ge? Nu ja, wel enkele; maar we zijn niet in de negentiende eeuw,
waarin de heele wereld wel bedekt kan worden met eenen stapel boeken,
en waarin men niet meer Scheepskapitein worden kan zonder een examen
gedaan te hebben. Er waren nog heel weinig boeken, en leeren, wel,
dat deed de zeeman op zee, nergens anders! Dat heeft Schipper De
Ruyter ook zoo gedaan. Het is dan ook niet zijne studeer-, maar zijne
rariteiten-kamer.
Wij treden binnen en vinden daar Adriaen, die eene groote verzameling
papier voor zich heeft, waaruit hij een en ander vertelt aan Cornelia
en Alida.
Als hij een blad omslaat kunnen we zoo terloops lezen, dat er boven
staat: "Journael ofte Daghboeck van Michiel Adriaensz. De Ruyter,
voerende de "Zeehond" ende kruysende teghens die Duinkercker caepers
in den jare onzes Heeren J. C. 1637.
Eer we luisteren wat die knaap daar aan zijne zusjes vertelt, nemen
we de kamer even op.
Oost en West, Zuid en Noord zijn hier bij elkander. Al wat hij als
Stuurman, of als Schipper in die verre landen vreemds vond, en dat
mede genomen kon worden, nam hij mede naar huis en gaf het hier
een plaatsje.
Geen wonder dat het er bont genoeg uitziet.
We vinden maar een stuk of wat boeken.
Een er van is de groote scheepsbijbel, in folio formaat, en daarnaast
ligt een kleiner. Het is die, welken hij van Dominé mede kreeg, toen
hij voor het eerst naar zee ging. Het boek is druk gelezen, en als
Schipper De Ruyter bij ons kwam en verzekerde, dat hij dat boek uit
zijn hoofd kan opzeggen, dan zou het ons niemendal verwonderen.
Verder vinden we gedichten van den Raadpensionaris Cats, die, hoewel
hij reeds vijfenzeventig jaar oud is, nog altijd voortgaat op zijne
buitenplaats Zorgvliet, even buiten Den Haag gelegen, gedichten
te maken, welke alom zeer geprezen, en buitendien ook veel gelezen
worden. En daar, op een vergeten plaatsje tusschen krissen, klewangs,
kokosnotenschillen en andere dingen, ligt nog een boekske, getiteld:
"Comoedia Vetus of Bootsmanspraetje." Als ik het wèl heb, zult ge
Schipper De Ruyter niet boos zien worden, als ge dit boekje steelt,
want de schrijver ervan, een zekere Willem Meerman, die leefde ten
tijde der twisten tusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten,
is het met geene van de twee partijen eens en geeft, al naarmate
ze het verdienen, nu eens de eene, dan de andere partij harde
waarheden te slikken. En hiermede moet men bij Schipper De Ruyter,
die een goed Contra-Remonstrant geworden is, niet aankomen. Hij houdt
niet van dergelijke hatelijkheden, het allerminst op de partij der
Contra-Remonstranten.
Nu we de kleine bibliotheek van den Schipper in ruste, benevens
de rariteiten opgenomen hebben, willen we eens gaan luisteren wat
Adriaen, die wel goed uitgegroeid is, doch er niet heel stevig en
gezond uitziet, aan zijne zusjes zooal vertelt.
"Toen ik verledene week hier naar een oud zeemansmes zocht, lichtte
ik dezen hoop papieren eens op om te zien, of er geen achter lag. Ik
vond er geen en het pak papier weer opnemende zag ik, dat er op het
bovenste blad stond: "Journael." Ik maakte het open, en begon te
lezen. Raadt eens wat?"
"Och kom, Adriaen, geef ons geene raadseltjes op," zeide Cornelia. "Zeg
het ons maar dadelijk."
"Nu, ge kunt toch wel eens éénen keer raden?"
"Dat kan ik ook wel; maar ik zou wel duizendmaal moeten raden en dan
zou ik het nog niet weten. Och toe, zeg het ons immers nu maar!"
"Wel, als ge dan niet éénen keer raden wilt, dan zal ik het u wel
zeggen. Het waren aanteekeningen van Vaders zeereizen, als Schipper,
Kapitein en Schout-bij-nacht!"
