niet bij de vloot is! Neen, Jonker De Ruyter, loop niet weg! Vraag
het uwen Vader, en ik wed dat hij zeggen zal: "Ik wilde wel om heel
wat, dat Tromp me kon vergezellen! Uw Vader zelf heeft berouw over
zijne drift en de Heer Tromp zou graag willen bijleggen! Ge weet toch
zeker wel, dat hij den Heeren van den Staat gesmeekt heeft om toch
mede te mogen gaan, al was het maar, als gewoon Kapitein! Dat heeft
hij gevraagd! En wat hebben de Heeren gezegd? "Neen, gij blijft hier,
en als gij het hart hebt naar de vloot te gaan, of er zelfs maar naar
te schrijven, dan zullen we dat beschouwen en straffen als muiterij!"
"Hei, hei, Grootvadertje, zouden de Heeren dat wel gezegd hebben? Weet
ge dat zeker?" vroeg Engel.
"Jonker De Ruyter, mijn neus mag veranderen in eenen loefbalk, en mijne
horlebeenen mogen op staanden voet zoo stijf worden als penterhaken,
zoo het niet waar is. Ze hebben dat gezegd, die pennelikkers, tegen
eenen man, die zijn Vaderland misschien wel duizendmaal meer lief
heeft dan zij! En wie durft zeggen dat Tromp zijn Vaderland niet
bemint en er geen goed en bloed voor over heeft? Wie durft dat? Ik
zal hem in zijn aangezicht zeggen: "Kerel, ga in het kluisgat zitten,
en laat je leugenachtige tong door het ankertouw uittrekken. Is niet
Frankrijk gekomen met de schoonste aanbiedingen? En heeft hij die
"Fransozische mosjeus" niet met eenen zeemansknoop zoo netjes in lij
gebracht, dat ze als afgetuigde zestigers niet wisten hoe weer in
volle zee te komen? Laat Meester Jan komen als hij durft en...."
"Sssst, Grootvader, en breng uzelven niet in lij. Ge weet toch dat
Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten een broeder van Meester Jan is,
en zich bij ons op de vloot bevindt!"
"Dat weet ik, Jonker, dat weet ik! Maar wat doet zulk een gesuikerde
sinjeur bij ons aanboord? Heeft hij verstand van zeezaken? Is het geene
schande voor eenen man, als uw Vader is, dat hij zoo goed als onder
eenen "winkelier ter zee" staat?" riep de "Barre Bruinvisch" driftig.
"Hoor eens, Grootvader, ik beveel u te zwijgen! Ge wordt oproerig op
uwen ouden dag! En wat Vader betreft, hij staat niet onder de Heeren
Gecommitteerden. Hij wint alleen hun raad in en--is dan ook van de
verantwoording af, onverschillig hoe de zaak een einde neemt."
"Larie, jonker, larie! Als deze stoute tocht goed afloopt, en ze
zàl goed afloopen, dan gaan de comenijs-mannen, de zakjes plakkers,
de grutten-tellers met de eer strijken. Wordt er verloren dan krijgt
de Admiraal de schuld. Kijk, als ik baas was, ik nam eenen zwabber,
ik joeg ze den kabeljauwskelder in, en ik zou hen naroepen: "Gaat van
mijne schuit, je bederft mijne vracht! Maar, daar komt uw Vader aan,
Jonker! Misschien zal hij u wel komen zeggen dat de "Barre Bruinvisch"
spijkers met koppen slaat! Adjuus!"
"Hei, bootsman, blijf eens even," riep De Ruyter, en toen hij dicht
bij het groepje was, voegde hij den ouden man toe: "Hoe vandaag alweer
zoo obstinaat, Vadertje?"
"Ja, Admiraal! Ik kan wild worden als ik denk, dat...."
"Dat ik daar zoo even eene heerlijke tijding ontvangen heb?"
"Is er eenig voordeel behaald, Vader?" riep Engel.
"Eenig voordeel, jongen, eenig voordeel, vraagt ge? Meer, Engel! De
trotsche Engelschman heeft zulk eene gevoelige les gehad, dat hij
den slag nog jaren lang voelen zal!" sprak De Ruyter met oogen,
die van blijdschap straalden.
