stapel papieren heb ik dit weinigje nog maar gelezen. Ik zal dat nu
morgen en overmorgen weer doen, en als ik dan weer veel gelezen heb,
zal ik opnieuw vertellen! Laten we naar binnen gaan; want gij weet
wel, dat Vader niet hebben wil, dat we in zijne papieren snuffelen,
en hij kan zóó thuiskomen!"
De "Journalen" werden weggelegd, zooals ze gelegen hadden, en
nauwelijks waren ze beneden gekomen of Meneer De Ruyter stapte de
gang in.
"Vader, Vader," riep de kleine Engel onderwijl hij zijn Vader
tegemoet liep.
De Ruyter dacht zeker dat het kind hem goeden dag zei, pakte Engel op,
gaf hem eenen zoen en zei: "Dag, groote kerel!"
"Dag, Vader," sprak Engel en toen hij hem ook eenen zoen
teruggegeven had, zei hij: "Vader, Adriaen mooi gelezen. Mooi uit
zulke papieren. Adriaen weer van u vertellen, van vechten. Maar eerst
lezen als u op het groote zeehoofd is. Mag wel, hè, Vader?"
Daar had men nu het bewijs dat het kleine potje ook ooren had.
"Adriaen," riep De Ruyter.
Adriaen, die alles verstaan had, wat de kleine Engel heel onschuldig
en zonder opzet overgebriefd had, naderde zijnen Vader en zeide:
"Wat belieft u, Vader?"
"Dat zal ik u straks zeggen," antwoordde De Ruyter. "Vertel eerst
maar eens, wat gij gedaan hebt, toen ik op het hoofd was en uwe Moeder
aan de wasch?"
"Wij zijn in uwe kamer geweest, Vader!"
"Zoo! En wat hebt gij daar uitgevoerd?"
"Ik heb een deel van uwe Scheeps-journalen gelezen, Vader, en het
merkwaardigste daaruit aan Cornelia en Alida oververteld! O, Vader,
wat heeft u veel doorstaan, en wat is u slim en moedig geweest!"
"Komt eens hier, Cornelia en Alida," sprak De Ruyter. "Wat ik te
zeggen heb, is noodig gehoord te worden door alle drie!"
Alida en Cornelia kwamen nu ook nader bij.
"Luistert, kinderen," sprak De Ruyter. "Adriaen vroeg me daar zoo even,
wat ik beliefde. Mijn antwoord is, dat ik belief, dat niemand uwer
zonder oorlof van mij of van uwe Moeder in mijne kamer komt om daar in
mijne papieren te snuffelen. Gij, Adriaen, Cornelia en Alida weet nu
misschien al heel wat van uwen Vader, gij weet misschien dat hij dapper
en moedig gevochten, en zichzelven meermalen door list uit een gevaar
gered heeft. Welnu, ik kan u dat weten natuurlijk niet ontnemen. Doch,
let wel, ik versta niet, dat gij er ooit ofte immer met iemand over
spreekt. Dat ik nog ben, die ik ben, daartoe komt den Heere alle lof
en eere toe. Ik was in Zijne hand alle dagen mijns levens, en wat ik
hope is dit, dat mijn harte nooit tot hoogmoed neige en vergete Hem te
loven, te prijzen en te danken voor al het goeds, dat ik mijn Vaderland
en mijnen Meesters heb mogen doen. Hebt gij het gehoord, kinderen?"
Hier eindigde De Ruyter zijne toespraak, doch wetende, dat alle
menschen eenen trek naar het verbodene hebben, zoo zette hij zich een
uurtje later in zijne kamer neer en begon al zijne "Scheeps-journalen"
te vernietigen. [7]
Terwijl hij hiermede evenwel bezig was, kwam Aaltje, de meid, hem
storen met te zeggen: "Meneer, er zijn in de spreekkamer Heeren om
u te spreken!"
"Hebben ze niet gezegd wie ze zijn, Aaltje?" vroeg De Ruyter eenigszins
verstoord opziende.
"Jawel, Meneer, ik moest zeggen, dat ze Heeren Afgevaardigden waren
van de Staten van Zeeland!"
"Van de Staten van Zeeland?" zeide De Ruyter. "Ik kom!"
Hij begaf zich naar zijne huiskamer en liet de Heeren daar binnenkomen.
