en hierop het lijk van den dappere naderend, legde hij de hand, die
den Bevelhebbersstaf zoo roemruchtig wist te voeren, op de windselen,
ter plaatse waar een paar uren geleden een jong hart zoo warm klopte,
en met eene ontroerde stem, die door al het scheepsvolk, dat eerbiedig
het hoofd ontblootte, kon verstaan worden, sprak de vrome held:
"Jongen, gij zijt gevallen voor uw Vaderland in den opgang van een
veel belovend leven! Moge God Uwe ziele hebben!--Het Vaderland zal u
indachtig zijn! Uwe Ouders staren u in de hope des wederziens na, uwe
vrienden zullen u nooit vergeten, en uw Admiraal zegt uit vriendschap
voor uwen grijzen Vader en ter eere van u: een-twee-drie! In Godsnaam!"
De ruwe zeebonken snikten, traden nader en de plank met het lijk er
op schoof verder en--verdween in de diepte.
Kort hierop keerde de vloot naar de Vaderlandsche kust terug om deze
te beschermen, en om tegelijkertijd de schepen zoo goed mogelijk
te herstellen.
Hier ontving men minder gunstige berichten en niet overdreven was
een woord uit die dagen afkomstig: "De Regeering is radeloos, het
volk redeloos en het land reddeloos."
Aan Jan De Witt schreef men de veroveringen van Lodewijk XIV toe. Men
gaf hem de schuld van alles en randde hem zelfs aan om hem van zijn
leven te berooven. Cornelis De Witt, van alles onderricht, verliet
ziek de vloot, na van zijnen vriend De Ruyter hartelijk afscheid
genomen te hebben. Kort daarop werd de jeugdige Willem Hendrik Prins
van Oranje tot Stadhouder uitgeroepen.
De Ruyter, hoewel een groot vriend en vereerder van den
Raadpensionaris, toonde ook nu alweer, dat hij terwille van het
Vaderland van geene partijen en partijschap wilde weten. Hij
besefte volkomen, dat, in deze dagen van ontmoediging, de leus:
"Oranje boven!" nieuw leven en nieuwe veerkracht brengen zou onder
de verslagen menigte. Bovendien had hij genoeg van den jongen Prins
vernomen om veel van hem ten goede te verwachten. Hij althans zag de
toekomst niet zoo donker in.
Maar daar komt het bericht, dat de Ruwaard zich als een lafaard
gedragen, en zelfs met De Ruyter niet veel minder dan gevochten heeft.
Hij spreekt dat tegen, open en rond.
Wat later komt het bericht van Jan De Witt zelf, dat hij bedankt
heeft voor zijne betrekking als Raadpensionaris.
De toestand ziet er nu voor onzen Vlootvoogd weer donker uit, want
de heldere toekomst had hij zich voorgesteld met Prins Willem van
Oranje en Jan De Witt.
Nog wat later, op den tweeëntwintigsten Augustus, komt de tijding
op de vloot: "De gebroeders De Witt zijn door het Haagsche gemeen
schandelijk vermoord!"
Dat was een slag!
Wat zal er van het Vaderland worden?
Daar valt het oog van De Ruyter op den spiegel van het Zeeuwsche schip
"De Zelandia."
Het wapen van Zeeland is er op gebeeldhouwd.
En De Ruyter leest: "Luctor et emergo."
Daar nadert hem een gevangen Engelsch Zeekapitein, die ook vernomen
heeft, hoe het bij ons te lande geschapen staat, en hij waagt te
zeggen, dat de vloot nu toch wel eens in handen van zijnen Koning
zou kunnen vallen.
De Ruyter ziet hem aan en zegt, wijzende op het onderschrift van
Zeelands wapen: "Als 't Landt al t'eenemaal verloren gaat, zal ik
met de vloot, ik weet niet waar, liever heenzeilen, dan mij aan
uwen Koning, die geen woord noch verbond houdt, overgeven! Luctor
et emergo!"
TIENDE HOOFDSTUK.
DE REDDER VAN HET VADERLAND.
Het is op den zesden Juni van het jaar 1673, dat we ons weer
verbeelden aanboord te zijn van "De Zeven Provinciën", waarop onze
Luitenant-Admiraal De Ruyter andermaal zijne vlag laat waaien.