"Dat is prettig! En staat daarin alles, wat hij ons nooit heeft willen
vertellen?" vroeg Cornelia.
"Ja, alles! O, meid, gij kunt niet begrijpen hoeveel Vader zoo al
ondervonden heeft. Wil ik het eens vertellen?"
"Dat is goed; maar als Vader of Moeder komt, wat dan?"
"Vader zal niet hier komen, hij is naar het groote zeehoofd en hoewel
daar tegenwoordig weinig te zien is, zoo is Vader daar nog altijd
te vinden. Ik geloof, dat als Moeder hem niet aan den wal hield,
hij weer al lang het zeegat uit zou zijn. Vader zal dus niet komen
en Moeder heeft met Aaltje en de werkster de groote wasch, die zoo
pas thuis gekomen is, te beredderen, die zal dus ook niet komen. Het
is eene goede gelegenheid."
TWEEDE HOOFDSTUK.
HET VOORSPEL VAN EEN HELDEN-LEVEN.
Hoewel wij weten, dat Adriaen hier iets schijnt te doen, dat zijn
Vader niet graag heeft, vinden we toch ook de gelegenheid te schoon
om een en ander van Schipper De Ruyter, die nu al vijfenveertig jaar
oud geworden is, te weten te komen van al wat er met hem sinds den dood
zijner lieve Moeder zoo al gebeurd is. De Schipper zelf vertelt dat aan
niemand. Luisteren wij dus maar goed toe, wat Adriaen zoo al vertelt.
"Op zijn vierentwintigste jaar," zoo begint Adriaen te vertellen,
"was Vader al Stuurman op "de Groene Leeuw", die op Groenland voer,
doch hoewel Vader nu niet zoo heel erg bang uitgevallen is, zoo vond
hij de vaart tusschen het ijs toch niet naar zijnen zin en ging hij
voor de Heeren Lampsens weer op Oost en West varen, dat wil zeggen:
hij bleef uit het Noorden. Eens dat Vader nu met zijn schip van Ierland
kwam, zag hij uit de verte eenen Duinkerker kaper op hem afkomen.
"Schipper," zei de Stuurman, "dat is, als ik het wel heb, om ons
te doen."
"Dat is het ook, mijn jongen!" antwoordde Vader.
"Willen we probeeren hem te ontzeilen?"
"Onbegonnen werk, dat behoeft niet geprobeerd te worden, die
Duinkerkers winnen het toch! Ze hebben het voordeel van den wind en
zijn op snel zeilen gebouwd."
"Maar, Schipper, wat zal er dan van onze kostelijke lading boter
worden?"
Vader bedacht zich een oogenblik en zei: "Ik weet wat, jongen! We
zullen het heele dek met oude boter besmeren! Als die luî ons dan
enteren en aanboord springen, dan moeten ze vallen, en kunnen wij
hun op ons gemak een tikje geven om hen welkom te heeten!"
Dat werd gedaan, en niet alleen het dek, maar de verschansing en het
want, alles werd met boter besmeerd.
"Ja, maar, dat was toch zonde van die kostelijke boter," zeide Alida,
bij wie het zuinige huismoedertje boven kwam.
"Ja, zonde, zonde," hernam Adriaen, "maar het was toch beter drie
of vier vaatjes te vermorsen dan een paar honderd vaatjes kwijt te
wezen, omdat een kaper er mee aan den haal ging? Bovendien namen
ze de slechtste boter van de lading. Maar nu zonde, of geene zonde,
Vader liet de boter netjes uitsmeren en deed geene moeite om den kaper,
die al nader en nader kwam te ontzeilen. Het werd zoo glad op het dek,
dat de matrozen er niet op staan konden, en daarom trokken ze hunne
schoenen uit en liepen op hunne kousen. Zoodra de kaper nu zoo dichtbij
gekomen was, dat hij Vader ieder oogenblik enteren kon, zei Vader
tot het volk: "Jongens, neemt nu handspaken, sabels, stukken ketting,
bouten, zwabbers, luiwagens, en al wat ge maar vinden kunt, om er harde
klappen of porren mee te kunnen geven. Gaat achter de verschansing
staan, dat hij niet zien kan, wat ge in de handen hebt. Springt er
nu één over, dan zal die zeker vallen, en dien geeft ge dan zóó zijne
bekomst, dat hij zelfs geen, "dankje wel, maat," kan zeggen. Begrepen?"