DERDE HOOFDSTUK.
IN DIENST VAN HET LAND.
"Goeden middag, Heeren!" sprak De Ruyter terwijl hij beleefd hen te
gemoet trad.
"Wij wenschen u en uwer huisvrouwe hetzelfde, Meneer De Ruyter!" was
het antwoord, en nadat ze eenen stoel genomen hadden begon een der
Heeren Afgevaardigden aldus:
"Het lichaam wel aanwal, maar de geest toch altijd op zee, Meneer
De Ruyter?"
"Hoe dat zoo?" vroeg De Ruyter?
"Wel, omdat ge tot uwe woonkamer juist die gekozen hebt, welke op
zee uitziet!"
"Nu ja, al hoop ik voor mijzelven niets meer van de zee, Heeren,
ik ben er daarom geen vijand van!"
"Dat zou ons ook spijten, Meneer De Ruyter, en ons geenen moed geven, u
het voorstel te doen, waarmede we vanwege de Edelmogende Heeren Staten
van Zeeland en Hoog Edelmogende Heeren Staten Generaal tot u komen!"
"En mag ik weten welk voorstel de Edelmogenden mij te doen hebben,
Heeren?"
"Natuurlijk, Meneer De Ruyter! Gij weet dat de Regeering ontevreden
is over den Luitenant-Admiraal Tromp!"
"Men hoort althans ontevreden woorden genoeg, Heeren!"
"En niet ten onrechte, Meneer De Ruyter!"
"Dat weet ik niet, Heeren!"
"Ued. gelieft te schertsen, en weet dat wel! Engeland is ons de baas
en dat is zijne schuld!"
"Ik zal mij niet vermeten de oordeelen en besluiten der Regeering
aan mijne meeningen te toetsen. Maar wat hadden de Heeren mij nu voor
te stellen?"
"Wij hebben in last u voor te stellen, het bevel van een eskader op
u te nemen!"
"Gij zult hiertoe eene vergeefsche poging gewaagd hebben, Heeren! Ik
heb besloten aanwal te blijven en hier de dagen, die de Heere mij
toegerekend heeft, in ruste te eindigen, zorgende voor vrouw en
kinderen!"
"De Edelmogenden begrepen dat Ued. na zooveel jaren zwervens en
zwalkens de ruste dierbaar moest zijn, Meneer De Ruyter; maar
zij rekenden er ook op, dat Ued. een liefhebber van het bedreigde
Vaderland is."
"Dat ben ik, en het doet mij tot in de ziel leed, dat het ons in
dezen oorlog zoo kwalijk gaat. Wij hadden hem niet moeten beginnen."
"Ued. heeft gelijk, en Tromp had zijn verstand moeten gebruiken en...."
"Ik noem geene namen, Heeren, en allerminst dien van den heldhaftigen
Marten Harpertsz. Tromp, eenen zeeman, die de roem van zijn land is."
"Hierover oordeelen wij anders, Meneer De Ruyter!"
"Dat doet mij leed, Heeren! Om Tromp te beoordeelen moet men als hij,
zooveel zout water gezien en het fluiten van zooveel kogels gehoord
hebben. Ik vereer Tromp hoog."
De Heeren keken niet heel vriendelijk en durfden den strijd over
Tromps geschiktheid of ongeschiktheid niet aanbinden met eenen man,
die de zee door en door kende. Een hunner zeide daarom kortaf:
"Ons gevoelen is heel anders, Meneer De Ruyter, en daarom komen wij
u vragen of ge het bevel van een eskader op u nemen wilt."
"Het gevoelen der Edelmogenden zal ik niet langer tegenspreken,
Heeren, doch ik heb nu eenmaal besloten aanwal te blijven, en dank
dus beleefdelijk voor de vereerende opdracht!"
"Maar waarom toch, Meneer De Ruyter? Het is slechts, als ge dat
begeert, voor éénen tocht! En zie eens aan, daar voor uw venster liggen
de koopvaarders afgetuigd, omdat ze niet in zee durven steken. Dagen
aan dagen worden de deuren der ledige pakhuizen te vergeefs geopend om
de schatten der terugkeerende koopvaardij-vloot te ontvangen. Maar men
zeilt niet uit en ontvangt niet! Waar moet dat heen, Meneer De Ruyter?"