Luitenant-Admiraal? Hei, hei, ge vergist u! "De Zeven Provinciën"
draagt de vlag van den Luitenant-Admiraal-Generaal, de hoogste
betrekking, die men op de vloot kan hebben, en onder hem staat de
Luitenant-Admiraal Cornelis Tromp.
Wat? Cornelis Tromp weer aanboord? Hoe dat gaan zal? Twee mannen,
die elkander zoo vijandig gezind zijn met slechts éénen rang verschil
van macht! Wie heeft dat dwaze stuk begaan?
Wel, wel, wat zijt ge nog een vreemdeling, dat ge niet weet wat er
geschied is.
Laat mij u een en ander vertellen.
Sedert onze De Ruyter dat flinke antwoord aan dien Engelschman gaf,
is er heel veel veranderd en, ten onzen voordeele.
Groningen is van den vijand bevrijd; Drente ziet hem niet meer.
Denemarken en Lotharingen zijn onze bondgenooten. Spanje, Duitschland
en Brandenburg rusten zich ten oorlog toe tegen Frankrijk. Eene
voorgenomen landing der Engelschen en Franschen is door storm en
lagen waterstand mislukt. Slechts met moeite heeft Koning Karel II
van zijn Parlement geld gekregen om den oorlog voort te zetten,
en in den Stadhouder hebben we eenen man gevonden, die ons in de
Raadzaal en voor de vloot, den grooten De Witt weinig doet missen,
en in het leger ons meer geeft dan De Witt geven kon.
Toch zou men zich vergissen, als men meende, dat de Republiek reeds
gered was. Neen, het is nog steeds luctor, maar we zijn schoon op weg
om het tot emergo te brengen, als men maar krachtig volharden wil,
in het voortzetten van den strijd.
Dat wil de Stadhouder van zijne zijde wel beloven, en ter zee, ja,
dat hangt niet zoo geheel van hem af. Maar gelukkig heeft hij ook daar
zijnen man. De Ruyter leeft nog. Wel was deze een groot vriend van de
gebroeders De Witt, wel heeft hij onverholen, zelfs ten aanhoore van
de machtigste vereerders van Oranje, schande gesproken van het volk,
dat deze mannen op zulk eene schandelijke wijze vermoorden kon; maar
dat belet den Stadhouder niet dien Luitenant-Admiraal te vertrouwen
en te hoogachten. Hij zal niet doen, als dat Amsterdamsche grauw,
dat de woning wilde plunderen van den man, die zóóveel voor het
Vaderland gedaan had, en die er nog zooveel voor doen wilde. Is hij,
de Stadhouder, niet Admiraal-Generaal? Welnu, wat belet hem dan dien
braven Vaderlander, dien doorluchten zeeheld, dien vromen burger,
in zijne plaats het opperbevel over de vloot te geven? Zeggen en
doen gaan bij den Stadhouder hand aan hand, en den eenentwintigsten
Februari van het jaar 1673 werd Michiel Adriaensz. De Ruyter benoemd
tot Luitenant-Admiraal-Generaal van Holland, Zeeland en West-Friesland.
Maar de Stadhouder zal nog meer doen.
Leeft daar niet in stille rust een man, onvergelijkelijk dapper,
een liefhebber van zijn Vaderland en een zeeheld als er weinigen
gevonden worden, maar, helaas, in vijandschap met De Ruyter? Als
hij die twee eens met elkander verzoenen kon, Bestevaêr en Tromp,
wel, dan zouden Engeland en Frankrijk het hoofd te pletter
stooten op Nederlands bolwerk terzee, door die twee helden met
hunne onderhoorigen verdedigd. Ook dit beproeft de Stadhouder en,
na heel wat moeite, gelukt het hem de twee helden met elkander te
verzoenen. En of het nu meenens is? Het is nog geene tien dagen
geleden, dat Luitenant-Admiraal Cornelis Tromp met zijn "De gouden
leeuw" een prachtig schip van tweeëntachtig stukken, bij de vloot,
die onder De Ruyter bij Schooneveld [13] lag, is gekomen. En hoe? Als
iemand, die niet onder De Ruyter wilde staan? Volstrekt niet. Hij
liep achter "De Zeven Provinciën" om, begroette den Opperbevelhebber
met eere-schoten, en kwam iets, dat in geen zeven jaar gebeurd was,
bij De Ruyter aanboord.
