wij hopen, als voor ons geliefd Vaderland nog eens een jaar als 1672
was, moest aanbreken, dat wij met het oog op Stadhouder Willem III
roepen zullen: "Oranje boven!" en met het oog op u: "Hoezee! Bestevaêr
Michiel! Hoezee!"
AANTEEKENINGEN
[1] St. Stevensdag of St. Stephanus valt op den 3den Augustus.
[2] Sinte Krijn of St. Quirinus is een Heiligdag, die den 24sten
Maart gevierd wordt.
[3] "Kielen, wielen, rand om het land" is een oud vaderlandsche
dronk. Kielen, beteekent zeevaart, wielen, beteekent landbouw, en
rand om 't land beteekent dijken. Het welzijn van die drie, voor ons
land van zooveel beteekenis, werd dus op die manier gedronken.
[4] Geleyn Evertsen hield woord. Hij sneuvelde reeds den derden Mei
1627 op de hoogte van Lissabon in een gevecht tegen eene Portugeesche
galei. Hij diende toen aanboord van zijnen broeder Johan, die als
Luitenant-Admiraal den vierden Augustus 1666 sneuvelde.
[5] In mijnen knapentijd hechtte men op het platteland van Walcheren
zeer veel gewicht aan dat zoogenaamde "uit bed stappen" van eenen
afwezende. Het was een bewijs, dat op hetzelfde oogenblik, hij of
zij, die afwezig was, stierf, met eene laatste gedachte aan het
vriendelijke, ouderlijke huis. Er waren toen nog veel meer van die
bijgeloovigheden in omloop, o. a. ook van het slaan op, of het vallen
van eenen spiegel. Een paardendokter, geen geëxamineerde, maar een,
die de kunst van zijnen Vader, als het ware, overgeërfd had, heeft mij
en mijnen makkers soms vreeselijke dingen verteld van zwarte vlaggen,
noorderlicht, slagen op de spiegels, vallen van spiegels, uit bed
stappen, geheimzinnige ontmoetingen, geklop op de deur midden in den
nacht, enz. Het angstzweet brak ons bij die verhalen dikwijls uit,
en toch waren wij altijd graag bij dien man, als hij aan zijne deur
stond en tijd en lust had om ons, door zijne bijgeloovige verhalen,
des nachts den slaap uit de oogen te jagen.
[6] Bij deze gelegenheid kwam het ook uit, dat onze nieuwe
Schout-bij-nacht beter met het zwaard in de vuist wist te zeggen,
hoe hij het meende dan met de pen in de hand. Hij schreef bij die
gelegenheid toch eenen brief aan de Admiraliteit van Zeeland waarin
o. a. voorkwam: "Ick sal mij als een heerlijck capiteyn in myn
harte gedraghen, in de hoope dat Godt, het werck, waer wij om uyt
syn gesonden, zal segenen tot heere van ons lieve Vaderlandt." Gij
ziet dat onze goede man nog altijd een Zeeuw was en met letter h al
zeer slecht terecht kon, zoodat hij inplaats van eerlijck eenvoudig
heerlijck en inplaats van eere ook heere schreef.
[7] Het is niet zeker wanneer M. A. De Ruyter zijne Scheeps-journalen
vernietigd heeft. Misschien heeft hij dat later gedaan, zooals zijne
levensbeschrijver Gerard Brandt meldt. Deze zegt van die jaren vóór
1652: "Gedurende de gemelde tochten, in negen jaren tijds gedaan,
had De Ruyter verscheidene ontmoetingen, waarvan men den juisten tijd
niet kan melden; dewijl hij, namaals Luitenant-Admiraal geworden,
als zeker uitheemsch Heer, door den roem zijner daden bewogen, eenig
schriftelijk bericht van zijn leven begeerde, om tot het schrijven
eener Historie te dienen, dat verzoek door eene wonderbare zedigheid
niet alleen afsloeg, maar meteen, om het beschrijven van zijn leven
te verhinderen, verscheidene van zijne dag- en gedenkschriften
verscheurde. Hierdoor zijn vele wetenswaardige zaken verduisterd,
die men sedert moest halen uit het verhaal van anderen, die het weleer
uit zijnen mond hadden, of zelf ooggetuigen waren."
[8] Met dit zeggen zinspeelde De Ruyter op de slagorde onzer vloot,
die eene halve maan vormde, en de koopvaarders binnen de hoornen of
den halven kring sloot.