Ook Engel en Jan legden hunne vreugde duidelijk aan den dag. Alleen
de oude Bootsman bleef maar even knorrig zien, ja, als men goed keek,
zag men zijn gelaat steeds donkerder worden.
"En wat zegt gij er nu van, zeevadertje? Is dat geene tijding om van
pure blijdschap al zijn kruit aan vreugdeschoten te verschieten?" vroeg
De Ruyter, die misschien wel wist, dat Lievensz. nu juist geen kruit
over had voor vreugdeschoten.
"Als u zei van pure nijdigheid, Admiraal! Het gaat zooals ik voorspeld
heb!" was het knorrige antwoord.
"Wat voorspeld, Lievensz.?" vroeg De Ruyter.
"Dat zulk een kruidenier met de eer gaat strijken! Kijk, ik zou liever
mijne vuist van nijd opeten, eer ik onder landrotten wilde staan!"
"Maar, man, bedaar toch wat! Wie is die kruidenier en wie zijn die
landrotten?" vroeg De Ruyter op wat minder vriendelijken toon dan
hij gewoon was.
"Dat is die Gecommitteerde op onze vloot! Dat die kerel pakjes
suiker afwege en vanboord blijve. Hij heeft net zooveel verstand
van de zeevaart als eene koe van het kerkorgel," riep Lievensz. op
bitteren toon.
"Lievensz., ik heet u te zwijgen, man! Ik weet dat ge eerlijk zijt,
en het zegt, zooals ge dat meent. Maar als ik er geene oneer in zie
met eenen man, als Cornelis De Witt, over de zaken te raadplegen, dan
voegt het niemand, die minder is dan ik, hierover zich uit te laten,
alsof de heele wereld in vier kanten in brand gestoken is. Straffen
zal ik u ditmaal niet, doch als ge andermaal zoo spraakt, zou ik het
niet mogen nalaten. Dat is rebellie, zeevadertje!"
"Zou Michiel mij straffen kunnen?" vroeg Lievensz. eenigszins geraakt,
"mij straffen, omdat ik woedend word, als ik zie, dat winkeliers
Stadhouders wegpoetsen om zelf voor Prins en Stadhoudertje te kunnen
spelen, en dan op hoogen toon bevelen geven aan mannen, die hen wel
uit de mouw kunnen schudden? De Republiek heeft tegenwoordig eenen
wonder-stadhouder, die wel tien of twintig lichamen heeft, maar het
zijn, eilaci, lichaampjes van krenten en rozijnen."
De Ruyter fronste het voorhoofd. Misschien echter bedacht hij wel,
dat hij toch ook wel wat pijnlijks gevoeld en getoond had, toen
hij onder Cornelis De Witt moest staan, en ten aanzien van het
scheepsvolk de minste zijn, waar hij verreweg de meeste was. Minder
hard luidde dan ook zijn antwoord tot Lievensz.: "Het zou mij leed
doen, zoo ik verplicht ware u straf te geven, oude vriend, maar doen,
zeker en gewis! En als gij nu niet al mijne rechtmatige vreugde wilt
bederven, denk dan wat ge wil, maar laat die gedachten niet over de
lippen komen."
Lievensz. keek zijn voormalig zeekind diep in de oogen en zeide toen:
"Het baat u niet, dat gij u in barre woorden uitlaat, Michiel! Ik ken
u te goed. Gij denkt als ik, maar terwille van het Vaderland laat
gij u vernederen. Dat is ook een heldenstuk, Admiraal, zooals door
weinigen geleverd kan worden. Ik zal zwijgen en--ik zal trachten een
held te zijn als Luitenant-Admiraal De Ruyter er een is."
"Ik wist wel, dat mijn zeevader kon gehoorzamen," zeide De Ruyter en
gaf hem de hand, die door den "Barren Bruinvisch" met eenen traan in
het oog gedrukt werd.
Wat die handdruk beduidde wisten die twee maar.
Zoodra Lievensz. vertrokken was, vertelde De Ruyter aan Engel en
zijnen vriend Jan welke daden er reeds door het vooruit gezonden
smaldeel onder Van Ghent verricht waren.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
CHATTAM.
Wij verplaatsen ons wat vroeger op het smaldeel om het met eigen
oogen te zien.
Statig en langzaam was het smaldeel der Nederlandsche vloot Engelands
schoonste en breedste rivier opgevaren.
