de ruste zóó lief, dat hij de vereerende uitnoodiging van den Koning
van Engeland, om eenigen tijd aan het Hof te vertoeven, beleefdelijk
weigerde.
Het scheen, dat hij nu inderdaad hoopte, zijne laatste levensjaren
aan den wal te slijten, te midden van zoovelen, die hem lief en
dierbaar waren.
Voor de eer en den roem van zijnen naam had hij, als dat ooit zijn
doel kon geweest zijn, meer dan genoeg gedaan; bovendien hield zijn
zoon Engel, die reeds tot Vice-Admiraal bevorderd was, dien naam met
eere op.
Voor de welvaart dezer landen was op het oogenblik zijne hulp niet
zoo bepaald noodig. Luitenant-Admiraal Tromp toonde, dat hem het
bevel over de vloot ook zeer goed toevertrouwd was.
Voor geldelijk gewin behoefde hij niet uit te zeilen; want, zonder
rijk genoemd te kunnen worden, kon hij met hetgeen hij bezat, en zijn
inkomen van den Lande, ruim en onbekrompen leven.
Waarom zou hij nu nog wenschen naar zee te gaan?
Maar het lot had anders beslist.
Nederland zou Spanje tegen Frankrijk helpen en De Ruyter met eene
vloot naar de Middellandsche zee zenden.
Eene lijst van achttien oorlogsschepen, eenige kleinere vaartuigen
en vier branders werden hem toegezonden.
Zijn Vice-Admiraal zou zijn Johan De Haen, een man, met wien De Ruyter
niet overweg kon.
Nauwelijks had De Ruyter de lijst van de schepen gezien, of hij schudde
het grijze hoofd en zeide tot de Heeren van het Admiraliteits-collegie,
die hem deze lijst brachten: "Ik ken de Franschen. Ze hebben
van afkijken den oorlog ter zee geleerd. Niet te vergeefs liet de
slimme Lodewijk zijne vloot altijd zoo min mogelijk aan het gevecht
deelnemen, en Duquesne, die de Franschen daar ginder aanvoert, is
een mannetjes-kerel. Kennen de Heeren hem?"
"Jawel, zoowat, Meneer De Ruyter, zoowat! Maar wij weten toch, dat hij
slechts Vice-Admiraal is, en als hij zulk een man was, als UEd. denkt,
zou hij het wel veel verder gebracht hebben."
"U kent hem niet, Heeren," sprak de Ruyter. "Lodewijk zou hem reeds
lang bevorderd hebben, als hij niet een Protestant was. Maar dat
daar gelaten, ik weet ook over welk zeevolk hij te bevelen heeft,
en daarom zeg ik nog eens: waarlijk, het gaat niet. Achttien schepen
is veel te weinig."
"UEd. schijnt niet op de Spaansche vloot te rekenen, Meneer De Ruyter!"
"Daarop moet men ook niet rekenen, Heeren! De Spanjaarden zullen ons
helpen, zooals de Franschen de Engelschen in '72 en '73 hielpen. Zij
zullen ons de kastanjes uit het vuur doen halen en van verre toekijken
of ons dat werk ook gelukt. Ik herhaal het: mijne vloot is te klein!"
"Wij willen toch niet hopen, dat UEd. op den ouden dag bevreesd begint
te worden en den moed dreigt te laten zakken," merkte thans een der
Heeren aan.
Eene wolk van misnoegen gleed over De Ruyters voorhoofd, en den
driesten beleediger in het aangezicht ziende, zeide hij met waardigheid
en ernst: "Neen, ik begin den moed niet te laten vallen. Ik heb mijn
leven veil voor het Vaderland; maar ik ben verwonderd, en het is mij
leed dat de Heeren de vlag van den Staat zoo veil hebben en wagen!"
"Welnu, die schande dragen wij dan," zeide dezelfde, "en wij verzoeken
UEd. toch naar zee te gaan met de vloot, die wij u geven willen."
Nu werd De Ruyter toch warm en op flinke zeemanswijze zeide hij:
"De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden. En al
werd mij bevolen 's Lands vlag op één enkel schip te voeren, ik zou
daarmee naar zee gaan, en waar de Heeren Staten hunne vlag vertrouwen,
zal ik mijn leven wagen!"
