Dood en vernieling zonden we onder de Engelsche vloot, doch ook deze

gaf, aangevoerd door eenen zeeheld als Blake, den strijd zoo gauw

niet op.

Het begon er duister voor de onzen uit te zien, want aanboord van

Tromp kwam van den eenen Kapitein na den anderen de klacht: "Als het

nog langer moet duren dan hebben wij geen kruit en lood meer!"

Van het weinige dat enkele schepen nog in voorraad hadden liet de

Admiraal nu uitdeelen.

Er zal volgehouden worden, als het kan, tot de avond aan den slag

een einde maakt, maar hoewel de zon reeds het grootste deel van hare

dagreize volbracht heeft, zal het toch nog twee uren aanloopen eer

ze in het westen ondergaat.

Een treurig vooruitzicht voor de onzen en Blake, een Admiraal, wiens

naam naast de namen van Tromp en De Ruyter mag genoemd worden, schijnt

te bespeuren waaraan het bij zijnen vijand begint te haperen. Hij weet

den moed der zijnen, die bijna geheel verflauwd is, weer op te wekken,

daar hij nu hoop heeft den beslissenden slag te slaan.

"Valt aan! Valt aan!" klinkt het van boord tot boord der Engelsche

schepen, en, het gebeurt.

Maar de onzen staan pal. Geen schot wordt op goed geluk gelost. Bijna

elke kogel bereikt zijn doel.

"Gered!" klinkt het plotseling van de Nederlandsche schepen; want de

vijand trekt af.

Maar de eerlijkheid gebiedt het te zeggen: de onzen zijn, strijdende,

steeds achteruit gegaan. Onze schepen hadden minder diepgang

dan de Engelsche, en om nu zoowel het slagveld te behouden, als

de koopvaardijschepen, wist Tromp het zóó aan te leggen, dat hij

zonder de vlag gestreken en zich overwonnen verklaard te hebben, de

Vlaamsche banken bereikte. Dit gelukte hem en Blake wachtte zich wel

om hier den strijd te vervolgen, want het zou zijn ondergang geweest

zijn. Hij trok dus niet af, omdat hij door den moed der onzen of de

Nederlandsche kogels daartoe genoodzaakt was, maar omdat hij zich

in vaarwater bevond, dat hem, zónder Nederlandschen moed en zónder

Nederlandsche kogels ten verderve kon voeren. Door dit te vermelden

doen we den roem van Tromp niet te kort, integendeel, hieruit blijkt,

dat hij nog wat anders was dan een zeeheld, dat hij was een man,

die de zee kende en van haar gebruik wist te maken. Bovendien had

hij de nederlaag nu niet geleden en de koopvaardij-vloot met al hare

schatten in behouden haven gebracht.

"Gered!" klinkt het ook aanboord van dien scheepsromp, die daar, zonder

éénen mast, op sleeptouw voortdrijft; want de stompjes hout, die nog

een enkel lapje zeil dragen, verdienen den naam van masten niet.

Het is "Het Lam" van Michiel Adriaensz. De Ruyter, die zóó ontredderd

thuiskomende, daardoor aan iedereen vertelt wat man hij is. Het

is vergeefsch, dat zijne nederigheid de kloeke daden verzwijgen

wil. Zijn scheepsvolk zal het uitroepen, en, als hun mond zwijgt,

dan verkondigen die doornagelde scheepsromp, die roerlooze schuit,

dat mastelooze wrak op luiden toon den lande: "Hoezee! Hoezee! Voor

Vlissinger Michiel! Hoezee voor den held, die Neêrlands roem en hope

zal worden! Hoezee!"

Maar wat baatten helden als Tromp, De With, De Ruyter, Florisz. en

zoovele anderen, waar de Regeering zoo weinig deed om onze vloot meer

in overeenstemming te brengen met die des vijands? Sprekend kwam die

weinige zorg opnieuw uit in den zeeslag bij Nieuwpoort, den twaalfden

en dertienden Juni daaraanvolgende, weer geleverd met eene vloot,

die maar zoo wat "opgelapt" was en voor de zooveelste maal gebrek

aan kruit en lood had. Men moest zich verbazen over de mogelijkheid,

dat ze zee dorst houden tegenover eene uitmuntend uitgeruste Engelsche

vloot, die wel honderd schepen telde, en aangevoerd werd door helden

als Generaal Monk, Admiraal Deane, Blake, William Penn en John Lawson,

die in geen enkel opzicht voor Tromp en zijnen heldenstoet onderdeden.