"Vertrouwen, het volste vertrouwen hebben in den dapperen en
beleidvollen Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp, Heeren! Dáár
heen moet het; een andere weg is er niet, tenzij men nog hoop genoeg
heeft, dat de strijd rechtvaardig is en God ons helpen zal."
"Wij gelooven zelven dat Tromp zal moeten eindigen, wat hij ontijdig
begon, en wij zijn eveneens van de meening, dat de Luitenant-Admiraal
niet lang van zijne gedwongen rust genoegen zal hebben! Maar in dien
tusschentijd moet er toch één zijn, die althans voor Zeeland zijne
plaats vervangt."
"Neemt Witte Cornelisz. De With, Heeren, en gij hebt eenen man,
die telt voor eene heele vloot!"
"Die is reeds vanwege Holland aangesteld, en al ware dat zoo niet,
wij zouden dien man niet willen hebben. Ons zeevolk vloekt al genoeg,
en in ruwheid behoeft het niet meer aan te leeren, zoodat we eenen
vloeker en eenen ruwen gast, als De With, kunnen missen!"
"Dat de Heer De With vloekt en ruw is, dat is, eilaci, waar! Doch
waar is het ook, dat hij is de dapperste onder de dapperen, en
dat in zijn rauw zeemanshart eene liefde voor het Vaderland woont,
die alle beschrijving te boven gaat. En wat zijn beleid betreft,
ook dat heeft hij, als hij slechts gehoorzaamd wordt. Geeft Tromp of
geeft De With eene andere en betere vloot, vermeerdert en vergroot
hunne schepen, brengt meer eenheid in het bestuur en straft iederen
lafaard met den koorde, die niet weet te gehoorzamen, en op de vlucht
slaat, dan kunnen de Edelmogenden verzekerd zijn, dat de Engelschen
minder gelukkig zullen wezen; want er ontbreekt niet alleen veel,
heel veel aan onze schepen van oorlog, Heeren, maar nog veel meer
aan het bestuur over de vloot; er is geene éénheid en zonder hulp
der Regeering kan de Admiraal die niet aanbrengen."
"En als wij Ued. nu beloven zooveel en zoo gauw mogelijk uwe wenschen
te gemoet te komen, neemt ge dan ons voorstel aan?"
De Ruyter aarzelde een antwoord te geven en zag zijne vrouw
vragender-wijze van terzijde aan.
Dit zagen de Afgevaardigden en zeiden daarom: "Help ons, Mevrouw,
uwen man te overreden den Vaderlande zijne diensten te bewijzen. Hij
behoeft zich slechts voor éénen tocht te verbinden!"
"Overhaast mij niet, Heeren, met een besluit te nemen! Lang talmen
zal ik niet. Ik zal het Ued. zoo spoedig mogelijk laten weten!"
"Volgaarne verleenen wij u eenen korten tijd van beraad, Meneer
De Ruyter, doch we kunnen, eer we scheiden, niet nalaten, de hoop
uit te drukken, dat Ued. besluiten moge het geprangde Vaderland
die diensten te bewijzen, waartoe God de Heere Ued. met de noodige
krachten toegerust heeft."
De Afgevaardigden bogen, groetten beleefdelijk en vertrokken alweer
naar Middelburg.
En Michiel Adriaensz. De Ruyter, wat deed hij?
Hij nam het voorstel aan en trad indienst van het land als
Vice-Kommandeur.
De Edelmogenden van Zeeland hadden eene keuze gedaan, die hun nooit
berouwen zou, integendeel, er zouden dagen komen waarin men den
bescheiden en nederigen man, niet alleen in Zeeland, maar ook in
Holland, ja, in alle Gewesten der Unie, noemen zou: "Redder van
het Vaderland." Ja, heel de wereld zou van zijne voorbeeldelooze
dapperheid, van zijnen nimmer falenden moed, van zijn weergaloos beleid
en van zijne ongeveinsde nederigheid en godsvrucht gewagen. Zijn
Admiraals-schip "De zeven Provinciën" zou de schrik van den vijand,
de trots des Oceaans en de gloriedrager van Nederland worden.