Met dit antwoord konden ze vertrekken, de mannen, die te dom, te
opgeblazen en te trotsch waren om eene heldenziel, als die van De
Ruyter, te kunnen begrijpen.
Kort daarop zou hij aanboord gaan, doch zie, daar werd hij opeens
door ziekten van den ouden dag overvallen.
"Ga toch niet naar zee!" zoo smeekten vrouw, kinderen, en vrienden.
Te vergeefs. Men zou immers het er dan stellig voor houden, dat hij
geenen moed meer had.
Ja, daarover moest hij heenstappen. "Dat wist men wel beter,"
zeide men.
"Neen, neen," riep De Ruyter, "ik zal naar zee gaan! Ik zal dien
tocht doen, al zou men mij ook naar het schip dragen!"
Kort hierop nam hij afscheid van vrouw en kinderen; hij deed het
ditmaal hartelijker en weemoediger dan ooit.
Waarom toch?
Hoor, hoe hij afscheid neemt van eenen zijner beste vrienden.
"Mijn vriend, ik zeg u adieu! En niet alleen adieu, maar adieu
voor eeuwig; want ik denk niet weer te komen. Ik zal op dezen tocht
blijven. Ik voel het!"
Den vierentwintigsten Juli 1675 verscheen hij in de vergadering der
Hoog-Mogenden, en zeide dat hij bereid was zich naar 's Lands vloot
te begeven.
Heer Willem van Nassau Odijk, zeide, als Voorzitter der vergadering,
hem vaarwel, en sprak het vertrouwen uit, dat het ook op dezen tocht
weer schitterend zou blijken, dat het bevel van 's Lands vloot aan
geene betere handen kon toevertrouwd geworden zijn. [15]
Den zestienden Augustus stak hij in zee en zond zijnen Vice-Admiraal
De Haen vooruit om eenige koopvaarders te geleiden, en dan de vloot
te Cadiz af te wachten.
Hoewel het uitzeilen nog al vertraagd was geworden en De Ruyter dus
wel wat laat te Cadiz aankwam, vond hij daar wel den Vice-Admiraal De
Haen, doch van eene goed uitgeruste Spaansche vloot niets. Men hield
onzen Vlootvoogd met allerlei zaken lang op, en eindelijk kreeg hij
last, zich naar het eiland Iviza te begeven, waar hij zes Spaansche
schepen vinden zou.
Misnoegd stond De Ruyter, toen hij de Middellandsche zee ingezeild
was, over de verschansing heen naar de verwijderde kust van Algiers
te staren. Hij scheen zoo diep in gedachten, dat hij den stokouden
Bootsman Lievensz. niet opmerkte, die hem al een tijdlang aangekeken
had.
"Admiraal," zeide deze eindelijk.
De Ruyter keerde zich om en zei: "Zoo, Lievensz., zijt gij daar?"
"Ja, Admiraal, hier ben ik!"
"Het gaat ons niet voor den wind, man!" sprak De Ruyter.
"Neen, alles behalve dat, Admiraal, maar...."
Hier hield Lievensz. eensklaps op en trok een pijnlijk gezicht.
"Wat scheelt er aan?" vroeg De Ruyter.
"Och, die akelige jicht! Liet die mij maar met vrede, dan zou ik
hier niemand in den weg loopen en nog menig jonkman kunnen beschaamd
zetten. Ik ben gezond van harte, Admiraal!"
"Ge hadt dezen tocht niet moeten meemaken, Lievensz.! Uw oude dag
vergt rust, en ge kunt toch best leven!"
"Thuisblijven! Ik ken ook iemand, die thuis had moeten blijven,
Admiraal!"
"Zoo, zoo! Kent gij er ook een? Ei, ei!"
"Ja, Michiel, mijn goede zeejongen, ja, ik ken er een, en dat zijt
gij!" riep de "Barre Bruinvisch" opeens uit. "Gij hadt dien kerels,
die van niemendal anders weten dan geld te ontvangen, den voornamen
heer uit te hangen en eenen man als "Bestevaêr Michiel" is, te
beleedigen, vierkant in het gezicht moeten zeggen: "Ik ga niet of, als
Luitenant-Admiraal-Generaal over eene vloot, die bij mijnen naam past!"