Het gevolg daarvan was dan ook dat de driftige De With de Regeering

toesnauwde: "Wat baat het, dat ik zwijg? Ik ben hier voor mijne

Opperheeren; ik mag en moet het zeggen: de Engelschen zijn meester

van ons en diensvolgens van de zee!"

En De Ruyter, die allerminst uit geldelijk voordeel in dienst van den

lande getreden was, daar hij eerst na den driedaagschen zeestrijd de

toezegging kreeg, dat de Staten van Zeeland hem eene bezoldiging van

tweehonderd gulden in de maand zouden geven, wat deed De Ruyter? Bleef

hij, de nederige man, als ondergeschikte, zwijgen?

Neen, zóó ver ging zijne nederigheid niet! Hij begreep dat hij door

zwijgen zijn Vaderland minder dienst zou doen dan door spreken, en

daarom zeide hij open en rond: "Ik zal niet meer in zee gaan voor en

aleer de vloot versterkt wordt en betere schepen heeft."

Zóó spraken De With en De Ruyter; op deze manier liet Tromp zich

telkens uit, en in denzelfden geest dachten, handelden en spraken

allen, van den hoogstgeplaatste tot den nederigsten dienaar op 's

Lands vloot. Men behoefde geen geleerde te zijn om te zien hoeveel

beter Engeland ten oorlog toegerust was en hoe men daar geene schatten

ontzag om den oorlog goed te voeren.

Maar er kwam uitkomst in den persoon van een zevenentwintigjarig man,

die, als Raadpensionaris van de Staten van Holland, door zijn ambt

niets anders dan hun dienaar, maar door zijne groote kennis, zijnen

helderen blik en onverzettelijken wil hun aller meester werd.

Deze man was Johan De Witt.

Door hem kwam er verandering. Hij begreep dat de klachten der

Vlootvoogden en van alle minderen niet overdreven waren, en door

zijnen invloed en zijne ongekende werkzaamheid kwam het, dat binnen

betrekkelijk korten tijd, de Nederlandsche vloot in veel beter staat

gebracht werd. Maar--

Het is op den tienden Augustus des jaren 1653.

Hoor, wat dreunt daar als een verwijderd onweder op zee?

Het zijn kanonschoten.

In het gezicht der Hollandsche kust, bij het dorpje Ter Heide, wordt

Tromps laatste zeegevecht geleverd. Zijn laatste, ja! Niet omdat hij

andermaal den slag verliezen zou en dan door onkundige, doch waanwijze

kooplieden van lafhartigheid en onkunde beschuldigd, andermaal

ontslagen zou worden. Neen, de hooge betrekking van Luitenant-Admiraal

zou hij thans houden tot zijn laatste levensoogenblik, tot zijnen

laatsten ademtocht zou hij thans het Vaderland dienen, maar hij is

gevallen de edele held, de koene zeeman, de warme vaderlander, en

reeds heeft Michiel Adriaensz. De Ruyter bij zijn lijk uitgeroepen:

"Ware ik voor hem gestorven!" Nog meer is er gebeurd. Met zijn

masteloos en tot wrak geschoten schip "Het Lam" is De Ruyter reeds

naar de Maas gesleept. Reeds heeft Witte Cornelisz. De With zichzelven

al uit de Texelsche zeegaten geloodst en zich aan het hoofd der vloot

gesteld om den dood van den grooten Tromp te wreken. Reeds hebben de

Hollanders Banckert en Sangher en de Engelschen Cocx en Taylor zoolang

met elkander gestreden, dat ze alle vier zonken. Reeds zijn er al

weer lafaards op de vlucht gegaan en tal van helden gesneuveld, maar

noch Hollander, noch Engelschman geeft krimp, men wil niet wijken. De

Nederlandsche vloot is reddeloos geschoten en de Engelsche bijna

niet instaat zee te houden. Ieder wil zich de eer der overwinning

toeschrijven, waar door niemand de overwinning behaald is, maar waar

men als helden gekampt heeft tot de duisternis van middernacht en

de ondiepten der kust, als het ware, samenspanden om te beletten,

dat twee vloten elkander tot het laatste schip vernietigden.