"Ja, Schipper, opperbest," zeiden de matrozen en kwamen ieder met
eenig wapen aandragen.
De matrozen hadden de grootste pret van de wereld en stonden geduldig
te wachten tot er een kaper overspringen zou.
Het schip draaide bij.
"Springt over!" kommandeerde de Kaper-kapitein.
Wip, daar ging er een! Maar daar de schepen wel wat ver van elkander
lagen en de man misschien wel wat korte beenen had, zoo kwam hij met
zijnen neus tegen den buitenkant der verschansing terecht en plofte
in zee.
Wip, daar ging nummer twee!
Die maat bracht het tot op de verschansing, maar juist toen hij voelde,
dat hij wel beet mocht pakken, omdat hij anders achterover zou slaan,
gleed onze maat al uit en ging zijnen kameraad bij de bruinvisschen
gezelschap houden.
Wip, daar ging nummer drie!
Dat was nog eens een springer! Hij sprong bijkans over Vaders schip
aan den anderen kant in het water. Dat het dek zoo glad was had hij
niet gezien; hij wilde gaan staan, maar, plof, daar lag oom Kool
met de beenen in de lucht, en eer hij tijd had om op te staan, gaf
de Stuurman hem met eenen versleten zwabber zulk eenen draai om den
knikkerbol, dat de stumperd vergat, dat hij had willen opstaan en
bleef liggen. Een vierde kreeg van Vader eenen slag met zijne sabel
en een vijfde tuimelde weer van de verschansing in zee. Zoo sprongen
er twaalf man over en niet één nog was terecht gekomen.
"Dat zal ik eens beter doen," riep één van de kapers, die voor
zooveel als Onder-kapitein speelde, en, wip, daar was hij midden
op het dek. Plof, daar lag hij en, pats, daar kreeg hij een
hartversterkingetje met eene handspaak en toen was hij heelemaal
vergeten, wat hij toch eigenlijk met zijne beenen doen moest, zoodat
hij niemendal anders wist uit te voeren dan stilletjes te blijven
liggen waar hij lag.
Toen de Kapitein van het kaperschip zoo zijne matrozen zag verdwijnen
en niet meer voor den dag komen, dacht hij zeker, dat Vaders schip
betooverd was en ging aan den haal zoo hard hij kon.
Gij kunt begrijpen hoe ze hier te Vlissingen stonden te kijken,
toen Vader daar met zijn beboterd schip aankwam, maar zoodra de
menschen hoorden waarom dat gedaan en hoe goed het afgeloopen was,
kijk, toen scheen het volk wel dol geworden te zijn, en Vader werd
door iedereen toegejuicht en geprezen.
"Dat wil ik wel gelooven," zei Cornelia, "want het was meer geluk
dan wijsheid, dat er nog één vaatje boter terecht kwam. Zou hij geene
belooning ervoor gehad hebben?"
"Dat denk ik wel," antwoordde Adriaen. "Maar laat ik verder
vertellen. In dien tijd, het was in 1640, hadden de Portugeezen,
die door Alva voor Koning Filips bij Spanje waren gebracht, zich
van Spanje losgemaakt en eenen eigen Koning, Joao IV van Bragança,
gekozen. Nu waren de Spanjaarden daarmee niemendal gediend, en deden
al wat zij konden om de Portugeezen weer te onderwerpen. Maar de
nieuwe Koning was slim.
