vischboer hem een paar haringen en eene groote gedroogde schol ten
geschenke gegeven had, reed hij heen.
De vischhandelaar was een vriendelijk man en wilde de jongens gaarne
des nachts houden; maar toen zijne vrouw hen zag, wilde ze zulke
vuile landloopers niet over haren dorpel hebben, en ze wist het
zoover te krijgen, dat haar man er eindelijk in toestemde, hen in
eene achterbuurt, bij eenen slaapsteêhouder, te krijgen.
"En nu zullen we morgen toch voor al het geld, dat we hebben, eens
schoenen en wat betere kleederen koopen," sprak Michiel, en legde
het geld in eenen doek geknoopt onder zijn vuil en versleten matras.
Geleyn en Jan vonden dat goed en sliepen weldra in.
Maar een kerel, die daar in hunne buurt lag, een echt gemeene,
Parijsche bedelaar, had gezien en ook gehoord wat Michiel daar onder
zijn matras stopte, en toen de heele bende sliep,--ze lagen misschien
wel met hun twintigen in die zaal, sloop hij naar Michiels matras, stak
de hand er onder, grinnikte van blijdschap, haalde de hand weer terug,
ging naar zijn eigen matras, sliep daar tot de schemering aanbrak,
en maakte zich van den schat der arme jongens meester.
Met welk een vroolijk gevoel werden ze den volgenden morgen wakker!
Ze hadden lang, heel lang geslapen. Er was niemand van de logeergasten
meer te zien.
"Komt, Jan en Geleyn, ons nu gauw aangekleed en gewasschen, en dan naar
den vischboer, die zal ons wel zeggen waar ergens eene uitdragerij is!"
Vroolijk kleedden de knapen zich aan, hadden onder het wasschen veel
pret en waren eindelijk klaar.
"En nu nog het beste van alles," riep Michiel, de matras oplichtend,
maar op eenmaal viel hij er languit op neer en schreeuwde: "Ons geld
is gestolen! Ons geld is weg!"
"Hebt gij het niet al in den zak gestoken?" vroeg Geleyn, die niet
minder schrikte.
"Neen," zei Michiel.
Nu had Jan een groot gebrek en dat was om, als hij erg bedroefd was,
te gaan lachen. Michiel en Geleyn dachten daaraan niet, en toen Jan
zoo lachte, riepen ze beiden te gelijk: "Leelijke sausneger, is ons
dat laten schrikken! Komaan, geef op den doek!"
Maar toen kwam het uit, dat Jan niet lachte van pret, maar van schrik
en verdriet.
"Ikke niet heb! Ikke niet heb! Jij voel maar overal in het zak. Wee,
wee, die geld weg, heelemaal weg! Ikke gestolen niet heb! Wij maar
verdrink moet alle drie!"
Eindelijk kwam op het rumoer de slaapsteêhouder toeschieten, doch
daar hij geen woord van hen verstond en de vischboer het slaapgeld
al betaald had, zoo joeg hij hen alle drie de deur uit.
De vischboer was gauw gevonden, doch deze was niet thuis, en zijne
vrouw wilde niemendal met drie zulke vieze, verscheurde en magere
landloopers te doen hebben. Zij schold hen letterlijk de straat uit.
Opnieuw nam de bedeltocht nu weer eenen aanvang, doch er was ruzie
onder de drie ontstaan. Geleyn verweet Michiel, dat die, met overall
haantje de voorste te spelen, oorzaak was van het stelen van het geld,
en Michiel, die dat niet verdragen kon, liet nu Geleyn maar voor alles
zorgen, en het gevolg hiervan was, dat ze meer slagen, stompen en
scheldwoorden dan eten, drinken en onderkomen vonden, zoodat Geleyn
eindelijk inzag, dat hij verkeerd gedaan had met Michiel verwijten
te doen, vergiffenis vroeg en het bestuur over den tocht opnieuw aan
Michiel overliet.