Het stond onder bevel van den Luitenant-Admiraal Van Ghent, aanboord
van wiens Admiraalsschip "De Agatha" zich de Gecommitteerde van de
Staten van Holland, Cornelis De Witt, bevond.
En op die rivier, bij Chattam en Rochester, lagen de grootste Engelsche
oorlogsschepen, tendeele afgetuigd, onder bescherming van de forten
aan den oever der rivier.
Die schepen moesten vernield, die forten tot zwijgen gebracht
worden. Men was begonnen met de sterkte Sheerness op het eilandje
Chepay, en dat was gelukt. Het smaldeel was reeds genaderd tot de
rivier Medway, bij Rochester.
Maar hoe verder te komen, daar de rivier met eenen ketting, die
op geankerde vlotten lag, afgesloten was? Hoe zou men over dien
ketting komen?
Wie? Op "De Agatha" zat een Kapitein, een Nederlandsch Kapitein
gevangen, omdat hij zich tegen het bevel van De Witt gedragen had.
"Hoogmogende Heer," zegt hij tot De Witt, "geef mij mijnen degen
terug en daarbij het oudste schip der vloot. Laat mij goedmaken,
wat ik misdreef, en het eerst de Engelschen vóór of over dien ketting
aanvallen!"
Het is de dappere, maar dolle Kapitein Van Brakel, die zoo spreekt.
"Hier is uw degen, en daar is uw schip, Kapitein!" zegt De Witt en
wijst hem Van Brakels eigen schip, "De Vrede", aan.
Daar snelt Van Brakel heen.
"Hoezee!" roept het scheepsvolk, als het hem ziet. "Hoezee! Daar is
onze oude baas weer!"
"Ja, mannen," roept Van Brakel, "ja, hier ben ik! Vooruit! Ons is de
eer gegund van het eerst hier aan den dans te mogen gaan. Ziet ge daar
dat koningsschip voor den ketting? Dat hebben die rabauwen vroeger
van ons gekaapt. Het is de oude "Eendracht"! Vooruit, haalt de kaas
terug, die de Roodrokken van je boterham gestolen hebben! Hoezee!"
En donderend schreeuwt men hem na: "Vooruit! Hoezee!"
Met fonkelende oogen ziet de bemanning van heel het smaldeel "De
Vrede" na.
Daar branden de batterijen van de kust op hem los en de schepen geven
hem de volle laag.
"Vooruit, mannen! Vooruit!" roept Van Brakel, en schudt de lange,
grijze haren, als een leeuw zijne manen.
Zijne mannen staan bij het geschut het teeken af te wachten om op
hunne beurt los te branden.
Tot op een musketschot afstands is men nu "The Unity", zooals de
Engelschen het schip gedoopt hebben, genaderd.
"Vuur!" kommandeert Van Brakel, en zijne mannen branden los.
Waaghals, dolle waaghals, waarheen met uw oud schip waarop Hollands
vlag door de groote wolken van rook nauw zichtbaar is?
"Hoezee! Voor Bestevaêr Michiel en het lieve Vaderland!" roept
Van Brakel, niet denkende, dat Bestevaêr niet aan het hoofd der
overwinning mag staan, maar in de verte ligt, als een lafaard, die
anderen het spit laat afbijten, omdat hij zelf niet durft! Bestevaêr
een lafaard! Cornelis De Witt de held, de man, die durft en kan!
Of dergelijke gedachten als Lievensz. had en Kapitein Van Brakel op het
oogenblik ook wel had, luide uitgesproken werden, zou ik niet durven
bevestigen. Het zeevolk was echter grootendeels zeer Prinsgezind en zag
met leedwezen, dat de dappere Tromp niet op de vloot was. Algemeen was
men van oordeel, dat de partij van De Witt hem niet zoo zeer vanboord
en buiten betrekking hield om zijnen twist met De Ruyter, als wel om
zijne Prinsgezindheid. Daardoor kwamen De Witt en de zijnen, hoeveel
ze ook gedaan hadden en nog deden om de Republiek der Vereenigde
Nederlanden zulk eene macht te doen bereiken en zoo groot te maken,
bij het zeevolk vooral in minachting. En toen nu Cornelis De Witt,
omgeven door eene lijfwacht, als ware hij de Vorst van het land,
aanboord der vloot kwam om het opperbevel te voeren, steeg de haat
hoog, en als niet De Ruyter het voorbeeld van onderwerping gegeven had,
dan zou het de vraag geweest zijn, of alles wel goed afgeloopen zou
zijn. De Ruyter echter, hoewel het hem ook wel gegriefd zal hebben,
diende met zulk eene onverstoorbare eerlijkheid zijn Vaderland en
niet zichzelven, dat het niet in hem opkwam om door woord of daad te
toonen, dat men hem in zijn gevoel van eigenwaarde kwetste.
