Hij bleef daar met kleine tusschenpoozen tot 1664 in die wateren

kruisen. Op den laatsten tocht had hij Engel, die nog niet ten volle

vijftien jaar oud was, medegenomen, en hiermede den "Barren Bruinvisch"

over en over gelukkig gemaakt. Als deze maar even tijd had, was hij

bezig om den zoon van zijn vroeger zeekind, Michiel, alles te leeren,

wat op de scheepvaart betrekking had. Ook zijn eigen zoon Jan was er

bij, en deze twee knapen konden het bovenst goed met elkander vinden.

Inmiddels was er in Engeland eene groote verandering gekomen. De zoon

van Koning Karel I, die in 1649 onthoofd was geworden, had onder den

naam van Karel II den troon weer beklommen. In zijne ballingschap

hadden de Nederlanders hem zeer veel dienst bewezen, doch inplaats

van hiervoor dankbaar te zijn en in vriendschap met dit Gemeenebest

te leven, toonde hij weldra, dat hij alles deed wat hij kon om ons te

benadeelen en te grieven. Zoo had hij ook in 1661 eenen zekeren Robert

Holmes naar Afrika gezonden om daar al de sterkten der Nederlanders

op de Kust van Kaap Verd aan te tasten. Hij ontkende die zaak wel

en wist zich op alle mogelijke wijzen te verontschuldigen, doch in

1663 werd dezelfde Holmes er weer heen gezonden om de Nederlanders

afbreuk te doen, en dat nog wel nu we pas een verbond met Engeland

gesloten hadden.

Zoodra dit alles hier te lande vernomen werd, beklaagde men

zich andermaal bij Koning Karel, doch deze wist, even als twee

jaren vroeger, opnieuw allerlei uitvluchten te verzinnen, zoodat

Johan De Witt besloot in deze zaak te handelen zonder zich aan den

Engelschen Koning, den vrede of het verbond te storen. Er werd eene

vloot uitgerust, die, zoo het heette, naar Afrika zou gaan. Op deze

vloot hield de Koning het oog en zoolang die nu maar niet uitzeilde,

zei hij nu eens dit en dan eens dat om eigenlijk de heele zaak op de

lange baan te schuiven en alles blauw, blauw te laten. Maar wie er

van blauw, blauw laten hield, niet onze De Witt. Heel in het geheim

zond hij De Ruyter, die nog altijd met twaalf oorlogsschepen in de

Middellandsche zee kruiste, bevel naar Kaap Verd te stevenen en daar

onze sterkten op de Engelschen te hernemen. De slimme, of liever

de sluwe Koning vond dus zijnen meester in onzen Raadpensionaris,

die hem veel te geslepen was.

Zoodra De Ruyter dit geheime bevel ontvangen had, zocht hij zijnen

ouden zeevader op om hem te zeggen, dat men naar een ander deel der

wereld zou trekken.

"Kijk Vader eens een betrokken gezicht zetten, Grootvader," sprak

Engel tot Lievensz., die juist bezig was zijnen twee zeekinderen

te onderrichten, hoe men bij donkere nachten in onbekende wateren

zeilen moest.

Den naam van "Grootvader" gaf Engel hem uit aardigheid, omdat

Lievensz. er zoo grootsch op was, dat Engels Vader ook zijn zeekind

was geweest.

"Houd eens op, Bootsman, ik heb wat te vertellen," zeide Michiel tot

den ijverigen onderwijzer, die te midden van het woelig zeeleven weer

jong opnieuw scheen geworden te zijn en alweer dat kloeke, vierkante

en onversaagde voorkomen verkregen had.

"Ik twijfel er aan of het wat goeds is," antwoordde Lievensz. "Uw

gelaat is zoo betrokken!"

"Nu ja, goede vriend, ik kan ook niet zeggen, dat ik in mijnen schik

ben! Ik zal u wat vertellen, ga eens even met mij mede in de kajuit."

Zoodra De Ruyter met zijn ouden zeevader alleen was, zeide hij:

"Ik heb een geheim bevel gekregen, Lievensz. We moeten hier weg!"

"Mag ik eens raden, waarheen?" vroeg Lievensz.