De zeeslag bij Ter Heide was de laatste, die in den eersten Engelschen

oorlog geleverd werd, en zij was ook de vernielendste. Nòch Engeland,

nòch de Vereenigde Nederlanden waren bij machte, den oorlog voort te

zetten, en--de vrede werd het volgende jaar gesloten op voorwaarden,

die voor ons Gemeenebest niet voordeelig mochten genoemd worden.

Inplaats van Marten Harpertsz. Tromp had men tot Luitenant-Admiraal der

Nederlandsche vloot benoemd den Kolonel der ruiterij, Jacob, Grave van

Wassenaar, Heer van Obdam, een buitengewoon dapper en ervaren krijgsman

te velde, doch een zeer ongeschikt zeeman, die later evenwel toonde,

dat hij niet onder wilde doen voor den Engelschen Admiraal Monk, die,

even als hij, van het leger te velde geroepen was, om zijn Vaderland

ter zee te dienen. Maar eer ook nog de vrede gesloten werd, had men

onzen dapperen Zeeuw, den ervaren Vlootvoogd De Ruyter, aangesteld

tot Vice-Admiraal bij de Admiraliteit van Amsterdam, en hoewel de

held eerst voor die eer bedankt had, liet hij zich eindelijk door de

welbespraakte tong van den Raadpensionaris Johan De Witt overhalen

de benoeming aan te nemen. Hij nam derhalve zijn ontslag bij de

Admiraliteit van Zeeland, en vestigde zich metterwoon te Amsterdam,

van welke stad men hem in het volgende jaar het Groot-Burgerschap

vereerde, een titel, die hem het recht gaf naar alle stedelijke

betrekkingen te kunnen mededingen.

In zijne betrekking van Vice-Admiraal maakte hij van 1654 tot 1656

verscheidene tochten naar de Middellandsche zee om de Algerijnsche

zeeroovers te tuchtigen, en dat hij zich van dien last goed kweet,

kan van eenen man, als hij getoond had te zijn, verwacht worden.

Ons verhaal zou veel te groot worden zoo we hem op al die tochten

wilden vergezellen en daarom willen wij hem liever ook eens in heel

andere deelen van de wereld bezig zien om zijne groote gaven en zijnen

ongeëvenaarden heldenmoed het Vaderland te wijden.

VIJFDE HOOFDSTUK.

ALWEER DE "BARRE BRUINVISCH".