Doch keeren we nu tot den moedigen Van Brakel terug.
Hij zeilt tot vlak voor den ketting in de onmiddellijke nabijheid van
"The Unity."
"Valt aan, mannen, valt aan!" klinkt de machtige stem van den
grijzen held.
"Op, op, jongens! Voor den "Dolle"!" schreeuwt zijn volk, klampt zich
aanboord van den Engelschman, palmt zich aan touwen, en alles wat
maar hou-vast biedt, naar boven en ziet den "Dolle" hun het pad wijzen.
Ze zijn er! Ze zijn er!
"Hoezee! Hoezee!"
Maar de Engelschen laten den eenmaal genomen buit niet zoo gemakkelijk
glippen, en trachten te houden, wat ze hebben.
"Vooruit! Vooruit! Niet sammelen! Valt aan!" klinkt Van Brakels luid
kommando-woord weer, en onze mannen hem naschreeuwende, klauteren
als katten tegen het schip op.
Een groot aantal van hen is reeds aanboord. Men vecht met wat men
vindt; want velen hebben, door hunne groote haast, de enterbijl laten
vallen of vergeten.
Daar wijkt de vijand!
"Vooruit! Vooruit! Aan ons, wat ons eenmaal ontstolen werd! Hoezee!"
De aanval is te sterk en de Engelschman, die den ketting moest
verdedigen, geeft zich na een kort, doch woedend gevecht over. Het
waagstuk is volbracht.
Twee branders hebben nu gelegenheid te naderen.--De eerste brander
"De Susanna," Kapitein Hendrik Esdre, komt moedig er op los. Zijn
volk stoort zich niet aan de vijandelijke kogels, die om de ooren
fluiten, doch deinst toch voor den ketting terug. Nu volgt de brander
"Pro Patria" gekommandeerd door Kapitein Van de Rijn.
Zal deze ook deinzen?
"Vooruit! Vooruit!"
Wat plonst daar in het water en schuift langs de vlotten, die aan zware
ankers liggen, en den ketting dragen, in de diepte? Wat is dat? Het
is de ketting, die, doorgezeild, den weg voor de heele Nederlandsche
vloot opent.
De "Pro Patria" hecht zich aan het Engelsche schip "Matthias",
dat spoedig vlam vat en weldra met eenen donderenden slag in de
lucht springt.
Van Brakel zet thans ook zijnen tocht voort en werpt zich met jeugdige
geestdrift in eene sloep.
Daar ligt de "Carolus Quintus," een schip, dat ook eenigen tijd
geleden ons door de Engelschen ontnomen is geworden.
Met den degen in de vuist klimt de "Dolle" weer naar boven, valt de
bemanning aan, overmeestert ze, hakt gaten in het schip en laat het
brandende zinken.
En nu nog de reus der Britsche vloot, de prachtige "Royal Charles"
veroverd.
Zou dat wel gaan, mannen? Bedenkt toch, dat....
Wat gaan? Alles moet gaan vandaag! Vooruit! Vooruit!
Het moedige waagstuk is reeds bedreven, en Vice-Admiraal De Liefde
steekt er de Hollandsche vlag van uit.