"Dat kunt gij toch niet! Het is een bevel, dat niemand raden kan, en

dat ik ook voor ieder verzwijgen moet! En dat juist hindert me. Niet

dat ik zoo gaarne babbel, maar men zendt mij naar eene streek waar

ik minder goed thuis ben."

"Kaap Verd, soms?" vroeg de "Barre Bruinvisch" met een leuk lachje. "Is

het niet den spijker op den kop geslagen?"

"Naar Kaap Verd? Wie ter wereld kan u dat medegedeeld hebben? De Witt,

onze Raadpensionaris en ik, wij beiden weten het slechts!" riep De

Ruyter vol verwondering uit. "Hoe kunt gij het nu weten?"

"Dat voel ik zoo aan het draaien van mijn hart, Admiraal! De "Barre

Bruinvisch" hoort veel, ziet veel, denkt veel, maar zegt weinig. Ik

heb me al sinds lang verwonderd, dat we die Engelsche Koningsmoorders

nog geen lesje moesten gaan geven. Ze hebben het al lang en breed

verdiend! Die Karel sult met ons als de kat met de muis."

"Stille wateren hebben diepe gronden, Lievensz. Het is zoo. Maar

het gekste is, dat ik nooit in die streken geweest ben en dat ik nu

ook niemand raadplegen kan, daar ik mijnen tocht geheim moet houden

en alleen aan de verschillende Kapiteins mag mededeelen. Dezen zijn

evenwel ook op de Afrikaansche kust zoo goed als vreemdelingen. Ik

ken hen en weet waar ze gevaren hebben. Toch dien ik hun den weg te

wijzen en niet om raad te vragen."

"Gij moogt van geluk spreken, Admiraal! Zijt gij vergeten, dat ik er

reeds driemaal geweest was, eer ik uw zeevader werd, en dat ik er,

als galeislaaf, onder de Spanjaarden, herhaalde malen geweest ben? Of,

wilt ge liever mijnen raad niet inwinnen?" zeide Lievensz.

"Dat is waar ook," zeide De Ruyter. "Dat is uitkomst. En u niet om

raad willen vragen? U liever dan eenen Schout-bij-nacht of Kapitein,

dat weet ge wel. Maar zult gij nu niemand zeggen waarheen de tocht is?"

"Het spijt me dat ge mij dat verzoekt, Admiraal! U kent me toch lang

genoeg om te weten, dat de "Barre Bruinvisch" geen babbelaar is,"

zeide Lievensz. eenigszins geraakt. "Of hebt gij soms bewijzen,

dat ik het vroeger was?"

"Vergeef me, oude vriend, zoo ik u leed deed met dat te zeggen. Alleen

de zorg, het bevel geheim te houden deed me zoo spreken," antwoordde

De Ruyter en verwijderde zich om den Kapitein bevel te geven al de

andere Kapiteins aanboord van het Admiraalsschip te seinen teneinde

krijgsraad te houden.

"Laat de wereld eenen man noemen als hij, die zelfs zijnen Bootsman

vergiffenis vraagt," mompelde de "Barre Bruinvisch", en eenen traan van

dankbaarheid en genegenheid uit de oogen wisschende, fluisterde hij:

"De Heere zegene Vlissinger Michiel. Hij verdient gezegend te worden

als voor of na hem geen ander."

Nadat de verschillende Kapiteins vernomen hadden, dat men naar Afrika,

en wel naar Kaap Verd ging om den Engelschen eens den pols te voelen,

en zij het bevel mede gekregen hadden hiervan voorloopig niets aan

het volk te laten blijken, was onze vloot weldra de Middellandsche

zee uit en met behulp van Lievensz. terechtwijzingen had men weldra

Kaap Cantin bereikt en hier eerst legde De Ruyter in eenen krijgsraad

zijnen heelen last bloot en kregen de Kapiteins ook vergunning om

hun volk op de hoogte der zaak te brengen. Alles ging voor den wind,

vooral daar De Ruyter, op raad van Lievensz., sloepen vooruit zond om

de diepte te peilen en blinde klippen aan te wijzen. Den zeventienden

October liet De Ruyter de Statenvlag uitsteken, als een bewijs,

dat men de plaats van bestemming naderde.