Want Michiel Adriaensz. De Ruyter bleef van dat oogenblik af tot aan
zijnen heldendood, aan den dienst van het Vaderland verbonden. Eerst
het besluit der Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal der Vereenigde
Nederlanden, genomen den negenentwintigsten Juli van het jaar 1652,
zou De Ruyter een tweede leven doen beginnen en hem doen worden
de man, dien we zoo gaarne en altijd met zooveel trots noemen:
Luitenant-Admiraal-Generaal: Michiel Adriaensz. De Ruyter!
Den tienden Augustus was De Ruyter reeds op zijnen post en had hij in
last ontvangen, de koopvaardijvloot, die te Texel zou uitloopen door
het Kanaal in den Atlantischen oceaan te brengen. Gedurende den tijd,
dat hij daar te Calais op de koopvaarders lag te wachten, kreeg hij
bericht, dat er zich tusschen het eiland Wight en Portland eene vrij
sterke Engelsche oorlogsvloot ophield, en daarom drong hij er bij de
Staten van Zeeland op aan, dat men hem meer macht geven zou.
Van onze kennissen bevond zich aanboord van de "Neptunus" het
schip waarop De Ruyter zijne vlag liet waaien, de vijftienjarige
Adriaen. Zijn Vader had, na zijn aanhoudend aandringen, hem eindelijk
verlof gegeven eenen tocht mede te maken, hoezeer hij wel zag, dat
er uit zijnen oudsten zoon denkelijk wel geen zeeman groeien zou. De
knaap was verbazend zwak en bleek.
"Zouden de schepen waarom u gevraagd heeft, al gauw komen,
Vader?" vroeg Adriaen in den vroegen morgen van den eenentwintigsten
Augustus.
Vader en zoon stonden naast elkander en de Stuurman wiens oog op die
beiden viel, mompelde: "Een verschil tusschen die twee als van dag
en nacht. Die jongen zal wel niet veel grijze haren kammen. Jammer
genoeg; want hem bezielt dezelfde geest als zijnen Vader."
"Ik weet het niet, jongen! Ik vrees er voor," was het antwoord. "De
timmerwerven kunnen in de behoefte niet voorzien."
Als ware het om die woorden te logenstraffen vertoonden zich weldra
een vijftig schepen en in de vreugde zijns harten riep Adriaen:
"Daar komen ze, Vader!"
De Ruyter had evenwel spoedig gezien, dat het lang niet alle
schepen van oorlog waren, en spoedig wist hij dat de versterking,
die hem gebracht werd, slechts uit acht oorlogsvaartuigen bestond,
die vijftig koopvaarders geleidden. Zulk eene hulp kon De Ruyter
missen. Toch verliet hij Calais en zeilde hij het Kanaal binnen.
"Kijk, Vader," riep Adriaen vijf dagen later. "Daar liggen de
afgezonden schepen ons al te wachten."
"Zijt gij wel dwaas, jongen," sprak De Ruyter. "Zij daar zullen heel
wat anders doen dan ons helpen. Het zijn de Engelschen, en ik zou u
raden naar de kajuit te gaan, want zonder eenige kogels te wisselen,
komen wij er niet af."
"Naar binnen gaan, Vader, naar binnen? Waarom moet ik mij bergen? Ben
ik niet uw zoon?" riep Adriaen nu met gloeiende wangen en vonkelende
oogen, die akelig afstaken bij zijne magere en zwakke gelaatstrekken.
Michiel zag Adriaen aan en kon amper eenen traan, die hem in het oog
welde, tegenhouden.
"Nu, Vader waarom moet ik naar binnen gaan? Meent ge soms dat ik bang
zal zijn?"
"Neen, neen, lieve jongen! Maar gij zijt zoo zwak; ik vrees dat gij
u zult overspannen!" antwoordde De Ruyter.
"Zwak, Vader? Een paar maanden geleden werd ik moede, als ik Engel
even droeg, en dat werd ik nu toch op het laatst niet meer! Als ik
moede word, zal ik wel wat gaan rusten, Vader!"
"Nu, blijf dan, jongen!" klonk het zuchtend en de Vader, die dat zei,
kon niet nalaten treurige gedachten te hebben over zijnen oudsten
jongen.