In 1654 had Koningin Christina van Zweden afstand van de regeering

gedaan en was opgevolgd geworden door Karel Gustaaf, die weldra

in oorlog geraakte met den Koning van Polen. In dien oorlog was

Karel Gustaaf bijzonder gelukkig en de Algemeene Staten vreezende,

dat onze handel daarbij lijden zou, namen het besluit, zich met de

zaken in het Noorden te gaan bemoeien. Om aan die bemoeiingen meer

kracht bij te zetten, vertrok er eene Hollandsche vloot onder bevel van

Luitenant-Admiraal van Wassenaar-Obdam naar de Oostzee. De Ruyter, die

juist uit de Middellandsche zee teruggekomen was, werd slechts een kort

verblijf aanwal gegund, en met zijne vloot alvast vooruit gezonden. Van

Wassenaar-Obdam volgde weldra, zoodat onze vloot uit tweeënveertig

schepen bestond. Dantzig liep, door de komst van onze vloot, eene

belegering der Zweden gelukkig mis. Daar we op dat oogenblik ook in

oorlog met Portugal waren, kon de vloot niet werkeloos blijven, en

nu we in het Noorden door een verdrag met Karel Gustaaf te sluiten

ons doel bereikt hadden, werd de vloot terug geroepen om elders de

belangen des vaderlands te behartigen. Het duurde evenwel niet lang

of onze handel vorderde dringend, dat we ons opnieuw met de Noordsche

zaken bemoeiden, daar de Koning van Denemarken in oorlog met Karel

Gustaaf geraakt was. Van Wassenaar-Obdam werd weer met eene vloot naar

de Oostzee gezonden en versloeg de Zweedsche scheepsmacht onder Wrangel

op de Sond. In dezen zeeslag sneuvelde Witte Cornelisz. De With. Hij

stierf zooals hij geleefd had, stervende, met den degen in de vuist

op zijn bijna aan splinters geschoten schip. "Dat hy een lyck werd

koste syn viandt duysent lycken," zeide een zijner lofdichters. Karel

Gustaaf, die den ondergang van zijne vloot van het slot Kroonenburg

aanschouwde, liet het lijk van den held van het wrak halen. Hij ontving

het met zijnen hofstoet in rouwgewaad, en zond het later gebalsemd

naar Holland. Toen dit gevecht voorviel, was De Ruyter op de kusten

van Portugal, en daar de Algemeene Staten de vloot niet in het Noorden

wilden laten overwinteren, werd Obdam teruggeroepen met het bevel,

slechts twaalf schepen voor Kopenhagen te laten liggen. De Ruyter zou

men intusschen met 4000 man naar Denemarken laten vertrekken. Maar

eer een en ander volbracht kon worden viel de winter in, die Obdam

in de Deensche wateren deed invriezen en De Ruyter te Texel hield.

Op eenen der winterdagen tusschen 1658 en '59 langs den Buitenkant te

Amsterdam gaande, zag De Ruyter dat een oude zeeman met een verbruind

gelaat hem op eenigen afstand volgde.

"Wie is die Vice-Admiraal, die daar gaat?" vroeg de oude zeeman aan

een, dien hij tegenkwam.

"Dat is onze eere-burger Michiel Adriaensz. De Ruyter!" antwoordde

de Amsterdammer en ging verder.

De Ruyter had die vraag gehoord en meenende, dat de man, die blijkbaar

eenig belang in hem scheen te stellen, hem misschien het een of ander

te verzoeken had, bleef hij staan en zei: "Verlangt gij mogelijk ook

iets van mij, goede vriend?"

De oude zeeman zag hem met oogen, die van aandoening vochtig werden,

diep in het gelaat, doch antwoordde niets.

------

FIGURE

------

"Eene vraag om eenige toelage van den Lande soms?" vroeg De Ruyter

nu op den goedigen toon, dien hij wel meest altijd, maar tegenover

minderen geregeld aannam.

"Neen, neen, Mich... Heer Admiraal!" was het stotterend gegeven

antwoord. "Ik heb geen verzoek te doen."

De Ruyter lachte en zei: "Hadt ge daar niet het plan om Michiel

te zeggen?"

De zeeman nam de wollen muts van het hoofd en sprak: "Ja, ja, dat

wilde ik! Dat wilde ik!"

"Kent ge mij dan van vroeger, hé?" klonk de vriendelijke vraag des

Admiraals, die wat dichter bij den man kwam, die hoe langer hoe meer

verlegen scheen te worden.

"Ja, van vroeger!" was het antwoord.

"Dan zeker toch al lang geleden, nietwaar?"

"Ja, ja, heel lang, Heer Admiraal!"

De Ruyter keek den man nog eens aan en zei eensklaps: "Kom eens vlak

voor mij staan en laat mij u in de oogen zien. Ik geloof waarlijk ook,

dat wij oude kennissen zijn."

De zeeman sloeg de oogen op, doch pas had hij dat gedaan, of De

Ruyter riep: "Gij zijt de "Barre Bruinvisch." Heb ik het geraden? Zeg,

heb ik het geraden?"

"Ja, Heer Admiraal, ik ben de "Barre Bruinvisch" en Bootsman aan

den wal. Gij hebt het ver gebracht, Heer Admiraal, heel ver! Altijd

gedacht, altijd gezegd, als ge met die dingen van Simon Stevin bezig

waart: "Let op, die aap van eenen jongen brengt het ver!""

"Aap van eenen jongen!" en dat tegen eenen Vice-Admiraal!