Daar lag het eiland Goereê en in de onmiddellijke nabijheid er van

bevond zich eene Engelsche vloot van negen schepen, waarvan een de

Koningsvlag voerde.

De Engelschen waren zoogenaamd zeer verrast, dat hier eene

Nederlandsche oorlogsvloot kwam, en de Bevelhebber liet leukweg vragen

wat men hier doen kwam.

"Wij komen terughalen, wat gij ons ontnomen, hebt," luidde het

eenvoudige, doch naar den zin van den Engelschman wat al te openhartige

antwoord.

"Is de oorlog dan tusschen Engeland en de Vereenigde Nederlanden

uitgebroken?" vroeg men weer.

"Wel neen," liet De Ruyter antwoorden, "maar wat gij in vollen vrede

van ons geroofd hebt, dat komen wij in vollen vrede terughalen. Ieder

zijne beurt, waarde heer!"

De Engelschman verzekerde bij hoog en laag, dat dit al eene heel

gemeene manier van handelen was, doch De Ruyter liet zich dat langs

de koude kleeren afglijden en zeide bedaard: "Gemeen of niet gemeen,

wij komen het onze terughalen. Wilt gij het willig geven, we zullen

het in vriendschap aannemen, wilt ge dat niet, welnu, dan zullen

onze jongens toonen, dat ze de kaas zich niet van de boterham laten

halen. Doe nu, zooals ge meent te moeten doen."

De Engelschen, die de verantwoordelijkheid van eenen nieuwen oorlog

niet op zich wilden nemen, lieten De Ruyter het onze terugnemen en

zonder bijna één schot te doen. Het heele eiland met zijne sterkte

werd door den Engelschen Bevelhebber bij verdrag overgegeven en den

onzen viel een aanzienlijke buit in handen. De sterkten werden hierop

met Hollandsch volk bezet en De Ruyter zijnen last hier volbracht

hebbende, hield zich thans gereed om naar de kust van Guinea te

gaan, doch gaf bevel, dat men, alvorens dezen tocht aan te vangen,

de watervaten of leggers schoon maken en met frisch drinkwater,

dat op het land in overvloed te vinden was, vullen zou.

Schout-bij-nacht Van der Zaan ging daartoe naar den wal, doch pas was

hij aangekomen of een neger met een aanzienlijk gevolg, dat hem in

alles, als den meerdere behandelde, naderde onze matrozen en vroeg

den Schout-bij-nacht: "Dat Hollandsche schippe is, ja?"

Van den Zaan verrast eenen neger op deze kust Hollandsch te hooren

spreken, zeide: "Ja wel, dat is eene Hollandsche vloot! Hebt ge wel

eens Hollanders ontmoet?"

"Ik, ja, gevaren in Holland. Ik in Vlissingen geweest ben. Ik daar

gedoopt is van dat Dominé. Ja, ik!"

"Onze Admiraal is ook een Vlissinger!" zeide Van der Zaan, zonder

nog te denken dat de neger hem kennen zou.

Pas had hij dat evenwel gezegd of Bootsman Lievensz., die ook mede

gegaan was om water te halen, liep, den Schout-bij-nacht terloops

vergiffenis vragende voor zijne onbeleefdheid, naar den neger.

"Zijt gij te Vlissingen gedoopt?" vroeg hij den neger.

"Ja, ikke!" was het antwoord. "Maar niet door eene baker gedoopt

ben ik!"

"En gevaren op de "Lijnbaan" soms?"

Daar keek de neger eensklaps met groote oogen op en stak de armen in

de hoogte.

"Wat hapert er aan?" vroeg Lievensz.

"Jij bent, jij bent de Barre-Barre...."

"Ja, ja, ik ben de "Barre Bruinvisch," en jij bent mijn zeekind

Jan Kompanjie!"

"Hoezee! Hoezee!" riep de neger, die werkelijk Jan Kompanjie

was. "Hoezee! Hoezee! Blijdschap hoe ik ben vol, hoezee, dat

vreugde! Ikke de wonderkind vinden mijn Vadertje van zee!"