[9] Henry Fleury de Culan, Heer van Buat, werd in 1666 te 's-Gravenhage
onthoofd, omdat hij eene geheime briefwisseling hield met de vijanden
van de Regeering onzer Republiek, die zich in Engeland ophielden.
[10] Het Admiraalsschip van De Ruyter was een der schoonste schepen
onzer vloot, telde tachtig stukken geschut en had eene lengte van ruim
51, eene breedte van 13,5 en een diepgang van bijna 5 Meters. Wilde
men zeggen, dat het voor een zeegevecht behoorlijk van kruit voorzien
was, dan had men daartoe niet minder dan 44 duizend pond noodig. Dit
schip, dat door onzen grooten zeeheld eene eigene geschiedenis
verkregen heeft, werd in 1694 voor sleet, dat is voor afbraak,
verkocht en--zelfs in het rijks-museum is er geen splintertje te
vinden van het beroemde vaartuig, dat Nederlands glorie ter zee op
alle wateren ronddroeg. Het is wel jammer. In den beroemden tocht
naar Chattam had De Ruyter aanboord van dit schip ruim 450 man.
[11] "That sacred keel, that pleasure-boat of war,
Now a cheap spoil, and the mean victor's slave."
[12] Cornelis De Wit nam dat overtreden van zijne bevelen inderdaad
zeer euvel op, en hoewel hij niet kon nalaten Van Brakels dapperheid te
roemen, noemde hij zijne daad, en met recht, zeer strafbaar. Gestraft
is hij echter niet; maar eene belooning, waarop misschien zijn volk
wel wat gerekend had, bleef ook achterwege.
[13] Schooneveld is eene plaats in zee ten Westen van het eiland
Walcheren. Ter hoogte van deze plaats vinden we op eene kaart van
Zeeland van 1540 het eiland Schoonevelde met de dorpen Schoonevelde
en Wals-Vlaenderen. Misschien is de tegenwoordige ondiepte, bekend
onder den naam van "Bankje van Zoutelande", nog een overblijfsel van
dit door de zee verzwolgen eiland.
[14] In dat uit de verte vechten zou al licht blijken, dat de onzen
niet durfden naderen. De Engelsche schrijver geeft er evenwel eene
goede reden voor op als hij zegt: "Het Hollandsche buskruit was
krachtiger en hun geschut langer dan het onze."
[15] De levensbeschrijver van De Ruyter, onze bekende Gerard Brandt
is niet vrij te pleiten van partijdigheid. Naar zijne meening was
het niet enkel een Lid der Amsterdamsche Admiraliteit, die onzen De
Ruyter minachtend bejegende, maar maakten zelfs de Hoog-Mogende Heeren
zich aan die minachting schuldig, en hij zegt dat de Voorzitter hem
beval in alles den meesten dienst van het Land te betrachten. En om
dit bevel nog meer, als een bewijs van minachting te doen uitkomen,
voegt hij er bij, dat men onzen held deed nederzitten "op een gemeenen
stoel zonder armen."
[16] De Fransche vloot bestond uit dertig schepen zonder de
branders. Er waren er vijf van 90 of 96 stukken bij, vier van 80,
elf van 70 tot 76, zes van 60 tot 70, vier van 50 enz. In het geheel
was de vloot bemand met 10,665 koppen en gewapend 2,172 stukken
geschut. Bij onze vloot mocht inderdaad de Spaansche niet geteld
worden. De Franschman De Vivonne schrijft: "De Spanjaarden schoten
van zeer verre, zonder orde te houden, zoodat er slechts vier schepen
van hen bij elkander waren, waaronder de Admiraal, schietende in het
wilde en zonder op onzen middeltocht af te komen."
[17] Den 1sten Mei 1830 drukten de Heeren P. J. Zijnen en
D. Uyttenhoven, Predikant en Notaris te Vlissingen, den eersten wensch
in het openbaar uit, een standbeeld voor Michiel Adriaensz. De Ruyter
te Vlissingen te kunnen oprichten. Die twee Heeren mochten eindelijk
hunne pogingen met eenen goeden uitslag bekroond zien. Een volk
dat zijne groote mannen vereert, is waard groote mannen bezeten te
hebben. Hulde daarom aan hen, die in die vereering vóórgingen.