"Jongens," dacht hij, "die Nederlanders zijn altijd nog in oorlog
met Spanje, en daar die luiden er toch zooveel schepen op nahouden,
konden ze me wel eens even een handje helpen. Het is in alle gevallen
te vragen. Zeggen ze, neen, ik doe het niet, best, dan zijn we nog
even na. Hij vroeg ons om hulp, en Prins Frederik Hendrik en de
Heeren Staten waren hiertoe dadelijk bereid. Er zou eene vloot van
twintig schepen gezonden worden onder den Admiraal Aertus Gijsels en
den Vice-admiraal Jacob Pieters Tolk. Nu was het sedert 1614 gewoonte
geworden om bij eene vloot, die ten oorlog voer, eenen Kommandeur aan
te stellen, die in de achterhoede bleef en te zorgen had, dat geene
schepen van de vloot afdwaalden. Daar dit afdwalen meestal bij nacht
geschiedde, zoo begon men zulk eenen Kommandeur langzamerhand ook
wel Schout-bij-nacht te noemen, en toen nu Zijne Hoogheid Frederik
Hendrik onder de Kapiteins eenen geschikten Schout-bij-nacht zocht,
viel zijn oog op Vader, die deze benoeming gaarne aannam. Aldus voer
Vader als Hoofdofficier van de vloot uit [6]. Zijn schip heette "de
Haze". In het midden van Augustus 1641 kwam de vloot pas bijeen. Bij
kaap Sint-Vincent geraakte het tot een treffen, en hoewel onze vloot
veel zwakker was dan die van den vijand, en er nog al Kapiteins waren,
die lafhartig zich uit het gevecht verwijderden, waren we toch zoo
gelukkig, den vijand te noodzaken ons niet langer te bevechten. Het
werd tijd ook; want bijna al onze schepen waren erg gehavend en konden
amper de haven van Lissabon bereiken. De Koning was bijzonder in
zijnen schik, dat wij hem zoo ferm geholpen hadden, en gaf daarom aan
ieder van de Kapiteins eenen gouden ketting met gedenkpenning. Jammer
genoeg maakte de goede man geen onderscheid tusschen lafaards en
helden, zoodat Vader, wiens schip bijna stuk geschoten was, maar
evenveel kreeg als zij, die eigenlijk uit de verte gekeken hadden,
of een zeegevecht ook een mooi gezicht was.
In December kwam Vader met roem en eere beladen te Vlissingen aan,
en begon weer maar dadelijk als Koopvaardijkapitein te varen.
Op eene van zijne reizen naar de West, kreeg hij een groot Spaansch
oorlogsvaartuig in het gezicht. Het was duidelijk dat het jacht op
hem maakte. Ontvluchten kon Vader niet, en daar hij eene rijke lading
inhad, wilde hij die ook niet gaarne zoo maar overgeven. Gelukkig was
zijn schip goed bewapend, zoodat hij besloot, den vijand, die veel
grooter was dan wij waren, te woord te staan. Zoodra de Spanjaard
zag, dat Vader zich maar niet zonder slag of stoot overgaf, begon
hij te schieten; maar daar zijne kanonnen veel hooger stonden dan
de verschansing van Vaders schip, zoo deden de kogels hem volstrekt
geen kwaad. Maar kon de vijand misschieten, Vader schoot raak, en wel
zóó goed, dat het groote Spaansche schip begon te zinken. Nu haalde
Vader met de booten zoovele vijanden af, als hij kon, en bracht die
aan zijn eigen boord.
Onder die gevangen vijanden behoorde ook de Spaansche Kapitein.
"Zeg eens, vriendje," vroeg Vader aan dien Kapitein, "als wij het
nu eens verloren hadden en ons schip was gezonken, wat zoudt gij dan
gedaan hebben?"
"Ik zou u hebben laten verdrinken zonder eene hand tot redding uit
te steken!" antwoordde de Spanjaard.
"Wel, dat was een brutale kerel," zeide Cornelia.
"Maar Vader liet hem nu toch zeker ook eens verdrinken, nietwaar,
Adriaen?" vroeg Alida.
"Neen, weet ge wat Vader deed? Hij stelde zich zeer boos aan en
gaf zijnen manschappen bevel die Spanjaarden eens gauw overboord
te smijten."
"Vergeving! Vergeving!" riepen ze nu en vielen, met den Kapitein
voorop, aan Vaders knieën. "Vergeving, Señor!"
"Welnu," sprak Vader, "ik zal geen kwaad met kwaad vergelden! Zoodra
we land zien, zullen wij u allen aanwal brengen!"
Dat deed Vader ook; en zoo kwamen die Spanjaarden, die gedacht hadden
een aardig prijsje te behalen, al heel slecht weg, maar altijd toch
nog beter dan ze verdiend hadden.