"Jan, Jan," riep de Barre, en drukte den neger de hand, "dat is al

eene heel vreemde ontmoeting! Ga mee aanboord, oude jongen, ga mee,

dan kunt gij Michiel zien!"

"Michiel, Michiel?" schreeuwde Jan en deed van blijdschap eenen

luchtsprong.

"Ja, uw vriend Michiel!" antwoordde Lievensz. "Hij is Bevelhebber

over die vloot daar! Hij is onze Admiraal!"

"O, hij is een wonderkind, een wonderkind ik ben! En waar is Geleyn

de drie wonderkind?"

"Die is al lang dood, Jan! Hij is in den oorlog gesneuveld! Gevallen

als een onoverwonnen zeeheld!"

"O, die Geleyn dan de doode wonderkind is. Ik zien wil Michiel,

Michiel die mij leerde grappen, die me deed krijg troef, troef om

die oor, die klom op die haantje van het toren! Ik zien wil Michiel!"

"Wel, zeekind, ga dan maar mee!" zeide Lievensz.

Dat behoefde niet tweemaal gezegd te worden. In een wip was hij

in de boot, en toen hij het Admiraalsschip zag en Lievensz. zeide,

dat daar Michiel aanboord was, ging hij als een kind van blijdschap

in de handen klappen, en schreeuwen tot van het lachen hem de tranen

langs de wangen liepen: "Jan Kompanjie blij is! Ja blij!"

De boot legde aan. Lievensz. klauterde langs den valreep naar boven,

doch nauwelijks was hij op het dek en had hij De Ruyter toegeroepen:

"Admiraal, daar is uw zeebroeder," of Jan was al op het dek en kwam

onder het geschreeuw van: "Michiel, leelijke jongen van aap, jongen,

jij daar? Ik blij zijn vreugde van vol zijn ik!" met geopende armen

op zijnen ouden kameraad aanloopen.

"Lieve hemel, Jan, Jan Kompanjie, ben jij dat?" riep De Ruyter,

Jan te gemoet gaande.

"Ja, ik Jan Kompanjie! Ik Onderkoning van mijn land, jij Admiraal, jij

wonderkind, ik wonderkind, o, ik zoo blij, zoo blij wezen zijn!" was

Jans antwoord.

Jan en De Ruyter omhelsden elkander van blijdschap, en de nieuwe

luchtsprongen, die Jan maakte en de vervaarlijk leelijke gezichten, die

hij trok, lieten geenen twijfel over of die neger was Jan Kompanjie.

Beide vrienden gingen bij elkander zitten en vertelden zoo een en

ander uit hun leven, en Jan eindigde dien dag met eens heerlijk te

smullen van den echten ouderwetschen scheepspot.

Den volgenden dag bracht Michiel onzen Jan een bezoek en toen ze

eindelijk voor goed afscheid van elkander genomen hadden, en ze nog

eenen laatsten handdruk met elkander wisselden, sprak Lievensz. zacht

in zichzelven: "De een Onderkoning in zijn land, de ander Vice-Admiraal

op eene vloot! Zeekinderen, ge hebt het beiden ver gebracht, verder

dan uw zeevader Lievensz., de Barre Bruinvisch."

Na dit gezegd te hebben, schudde hij de leeuwenmanen en na nog even

gebromd te hebben: "Pruil niet, Barre, gedane zaken nemen geenen keer,"

ging hij weer aan zijn werk, en een uur later was hij weer de oude.

De terugtocht werd aanvaard en al had De Ruyter wel eens roemrijker

daden verricht dan hier aan Kaap Verd, hij had toch volkomen het

doel bereikt.

"Ziezoo, Lievensz., dat werk is dan weder achter den rug," zeide De

Ruyter, toen ze den zesden Maart van 1665 de Linie passeerden en koers

zetten naar de West-Indiën, om daar, even als op de Kust van Guinea,

de Engelschen te gaan bestoken. "Ik heb daar zoo even brieven uit het

Vaderland ontvangen, en daaruit blijkt dat Engeland ons den oorlog nog

niet verklaard heeft, maar toch heel eenvoudig doet, alsof het oorlog

is, terwijl hij moord en brand schreeuwt over hetgeen onlangs door

ons op de Westkust van Afrika en op de Kust van Guinea verricht is."