"Tut, tut, jongen, Barre, hoe wordt gij op den ouden dag nog zoo
trotsch?"
"Trotsch, Michiel, ja, dat ben ik! Ik ben trotsch op u, dien ik
gekend heb, als eenen straatjongen, en dien ik op mijn zesentachtigste
jaar ken, als den beroemdsten man der wereld, en den nederigsten en
vroomsten man van al wat Christen heet! Ik hoop, dat ge het mij niet
kwalijk zult nemen, dat ik nog eens op ouderwetsche manier tegen
u praat, maar ik kan op het oogenblik niet anders; mijn hart is
te vol. Michiel, Bestevaêr Michiel, ik voorzie er in, dat het mis
met ons afloopt. We zullen verliezen en--jij, brave man, jij zult
op den ouden dag de schande moeten beleven om voor eenen Franschen
Vice-Admiraal op den loop te moeten gaan!"
"Op den loop gaan, Lievensz.? Zeg je daar op den loop gaan?" vroeg De
Ruyter met flikkerende oogen. "Lievensz., Lievensz., dàt zal ik niet
doen. Al vechtend wijken, wil ik, en zal ik als het noodig is. Maar
op den loop gaan, nooit! De vijand zal altijd mijn voorhoofd zien!"
"Ja, ja, dat weet ik wel, u kan niet anders! Maar is me dat nu een
vlootje voor eenen man, die meer dan honderd schepen met meer dan
twintigduizend man gekommandeerd heeft, zooals bij Kijkduin?"
"Hoor eens, Lievensz., de vloot is klein, veel te klein; maar denk
er aan, man, wat de zee-oorlog van '72 en '73 gekost heeft, en wat de
oorlog te lande nóg kost. Het land is uitgeput, en niet alle gewesten
willen altijd met Holland en Zeeland meestemmen. De Prins van Oranje,
de Raadpensionaris Fagel, en het Lid der Amsterdamsche Admiraliteit,
Mijnheer De Wildt, hebben alles gedaan, wat ze konden om mij meer
schepen te geven; maar ze hebben het er niet door kunnen krijgen. De
tocht mag ook niet langer dan zes maanden duren. We willen dus
hopen, dat ge gauw terugkeeren kunt!" zeide De Ruyter en ging nu naar
zijnen Kapitein, den dapperen Callenburgh, om dezen te raadplegen over
hetgeen het best kon gedaan worden; want de Vlootvoogd had gelijk gehad
toen hij zeide, dat de hulp der Spanjaarden niets te beteekenen zou
hebben. Overal waar hij aankwam werd hij met eerbewijzen overladen,
maar hulp, waar het om te doen was, kreeg hij niet. Nu eens voer
hij hier, dan daar heen. Eindelijk kreeg men den zevenden Januari
den vijand bij het eiland Stromboli in het gezicht, en hoewel deze
vloot veel sterker dan de onze was, besloot De Ruyter haar toch
aan te tasten. Hij riep alle Scheepsbevelhebbers bij zich aanboord
en beval hun, zich voor den dag van morgen tot den strijd gereed te
houden. Dezen beloofden met zeemans-handslag hunnen plicht te zullen
doen en verlieten het Admiraalsschip.
Nog vóór de dageraad aanbrak gaf de Fransche Bevelhebber het sein
om te wenden, en zoodoende het voordeel van den wind te krijgen,
doch nauwelijks had De Ruyter dat gezien, of hij trachtte hem te
voorkomen. En wie nu eenen zeeslag een te verschrikkelijk iets vindt
om te aanschouwen, zou met vermaak gekeken hebben naar de pogingen,
die aangewend werden om elkander den loef af te winnen. De wind liep
echter om en de Franschen wonnen het in dien zeil-wedstrijd. Gedurende
dien zeetocht had De Ruyter tijd en gelegenheid gehad, de sterkte van
den vijand goed op te nemen en hij ontdekte, dat deze nog sterker was,
dan hij in het eerst gedacht had. Aan het ontwijken van den slag viel
niet meer te denken; het gevecht moest plaats hebben.