Een poosje later ging Vader naar Salee, dat in het Moorenland ligt,
en de bewoners van dat land zijn echte Mohammedaansche schelmen
en gauwdieven. Ze stelen als de raven en zijn zoo valsch als eene
kat. Gebeurt het, dat daar op de kust een vaartuig schipbreuk lijdt,
dan stelen ze het wrak ledig en al wat er aanspoelt is: kip, ik
heb-je. De schipbreukelingen helpen, wel ja, dat kunt ge zoo aan
uw hart voelen. Neen, mensch, ze halen er nog een voordeeltje van,
door ze naar het binnenland te zenden en daar als slaven te verkoopen."
"Hé", riep Alida, "en ging Vader naar zulk een land? Hoe durfde hij
dat doen?"
"Wel," vervolgde Adriaen, "ge weet niet, meid, wat Vader niet al
durft. Hij durft alles, maar is er toch voorzichtig bij ook. Hij
kwam dan met zijn schip, dat bovenst goed bewapend en bemand was,
in het gezicht van Salee."
"Jongens," dachten vijf Algerijnsche kapers, die daar op den loer lagen
om schepen te vangen, "jongens, als we dien Hollandschen dikzak eens te
pakken konden krijgen, dat zou een aardig voordeeltje geven! Vooruit,
mannen, dat schip is gemakkelijk genomen!"
En daar kwamen ze op Vader af.
"Met vijf op één jacht maken, vriendjes, is wat al te erg!" dacht
Vader en ging hierop naar den Stuurman.
"Zeg eens, Stuur," zeî Vader, "dat zijn daar vijf Algerijnsche
roofschepen, ziet gij het wel?"
"Ja, Schipper," was het antwoord. "Maar ik zie ook dat het vijf
geroofde schepen zijn. Er is een logge Spanjaard bij, een groote
Napolitaan, een scherp gebouwde Franschman en twee zijn er, die ik
niet thuis weet te brengen!"
"Dat heb ik ook gezien," zei Vader, "en weet ge wat we nu doen
zullen? We kunnen er best twee, ja, zelfs wel drie staan; maar
vijf is te veel. We moesten nu doen, alsof we aan den haal gaan, en
dan vannacht in het donker terugkomen. We maken ons dan eens ferm
slagvaardig, en zoodra de zon opkomt, vallen wij hen onverwachts
een voor een aan, want er is dan geene sprake van dat ze nog dicht
bij mekaêr zullen liggen. Ik wed dat wij dan die gemeene roovers een
lesje zullen geven, dat ze hun leven lang zullen onthouden. Vooruit,
doen alsof we vluchten!"
Alles gebeurde zooals Vader dat bevolen had, en eer nog die Algerijnen
den anderen morgen de slapers uit hunne oogen gewreven hadden, gaf
Vader hunnen Admiraal van bakboord de volle laag, en die ging hard
aan den haal. Nu stormde Vader op den Vice-admiraal los en gaf hem
de laag van stuurboord. De stukken werden zoo gauw mogelijk opnieuw
geladen en bom! bom! bom! naar alle kanten schietende, sloeg hij nog
twee andere kapers op de vlucht en zeilde toen met vlag en wimpel de
haven van Salee binnen.
De Mooren, die van het schieten wakker waren geworden en naar de
haven gesneld waren, hadden alles gezien! Daar ging me wat een
gejuich op! Zulk eenen held hadden ze nog nooit ontmoet. Eer Vader
er op bedacht was, hadden ze hem, toen hij aanwal stapte op een paard
gezet, en brachten hem zoo, al juichende en schreeuwende van pleizier,
in de stad. Van toen af was Vaders kostje daar gekocht. Toen al die
eerbewijzen zoo wat afgeloopen waren, keerde hij aanboord terug om
zijne waren uit te pakken, en pas had hij dat gedaan of het Opperhoofd
van Salee kwam met groot gevolg op zijn schip om te zien, wat er zoo
al te koop was. Zijn oog viel dadelijk op een mooi stuk laken en het
Opperhoofd vroeg hoeveel dat kosten moest.
Vader noemde den prijs, doch die was naar den zin van den man veel
te hoog, zoodat hij braaf begon af te dingen.
"Neen, Meneer," zei Vader en schudde het hoofd, "u krijgt het geenen
duit minder!"
"Nu, ik betaal niet meer dan ik geboden heb, en voor dat geld moet
ge het mij geven!" sprak de man op hoogen toon.