"Old Rowley is valsch tot in zijne nieren," bromde Lievensz., met

"Old Rowley" Koning Karel bedoelende. "En er zal wel op ons geloerd

worden ook!"

"Ja, Lievensz., het heet hier: oppassen is de boodschap of we loopen

in de fuik," was het antwoord. "Maar mijn bevel luidt: "Alle Engelsche

schepen en bezittingen zooveel afbreuk mogelijk doen," dat is een

andere last dan die, welken Tromp eenmaal mede kreeg. Nu weet een

fatsoenlijk mensch waaraan hij zich houden kan. Ik voor mij heb goeden

moed, dat we ditmaal voor de Engelschen niet zullen onder doen. We

hebben eene prachtige vloot tegenwoordig, Lievensz.! Heel wat anders

dan onder Tromp. Maar dat is achter den rug; we moeten nu maar doen,

wat te doen is en ook doen, wat wij kunnen."

Dit geschiedde dan ook, hoewel niet altijd met evenveel voordeel, en

toen De Ruyter meende genoeg gedaan te hebben, zette hij koers naar

het Vaderland, doch gebruikte de voorzichtigheid, om het noorden

van Groot-Brittannië te zeilen, daar hij niet wist hoe de stand

van zaken was. Weldra evenwel vernam hij van een klein Hollandsch

scheepje, dat er den dertienden Juni bij Lowestoff een zeeslag

geleverd was, die allerongelukkigst voor de Nederlanders afgeloopen

was. Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam had gevochten, als een

getergde leeuw, en was met zijn schip in de lucht gevlogen. Kortenaer

en Stellingwerf waren gesneuveld; de vloot was vreeselijk gehavend,

en het volk over deze nederlaag zoo verbitterd, dat het den dapperen

Jan Evertsen, toen deze te Brielle aanwal stapte, in het water drong,

waarin hij verdronken zou zijn, zoo hij niet door den Kapitein van

een Fransch vaartuig gered ware geworden. Zoodra De Ruyter dit alles

vernomen had, begreep hij, dat hij met de meeste omzichtigheid met

zijne vloot, die zestien maanden inzee was geweest en dus heel wat

geleden had, alle aanraking met de Engelschen vermijden moest. Mist

en storm, anders vijanden van den zeeman, kwamen zijn beleid te hulp,

en den zesden Augustus kwam hij ongehinderd met zijne geheele vloot,

en al de prijsgemaakte schepen binnen. Dat gaf eene vreugde toen dit

in het Vaderland bekend werd. De Ruyter werd letterlijk met open

armen ontvangen, en bijna terstond benoemd tot Luitenant-Admiraal

en Opperbevelhebber der vloot, niettegenstaande men, het heette bij

gebrek aan beter, Cornelis Tromp pas, als zoodanig, benoemd had. Dat

deze manier van handelen onzen trotschen, doch dapperen Tromp niet

aangenaam viel, spreekt vanzelf, en later bleek het duidelijk hoezeer

men den trotschen man gegriefd had, en welk eene vijandschap hij

tegen De Ruyter opgevat had.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

VOOR ENGELANDS HOOFDRIVIER.

In Augustus van het jaar 1665 stak de vloot onder het opperbevel

van De Ruyter in zee. Bij deze gelegenheid deed zich het zeldzame

schouwspel voor, dat ze door den beroemdsten Staatsman van zijnen

tijd in zee geloodst werd. De man, die dat deed, was onze groote Jan

De Witt, die hierdoor bewees, dat hij ook een echt scheepsroer, en

niet alleen het roer van Staat wist te sturen. Jammer genoeg werkten

onderscheidene oorzaken mede om te maken, dat er het heele najaar

weinig meer kon uitgevoerd worden. Alles scheen te wachten op de

twee volgende jaren, die het kleine Nederland instaat zouden stellen,

het machtige Engeland tot den vrede te dwingen, en Europa zouden doen

weergalmen van het geschal der lof-trompet, gestoken ter eere van De

Ruyter, die als een tweede Karel de Groote met zijne onverschrokken

Paladijnen van de eene overwinning naar de andere snelde.