Daar nadert "De Agatha", zoo heet het Admiraalsschip van
Luitenant-Admiraal Van Ghent. Cornelis De Witt, Ruwaard Van Putten,
bevindt zich daar aanboord, en ook hij beklimt het genomen Britsche
Admiraalsschip, en op dien bodem schrijft hij aan de Hoog-Mogende
Heeren Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden:
"Op huiden heeft God Almachtig de wapenen van den Staat zoo
goedertierenlijk gelieven te segenen, dat wij en alle d' ingesetenen
zijne Goddelyke Majesteyt over deszelfs Genade niet genoegsaem kunnen
dancken." Aan zijnen broeder, den Raadpensionaris, schreef hij:
"Danckende God Almachtig, dat Hij door Zijne Goddelyke Voorsienigheyd
den hoogmoed van de Engelsche Natie door de glorieuse wapenen van
Uwe Hoogmogenden sodanigh ghelieft heeft te vernederen, dat wij niet
konnen twyfelen of de vrede sal tot volkomen contentement van den
Staet getroffen konnen worden."
Van Brakel scheen intusschen gezworen te hebben de held van den
dag te zijn, en begon nu zijn geschut los te branden op de forten,
en deze leden zoo geweldig, dat de bezetting weldra op de vlucht sloeg.
Maar langzamerhand werd het avond en het vernielingswerk werd gestaakt
om den volgenden dag onder het onmiddellijk opperbevel van De Ruyter
te worden voortgezet. De taak van den eersten dag was door Van Ghent
en den Ruwaard Van Putten volbracht.
Met eenen frisschen noord-oosten wind kwam bijna de geheele
Nederlandsche vloot op den middag van den drieëntwintigsten Juni
voor het kasteel Upnor, dat een hevig geschutvuur op onze schepen,
die rustig en bedaard het anker lieten vallen, opende.
Er kwam evenwel op onze vloot een oogenblik van aarzeling, zulk een
klein oogenblik van wankelenden moed, op eene onverklaarbare wijze
ontstaan, welke aan een moeielijk werk, dat op het punt staat met
eenen schitterenden uitslag bekroond te worden, op eenmaal eene heel
andere wending geeft en de verwachte glorierijke overwinning in eene
volkomen nederlaag doet veranderen.
Dat ontzettende oogenblik van wankelenden moed en van onverklaarbare
aarzeling wordt door De Ruyter, die juist aangekomen is,
gezien. Hij begrijpt er terstond het volle gewicht van en op
Lievensz. toesnellende, roept hij dezen toe: "Bootsman, vlug, als de
wind zoo vlug in de booten! Zet ze uit, terstond! Ik zelf ga mede, of
alles, alles is verloren! Er zijn verkeerde bevelen gegeven! Vooruit!"
"Mannen," roept hij tot zijn volk, "ik ga er zelf op los. Vier
booten uit!"
"Goed, Admiraal," antwoordden dezen en weldra liggen sterk bemande
sloepen aan den valreep, waar De Ruyter juist langs af wil klimmen,
als De Witt hem vraagt: "Waar dàt heen, Admiraal?"
"Als ik mijn volk den weg niet wijs, Hoog-Edelmogende, dan is alles,
alles verloren. Er is een bevel gegeven, dat niet goed was of verkeerd
begrepen is. Zie maar, er is wanorde, er is aarzeling!"
"Ik ga met u," zegt De Witt en stapt, tot groote ergernis van den
"Barren Bruinvisch", ook in de sloep.
En vooruit gaat het nu, overal waar de moed der onzen dreigt te
verflauwen en het gevaar het grootst is.
"Mannen, daar komt Bestevaêr kijken of we het wel goed
doen!" klinkt het dan, en aangevuurd door een: "Hoezee! Bestevaêr
Michiel! Hoezee!" vatten ze den moed weer op, slaan den vijand terug,
vernielen zijne schepen, steken ze inbrand en laten ze in de lucht
vliegen.
Daar valt men de "Royal Oak" aan. Het volk, aangevoerd door zijnen
Kapitein Douglas, verdedigt zich woedend, doch, niet genoeg bijgestaan,
gaat het op de vlucht.
"Vlucht! vlucht! Kapitein," zoo roepen zijne matrozen hem haastig toe.
Douglas gaat bij den grooten mast staan en ziet de matrozen woedend
aan.
"Vlucht, vlucht dan toch, Kapitein!" smeeken zijne onderhoorigen
hem bijna.
"Gaat, lafaards en vlucht zelf! Het is nog nooit gezien, dat een
Douglas, zonder last hiertoe te ontvangen, zijnen post verliet! Vlucht
gij, ik blijf!"
De dappere Engelschman blijft volharden en komt in de vlammen van
zijn brandend schip om.
De nederlaag der Engelschen was volkomen.