De Ruyter wachtte Tromp bij den valreep op. In het kamp bij Bodegraven
hadden ze elkander in tegenwoordigheid van den Stadhouder, de hand van
vriendschap gegeven, en nu: "Welkom, welkom, aanboord van "De Zeven
Provinciën", Tromp!" sprak De Ruyter en sloeg op ronde zeemans-wijs
de rechterhand in die van Tromp.
Dat heeft het volk gezien.
De "Barre Bruinvisch", die na den dood van zijnen zoon Jan, geenen
traan meer had laten vallen, die man zelfs voelt de oogen vochtig
worden, en het kale hoofd, waarvan nog enkele lange, witte haren
in den wind fladderen, ontblootend, roept hij met trillende stem:
"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee! Onze Tromp! Hoezee!"
Alsof al het volk daarop gewacht heeft, mengt zich, met het
kanongedonder der schepen, het gejuich van Janmaat: "Hoezee! Bestevaêr
Michiel! Hoezee! Onze Tromp! Hoezee!"
Er is een gastmaal aanboord van "De Zeven Provinciën" geweest, en in
het bijzijn van de aanzienlijksten in den lande, hebben die twee met
elkander geklonken en gedronken, en vriendschap en trouw gezworen
tot in den dood!
Nu is het de zesde Juni.
Daar daalt De Ruyter van den valreep der "Zeven Provinciën" af,
om aanboord van "De gouden Leeuw" eenen feestmaaltijd bij te wonen,
door Tromp den Opperbevelhebber ter eere aangeboden.
Zie, daar beklimt De Ruyter het dek van Tromps Admiraalsschip, de twee
helden drukken elkander nogmaals de hand, en terwijl er een vroolijk
"Wilhelmus van Nassouwe" geblazen wordt, juicht het volk andermaal:
"Hoezee, Bestevaêr en Tromp! Hoezee!"
Wat dunkt u, zouden Neêrlands twee grootste zeehelden zich met elkander
verzoend hebben?
Het gastmaal is De Ruyter waardig.
Daar heft Tromp eenen vollen beker omhoog en drinkt het heil van het
lieve Vaderland.
Een luid "Hoezee!" klinkt op zijne gloeiende woorden.
Maar wat kijken allen daar naar de deur der kajuit?
Wat moet die Opperschipper van "De gouden Leeuw" hier doen?
"Admiraal," zegt hij, zich eerbiedig tot De Ruyter wendend: "De vijand
is in aantocht!"
Uit is de vroolijkheid.
Men snelt naar boven en--de heele zee aan den horizon is bedekt met
de schepen der Engelsch-Fransche vloot.
De groote scheepsraad, zoo ongezocht vergaderd, is op het dek
bijeen. Kort en vaardig deelt De Ruyter zijne bevelen uit, vermaant
zijne Bevelhebbers Neêrlands zeeroem te handhaven, en ieder keert
naar zijn schip terug.
Het is voor ieder duidelijk genoeg, wat die Engelschen en Franschen
willen.
Morgen, den zevenden Juni, is het juist een jaar geleden dat de slag
bij Solebay geleverd is, en morgen zullen ze de schande van Solebay
wreken door eene landing.
Heeft niet de Lord-Kanselier bij het openen van het Britsche Parlement
gezegd: "Carthago moet verwoest worden!" met Carthago de Republiek
der Vereenigde Nederlanden bedoelende?
Daar komen ze nu om die woorden waar te maken; want die Nederlandsche
schepen en scheepjes onder De Ruyter en Tromp, zijn in de oogen der
overmachtige vijanden niets meer dan een stofje aan de weegschaal. Nu
zal, nu moet de landing plaats hebben. Eene vereenigde vloot van
honderd vijftig zware oorlogsschepen is niet te weerstaan!