De dappere Duquesne, een man, die even als De Ruyter zich uit
den laagsten stand opgewerkt had, koos De Ruyter als zijnen
tegenstander. Hij kwam op ons Admiraalsschip af, en toen hij goed
onder het bereik van ons geschut was, gaf De Ruyter hem de volle laag,
die door Duquesne beantwoord werd.
Dit was het teeken tot den strijd.
En dat dit gevecht tusschen twee kleine vloten nu niet zoo gering
te noemen was, blijkt uit een schrijven van De Ruyter, waarin deze
getuigt dat er drie uren van beide kanten zoo furieus schutgevaarte
gehouden was, als hij in zijn leven geen scherper had bijgewoond.
Tegen den avond moest men het gevecht staken. Wij hadden ontzettend
geleden, en er was wel een nacht noodig om de geleden schade eenigszins
te herstellen.
De Spanjaarden hadden volstrekt geene schade bekomen. Dezen hadden zich
gedurende het gevecht verbazend heldhaftig getoond door uit de verte
met slecht kruit eenige kogels in het honderd weg te gooien. Maar alsof
ze eigenlijk de helden van den dag waren geweest, was de Spaansche
Bevelhebber er nu het eerst bij om den volgenden dag nog eens te
beginnen, alsof er niemendal gebeurd was.
Hij schreef De Ruyter eenen brief van: "nu moet men dit en dan moet
men dat," en zoo al voort en eindigde met te schrijven: "Uw grootste
dienaar en vriend, die uwe handen kust,
Don Andrea de Avolos."
Onze Admiraal vond het zeker zonde voor zulk eenen bluffenden brief een
velletje best Hollandsch schrijfpapier te vermorsen. Hij liet althans
eenvoudig een zeer kort antwoord, dat het goed was, op de ommezijde
van De Avolos' brief zetten, en van handen kussen kwam niemendal voor.
Den volgenden dag en nog twee dagen daarna zocht men den vijand
op, doch deze liet zich liefst niet vinden. Dit was voor De Ruyter
bewijs genoeg, dat de Franschen nog meer schade geleden hadden dan
wij; want, waarlijk Duquesne was er de man niet naar om zich uit de
voeten te maken, als het niet dringend noodzakelijk was. Men staakte
dus het vervolgen, en daar inmiddels de zes maanden verstreken waren,
ging De Ruyter naar Napels, om daar van den Nederlandschen consul te
vernemen, of het waar was, wat de Koning van Napels hem geschreven had,
dat die tijd door de Staten verlengd was.
Inderdaad waren die berichten ook gekomen, zoodat De Ruyter, na
zich van alles zoo goed mogelijk voorzien te hebben en na gevleid
en gevierd te zijn, weer zee koos. Hij deed dit evenwel met kwalijk
verborgen tegenzin. Uit het Vaderland had hij zoo goed als geene
versterking gekregen, en de Spanjaarden snoefden weer veel harder dan
eenigen tijd geleden, doch als het op handelen aankwam, waren ze niet
thuis. Zijne ongesteldheden kwamen ook gedurig terug en--dat akelig
voorgevoel van zijn naderend einde, dat weer gedeeltelijk verdwenen
was, toen hij de zes maanden in de Middellandsche zee had doorgebracht,
kwam nu en dan ook weer voor den dag, maar, hij zette zich met een:
"Als het moet, dan moet het," over alles heen, en toonde zich weldra
weder dezelfde, die hij altijd geweest was. Zijne eenige hoop was
maar, dat hij zijnen zoon Engel, die ook in de Middellandsche zee
was om de koopvaarders te beschermen, nog eens zien mocht.
Dit zou evenwel niet geschieden.
Den tweeëntwintigsten April 1676 ontmoetten de twee vijandelijke
vloten elkander in het gezicht van den berg Etna.
De Franschen hadden den tijd niet ongebruikt voorbij laten gaan.
"Dat zal een harde dobber geven, Kapitein," zeide De Ruyter op de
Fransche vloot wijzende.
"Ja, Admiraal, dat zal het, dat zal het!" antwoordde Callenburgh. "Maar
Uwe Edelheid heeft meer tegen de overmacht gestreden en overwonnen!"