"Ik mag het niet minder geven, Meneer!" antwoordde Vader. "De reeders
van het schip hebben er den prijs van bepaald, en nu mag ik niet
onder de markt verkoopen!"
"Gij zult en moet het mij voor den prijs, dien ik u bied, afstaan,"
sprak de Moor.
"En ik geef het er u niet voor, Meneer," zei Vader heel kalm. "Ik
geef het u liever ten geschenke."
"Koppige christenhond," riep nu de Moor, "weet gij dan niet, dat
ik uw heele schip met lading en al nemen, en het volk als slaven
verkoopen kan, als gij mij blijft weigeren dat laken voor den prijs,
dien ik u bied, af te staan? Morgen ochtend kom ik terug en dan zult
gij het mij geven, of ik doe waarmede ik nu bedreigd heb!"
Het Opperhoofd vertrok, en af en toe kwamen er Mooren bij Vader
aanboord om hem toch te bepraten, het laken voor den bedongen prijs
af te staan; want hoeveel ze ook met hem op hadden, toch zouden zij
hem morgen moeten straffen, als hij niet wilde toegeven.
"Ik geef niet toe," sprak Vader, "en straft de Sheyk me, welnu, dan
zal meteen de heele wereld weten dat een vredelievend handelaar hier
met zijn volk door eenen dwingeland als slaaf verkocht wordt. Zeg
dat uwen Meester!"
Maar ook het scheepsvolk, bevreesd voor de bedreiging van den wreeden
Sheyk, zocht Vader over te halen, het laken toch maar voor den bedongen
prijs te geven.
"Neen," antwoordde Vader, "hij moet weten dat hij met eenen man te
doen heeft."
Den volgenden morgen kwam de Sheyk weer aanboord en na op barschen
toon gevraagd te hebben, of men hem nu het laken voor het geboden
geld wilde geven, klonk Vaders antwoord: "Neen, Meneer! Gij krijgt
het voor het bedongen geld niet! Gij betaalt mij, wat ik u gevraagd
heb, of ge neemt het van mij ten geschenke aan, maar onder de markt
verkoopen, dat doe ik niet!"
Toen Vader dat gezegd had, stonden het scheepsvolk en de Mooren van
angst te beven. Wat zou er gebeuren?
De Sheyk naderde nu vriendelijk lachend Vader, legde hem de hand op den
schouder en zei: "Hollander, gij hebt moed, en ge zijt eerlijk, ja, gij
blijft uwen Meesters getrouw ook dan, als gij er verre van verwijderd
zijt. Geef hier het laken! Ik betaal gaarne, wat gij gevraagd hebt,
en wil met geen ander Christen dan met u handel drijven." Hij drukte
Vader de hand en zich hierop tot zijn gevolg keerende, sprak hij:
"En gij allen, neemt een voorbeeld aan dezen christenhond en weest
op uwe beurt mij ook zoo trouw!"
Het gevolg hiervan was, dat er niet één Schipper zoo voordeelig
op Salee handelde als Vader. Zij lieten hem zelfs ongehinderd het
binnenland intrekken om daar handel te drijven en christen-slaven
vrij te koopen. Ja, eens had Vader schipbreuk op de Marokkaansche
kust geleden, en al wat er kwam aandrijven werd tot het laatste stuk
bezorgd en zelfs hielpen ze hem aan een wrak van een schip om dat op
te knappen, en er mee naar Nederland terug te keeren.
Eens toen Vader alweer eene zeer voordeelige reis op Salee gedaan had,
viel hij onderweg in handen van eenen Franschen kaper, De Lalande
geheeten. Daar wij in dien tijd, evenmin als nu, oorlog met Frankrijk
hadden, trachtte Vader, door te praten als Brugman, den Kaper-kapitein
te bewegen hem en zijn schip vrij te laten. De Lalande echter was doof
aan dat oor en hij wilde van geene teruggave weten. Hij behandelde
Vader evenwel goed en bood hem zelfs een glas wijn aan.
"Ik dank u," zei Vader beleefd.
"Wat!?" riep De Lalande, "drinkt ge geenen wijn? Gij kunt er verzekerd
van zijn, dat hij oud en goed is."