Gelukkig kwamen ze nu aan de Vlaamsche grenzen en konden ze zich
doen verstaan. De menschen betoonden hier en daar hun medelijden,
en zoo kwamen eindelijk onze drie zwervelingen, na eenen tocht van
bijna vijf maanden te Breskens aan, waar ze zich bij gelegenheid door
eenen garnalen-schipper, die Geleyn kende, lieten overzetten.
Deze jongens waren voorloopig de eenigen, die van de "Lijnbaan" in
Vlissingen kwamen, en de Heeren Lampsens zagen verwonderd op, dat er
eindelijk toch nog drie waren, die konden vertellen hoe ellendig het
met hun schip en met al de opvarenden afgeloopen was.
"Dat is een tochtje van belang geweest, jongens! Ge zijt juist op
den kop acht maanden afwezig gebleven. Wij dachten allen, dat de
"Lijnbaan" met man en muis vergaan was. Uwe familie is al in den rouw,
en uwe Moeder, Michiel, is er niet te best aan toe. Ik zou u althans
aanraden, niet dadelijk naar huis te gaan. Ik zal uwen Vader laten
komen! En hier, hier is uw loon, jongens, zoo goed en zooveel, hoor,
alsof ge acht maanden voor ons op reis waart geweest. En dit hebt ge
nog op den koop toe!"
Heer Cornelis betaalde ieder uit, en gaf nog, als eene kleine
vergoeding voor alles, wat ze op den langen zwerftocht doorstaan
hadden, ieder vier Zeeuwsche rijksdaalders.
Maar het gerucht van de terugkomst van drie jongens van de "Lijnbaan"
liep spoedig door heel de stad, en bereikte ook het kleine huisje
van Adriaen.
Moeder Alida zat met eenen opgeslagen Bijbel voor zich aan tafel,
toen Alida binnenstormde en uitriep: "Moeder, Moeder, onze Michiel
is terug!"
Alida Jans keek op.
Och, och, wat zag die vrouw er uit! Wat waren die oogen groot, en diep
in het hoofd gezonken! Wat waren die wangen mager! Wat kon men zien,
dat ze bitter en bitter moest geleden hebben!
"Kind," riep ze, terwijl ze zich aan de tafel vasthield om niet
achterover te vallen, "kind, kind, het kan niet waar zijn! Zes
maanden geleden heb ik hem immers uit zijn bed hooren stappen,
duidelijk, Alida, duidelijk; want ik lag helder wakker en dacht aan
mijnen jongen. En na dien tijd, hebben we immers niets meer van hem
gehoord? Neen, Alida, Michiel zie ik hier op aarde niet meer. Strakjes
boven, boven! Wie uit zijn bed stapt, als hij niet thuis is, komt op
aarde niet meer terug. Hij is dood." [5]
"Maar, Moeder, het is toch stellig waar, dat Michiel, Geleyn Evertsen
en Jan Kompanjie in de stad zijn. Wacht, daar komt Dirk aanloopen!"
"Moeder, Moeder, Michiel is terug!" riep Dirk, toen hij nog niet eens
in huis was.
"Dan toch waar, toch waar? Heere, mijn God, hoe zal ik U loven en
danken? U danken, dat ik mijnen jongen nog zal kunnen zien, eer mijn
aardsche huis afgebroken wordt!" stamelde Moeder Alida.
Daar kwam de Heer Lampsens aan. Hij wilde de goede vrouw voorbereiden
op het heugelijke bericht, doch zoodra ze hem zag, riep ze: "Sinjeur,
Sinjeur, is het waar, is het waar, dat mijn jongen thuis is?"
Eenigszins verrast door die vraag, gaf de Heer Lampsens niet dadelijk
antwoord, doch toen de goede vrouw bewijzen gaf, dat zij meende,
dat hare kinderen haar om den tuin geleid hadden, zei hij: "Ja,
goede ziel, Michiel, is thuis! Ik zal hem roepen; hij staat...."
"Moedertje, lief Moedertje, goed Moedertje, best Moedertje!" schreeuwde
Michiel, en vloog door de geopende deur zijne arme Moeder om den hals.