Hoe die grootsprekers zich bedriegen zullen! De Nederlandsche vloot,
sterk honderdvijf schepen, soms onvoldoende bemand, doch aangevoerd
door helden, zal toonen, dat ze nog hetzelfde kan, als bij Solebay.
"Het zal wel gaan!" zegt Tromp, die de voorhoede heeft, en gaat aan
den slag.
"Komt, jongens, rept de handen!" zegt Banckers, die de achterhoede
heeft en valt ook aan.
"Mannen, de vijand is nabij. Elk gedrage zich als een braaf kerel
en daar hij voor scheep is gekomen. Ik beloof het u, het zal wel
gaan!" spreekt De Ruyter en stevent op den vijand los.
Naar alle kanten ziet het oog van den Opperbevelhebber.
"Vooruit, mannen! Tromp is in nood. Gauw hem ontzet, eer het te laat
is," roept hij na eene poos.
Het was hoog noodig. De dappere Luitenant-Admiraal heeft het hoofd
te bieden tegen de helft der vijandelijke vloot. Het was hard voor
De Ruyter, want hij was reeds aan de winnende hand, maar gedachtig
aan den handdruk van Tromp ontvangen, zegt hij: "Het zwaarste moet
het zwaarste wegen. Het is beter vrienden te helpen, dan vijanden te
schaden! Vooruit!"
Tromp is van het eene op het andere schip overgegaan, overal zijne
Admiraals-vlag meevoerende. Maar nu begint zijn volk den moed op te
geven. Het kan niet meer.
Daar trekt de rook voor een oogenblik op, en tusschen die openingen
heen ziet Tromp onzen De Ruyter komen om hem te ontzetten.
"Hoezee! Mannen, daar is Bestevaêr! Die komt ons helpen! Ik zal
hem ook niet verlaten, zoolang als ik leef!" roept Tromp bijna
triomfantelijk uit.
Dat helpt, en met een: "Hoezee, Bestevaêr Michiel! Hoezee!" laten ze
opnieuw het geschut donderen.
Daar zien de vijanden "De Zeven Provinciën!"
"Vuur!" beveelt De Ruyter.
De vijand deinst af! Die "Zeven Provinciën" kennen ze maar al te goed.
De Ruyter bemerkt den schrik, dien hij onder den vijand brengt,
en zegt lachend tot hen, die bij hem staan: "Hoezee, jongens, de
vijanden hebben nog ontzag voor "De Zeven Provinciën!"--Het was niet
te veel gezegd. De vijanden laten Tromp spoedig liggen en trekken af.
Eindelijk valt de avond en het gevecht is geëindigd.
Maar geen schip gaat naar Engeland of Frankrijk om daar de blijde
boodschap te brengen: "Carthago is gevallen!"
De landing was mislukt, en uitgesteld tot later tijd.
De Ruyter schreef aan den Prins: "Wij oordeelen absoluyt, dat dusverre
de victorie (Gode zij lof) aan de zijden van dezen Staet en Uwe
Hoogheit is."
Luitenant-Admiraal Van Nes zeide: "De vijand is zoodanig getracteerd,
dat er geen nood is, dat hij daarvan liedekens zal gaan dichten."
Cornelis Tromp schreef aan zijne zuster:
Beminde Zuster!
Gisteren hebben wij den dans aangegaen, en ben, Godt sy gelooft,
gesond, en hebben ons herte eens weder opghehaelt als keuningen. Ick
ben op myn vierde Schip, "de Komeetstar," en meene vandaeg een
braven dans te dansen. Wij krijgen de Franschen so aen 't loopen,
dat zij bramzeyls en alles byzetten; en so het vandaeg so voortgaet,
so hope ick, dat aller Vrienden en ons gebed verhoort sal zijn, en
dat wij van de tirannye verlost zullen worden. Adieu! Couragie! Het
sal waerachtig wel gaen.
8 Juni 1673.
C. Tromp.
Maar wie zou nu als Nederlander de zaak niet van zijne gunstige
zijde laten zien? Was het wel zoo vast waar, wat Van Nes zeide;
"De vijand zal daarvan geene liedekens dichten?"