Maar De Ruyter lachte er om en zei: "Ja, man, ik wilde toen wel. Maar

laten we samen wat oploopen en vertel mij dan toch eens hoe gij hier

in het land komt. Ik had u al lang onder de dooden gerekend en aan

uw laatste verzoek heb ik te Westersouburg voldaan. O, Lievensz.,

wat waren die zielen bitter bedroefd! Doch, wat hadt gij trouw voor

haar gezorgd! Geen oogenblik hebben ze armoede geleden. De Heeren

Lampsens hebben er trouw het hunne toe bijgebracht en verdubbelden

uwen spaarpot. En toch zijt gij van uwe wonde genezen! Waar zijt gij

dan zoo lang gebleven?"

Zoo sprekende had De Ruyter zijne woning bereikt en trad met den

ouden zeeman binnen om hem gul te onthalen, waarna Lievensz. het

volgende vertelde, doch op zijn zeemans en dus vrij wijdloopiger dan

ik het navertel.

"Zevenentwintig jaren lang slaaf in Marokko geweest, Heer Admiraal! In

het eerst had ik het er slecht, maar toen de mannen van de "Lijnbaan"

langzamerhand stierven, en ik ten slotte alleen overbleef, had ik het

geluk eenen Officier uit een brandend huis te redden. Toen kreeg ik

het goed en mocht alleen maar niet weg. Ik werd huisknecht, bediende

bij den Gouverneur en ik weet niet wat al meer, tot ik in '50 met een

Hollandsch schip, dat daar toevallig kwam, de plaat poetste. Ik kwam

te Westersouburg, vond mijne Moeder en zusters gestorven en van het

geld niemendal. Ik ging toen van baloorigheid naar Amsterdam, kocht

daar voor mijne spaarduitjes, die ik in den slavendienst zelfs had

weten te krijgen, eene turf- en houtnering, trouwde en kreeg eenen

jongen en een meisje op mijnen ouden dag. Maar als ik nu wist, dat

ik weer zeevader kon worden, dan...."

"Wel, Lievensz., wat dán?"

"Dan zou ik zeggen: Michiel, mag ik bij u aanboord komen en voor uwen

jongen worden, wat ik voor u eenmaal geweest ben?"

"Dat kan niet, oude vriend! Vier jaar geleden is mijn oudste zoon,

hij heette naar Vader, als Luitenant ter zee gestorven. Hij beloofde

veel, doch de Heere nam hem van mijne zijde weg. Hij was niet sterk

mijn Adriaen, neen, dat was hij niet. Nu heb ik nog eenen zoon,

een knaapje van tien jaar, een aardig ventje!"

"Michiel, geef me dien jongen, o, geef me hem! Ge zult zien, dat ik

er eenen tweeden Michiel van maken zal!" riep Lievensz. opgewonden.

"Neen, oude vriend, dat gaat niet, man! Engel moet school gaan, en

als hij van de zee blijft houden, zooals nu, dan mag hij met zijn

vijftiende jaar met mij mede. Men wordt over dertig of veertig jaar

geen Vlootvoogd meer met zoo weinig kennis als ik heb, Lievensz.! Maar,

kom alevel bij mij aanboord, en als de Heere ons in het leven spaart,

welnu, wees dan over vijf jaar zijn zeevader. Wilt ge dat?"

"Of ik dat wil, vraagt ge? Michiel, of ik dat wil? God de Heere zegene

u man, dat gij zulk eenen ouden, versleten zeerob, als ik ben, nog

aanboord wilt nemen. Ja, ja, graag, heel graag! Wanneer aanboord?"

"Dat heeft al den tijd, Lievensz.! De winter houdt me aanwal en in

het voorjaar moet ik naar het Noorden. Maar hoe heet uw jongen en

wat zal hij worden?"

"Hij heet Jan, Heer Admiraal, en hij gaat ter schole!"

"Goed, heel goed, laat hem op mijne kosten schoolgaan tot mijn Engel

aanboord komt, dan hebt ge er twee om zeevader over te wezen. Laat

den knaap maar tot zoo lang aan de zorg der onderwijzers over en laat

hem veel, heel veel leeren!"

"Dat zal ik, Heer Admiraal! Maar mag ik nu nog zoo vrij zijn en u

eene vraag doen?"

"Of ge dat moogt doen? Wel zeker moogt ge dat! Zeg maar op, wat ge

wilt weten!"