"Beste vriend, ik weet wel, dat het aan u niet haperen zal. Als
ge de laatste man op de vloot zijt, zult ge nog van geen wijken
weten. Maar--het zijn niet allemaal Callenburghs, en--de overmacht
is ook te groot. Weet ge wel, dat wij met alles en alles juist
vijfenveertighonderd koppen met achthonderd tweeënvijftig stukken op
zevenentwintig gehavende schepen tellen? En de Franschman heeft zijne
vloot in vier smaldeelen kunnen deelen, terwijl ik schepen zie van
tachtig en negentig stukken. Hij is zeker driemaal sterker dan wij,
Callenburgh!" [16]
De dappere Kapitein kon dat niet ontkennen, doch beloofde nog eens,
dat hij wel zorgen zou, dat zijn schip "De Eendracht" voor drie vocht.
In het gevecht, dat om vier uur in den middag eenen aanvang nam,
voerde De Ruyter de voorhoede aan, en weldra scheen het, dat de Etna
verplaatst was.
En de Spanjaarden?
"Daar liggen ze weer in lij te schieten als gekken," zeide Lievensz.,
die al druk bezig was om eenen gekwetste te verplegen; daar hij
inderdaad nergens anders meer toe gebruikt kon worden.
Maar juist toen hij hiermede bezig was, keek hij even naar De Ruyter,
die op het zonnedek naar alle kanten rondzag om zijne bevelen uit
te deelen.
Het was de plaats van eenen held; het was de plaats waar het gevaar
het grootst was.
"Hij draagt zijn negenenzestig jaren met eere!" mompelde Lievensz. "O,
dat de kooplui hem daar zagen staan, ze zouden het hart niet meer
hebben aan zijnen moed te twijfelen, ze zou.... o, Heere, mijn God!"
Deze laatste woorden schreeuwde de oude Bootsman uit en den gekwetsten
makker aan zijn lot overlatende, snelde hij, zoo goed, ja, beter dan
hij kon, naar eene plaats op het dek bij de kajuit.
Wat was er gebeurd?
Een kogel had het grootste deel van De Ruyters voet weggenomen, en
de beide pijpen van zijn rechterbeen verbrijzeld. Hierop was hij wel
zeven voeten hoog van het zonnedek gevallen.
"O, Michiel, Michiel, Michiel," kermt de oude "Barre", die de eerste
was om den gevallene bij te staan.
"O, God, jongens! Jongens, Bestevaêr is gesneuveld!" schreeuwen de
matrozen en komen in verwarring.
"Neen, neen, mannen, niet gesneuveld! Bestevaêr leeft nog. Hij is
aan den voet en het rechterbeen hevig gekwetst. Wreekt Bestevaêr,
mannen, wreekt hem!" roept Callenburgh. "Den dood aan den Fransoos!"
"Den dood aan den Fransoos!" schreeuwt het volk hem na en brandt
de kanonnen zoo driftig los, alsof het musketten zijn. "Op, op,
voor onzen Bestevaêr! Het zal zijne pijnen verlichten! Op, op! Voor
Vaderland en Bestevaêr! God helpe ons!"
"Vooruit! Vuur! Vuur!" beveelt Callenburgh, en alsof de held, die
gewoon was als een stier op den vijand in te loopen, nog zelf stond
te bevelen, slaat "De Eendracht" onder het donderen zijner kanonnen
dwars door den vijand heen.
Michiel is verbonden; de Dokters verklaren, dat er nog herstel
mogelijk is. En te midden van de hevigste smarten, zegt de arme man,
telkens als zijn geschut losbrandt: "Houdt moed, mijne kinderen,
houdt moed! Zóó moet men doen om den zege te bevechten!"
Het is ruchtbaar geworden op de vloot, dat De Ruyter zwaar gewond is.
"Bestevaêr is gewond, kerels, brandt er op los!" roepen de Kapiteins
hun volk toe. "Duizend Franschen voor Bestevaêr!"
"Dan zal de Fransoos de rekening betalen, Kapitein! Tienduizend
Fransozen voor éénen Hollandschen Bestevaêr! Het moet er nu op of
onder, overwinnen of sterven! Hoezee! Hoezee! Voor Bestevaêr De
Ruyter! Hoezee!"