Hij zag niet dat ze zoo bleek en zoo mager was. Hij zag alleen, die
groote, blauwe oogen! Hij voelde alleen die hartelijke omhelzing en
die brandende kussen, en geene andere woorden had hij dan: "Goed,
lief, best Moedertje! Mijn, mijn eigen Moedertje! Hier ben ik! Hier!"
Het werd den braven Cornelis Lampsens te eng in dat woonvertrek van
die eenvoudige menschen. Hij liep naar buiten en zoo snel hij kon
naar zijn kantoor, waar hij voorover op zijnen lessenaar viel.
"Wat scheelt er aan, Cornelis?" vroeg zijn broeder Adriaen, die niet
zoo gauw de kluts kwijt was.
"Zoo iets wil ik nooit meer zien, neen, nooit meer! Het was
hartverscheurend!" antwoordde Cornelis en deed zijnen broeder verslag
van de ontmoeting tusschen Moeder Alida en haren Michiel.
Vier weken later was Michiel aanboord van de "Vlissingen". Hij ging
naar de Oost-Indiën, en liet daar zijnen vriend Jan Kompanjie, die
op een ander schip overging, achter.
Zijne terugreis was nu zeer voorspoedig.
Anderhalf jaar later kwam hij als Stuurman terug daar de derde Stuurman
weggeloopen was.
Michiel vond Vlissingen niets veranderd, niets!
Maar Moeder Alida's stoel stond ledig.
De tering had de arme vrouw weggerukt.
En des avonds vond men op een der graven, buiten de kerk, een jonkman
geknield, bitter schreiende en fluisterende: "Wel te rusten, lieve,
goede, trouwe Moeder! Wel te rusten! Tot hier namaals!"
Terwijl hij daar op de groeve lag kwam Maria Velders een rozenpotje
op het graf van hare oude vriendin brengen.
Zij gingen samen naar huis die twee en--werden later een paar.
TWEEDE AFDEELING.
MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS MAN.
EERSTE HOOFDSTUK.
BIJ DEN MAN IN HUIS.
We slaan nu maar ineens een groot aantal jaren over en doen, alsof
het zoo maar ongemerkt Hooimaand van het jaar 1652 geworden is.
Wij willen ons verbeelden te Vlissingen te zijn, te Vlissingen de
geboorteplaats van zoovele Nederlandsche zeehelden, die Gewest en
Vaderland zoo eerlijk en roemvol dienden.
Sinds we hier het laatst waren is er nog al wat veranderd. Hier werd
afgebroken, daar bijgebouwd. Vlissingen is sedert dien tijd grooter
en bedrijviger geworden. Het is wel op verre na geen Middelburg,
noch in schoonheid en regelmatigheid van aanleg, noch in rijkdom,
maar toch wordt hier ook veel handel gedreven op Oost en West, en
de meeste varensgezellen, die de koopvaarders der Middelburgsche
reeders bemannen, wonen hier. Enkele Heeren, zooals Lampsens, vinden
het zelfs verkieslijker hier dan in Middelburg te wonen. Hier vindt
men ruime havens, die met kleine kosten op behoorlijke diepte kunnen
gehouden worden, en hoewel de Middelburgsche haven, die bij het
fort Rammekens in de Schelde loopt, Zeelands hoofdstad met de zee
verbindt, ondervinden de zwaar geladen schepen telkens, dat die haven,
niettegenstaande de groote kosten, die er jaarlijks aan besteed worden,
toch op den duur te veel verzandt en te weinig diepte heeft.
Maar of men nu te Middelburg of te Vlissingen is, men vindt in
geene van die twee plaatsen die woelige bedrijvigheid, die zoozeer
het kenmerk is van handelssteden. Integendeel, de havens bevatten
wel schepen, doch deze liggen, half afgetuigd aan den wal gemeerd,
zoo rustig en stil, alsof ze wachten op iets, dat lang wegblijft en
denkelijk vooreerst nog niet komen zal. Geen vroolijk zeemansliedje
klinkt er aanboord, want er is geen volk op. De tamelijk breede en
diepe kaden, waar men een paar jaren geleden de voeten niet zetten
kon zonder gevaar te loopen tegen balen, kisten, pakken, zakken,
manden, kabels, kettingen en duizenden dingen meer, te stooten, liggen
nu geheel en al ledig. In de koopmanskantoren zitten boekhouders
en klerken op hun stoeltje met den rug naar den lessenaar op hunne
pennen te bijten.