Welnu, de Fransche Admiraal D'Estrées schreef aan zijne Regeering:
"De Ruyter is een groot meester in de kunst van den oorlog ter zee;
hij heeft mij in dezen slag schoone lessen gegeven. Gaarne zou ik
mijn leven laten voor den roem, die hij daarbij heeft verworven."
Het was er evenwel verre van af dat de Engelsch-Fransche vloot
verslagen was. De Nederlanders zouden niet haring voor Sint Jan roepen;
want den veertienden Juni zou het gevecht van Schooneveld hervat
worden. Toch zouden zij niet de aanvallende partij zijn. Die eer gunde
De Ruyter hun niet. Toen evenwel de vijand de onzen slagvaardig zag
aankomen meerderden ze zeil, gingen noordelijk op en voeren daarop
met volle zeilen naar hunne eigen kusten terug.
Geen geringe omkeer van zaken.
De Ruyter joeg hen evenwel na en noodzaakte hen tot het gevecht.
"Hoezee, jongens, dat gaat er weer op los! Ferm, hoor, dat de vlokken
er afstuiven!" roept Van Brakel. En met een "Hoezee!" doen zijne
jongens waartoe ze geroepen zijn. En niet alleen op dien bodem,
maar op alle schepen van de Nederlandsche vloot vecht men, onder het
beleidvolle bestuur van Bestevaêr, met weergalooze dapperheid. Al
meer en meer deinst de vijand; al meer en meer dringt onze vloot
vooruit en de verwarring onder de Engelschen is weldra zoo groot,
dat men daar met blijdschap den invallenden nacht begroet en het
moorddadige gevecht staken kan.
Wel wilde Prins Robert, de Bevelhebber der Engelschen, den volgenden
dag den slag hervatten, maar geen zijner Bevelhebbers was hiertoe
over te halen.
Als overwinnaar keerde De Ruyter naar zijnen post op de Zeeuwsche
kusten terug.
Wel, Lord-Kanselier, zoudt ge nu nog niet een toontje lager gaan
zingen, waar een uwer landgenooten verklaart: "Prins Robert keerde
met verlies van vele menschen, en met vele ontredderde schepen naar
den Theems, en De Ruyter, hebbende, mits het voordeel van den wind,
en met van ver te vechten [14] weinig schade geleden, verkoos de
Zeeuwsche kust weer tot zijnen post. In dit bedrijf gaf De Ruyter
sprekende proeven, dat hij als het tijd was, den vijand zoowel kon
opzoeken als vermijden, en dat hij zijne plaats nooit verliet dan om
het voorhoofd te toonen."
Lager zingen zouden Engeland en Frankrijk? Zouden zij zich zoo
vernederen? Dat kon niet en dat zou niet! De landing moest plaats
hebben! Dat Carthago van de zeventiende eeuw moest vernietigd worden,
het moest.
De uitvoering van het stoute plan der onzen om de dagen van Chattam
nog eens te doen herleven, diende evenwel achterwege te blijven,
omdat er te veel zieken op onze vloot kwamen.
Ondertusschen kwam De Ruyter van eenen gevangen genomen Engelschen
Predikant te weten, dat de vijandelijke vloot honderdacht schepen
sterk was, en dat de schepen volgepropt waren met soldaten, ten
getale van ongeveer achtduizend man en drie troepen ruiterij, ieder
van honderdtwintig paarden. Het bevel over dat leger te lande had de
Graaf von Schomberg.
Men behoefde zich niet suf te peinzen omtrent het doel er van. Het
was weer maar de oude geschiedenis: er zou andermaal eene landing
beproefd worden.
De eenentwintigste dag van Augustus 1673 zou bewijzen, dat Carthago
het hoofd omhoog bleef houden.
De Engelsche Admiraal, Prins Robert, had in last de Nederlandsche
vloot van de kust te lokken en slag te leveren, en terwijl dan de
kust onbewaakt was, zou de Graaf von Schomberg landen.
Het plan was niet kwaad; maar Engeland had te veel verwachting van
zijne slimheid.
Onze Stadhouder kwam uit het leger naar de kust, stelde die op
verschillende plaatsen instaat van verdediging, liet tonnen en bakens
wegnemen en voor de zeegaten kleine, doch welbemande vaartuigen
brengen.