"Goed of niet goed, oud of jong, dat doet er niet toe," sprak
Vader. "Geef mij wat ge eenen gevangene geeft, geef mij water! Slechts
vrijen menschen schenkt men wijn!"
De Lalande vulde eenen roemer boordevol, bracht hem bij Vader en zeî:
"Drink wijn, Meneer De Ruyter! Gij zijt vrij!"
"Ik wist wel dat gij een eerlijk vijand waart, Monsieur De Lalande,"
sprak Vader. "Mocht ik eenmaal in de gelegenheid zijn u eenen dienst
te kunnen bewijzen, dan zult gij zien dat een Nederlander erkentelijk
kan zijn."
Zoo kwam Vader gelukkig vrij, maar het was hier ook bijna geweest van
den wal in de sloot. Vader sloot zich bij eene groote, terugkeerende
koopvaardij-vloot aan, doch toen ze tegen den avond in de nabijheid van
het Nauw van Calais kwamen, kregen ze bericht dat de Duinkerker kapers
in groot aantal op den loer lagen. Dat bracht niet weinig schrik en
ontsteltenis onder de schepelingen der koopvaardijvloot. Zij wisten het
maar al te zeer, dat er met die Duinkerkers niet te gekken viel. Maar
wat nu te doen? Verreweg de meeste Kapiteins besloten alle zeilen bij
te zetten en alle lichten uit te dooven, om zoo in de duisternis van
den nacht te ontsnappen. Maar de Duinkerkers schenen kattenoogen te
hebben en velen liepen in de fuik. Maar wat denkt ge, dat Vader gedaan
had om de kapers mis te loopen? Inplaats van alle zeilen bij te zetten,
voer hij onder klein zeil bedaard door, en instede van alle lichten
te dooven, zette hij vuurpannen uit, zooals enkel de Vice-admiraals
doen. Nu dachten de kapers: "afblijven van "den dien" dat is er een met
tanden en horens, die kan bijten en stooten. Dat is een oorlogsschip!"
"Hadden ze geweten hoe zwak Vader stond, hij zou niet zoo ongehinderd
schip en lading in de Wielingen gekregen hebben, dat is zeker."
Op dit oogenblik kwam de kleine Engel eens kijken waar Adriaen en
zijne zusjes waren.
"Hij komt ook luisteren," zei Cornelia.
"Wel, vent, zijt ge al uitgeslapen?" vroeg Alida. "Zijt ge wakker,
ja? Goed onthouden wat Adriaen leest en vertelt, hoor!"
Ze zeide dat eigenlijk spottend en dacht er niet aan, dat kleine
potjes ook ooren hebben.
"Vader is er dan toch wel altijd gelukkig afgekomen," zeide nu
Cornelia.
"Ja, en eens is hij zelfs als door een wonder bewaard gebleven. Hij
kwam goed geladen uit de West-Indiën terug en ontmoette onderweg
een Engelsch oorlogsschip. We waren toen wel al jaloersch op mekaêr,
maar we heetten toch nog altijd goede vrienden te zijn, en als wij
op zee den Engelschman het eerst groetten, dan was dat alleen eene
beleefdheid. Vader gaf dus bevel dat Engelsche schip met eenige losse
kanonschoten te groeten of salueeren, zooals ze dat noemen. Maar wat
gebeurt? Pas had hij een paar schoten gedaan of een kanon sprong. Eén
man werd dadelijk gedood, een ander werden de beenen afgeslagen en
nog vijf of zes anderen zwaar gekwetst. En Vader, die er dichter
bij gestaan had dan die vijf of zes, bleef ongedeerd. Was dat niet
wondervol behouden?
"Van storm, onweder, orkanen en tempeesten weet Vader ook mee te
praten; want het is gebeurd, dat hij eens van de zes- of achtentwintig
en nog eens van de zeventien schepen waarmede men uitgezeild was,
moederziel alleen in het Vaderland aankwam, en Oom Dirk heeft hij in
eenen storm voor zijne oogen zien verdrinken!"
"Nu maar, ik ben blij, hoor, dat Vader niet meer varen gaat," zeide
Alida. "Het is om voor heel zijn leven bang voor de zee te worden."
"Ja," sprak Cornelia, "en wie weet wat hij nog meer beleefd en gedaan
heeft! Ge hebt zeker nog veel meer gelezen, Adriaen?"