Alleen op de scheepstimmerwerven heerscht drukte. Men bouwt daar
evenwel geene koopvaardij-schepen, maar oorlogsbodems en overal,
waar men komt, hoort men van niets anders dan van zeegevechten, die
door de onzen gevoerd worden, spreken. Die gesprekken houdt men met
ernstig gelaat, en nergens wordt gejuich vernomen. Hieruit valt op
te maken, dat het ons niet voor den wind gaat, en dat we den oorlog
met nadeel en schade voeren.
"Als schade maar niet met één lettertje meer ook schande wordt,"
mompelt er een, en nauwelijks heeft hij dat gezegd, of van alle kanten
hoort men op den Luitenant-Admiraal Marten Harpertsz. Tromp smalen.
"Hij moet van zijn ambt ontzet worden!" roept er een.
"Ra-vallen was stellig nog wel zoo goed!" schreeuwt een ander.
"Wat heeft die kerel den oorlog te beginnen, als hij geen beleid en
dapperheid genoeg heeft dien te voeren?" laat een ander zich hooren.
"Onze eigen schuld," zegt een vierde, "waarom benoemen de Staten van
Zeeland niet eenen eigen Bevelhebber der vloot? Hebben wij bij de
zee niet evenveel belang als de Hollanders?"
"Houd den mond, maat! Het ras der Vlissingsche Watergeuzen is
uitgestorven. In heel Zeeland vindt men niets anders dan luie
baliekluivers en onwijze landrotten, die van de zeevaart niets weten
en geenen knip voor den neus waard zijn," klinkt de stem van eenen
matroos op schamperen toon, en als hij ziet, dat hij onder het volk
een aandachtig gehoor vindt, vervolgt hij met nog veel meer bitters in
zijne stem: "Holland alleen is knap voor zes, zoo meent het althans,
en ringeloort daarom de zes andere gewesten zoo hard als het maar
kan. Maar ik zeg, en wie spreekt het tegen: de Hollanders zijn
koekbakkers en dukaten-tellers, die op éénen duit dood blijven."
Een algemeen gelach beantwoordt deze laatste woorden, doch één uit
den hoop vindt dat toch te kras en zegt: "Hei, hei, dat is al te
boud gesproken, kompeer! Ik geef toe, dat wij, Zeeuwen, heel weinig
in de melk te brokken hebben, maar welk gewest zit niet onder de
Hollandsche plak? Waar kraait de Hollandsche haan niet koning? Zoo was
het lang geleden, zoo is het nu, zoo zal het blijven. Maar mannen,
die dat kunnen en durven, zijn heel wat anders dan koekbakkers en
dukaten-tellers; ze zijn mannen met haar op de tanden, dat zeg ik!"
"Een gedeserteerde Zeeuw!" roept op dit oogenblik een der hoorders.
De laatste spreker schudt het hoofd en vervolgt: "Neen, niet
gedeserteerd, een Zeeuw van Ouder tot Ouder. Ik zeg de waarheid. De
Hollanders zijn mannen, die durven, maar hun gevoel van overwicht en
macht maakt hen onbillijk en onredelijk. Hun trots en hoogmoed gaan
alle perken en palen te buiten, en inplaats van ons als kinderen van
één huis, als zonen van hetzelfde volk te beschouwen, doen ze met ons
als met de Generaliteits-landen en zijn we in hun oog beweldadigden,
door Holland beweldadigden, die dankbaar moeten zijn, dat dit machtige
gewest ons wel als broeders wil erkennen. En ziet ge, dat is Hollands
oneer, maar onze schande. Wij moeten ons niet laten ringelooren
en toonen, dat wij niet onder, maar naast Holland staan. De Zeeuwen
moeten over hunne eigen schepen van oorlog eenen eigen Admiraal hebben,
die alweer niet staat onder, maar naast den Hollandschen Admiraal."