De Ruyter kreeg de boodschap, dat hij niet al te bezorgd voor de
kust moest zijn; want dat deze tamelijk wel bewaakt werd. Hij mocht
gerust alles doen, wat hij noodig achtte om den vijand te verdrijven,
en de verwacht wordende koopvaardij-vloot in behouden haven te brengen.
Deze last werd door onzen Vlootvoogd getrouw volbracht.
Op den genoemden eenentwintigsten Augustus naderden de vijandelijke
vloten onze kusten.
Van Vlissingens reede tot Texels duin was heel het strand vol leven
en beweging.
Iedereen begreep dat het dien dag te doen was om vrijheid of slavernij.
En daar op zee lag onze vloot, kalm en gerust.
Maar ze was een Vesuvius, die uit zijne rust ontwakend, landen
verderven en steden vernietigen kan.
Tromp heeft alweer de voor- en Banckers de achterhoede. De Ruyter
beveelt den middentocht. Vóór "De Zeven Provinciën" ligt de "Waesdorp",
Kapitein Engel De Ruyter, en achter het Admiraalsschip ligt de
"Steenbergen", Kapitein Jan Van Gelder, schoonzoon van den Admiraal.
Banckers, de wakkere Zeeuw, begint den slag.
De Ruyter, ouder gewoonte, heeft weer zijnen man aangewezen, en deze
is Prins Robert, die de hoofdmacht des vijands onder zijn onmiddellijk
bevel heeft.
Tromp valt Spragg aan.
Het tooneel van den strijd is op Noord-Hollands kust en in de nabijheid
van Kijkduin.
De strijd is vreeselijk.
Het gedonder der kanonnen dringt tot diep in het land.
Dat woelt, en streeft, en loopt naar de duinen, dat verdringt zich
bij honderden, die telkens met honderden aangroeien op het strand,
dat staart en tuurt met gewapende en ongewapende oogen in de verte,
want men wil zien, wat daar voorvalt.
Er valt bijna niets te zien; want werkelijk is de kalme, rustige
vloot der Nederlanders opeens, als een vuurberg geworden, die dood
en vernieling teweeg brengt.
Er valt een zware mist, die het vrije gezicht nog meer belemmert.
De mist trekt op, maar zware wolken rooks verrijzen.
Niemand ziet iets duidelijk; men hoort slechts het verschrikkelijk
onweder op zee. De grond dreunt ervan; de harten worden angstig te
moede. Wat wordt daar afgespeeld? Nederlands ondergang of de zegepraal
van het kleine volk?
De kerkdeuren worden geopend en men smeekt God om den zege.
Al feller en feller dreunt het kanongedonder.
Het is een vreeselijk, een verschrikkelijk concert.
Wie zal het winnen?
Daar zijn weer schepen zichtbaar! Zij voeren de Engelsche en Fransche
vlag.
"Verloren! Verloren! Vlucht! Vlucht!" roepen de flauwhartigen op
gillenden toon.
"Neen, blijft mannen, blijft! Kijkt, kijkt dan, daar is "De Zeven
Provinciën" met de Admiraals-vlag hoog in top. Houdt moed, Bestevaêr
slaat de maat in het kartouwen-concert! Couragie! Couragie!"
"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!" roept er een, die van zijne
hooge standplaats op het duin en met eenen verrekijker gewapend, het
Admiraalsschip ziet losbranden, zeehouden, meer, veel meer dan dat,
ziet aanvallen op den vijand, die wijkt.
En naar het Zuiden, en naar het Noorden herhalen duizenden dien
kreet, die het geprangde gemoed als het ware verlichting schenkt:
"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!"
Maar op de vloot hoort men niets van dat gejuich, ontdekt men niets
van dat leven en die beweging op de kust.
Het is vijf uren in den middag.
De Ruyter verzamelt zijne verstrooide vloot, en alsof hij zoo pas
den strijd begonnen was, slaat hij weer dwars door de vijanden heen,
keert terug en breekt opnieuw door de linie van schepen.
Het is of de zee in vuur en vlam staat.
Kogels, bouten, balken, splinters en schroot vliegen naar alle kanten.