Van den elfden tot den veertienden Juni 1666 werd bij North-Foreland de

beroemde Vierdaagsche zeeslag geleverd. Misschien was de Driedaagsche

zeeslag onder Tromp even bloedig, doch als dat zoo is, dan zijn deze

twee zeeslagen toch de vreeselijkste, die in het boek der geschiedenis

opgeteekend staan, en hoe de Engelschen ook gepoogd hebben om Europa

diets te maken, dat de eer der overwinning hun ten deel viel, het

hielp niet, en buiten Engeland wist iedereen, dat de onvergelijkelijk

dappere en beleidvolle De Ruyter met de zijnen zegevierend, niet

langs de Vlaamsche banken, maar door diepe zee naar het Vaderland

mocht wederkeeren.

Dat gaf wat een gejubel toen de nederige man, wiens naam over de heele

aarde, zelfs door de Engelschen met eere genoemd werd, na die schoone

overwinning te Vlissingen aanwal stapte! Men verdrong elkander om hem

te zien, en iedere Vlissinger, van groot tot klein, had een gevoel

van trotschheid, alsof hij De Ruyter zelf was. De geestdrift, die er

heerschte toen van de "Zeven Provinciën" [10] zijn Admiraalsschip,

het kanongebulder verkondigde, dat hij van den valreep stapte om

zich aanwal te laten brengen, was onbeschrijfelijk. Bijna verstomde

het gedonder van het geschut in het geroep van: "Hoezee! Bestevaêr

Michiel! Hoezee!" uitgeschreeuwd tot de keel heesch werd door die

wakkere zonen der Scheldestad, die al zoovelen van hare kinderen

den Vaderlande had geschonken. Maar onder die allen was niet één,

als hij, die daar kwam in alle nederigheid en eenvoud, met oogen

die van vreugde straalden toen hij zijn geliefd Vlissingen weer zag;

met oogen, die tranen druppelden, als hij dacht aan die lieve, beste,

brave Moeder Alida, die al sinds lang onder de groene zoden van het

kerkhof, bij de armsten der stad, voor goed te slapen was gegaan!

"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!"

Wel, schreeuwt de kelen heesch, brave Zeeuwen! Wuift met doek en

muts! Weent en lacht van blijdschap en trots! Ziet, daar komt hij! Daar

komt hij, Neêrlands roem en vreugde, Engelands vrees en schrik! Daar

stapt hij aanwal! Zijn voet drukt den geliefden grond! Hij is weer

in uw midden! Op, op, nog duizenden en tienduizenden malen:

"Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!"

Zoo ontvangt Nederland zijnen grooten zoon na de schitterende

overwinning, na eene bloedige zegepraal in eenen strijd, die vier

dagen duurde, bevochten.

Den vierden Augustus van hetzelfde jaar, is de held weer op zee en

andermaal levert hij den vijand slag.

Jan Evertsen, Tjerk Hiddes De Vries en Rudolf Coenders

sneuvelen! Cornelis Tromp vecht als een leeuw, maar--op eigen hand

en laat De Ruyter aan zijn lot over! Verscheidene schepen worden

bijna vernield! Vele Kapiteins gaan op de vlucht en De Ruyter met

zeven of acht schepen alleen gelaten, moet zich tegen de Engelsche

hoofdmacht verweren.

"Ik wilde, dat ik maar dood was!" roept De Ruyter.

"Ik ook," antwoordde de dappere Van Nes, "ik ook, Bestevaêr! Maar

men sterft niet, als men wil!"

Het is of de Engelschen het er op toeleggen "de Zeven Provinciën"

te vernielen! Alles dreigt te bersten en te breken.

"O, God," roept De Ruyter, "o, God, hoe ben ik zoo ongelukkig! Is er

nu onder zoovele duizenden kogels niet één, die mij wegneemt?"

"Vader," antwoordt De Witte, Michiels schoonzoon en Officier van de

mariniers, "Vader, hoe spreekt gij zoo vertwijfeld? Wilt gij sterven,

laten wij dan in het midden van den vijand loopen en ons dood vechten!"