Dat was gesproken naar den mond der menigte, die deze woorden
stormachtig toejuichte. Een echter, een man als een boom, een
varensgezel, zeer gezien onder het volk, schudde het hoofd en zeide:
"Geene twee groote masten op één schip of heel de boel gaat naar
den kelder. Eén Hoofd moet er zijn, dat moet, of Engeland krijgt
ons er heelemaal onder. Maar Holland moet zijne kleingeestigheid
laten varen met steeds te willen, dat een Hollandsche Admiraal het
opperbevel voert. Hadden we eenen Stadhouder dan was deze meteen
Admiraal-Generaal. Nu hebben wij er geen en wil Holland in zijne
plaats treden, dat is de heele zaak."
"En Holland scheept ons op met eenen Tromp, die wel oorlog weet te
maken, doch die, als het er op aankomt niets anders weet dan zeeslagen
te verliezen. Wij willen Tromp niet," riep een burger uit den hoop.
"Houd den mond daar, gij, landrot, en zwijg over Tromp, want dat
is een man, zooals er maar weinigen zijn. Ik was er bij toen wij
in het Kanaal kruisten om onze koopvaarders te beschermen met den
dubbelzinnigen last door Tromp medegekregen, te zorgen dat onze
Republiek door de Roôrokken...."
"Zeg Koningsmoorders", riep er een.
"Goed, om te zorgen dat onze Republiek door de Koningsmoorders geene
kleinigheid zou komen te lijden. En hoe tergend voor elken zeeman van
de Republiek het ook ware, reeds stond Tromp, toen hij de Engelschen
ontmoette, gereed om de vlag als een teeken van onderdanigheid
te strijken, toen Blake den dans begon met ons eenen kogel toe te
zenden. Neen, niet Tromp alleen was het, die deze vijandelijke kogels
beantwoordde. Het bloed van groot en klein kookte bij het zien van die
beleediging, en ik geloof zelfs dat het bevel van Tromp niet afgewacht
werd om ons allen naar de kanonnen te doen snellen om te toonen, dat we
nog jongens van Duins waren. En wie de oorlog begonnen is? De koopman,
die achter zijnen lessenaar, de uitgaven van de inkomsten aftrekt
en steeds winst begeert, onverschillig of het zeevolk voor die winst
alle eergevoel moet afleggen, hij is er de naaste oorzaak van. Is me
dat eene vloot, die ze aan Tromp geven om oorlog te voeren! Alles is
op een koopje ingericht, en er is zooveel eenheid, als in eene kudde
wilde varkens. Een Stadhouder alleen...."
"Weg met de Stadhouders! We kunnen onze eigen vensterruiten zeemen,"
klonk eene ruwe stem.
Die woorden brachten verdeeldheid onder de menigte, die, zooals dat
altijd gaat, de tegenpartij met de meest ondoordachte woorden en eene
veel te geringe kennis van zaken, instaat van beschuldiging stelt. De
verstandigen hadden heel wat werks om de orde te handhaven en een
bloedig burgergevecht te voorkomen.
Wij maken ons ook uit de voeten, doch vragen toch: "Wat is er gaande?"
Om die vraag te beantwoorden willen we even het boek van onze
geschiedenis openslaan, doch om spoedig tot den held van ons verhaal
terug te kunnen keeren, zullen we zoo kort mogelijk zijn.