En het ging er onder of boven door. Iedere Hollander telde werkelijk
voor drie man, en het gevolg was, dat de Franschen weken. Gedurende den
nacht bleven de Hollanders en Spanjaarden op de plaats des gevechts,
en den volgenden morgen waren van de Fransche schepen, heel in de verte
de toppen der masten slechts zichtbaar, zoodat het niet twijfelachtig
was, wie eene luisterrijke zege behaald had.
Onbegrijpelijk is het inderdaad, dat de Franschen zich de overwinning
durfden toeschrijven, en toch deden ze het.
De Nederlandsche vloot keerde nu naar Syracuse terug.
Wat al deelneming ondervond de groote man daar!
Maar ook wat geestkracht liet hij blijken, waar hij geen oogenblik
er aan dacht, de berichten naar het Vaderland door anderen te laten
stellen en onderteekenen.
Met diepe droefheid werd het bericht van De Ruyters verwonding in
het Vaderland ontvangen.
Ja, De Ruyter had gelijk gehad toen hij zeide, dat alleen uitputting
van de geldmiddelen des lands oorzaak was, dat hij met zulk eene
kleine vloot was uitgezonden, en volstrekt geene mindere hoogachting,
die ze hem toedroegen. Dat stoeltje zonder leuningen in de raadzaal
van de Hoog-Mogenden, waarop de oude man zich neder gezet had,
was niet voor hem bestemd geweest. Men ontving zijnen last altijd
staande, en dat De Ruyter niet goed staan kon op dat oogenblik,
lag in zijne ongesteldheid, waaraan de Hoog-Mogenden niet gedacht
hadden. Ze schreven hem nu eenen vleienden en krachtigen brief,
en de Stadhouder deed dat eene maand later.
Maar geenen dier brieven had hij meer hooren voorlezen.
Hij had ook niet meer gehoord, dat de Koning van Spanje hem tot Hertog
benoemd had.
Vlissinger Michiel, hoort ge niet meer? Herinnert gij u niet meer,
hoe ge als straatjongen een last voor Vlissingen waart? Straatjongen,
herkent gij uzelven nog op den ouden dag, waarop gij den titel draagt
van Luitenant-Admiraal-Generaal-Hertog? Herkent gij u zelven nog
Edelman van Denemarken en Ridder van Frankrijk?
Maar die nederige mond spreekt niet meer; ze is gesloten, gesloten
voor immer en altoos.
De wonden stonden vrij gunstig,--doch er zijn koortsen bij gekomen,
en omringd door zijne helden is hij gestorven, zacht en gerust,
des avonds van den negenentwintigsten Augustus 1676.
Een gebed is zijn laatste woord geweest.
Wat heerschten er droefheid en rouwe op de vloot!
Lievensz. had het lijk verlaten en lag stom van smart in zijne hut.
Het lijk werd gebalsemd en naar het Vaderland gebracht!
O, dat hij het nog eens zien kon! Geene Fransche haven zeilde men
voorbij, of de Fransche vlag werd halfstok geheschen en met eereschoten
werd het lijk begroet, het lijk van den vijand van Frankrijk, van den
nederigen burger. Dit had Lodewijk XIV gelast, die tot eenen zijner
vrienden, die hem zijne droefheid over de Ruyters dood verweet, gezegd
heeft: "Al juich ik bij de tijding van zulk eenen vijand ontslagen
te zijn, dit belet mij niet gevoelig te zijn over den dood van een
groot man!"
Eindelijk kwam de vloot in het Vaderland.
Wie er nog aan getwijfeld had, zou het nu zien, hoe Bestevaêr Michiel
in het hart van iederen Nederlander leefde.
Van alle kanten kwamen er brieven van rouwbeklag in het eenvoudige
heerenhuis op het Nieuwe Waalseiland, waarvoor eens een Spaansch
gezant stond en uitriep: "Woont De Ruyter in dàt huis??"
Onder die brieven waren er met koninklijke zegels!