Des Konings broeder, de Hertog van York,--de Admiraal der Engelsche
vloot, Prins Robert, en Generaal Monk hadden, machteloos, aan den
oever der rivier dat werk der vernieling moeten aanzien.
Gansch Engeland beefde en sidderde.
In Londen was alles in rep en roer! Men pakte zijne kostbaarste zaken
bijeen en vlood er mede de poorten uit.
Van straat tot straat, van plein tot plein, van gracht tot gracht,
van bedelaarskluis tot koningswoning, klonk het geroep van: "Vlucht,
vlucht! De Hollanders komen! Duizenden soldaten zijn er aanboord om
te landen! Vlucht! Vlucht!"
Velen lachten die bange lieden echter in het aangezicht uit;
want men begreep wel, dat dit niet gebeuren zou. Men liet de
honderdtallen vluchten; de duizenden bleven; Engelands volk was
niet laf. Het was slechts overvallen, en had een oogenblik gesidderd
voor den Nederlandschen zeeleeuw, die brullend in het hart des lands
gevallen was. Maar nu beefde het niet meer. Men vloog te wapen, en
terwijl de vloot der overwinnaars in den nacht van den drie- op den
vierentwintigsten Juni op de plaats der overwinning bleef om uit te
rusten, verzamelden de Hertog van York en Generaal Monk aan den oever
een leger van ruim twaalfduizend man.
Maar ook de Nederlanders begrepen, dat ze hunne taak volbracht hadden,
en dat er genoeg gedaan was om eenen Nederlander van later dagen met
recht te doen zeggen:
"Een landverrader om te koopen,
Een weerloos eiland af te loopen,
Is werk van lafaards, lafaards waard.
Maar trotsche Britten te doen knielen,
En Eng'lands keurvloot te vernielen,
Is werk van mannen, mannen waard."
Den volgenden dag werden de ankers gelicht en statig zakte
de Nederlandsche vloot de rivier af, als overwinningsteekenen,
"The Unity" en "Royal Charles" mede voerende.
Dat zagen de Engelschen daar van den oever aan. Ze wilden het wel
beletten, maar konden het niet; want ze hadden geene schepen meer om
de stoutmoedigen na te jagen.
Hoe hun dat speet! Hoe het verlies van dat trotsche koningsschip hun
aan het hart ging!
Ware het verbrand, vernietigd, in de lucht gesprongen of gezonken,
het zou niet zoo erg geweest zijn!
Maar het als zegeteeken triomfantelijk weg te zien sleepen naar
dat kleine land van kaasboeren en kruideniers, dat konden ze niet
verkroppen!
Dat deed de Engelsche dichter Andrew Marvel naar de pen grijpen en
schrijven: "Die heilige kiel, de lust der oorlogsvloot, nu een buit,
en de slaaf van eenen geringen overwinnaar." [11]
Weldra was onze vloot weer in volle zee en werden de twee prijzen
naar het Vaderland gebracht.
De onderhandelingen over den vrede werden nu met kracht
voortgezet. Engeland zelf wilde dat, doch zoo lang het nog geen vrede
was, bleef onze vloot kruisen om, òf nieuwe heldendaden te verrichten,
òf den vijand te beletten zich te versterken, terwijl men zorgvuldig
den mond van de Theems gesloten hield.
Dit laatste was het geval; er werd niet meer gevochten.
"Nog al niet naar den zin, oude jongen?" vroeg Engel op zekeren morgen
aan Lievensz., die met een ontevreden gezicht naar het water stond
te kijken.
"Naar den zin, Jonker? Ik zou wel eens willen weten, wie het naar
den zin kan hebben?" antwoordde Lievensz.
"Wie? Wel, ik bijvoorbeeld!"
"Dan zijt ge van eene andere makelij dan ik ben, Jonker! Het ergert
me dag aan dag hier te liggen als mannekens, die in eene praam gezet
moeten worden. Wat doen wij hier?"
"Wat we hier doen? We laten de Londenaars honger lijden, opdat ze
zooveel te harder om den vrede kunnen schreeuwen, en, als de Engelschen
het wisten, wat we nog meer deden, dan...."
"Maar, Jonker, wat doen we dan toch? Ik zie niemendal gebeuren,
dan den Admiraal met zijne Officieren en zijn volk in de booten
rondscharrelen, alsof ze spiering visschen."