"Ik tel vijfenveertig schepen van oorlog, Schipper," sprak De
Ruyter tot den Kapitein van de "Neptunus", terwijl deze hem voorbij
kwam. "Er zit eene taaie snede voor het mes, man! Wij zijn er slechts
drieëndertig sterk en nog bezwaard door zestig koopvaarders! Sein de
Kapiteins aanboord! Ze moeten terstond komen om raad te beleggen."
De Schipper voldeed aan het bevel en weldra kwamen de verschillende
Kapiteins van het eskader bij De Ruyter.
"Mannen," sprak hij, toen na een kort beraad tot den aanval besloten
was, "laat de overmacht aan de Engelschen en de roem aan ons zijn. Men
telle het getal zijner vijanden niet, maar sla er wakker op in. Ik
zelf zal den middeltocht aanvoeren, de achterhoede stel ik onder
bevel van Kapitein Verhaaf en de voorhoede onder bevel van Kapitein
Van den Broek. Doet allen uwen plicht en versaagt niet! En nu, Heeren,
tot na het gevecht! God behoede u en hen, die onder u staan!"
De Kapiteins begaven zich naar hunne schepen, stelden die in slagorde
en des namiddags te vier uren begon het gevecht. Adriaens bleeke
wangen hadden onder het bulderen der kanonnen, het knetteren der
musketten, het fluiten der kogels en het aanmoedigend geschreeuw van
het scheepsvolk eene hoogroode kleur gekregen. Met eigen hand schoot
hij een kanon af en toen hij zag hoe de kogel eene Engelsche vlag in
flarden sloeg, juichte hij met geestdrift: "Vivat! Hoezee! Weg met
de Koningsmoorders!"
Toen Michiel De Ruyter echter zag dat de geestdrift van Adriaen te
sterk was voor diens zwak gestel, zond hij hem naar beneden en zeide:
"Nu moet ge eerst eens een uurtje rusten, jongen! Kom dan weer boven!"
De Engelschen, die ook niet gewoon waren spoedig krimp te geven,
stelden zich dapper teweer en deden zelfs vele Kapiteins van onze
vloot verschrikt terugkeeren.
Ook het volk van "De Vogel Struis", een koopvaarder, die dienst als
oorlogsschip deed, wilde dat voorbeeld volgen, doch de Kapitein
van dien bodem, de Fries Douwe Aukes, nam eene brandende lont en
dreigde deze in het kruit te steken, als het volk nog eenmaal van
wijken dorst reppen. Dat hielp. Het volk wetende, dat Douwe Aukes een
man van zijn woord was, hervatte het gevecht en wel zoodanig, dat,
hadden alle schepen het voorbeeld van "De Vogel Struis" gevolgd, de
Engelsche vloot niet alleen geheel verslagen, maar zelfs vernield zou
zijn. Toch behield De Ruyter het slagveld en bracht de koopvaarders
behouden buiten. De Bevelhebber der Engelsche vloot, George Ayscue,
een man, die met leeuwenmoed gestreden had en wiens Kapiteins bijna
allen gekwetst waren, onderging het lot van Tromp en viel bij de
Regeering zijns lands in ongenade.
Geen wonder dat de Nederlanders, maar bovenal de Zeeuwen, met hunnen
nieuwen Vlootvoogd hoog ingenomen waren en hem niet alleen met veel
onderscheiding behandelden, maar hem nu reeds onder de beroemdste en
meest ervaren Vlootvoogden van het Gemeentebest telden.
Adriaen, die in alles bewezen had, hetzelfde heldenhart als zijn Vader
te bezitten, werd hierop spoedig benoemd tot Luitenant ter zee, doch
zijn zwak lichaam kon op den duur de vermoeienissen van het zeeleven en
den oorlog niet verdragen, zoodat hij vaak aan den wal moest blijven,
hoe gaarne hij ook zou medegegaan zijn. Langzamerhand werd hij zwakker
en de jongeling, die reeds zooveel beloofd had, stierf in April van
het jaar 1655, dus op achttienjarigen leeftijd te Amsterdam, waar
zijne Ouders zich, na de benoeming van Michiel tot Vice-Admiraal van
Holland, op het Nieuwe-Waalseiland metterwoon gevestigd hadden.
Doch keeren we tot ons verhaal terug.