De Republiek der Vereenigde Nederlanden voerde oorlog met Engeland,
dat in dien tijd ook eene soort van Republiek was. Aan het hoofd dier
republiek stond Cromwell, een man, die bij vele ondeugden, ook heel
veel deugden bezat, iets dat Vorsten en gewone burgers, die boven
duizenden uitsteken, meest allen met elkander gemeen hebben. Die
Cromwell nu, had getracht met de zeven gewesten onzer Unie een zeer
nauw verbond te sluiten, doch dit was niet gelukt. De Engelsche
gezanten, die dit verbond hadden moeten tot stand helpen brengen,
keerden onverrichter zake naar Engeland terug. Kort hierop vaardigde
Engeland de zoogenaamde "Acte van navigatie" of "Scheepvaart-wet"
uit. Die Acte was voor de Nederlanders zeer nadeelig; want door die
wet toch werd bepaald, dat vreemde schepen in Engeland geene andere
waren mochten brengen, dan die genoemd konden worden: voortbrengselen
van het land waar ze vandaan kwamen. Nu hadden de Nederlanders tot
dat oogenblik de rijke voortbrengselen uit Oost- en West-Indië vrij
en ongestoord in Engeland mogen brengen, en hiermede, dat spreekt
vanzelf, aardig wat verdiend. Die verdiensten hielden nu op, en maakten
dat Engeland won, wat wij verloren. Door dezen maatregel bevorderde
Cromwell dus de scheepvaart van zijn eigen volk, en het nadeel, dat
wij daardoor leden, heeft ons wel wat partijdig tegenover Cromwell
gemaakt, en ons veel onwaars doen vertellen. Een nader onderzoek,
vooral van den laatsten tijd, is oorzaak geweest, dat men dien man
thans van veel voordeeliger zijde heeft leeren kennen.
Dat wij bij die voor ons zoo nadeelige "Scheepvaartwet" niet
stil bleven zitten, spreekt vanzelf, doch al onze pogingen leden
schipbreuk. Een gezantschap, aan welks hoofd Jacob Cats stond, kon
bij de Britsche regeering niets gedaan krijgen, en wij moesten ons de
vernedering getroosten, Engelands heerschappij ter zee te erkennen,
door heel beleefd de Engelsche vlag te groeten. Er kwam evenwel
nog veel meer bij. Onze koopvaarders moesten zich onderwerpen, in
volle zee zelfs, gevisiteerd te worden, en toen eenige Engelsche
schepen van dat "zichzelven aangematigd recht" gebruik gemaakt,
ja, eenige vaartuigen genomen hadden, werd Marten Harpertsz. Tromp
met eene oorlogsvloot in zee gezonden om dit te beletten. Hij kreeg
evenwel een streng bevel mede, de vijandelijkheden zooveel mogelijk
te voorkomen. Zijn last luidde als die, welken de Staten-Generaal
aan alle Bevelhebbers medegaven:
"Bejegenende eenige oorlochschepen van eenige Coningen, Princen,
Potentaten ofte Republycken, met dezen Staet in alliantie ofte
neutraliteyt synde, sullen deselve betoonen alle courtoisie ende
vruntschap, sonder nochtans yetwes van deselve te gedogen, dat tot
cleynachtinge ofte schade van desen Staet soude connen strecken."
Bij Tromps last werd nog gevoegd zich zoo te gedragen dat de Staat
"geene kleinigheid" zou komen te lijden.
Nu had Tromp, die in het Kanaal kruiste om onze koopvaardij-schepen
tegen de grievende en willekeurige handelingen der Engelschen te
beschermen, de Engelsche vloot onder Blake ontmoet. Dat hij zich
gehaast heeft om door het strijken der vlag "alle courtoisie"
te betoonen, geloof ik niet. Hoe toch konden wij de Engelschen
beschouwen als vrienden of bondgenooten waar ze ons tergend en
minachtend behandelden? Het gemoed van elken eerlijken zeeman, hij
mocht Admiraal of Matroos zijn, kwam hiertegen in verzet. Toch begon
Tromp gevolg te geven aan den last der Staten en liet op de beide
marszeilen na, alle zeilen en den wimpel, die onder de zoogenaamde
Prinsen- of Staten-vlag woei, innemen. Maar temidden van dat alles
werden Tromp en de zijnen met kanonskogels der Engelschen begroet
en een der kogels schoot eenen arm van eenen matroos weg. Tromp
stond reeds gereed eene boodschap naar Blake te sturen om te vragen,
waarom hij schoot, toen een Engelsche kogel zijn schip doorboorde. Nu
meende hij aan zijnen last te kort te doen zoo hij het vijandelijke
vuur niet beantwoordde en--de Eerste Engelsche oorlog, die ons
op zoovele verliezen te staan zou komen, was begonnen. Tromp zeî,
dat het de schuld van Blake, en Blake zeî, dat het de schuld van
Tromp was, en alle onderhandelingen, die er gevoerd werden om den
oorlog te voorkomen, waren vergeefsch. Wij werden telkens geslagen,
en kwam dat ook, omdat de Engelsche vloot beter dan de onze was, het
volk wilde het niet gelooven, en Marten Harpertsz. Tromp, de dappere
Bevelhebber, werd instaat van beschuldiging gesteld, en voor eenigen
tijd van zijne betrekking zoo goed als ontzet.