"Hoe ik te Biscaye gekomen ben, weet ik niet, want ik was heelemaal

buiten westen en in dien toestand tusschen levend en dood bleef ik

wel acht dagen. Toen ik weer tot mijzelven kwam vernam ik van het

volk dat de drie jongens Michiel De Ruyter, Geleyn Evertsen en Jan

Kompanjie met eene boot van het kaperschip ontkomen waren. Is dat zoo,

och, vertel me dan toch eens hoe ge weer in Vlissingen gekomen zijt."

"Komaan," antwoordde Michiel, "dat wil ik. Het is wel een heel verhaal,

maar ik heb er den tijd toe."

Beide mannen zetten zich op hun gemak en Michiel vertelde zijnen

ouden vriend nu, wat wij reeds weten.

Het was al laat toen Lievensz. het eenvoudige heerenhuis op het

Nieuwe-Waalseiland verliet, en verrukt over de vriendelijkheid en

hartelijkheid van zijnen ouden leerling, scheelde het weinig of de

"Barre Bruinvisch" had van blijdschap diens handen gekust. Hij bedacht

zich echter en ijlde naar huis om daar zijne vrouw te vertellen,

dat hij weer varen ging "bij eenen baas, Grietje, bij eenen baas,

den besten van de wereld, meid! Bij den Heere Vice-Admiraal Michiel

Adriaensz. De Ruyter!"

Den vijftienden Mei 1659 ging onze Vlootvoogd met eene vloot

van veertig oorlogsschepen naar de Oostzee. Zoodra hij den

Luitenant-Admiraal Van Wassenaar-Obdam zou ontmoeten, moest hij dezen

het opperbevel overgeven, doch door eenen samenloop van omstandigheden

kwam de Luitenant-Admiraal spoedig naar het Vaderland terug en bleef

onze Michiel met het opperbevel belast.

Het was inmiddels November geworden en gedurende dien geheelen tijd

hadden de Nederlanders in het onzekere verkeerd van hetgeen er ten

slotte zou moeten gedaan worden, en toen eindelijk de Algemeene Staten

besloten hadden, te handelen, hadden de Zweden zich zoo versterkt,

dat de kansen van welslagen voor ons en de Denen lang zoo voordeelig

niet meer stonden, als in het begin.

"Wel, Lievensz., hoe staat ge daar zoo tot de tanden gewapend?" vroeg

Michiel des middags van den tienden November, toen de vloot voor

Kartemunde, eene stad op het eiland Funen, lag.

"Ik geloof dat ge wat met mij gekt en naar den bekenden weg vraagt,

Admiraal! Moet die stad dan niet ingenomen worden?"

"Als het kan, ja, en eigenlijk moet het. De Zweden, die op dat eiland

ten getale van zeven duizend zijn, moeten er af. Het is de vraag maar,

hoe we landen zullen, Bootsman! Het zal met booten moeten geschieden!"

"Eene landing in de booten onder bescherming van het geschut der vloot,

juist, Admiraal! En daarop is bij mij de wacht," was het antwoord.

"Welnu, nog zoo vol vuur, ja? Best, gij zult uwen zin hebben, Barre,"

zeide De Ruyter en zich verwijderende gaf hij bevel het stadje te

gaan beschieten, en gedurende twee uren gaf men zoo druk vuur, dat het

volk daar binnen niet wist, hoe en waar zich te bergen. Thans achtte

De Ruyter het oogenblik van landen gekomen. Het was eene gevaarlijke

onderneming; want de Zweden bestreken met hunne batterijen de heele

zee voor de kust waar men landen zou. De Ruyter zelf sprong in eene

der booten en riep zijn volk toe: "Valt aan, mannen, valt aan, of

gij wordt allen hier vermoord!"

Het bootsvolk aarzelde.

"Vooruit, mannen, dat gaat u voor! Volgt mij na!" riep Buat, een

Franschman van geboorte, wiens Vader reeds onder Frederik Hendrik

gestreden had. "Vooruit! Dat gaat u voor!" [9]

Onverschrokken sprong hij uit de boot in het water.