"De groeten aan vrouw en...." stamelt Kapitein Jan Van Gelder en valt
stervend neer.
De Vice-Admiralen Isaäc Sweers en Johan De Liefde vallen ook voor de
vrijheid van het Vaderland.
Honderden vallen met hen.
Men brengt De Ruyter de tijding van het sneuvelen zijns dapperen
schoonzoons.
Tranen komen in zijne oogen, doch zich opheffend zegt hij: "Ik weet
dat dit de vruchten van den oorlog zijn, dat ik mijzelven Gods wille
moet onderwerpen en daarin tevreden zijn. Heden was het zijne beurt,
morgen zal het wellicht de mijne zijn! Vooruit, in Godsnaam! Vooruit!"
En de Admiraals-staf wijst den zijnen weer den weg des roems en
der glorie.
Het vreeselijk concert neemt weer toe in kracht.
Bestevaêr blijft onverdroten, onverzwakt, de maat slaan.
Nog eenmaal den Engelschen Admiraal, Prins Robert, aangevallen. Dat
is eene partuur De Ruyter waardig.
Maar de Engelschen zien den gevreesden Admiraal aankomen, en omgeven
hunnen Opperbevelhebber, als met een ringmuur van schepen en branders.
Mocht Prins Robert willen, zij willen zijn voor Engeland zoo kostbaar
leven niet in de waagschaal stellen en dwingen hem, al vechtend,
tot den terugtocht.
Het wordt donker op zee en donker op de kust.
Duizenden staren in de verte, doch kunnen bijna niets meer zien.
Hooren nog wel, en zeer goed ook.
Maar ook dat kanon-gebrom begint te klinken, als het aanhoudend dof
gerommel van een afdrijvend onweder.
"Hoezee! Hoezee! Ons de victorie! De vijand is van onze kust
weggeslagen!"
Wanneer straks Bestevaêr, als overwinnaar, terugkeert, wat zullen we
dan zeggen? Hoe zullen we hem noemen?
Eenen naam, eenen naam voor Bestevaêr Michiel!
Noemt hem Redder des Vaderlands!
En zoo geschiedde het.
Hier, daar en overal zag men weldra zijne afbeelding prijken met
dit onderschrift:
"Aenschouw den Heldt, der Staten-rechterhandt,
Den Redder van 't vervallen Vaderlandt,
Die in één jaar twee groote koningrijken
Tot driemaal toe de trotsche vlagh deed strijken.
De roem der Vloot, den arm daar God door streê,
Door hem herleeft de vrijheit en de vreê."
ELFDE HOOFDSTUK.
HET EINDE VAN EEN HELDENLEVEN.
De vrede met Engeland, Munster en Keulen werd reeds in het volgende
jaar, 1674, gesloten en alleen Frankrijk hield den krijg vol.
Het was dan ook wel wat erg voor eenen Lodewijk XIV, die in heel zijn
land voor een groot Koning doorging, en door vleiers eene zon genoemd
werd, het hoofd te moeten buigen voor zulk een klein landje. Gaven
Engeland, Munster en Keulen den kamp op, hij niet. Hij zou alleen
toonen wat hij kon.
De vrede van 1678, te Nijmegen gesloten, zou bewijzen, dat de Republiek
der Vereenigde Nederlanden, ondanks al dat gesnoef van Frankrijks
"zon" geen duimbreed gronds verloor.
Spanje, dat in den oorlog onze bondgenoot was, kreeg het te kwaad
met Sicilië, dat, op aanstoken van Frankrijk, oproerig werd.
Nu vroeg de Koning van Spanje hulp aan ons, en drukte er den wensch bij
uit, dat de beroemde De Ruyter aan het hoofd dier hulpvloot staan zou.
De Regeering van ons land besloot, dat verzoek in te willigen, doch
de hulp zou gering zijn.
Sedert korten tijd slechts was onze Luitenant-Admiraal-Generaal in
den stillen, huiselijken kring teruggekeerd; want na de schitterende
overwinning bij Kijkduin, was hij met een deel der Hollandsche vloot
naar West-Indië geweest om daar de Franschen te gaan bestoken.