De Ruyter was dus als overwinnaar en beroemd held te midden der
zijnen teruggekeerd. Zijne rust duurde echter maar kort. Reeds in
de volgende maand kreeg De Ruyter bevel, de huiswaarts keerende
koopvaarders in het oog te houden en te beschermen, doch zijne vloot
verkeerde in zulk eenen slechten toestand, dat hij er niet veel mee
uitvoeren kon. Toch wist hij zich met Witte Cornelisz. De With te
vereenigen en onder het opperbevel van dezen "dapperste der dapperen"
had er nog een zeeslag tegen de Engelschen onder Blake plaats, welke
zeker weer voor ons goed zou afgeloopen zijn, als niet veel van onze
Kapiteins lafhartig op de vlucht gegaan waren.
In het land teruggekomen klaagde De With de laaghartige Kapiteins aan,
en hoewel dezen gestraft werden, zag men toch in, dat men op den duur
telkens zou moeten straffen, daar het niet enkel lafhartigheid van de
lieden was, maar ook onwil om De With te gehoorzamen. Men haatte hem te
veel. Het gevolg daarvan was, dat men besloot, Marten Harpertsz. Tromp
opnieuw het opperbevel over de vloot aan te bieden, en hoewel deze
daartoe bereid was, kon hij toch niet nalaten te zeggen, dat hij
niet aarzelde, maar "dat het hem bekommerde, als hij, na alles wat
in zijn vermogen was ten dienste van het Vaderland gedaan te hebben,
zijne beste daden miskend zag, en dat zulks hem ijver en lust benam."
VIERDE HOOFDSTUK.
DE VICE-ADMIRAAL.
Hoewel De Ruyter aanvankelijk weer besloten had, den dienst vaarwel te
zeggen, bleef hij toch bij de vloot en toen Admiraal Tromp den eersten
December van 1652 uitliep om meer dan vierhonderd koopvaarders naar
zee te brengen, en hij zijne vloot, die uit negentig oorlogsschepen
bestond, in vier eskaders verdeelde, kreeg De Ruyter inplaats van Witte
Cornelisz. De With, die ziek geworden was, als Kommandeur het bevel
over het tweede eskader. Zijne vlag woei van het schip: "Het Lam."
Tien dagen later viel er tusschen deze vloot en de Engelschen onder
den beroemden Blake een zeegevecht bij de Cingels voor. De onzen hadden
alles in het nadeel, de Engelschen in het voordeel en toch noodzaakte
Tromp den vijand den Theems op te loopen. Had hij op dat oogenblik
goede loodsen aanboord gehad, dan zou een tocht naar Chattam eenige
jaren vroeger hebben plaats gehad.
De Engelschen noemden sedert dien tijd onzen Admiraal "den grooten
Tromp."
Bijna drie maanden later bevond onze vloot zich andermaal in het
Kanaal om de uitgaande koopvaardij-schepen te beschermen. Tromp bracht
ze tot het eiland Ré en vond daar eene koopvaardij-vloot van honderd
vijftig schepen, die door hem weer naar het Vaderland moesten gebracht
worden. Dit zou evenwel niet gebeuren zonder met de vijanden slaags
te geraken. Dit gevecht had den achtentwintigsten Februari 1653 plaats.
De Ruyter voerde bij dit gevecht de achterhoede der vloot aan en was
de eerste, die aan den slag was, en wel met een groot Engelsch schip
"The Prosperity." Nadat hij veel van het geschut van den vijand
geleden had, besloot hij het schip te enteren. Zijn onverschrokken
volk voldeed aan dat bevel en kwam weldra aanboord van den Engelschman,
die hen evenwel weer verdreef.
"Dat gaat niet, kinderen! Eens er in, altijd er in! Sa, lustig nog
eens gedaan!" zeide De Ruyter en andermaal werd zijn bevel gehoorzaamd
en met dat gevolg, dat het vijandelijk schip veroverd werd.
Nauwelijks hadden de Engelschen evenwel gezien, wat er gebeurd was,
of wel twintig van hunne schepen vielen De Ruyter aan. Deze stelde
zich, geholpen door den dapperen Jan Evertsen, ook een Vlissinger,
duchtig te weer, doch toen het gevecht op het hevigst was, gingen
weer eenige lafhartige Kapiteins op de vlucht.