"Zulke mannen volg ik! Vooruit," riep Lievensz. en was, na Buat,

de eerste in de boot, waarna De Ruyter volgde met eenige matrozen.

"Berg u, Heer Admiraal!" riep Buat onzen Michiel waarschuwend toe. "Men

mikt op u."

"Ik behoor mijn volk den weg te wijzen," sprak De Ruyter bedaard,

niettegenstaande er op hetzelfde oogenblik twee mannen aan zijne

zijde doodgeschoten werden.

Het voorbeeld van den dapperen Buat vond algemeen navolging en zelfs

was De Ruyter een der eersten, die aan den wal waren. Het ontschepen

van krijgsvolk kon nu geregeld voortgang nemen, en nadat men duizend

Deensche ruiters ontscheept had, begaf De Ruyter zich weder aanboord.

Na nog eene belangrijke versterking ontvangen te hebben werd Nijborg,

ook eene stad op Funen, waar de Zweden zich zeer versterkt hadden,

van de landzijde aangevallen, en kort daarop van de zeezijde door

onze vloot zoodanig beschoten, dat men daar binnen geene uitkomst

meer ziende, de stad op genade of ongenade overgaf. De overwinning

was volkomen. In vijftien dagen tijds had De Ruyter, trouw bijgestaan

door zijne onderhoorigen en de Denen, het geheele eiland Funen op

de Zweden veroverd, en de keurbenden van Karel Gustaaf met alles,

wat zij bij zich hadden, gevangen genomen.

Tweeduizend Zweden waren bij de verdediging van Nijborg gebleven,

en hoe wakker de Denen zich ook gedragen hadden, bekenden de Zweden,

dat de Nederlanders het gewicht in de schaal hadden gelegd.

De Ruyter kreeg van de Algemeene Staten bevel om voor Kopenhagen te

blijven overwinteren, en reeds kostte het hem veel moeite het met zijne

schepen tot zoo ver te brengen. Weldra lag hij geheel ingevroren, doch

daar hij Karel Gustaafs ondernemenden aard kende, liet hij om al de

schepen zijner vloot gestadig het ijs op eene aanmerkelijke breedte

weghakken. Dat hij hieraan verstandig deed, bewees de aanval, dien

de Zweden den derden Februari van het volgende jaar op de Deensche

hoofdstad waagden. Zij vonden evenwel de Hollanders en Denen zoo

waakzaam en voorbereid, dat ze weer spoedig aftrokken, ja, menigmaal

keerden de Denen en de onzen de zaak om en waagden zelfs eenen uitval

op het Zweedsche bezettings-leger.

Den drieëntwintigsten Februari overleed Koning Karel Gustaaf. Dit

bracht eene heele verandering teweeg, en hoewel de vrede door allerlei

slinksche handelingen van Engeland en Frankrijk nog al op de lange

baan geschoven werd, kon hij toch den zesden Mei op zeer voordeelige

voorwaarden voor den Koning van Denemarken gesloten worden.

Geen wonder dat de Koning onzen De Ruyter oprecht dankbaar was voor de

uitnemende leiding van de hulp, hem door Nederland verleend. Nadat hij

hem reeds in December van het vorige jaar met eenen prachtigen gouden

ketting, waaraan door de Koningin eenen gedenkpenning met diamanten

omzet, gehangen was, vereerd had, verhief hij nu onzen nederigen

bierdragers-zoon tot den adelstand met een jaarlijksch inkomen van

tweeduizend gulden. Zoo kwam de Vice-Admiraal, wiens naam reeds door

heel Europa klonk, in Amsterdam terug om te midden der zijnen eenen

korten tijd rust te nemen.

Lang duurde die rust echter niet, hiervoor zorgden de Algerijnsche

zeeroovers en later de Engelschen wel.

ZESDE HOOFDSTUK.

JAN KOMPANJIE.

In Januari van 1661 zeilde De Ruyter met eene vloot naar de

Middellandsche zee en voerde met goed gevolg krijg tegen al de

zeeroovers, die deze streken onveilig maakten, want het waren niet

enkel Algerijnen, die ter kaapvaart voeren, maar ook Franschen en

Spanjaarden.

Vlissinger Michiel, of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk. · 第 11 / 17 段