Dit antwoord brengt De Ruyter, die werkelijk een oogenblik wanhoopte,

tot zichzelven en kalm zegt hij: "Gij weet niet, wat gij zegt! Als

ik dàt deed, was alles verloren; maar als ik mij en deze schepen kan

behouden en afbrengen, dan kan men het werk daarna hervatten!"

En hij behoudt het leven en brengt de schepen af in zulk eenen

meesterlijken aftocht, dat Lodewijk de XIV, Koning van Frankrijk,

vol bewondering voor den grooten zeeheld, hem daarvoor de orde van

Sint Michiel vereerde, waarbij nog gevoegd werd, des Konings beeltenis

rijk met goud en edelgesteenten versierd.

Maar hooger eer dan ridderorde en vorsten-portret, ontving hij door

de pen van den Engelschen schrijver Hume, die schreef: "De Ruyter

heeft dezen aftocht met zooveel bekwaamheid volvoerd, dat hij hem

niet minder tot eer verstrekt dan eene luisterrijke overwinning!"

En wie was de schuld van dien ongelukkigen uitslag? Tromp, die de

achterhoede onder zijn bevel had?

"Ja," zeiden de vrienden van De Ruyter;--"neen," zeiden de vrienden

van Tromp.

De twist tusschen deze twee Admiraals liep zoo ver, dat Tromp van

zijne betrekking ontzet werd en wel tengevolge van eene aanklacht van

De Ruyter, die gelijk had, waar hij zei, dat Tromp zich niet gedragen

had naar het bevel: "Vereenigd blijven!"

Het was te betreuren, dat het zóó ver ging; want al was Cornelis Tromp

nu ook in dat opzicht schuldig, hij had dan toch in datzelfde gevecht

met de Engelsche achterhoede eenen zwaren strijd gestreden en getoond,

wat hij voor de belangen van het Vaderland over had.

Maar Cornelis Tromp was een vriend van den Prins, die nog niets in den

Staat was, en gaarne, en met recht, iets wilde zijn. Deze vriendschap

was in die dagen van partijschap, reeds meer dan voldoende om iemand

in ongenade bij de Regeering te doen vallen. Waar wij dit zeggen,

doen we het met tegenzin, omdat de Raadpensionaris Jan De Witt, die de

Republiek zóó machtig maakte, werkelijk zich, ten opzichte van Oranje,

soms zeer kleingeestig betoonde. Diezelfde Jan De Witt, één van ziel en

één van zin met Oranje, had de Nederlandsche Republiek kunnen verheffen

tot eene hoogte waarop zij zich kon staande houden in lateren tijd. Het

was evenwel niet zoo, en juist daardoor kreeg De Witt vijanden,

die hij zichzelven bezorgde, en het was zijn tegenstrevende geest,

die zelfs, meer dan honderd jaar later, Nederland ten val bracht.

Van den voor Nederland zoo ongunstigen afloop van dien zeeslag hadden

de Engelschen, lafhartig genoeg, gebruik gemaakt om honderdveertig

onzer koopvaardij-schepen in het Vlie te verbranden, en het dorpje

West-Terschelling af te loopen.

Die lafhartige daad zou luisterrijk gewroken worden.

Het is de tweeëntwintigste Juni van het jaar 1667, en we bevinden ons

weer, in gedachten, aanboord van "De Zeven Provinciën," aan den mond

van den Theems.

Engel De Ruyter en Jan Lievensz., beiden reeds Luitenant ter zee, en

dus de leiding van den "Barren Bruinvisch" ontwassen, houden evenwel

te veel van den krachtigen grijsaard om hem links te laten liggen. Zij

zijn op het oogenblik met hem in gesprek en wel naar aanleiding van

het betrokken gezicht des ouden mans.

"Wel, Grootvadertje, wat hapert er toch aan, dat ge vandaag zoo

leelijk kijkt?" vraagt Engel.

"Och, Jonker, zwijg! Laat den ouwen maar pruttelen! Hij heeft vandaag

het land!"

"Zwijgen? En waarom? Kom, zeg ons wat er aan hapert, Vader!" spreekt

nu Jan.

Vlissinger Michiel, of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk. · 第 12 / 17 段