"Daar gaan de schelmen, Michiel!" schreeuwde Jan Evertsen door den
scheepsroeper De Ruyter tegen.
"Ze gaan niet, goêmaat, ze vliegen," antwoordde De Ruyter. "Maar er
door heen moeten we, halen waar halen!"
En Michiel ging er doorheen, hoewel nog tijdig geholpen door zijnen
vriend Kapitein Aert van Nes en den Kommandeur Balk.
"Ha, jongens, dat is er door!" zeide hij toen hij het gevaar te boven
was, en hij wischte zich het zweet van het voorhoofd af. "Dat heeft
er gespannen zou ik zoo meenen."
"Ja," zeide de Kapitein, "maar zie eens hoe ons "Lam" er uit ziet! We
zullen ons uit het gevecht moeten verwijderen! We zijn reddeloos
geschoten!"
De Ruyters oogen flikkerden.
"Vooruit! Vooruit! Voor de vrijheid ter zee en de eere van het lieve
Vaderland!" riep Michiel in antwoord op de aanmerking des Kapiteins,
en zoo goed en zoo kwaad dat kon, snelde hij in het heetst van het
gevecht, brandde los, viel aan, trok even terug, viel opnieuw aan,
brandde weer los, sloeg dwars door zeven vijandelijke schepen heen,
noodzaakte den Engelschen Vice-Admiraal, Willem Penn, te vluchten,
en vond zich aan den avond van dien dag als overwinnaar, van den
vijand verlaten.
Maar hoe zag zijn schip er uit!
De masten gesplinterd en gekraakt, de zeilen aan flarden met honderden
kogelgaten, zijne voorsteng afgeschoten, alles op het dek vernield,
bijna niet instaat eenig zeil te voeren!
Dertig dooden, mannen, gevallen te midden van het gevecht, worden met
een "Onze Vader!" en een: "Een-twee-drie, in Godsnaam!" overboord in
de diepte van het Kanaal neergelaten.
Wel te rusten, mannen! Al worden uwe namen ook nimmer bekend, uwe
daden spreken voor u!
En daar tusschendeks liggen, bijna zonder eenige heelkundige hulp,
meer dan dertig gekwetsten.
Hoe zal dat wat worden, als morgen de vijand opnieuw en met versterking
verschijnt?
Daar wordt De Ruyter aanboord van Tromp geseind.
"Hier ben ik, Bestevaêr!" zegt De Ruyter, zoodra hij Tromp ziet.
"Dat zie ik, De Ruyter," antwoordde deze. "Dat zie ik, en de Hemel
gave, dat ik iedereen als u de heldenhand mochte drukken. Er zijn
weer vele bloôhartigen geweest, goede vriend, en gij en uw schip,
hebt wonderen van dapperheid verricht. Wees zoo goed uw volk uit
mijnen naam te danken. Morgen ochtend verwacht ik u bij mij met uw
schip. Het is een post van eere waaraan groot gevaar verbonden is."
"Ik zal komen, Admiraal!" is De Ruyters antwoord en den volgenden
morgen is de held waar hij zijn moet.
"Daar komen die Roôrokken waarlijk alweer op ons "Lam" aan," zeide
de Kapitein van De Ruyters schip, dat nu dicht bij dat van Tromp lag.
"Ze mogen komen! Het Lam zal ons maantje achter wolken van kruit
verbergen," antwoordde De Ruyter. [8]
En bij zeggen bleef het niet; De Ruyter deed het ook. Doch op het
midden van den dag was hij zoo reddeloos geschoten, dat hij, als een
vat zonder stuur, op de baren dobberde.
Reeds begon het volk den moed te verliezen toen De Ruyter uitriep:
"Sa, mannen, brandt nog maar dapper er op los, daar komt Bestevaêr
Tromp ons helpen!"
De Ruyter had gelukkig niet mis gezien. Tromp kwam en gelastte eenen
Kapitein Duims het schip van De Ruyter op sleeptouw te nemen.
En zoo bleef men vechten tot den avond. Zes malen hadden de Engelschen
beproefd Tromps slagorde te verbreken, zesmaal waren ze teruggeslagen,
doch, niet overwonnen en niet ontmoedigd. Den volgenden dag zou de
aanval vernieuwd worden.
De onzen wachtten dien aanval niet af, maar waren zelven de aanvallers.