Den achttienden Maart 1677 werd hij met Vorstelijke plechtigheid in
de Nieuwe kerk begraven en op zijnen grafkelder werd op kosten van
den Staat weldra een prachtig gedenkteeken opgericht. Een Latijnsch
opschrift vermeldt daar zijnen roem, en boven den ingang van den
kelder staat nog een klein opschrift in het Latijn.
Het was in 1681 toen dat gedenkteeken voltooid was.
Een paar dagen na de onthulling ervan, kwam er een stok-oud man in
de kerk, en stond bij het praalgraf onder diep zuchten, de beeltenis
van den Admiraal te bekijken.
"Een mooi praalgraf, he, ouwentje?" zeide een deftig heer, die hem
ongemerkt genaderd was.
"Ja, Meneer, ja! En wat staat daar zoo al te lezen?"
De heer zeide dat het Latijn was en vertaalde voor den ouden man
het opschrift.
Zoodra deze hiermede klaar was, zeide de oude: "Alles mooi en waar,
Meneer, doch nog veel te weinig gezegd. En daar boven den ingang,
staat daar ook niet wat?"
"Zeker, zeker, goede vriend! Daar staat: "Intaminates fulget
honoribus."
"Wat wil dat zeggen, Meneer?"
"Dat wil zeggen: "Hij blinkt in onbedoezelde eere."
"Meneer, Meneer, dat is mooi gezegd, dat is waar!"
"Hebt gij hem dan soms zoo goed gekend, oude?" vroeg de heer, die
den grijsaard oplettend aanzag.
"Of ik hem gekend heb!" riep de oude den heer toe, en hierop het
beeld aansprekende, sprak hij op eenen toon, aangrijpend schoon door
de hartelijke geestdrift en liefde: "Michiel, Bestevaêr Michiel,
daar vragen ze Lievensz. of ik u gekend heb! De "Barre Bruinvisch"
zou zijn zeekind niet gekend hebben! Michiel, Michiel! Straks kom ik
bij u, hoor! Mijn avondschot zal ook spoedig vallen."
De oude Bootsman groette den vriendelijken heer beleefd en strompelde
naar huis.
De heer bleef een oogenblik staan, wreef de tranen uit de oogen en
fluisterde: "Wel te rusten, Vlissinger Michiel! Van hoe weinigen kan
men zeggen wat men van u zegt: "Hij was groot als mensch, groot als
held, groot als burger!"
Wij zijn niet meer het volk dat we in de zeventiende eeuw
waren. Allerlei oorzaken hebben daartoe medegewerkt. Doch wij
betreuren dat niet zoo erg, daar wij in de wereldgeschiedenis zien,
dat ieder volk zoo zijnen tijd van luister en verval heeft. Het
moet alleen ons streven zijn, niet om weer zoo machtig te worden,
als in de zeventiende eeuw, maar om ons bestaan eervol te doen zijn,
om te zorgen, dat wij bij andere volken niet te zeer achter staan.
Daarom is het goed, dat de mannen, die ons Vaderland eenmaal zoo
groot gemaakt hebben, met standbeelden vereerd worden. Van die eer
weten zij niets, voor wie zulke gedenkteekens opgericht worden. Het is
dan ook niet zoo zeer voor hen, dat een standbeeld verrijst, als wel
om het volk van den tegenwoordigen tijd in herinnering te brengen,
wat een mensch kan, als hij wil, en om hen aan te sporen te doen,
zooals zij deden.
Daarom is dan ook, den vijfentwintigsten Augustus 1841, te Vlissingen
een standbeeld voor onzen held opgericht, en het staat daar om ons,
kinderen der negentiende eeuw, als het ware toe te roepen: "Niet kunnen
bestaat niet; met God en goeden wil kan men bijna alles. Ik heb u den
weg gewezen! Nederland, oud en jong, rijk en arm, volg mijn voorbeeld
na! In mijne dagen waren er bange tijden, banger dan gij ooit gekend
hebt; maar inplaats van moedeloos de handen in den schoot te laten
rusten, hielden we het hoofd omhoog, en moedig ging het voorwaarts
tot we door de bange tijden heengeslagen waren, en vrij en frank ons
weer overal konden vertoonen. "De "Zeven Provinciën" konden veel;
zouden "De Elf Provinciën" dan minder kunnen?" [17]