Zoo staan de zaken, waar we ons in de Julimaand van 1652 te Vlissingen
bevinden.
Zonder ons nu langer door de luid gevoerde gesprekken der ontevredenen
te laten ophouden, wandelen wij bedaard verder voort, en komen
zoodoende weldra in eene buurt waar eenige kooplieden en vele rustende
schippers wonen.
Die ruste is evenwel bij velen gedwongen, we weten het.
Enkelen slechts zijn er, die na jaren zwalkens en zwervens, voor goed
den wal gekozen hebben. Eene der woningen waarin zulk een Schipper
in vrijwillige ruste woont, treden wij binnen.
Het ziet er wel niet heel rijk, maar toch deftig uit, en het is
terstond te zien, dat hier iemand verblijf houdt, die het zeer goed
doen kan, of die, zooals men dat ook wel eens zegt, zijne schaapjes
op het droge heeft.
De bewoner van dat huis, die Schipper in ruste, heet Michiel
Adriaensz. De Ruyter, die nu voor de derde maal gehuwd is met Anna
Van Gelder. Zijne eerste vrouw was Maria Velders, doch met deze
mocht hij slechts tien maanden gelukkig leven. De dood, die niemand
nog ontzien heeft, was ook ongevraagd, ongeweigerd, de woning van De
Ruyter binnen getreden, toen deze nog als Stuurman voer. Zijne tweede
vrouw was Cornelia Engels, die later, als zijne vrouw, de voeten nog
aanbreide van de veel te groote kousen, die zij haren man gegeven had,
toen deze als bootsmansleerling naar zee ging. Uit dit huwelijk had
De Ruyter vier kinderen, namelijk Adriaen, die nu vijftien,--Cornelia,
die dertien,--Alida, die tien en Engel, die drie jaren oud was.
Zijne derde vrouw, Anna Van Gelder, was, toen zij met onzen Michiel
in het huwelijk trad, de weduwe van Jan Paulusz., die ook als
Schipper voor de Heeren Lampsens gevaren had, doch op zee gestorven
was. Michiel en zijne vrouw hadden te zamen een aardig kapitaaltje
bij elkander gebracht, groot genoeg om er in Vlissingen deftig en
ruim van te kunnen leven, en daar Anna Van Gelder bevreesd was, ook
eenmaal haren Michiel op zee door den dood te verliezen, zoo had
ze hem weten te bewegen aanwal te blijven, iets waarnaar Michiel,
hoe vreemd het ons ook moge klinken, wel ooren had.
Voor de vier kinderen van hare oude vriendin Cornelia was Anna,
die we nu maar Mevrouw De Ruyter zullen noemen, eene beste Moeder,
die alles deed om de liefde van hare stiefkinderen te winnen en die
daarin dan ook wonderwel slaagde.
Waar op het oogenblik de kinderen zouden zijn?
Wel, boven op de kinderkamer.
Wij gaan er heen en vinden daar den driejarigen Engel, een allerliefst
knaapje, op zijn stoeltje zittend en met zijn kopje op de tafel in
slaap gedommeld. Het is hier zoo even warm ook.
Maar Adriaen, Cornelia en Alida dan?
Stil, ik hoor zoo wat daar in die zijkamer. Is dat de studeerkamer
niet van den voormaligen Schipper Michiel Adriaensz. De Ruyter?
Loop heen, de Schipper zou eene studeerkamer er op nahouden? Dat
gelijkt nergens naar!