"Spiering visschen, kom, Grootvadertje, dat weet ge stellig wel beter."
"Ik mag een doorgeschoten slipsteek zijn, als ik er wat van begrijp,
Jonker!"
"Welnu dan, ik zal het u zeggen, want gij moogt het wel weten. Vader
laat hier het Koningsdiep en de heele kust peilen en in kaart
brengen. Onze loodsen zullen dan in het vervolg hier even goed den
weg weten, als bij Texel of op de Schelde."
De "Barre Bruinvisch" wreef de hand over het gerimpelde gelaat,
doch zeide niets.
"Nu, wat zegt gij ervan?" vroeg Engel.
"Wat ik zeg, Jonker? Wat ik zeg?"
"Ja, ja, wat ge zegt, vraag ik."
"Dat ik bemerk, dat ik oud begin te worden, en niet verder meer
zien kan dan mijn neus lang is. Engel, uw Vader is nog meer dan een
zeeheld! Hij is in alles een zeeman, dat is hij! Een man, die tegen
duizend mannen opweegt."
"Welnu, doe dan dat leelijke gezicht weg, Grootvadertje!"
"Neen, Jonker, dat kan ik niet! Nu zelfs nog minder dan anders! Die
Heeren van de pen liggen nog overdwars in mijn vaarwater en nu meer
dan ooit. Waarom zijn er van die dwarskijkers op de vloot om toe te
zien of uw Vader zijnen plicht wel doet? Een man, zooals Michiel
Adriaensz. De Ruyter is, doet altijd zijnen plicht. Maar, hoor ik
daar niet schieten?"
"Ja, dat is zoo. Het zou mij niet verwonderen, als er bericht uit
Den Haag kwam, dat de vrede gesloten is," antwoordde Engel, die goed
geraden had.
De Opperbevelhebber van 's Lands vloot ontving de tijding dat den
eenendertigsten Juli te Breda, tusschen Engeland en de Republiek
der Vereenigde Nederlanden een vrede gesloten was, die, dank zij den
tocht naar Chattam, voor ons land vrij voordeelig was.
Thans kon de Nederlandsche vloot de havens weer opzoeken, doch door
bijkomende omstandigheden, geschiedde dit toch eerst in October.
Met groot gejuich werden de overwinnaars, de bewerkers van den vrede,
ontvangen, en overal waar De Ruyter zich vertoonde, werd hij begroet
met een blij geroep van "Hoezee! Bestevaêr Michiel! Hoezee!"
Zeker was het voor onzen dapperen Vlootvoogd streelend, zooveel
eer te genieten; maar meer welkom waren hem de blijde gezichten
zijner huisgenooten, die den Echtgenoot en Vader met blijdschap
ontvingen. Want hoe goed Zeeman ook, toch was hij misschien nog beter
Huisvader, die den gezelligen huiselijken haard boven alles liefhad.
Dat de Algemeene Staten niet achterbleven om den Bevelhebber van
's Lands vloot, en zelfs den matrozen belooningen uit te reiken, dat
spreekt bijna vanzelf, waar iedereen onzen zonen der zee rechtmatige
hulde bracht. Maar gedenkpenningen gaan eenmaal verloren, beschreven
perkamenten verteren, steenen gedenkteekenen vallen in puin, gesproken
woorden worden vergeten. "Doch," zegt J. A. Brand, een van De Ruyters
lofredenaars, "al werden al deze gedenkteekenen door den stroom des
tijds verzwolgen, zoo zoude nog Engelands hoofdrivier, zoo lang zij
hare golven zal zien voortrollen, den nakomeling, Neêrlands glorie
en De Ruyters wapenroem herinneren."
NEGENDE HOOFDSTUK.
LUCTOR ET EMERGO.
Zoo was dan de vrede met Engeland gesloten en kon men weer het
oorlogszwaard in de scheede steken.
Voor hoe lang?
De krijgsroem door het kleine Holland behaald, klonk door heel Europa.
Dat was eene eer voor zulk eene kleine natie.
Maar het was niet in zijn voordeel; de ijverzucht, zoo gevaarlijk voor
een volk, ontwaakte bij Mogendheden, veel sterker in bevolking dan wij.