

"Eet iest ulderen boterham," zei bedeesd Rozeke, terwijl ze haastig twee

groote koppen volschonk met koffie en een stapel dikke tarwe-smouterhammen

voorsneed. Zij sneed ook twee plakken zwart roggebrood en legde op ieder

een zware snee spek.

Zij aten, haastig slikkend, zonder spreken, en slurpend van hun groote

koppen. Alfons, uitgeput door de inspanning van het bevelen-geven, zat

af en toe heesch in zijn hoek te hoesten; Rozeke liep gejaagd en

onthutst heen en weer. Zij voelde zich plotseling als een vreemde in

haar eigen huis; zij kon haast niet begrijpen dat die man, die Smul,

waar zij nog steeds zoo heimelijk bang voor was, daar nu elken dag vast

zitten zou, dat hij zou deelen in hun dagelijksch leven, dat hij met hen

zou opstaan en zou slapen gaan, dat zij hem ieder oogenblik zou hooren

en zien. Het kwam haar voor als iets onmogelijks, dat toch in geen geval

lang duren kon, en 't was haar nu reeds een verbazing dat hij daar zoo

onbevangen en gewoon te eten en te slurpen zat, terwijl het haar zoo

akelig bevreemdde en ontstelde; dat hij daar zat, aan de tafel van zijn

vroegeren vijand, wiens vrouw hij als jong meisje hartstochtelijk

begeerd en met ruw geweld bijna genomen had. Doch alles ging zoo

doodgewoon en zoo natuurlijk alsof het nooit anders geweest was; hij

vroeg ernstig en kalm onder het haastig eten aan Alfons hoe dit en dat

gedaan moest worden, waar hij 't een of 't ander vinden kon: en van haar

nam hij in 't geheel geen notitie, hield zich alsof hij haar niet zag en

alsof ze voor hem niet bestond. Zoo gauw hij met zijn eten klaar was

stapte hij op, liep naar den paardenstal, haalde de merrie uit en spande

haar voor de driewielkar, waarop hij met een forschen til de zware horde

laadde. En weg was hij, over den boomgaard en door 't open hek, door

Vaprijsken vergezeld. Alfons glimlachte tevreden, hem met een

goedkeurend hoofdgeknik naar Rozeke van uit zijn hoek door 't raampje

nakijkend.

"Dà es ne goên, zille! en ne rappen! Kijk ne kier die merrie goan! Hij

'n zal d'r nie in sloap bij vallen, bij zijn wirk!"

Hun vroegere ruzie scheen Alfons totaal vergeten, hij dacht er niet meer

aan. Hij zag enkel nog in Smul den knappen, flinken werker, die hen uit

den nood kwam helpen.

Rozeke verademde. Misschien zou het toch beter gaan dan zij eerst dacht

en vreesde; maar zij voelde wel dat zij er nog aan wennen moest. Het was

een vreemd gevoel in haar; mengsel van hoop en vrees en ook van ontzag

en een soort schaamte. Waarom schaamte? Dat begreep ze zelve niet, maar

voelde 't zoo.

Even later op den dag, in de zachte, stille zonne-warmte van den

heerlijken mei-ochtend, liep Alfons, door belangstellende

nieuwsgierigheid gedreven, eens tot aan den vlasgaard, waar Smul nu aan

't eggen was.--Hij zag hem komen van het verste eind over den langen

akker: de mooie merrie met trotsch-opgeheven hoofd flink-gelijkmatig in

gestrekten vluggen pas aanschrijdend, en daarachter op de platte horde

Smul, fiks en wijd-beende met de leidsels in de hand, telkens

schuivend-glijdend in als 't ware wevende beweging over 't gladde,

blonde land. Hij zag het gespan komen, ziender oog vergrootende,

stijgend als op een zachtglooienden heuvel naar het middenpunt waar het

veld ietwat hooger lag, en dan weer naar de laagte dalen, de merrie

snuivend, de horde schuivend, tot het heel aan 't ander uiteinde gekomen

was, waar Smul dan met een vluggen, zwierigen zwaai horde en paard deed

omkeeren en dadelijk weer, in flinken, forschen gang, den akker

opgolfde.

"Nondedzju! dà es ne wirkman! den dienen kán watte!" dacht Alfons met

onbedwingbare bewondering alsof het nog de eerste maal was dat hij Smul

zoo aan den arbeid zag.--En lang nog bleef hij daar, op zijn stokje

geleund, bewonderend staan staren en waardeerend genieten.

* * * * *

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 · 第 11 / 51 题