Te Westersouburg zouden eene brave, oude vrouw en hare twee

ongelukkige dochters, nimmer meer de stem hooren van den man, die

zoo goed voor haar gezorgd had! Zij zouden reeds lang gestorven

zijn, als hij, na jaren gevangen gezeten te hebben, alweer in het

Vaderland terugkwam. Maar, armoede zouden ze niet geleden hebben;

want de spaarpot van den braven zoon en trouwen broeder was ruim

voorzien, en wat er nog te kort gekomen was, dat hadden de Heeren

Lampsens gaarne bijgepast.

Negen mannen waren in den ongelijken strijd gevallen!

Michiel, Geleyn en Jan werden met de overige manschappen spoedig

aanboord van een der roofschepen gebracht. De jongens kregen hun logies

in een nauw hok, dat aan den voorkant van het schip lag. Een heel klein

raampje, dat stuk geslagen was, gaf hun genoeg licht om te kunnen zien,

maar te weinig lucht om er gezond te kunnen leven. Ze hadden het er

benauwd heet en versmachtten bijna van den dorst. Langzamerhand werd

het donkerder en reeds zaten ze in duizend angsten van geen eten of

drinken te zullen krijgen toen de deur geopend werd en een paar goed

gewapende matrozen hun brood en water brachten.

Ze hoorden de deur stevig dichtgrendelen.

"Hier wij leelijk zit! En ik nog de wonderkind!" bromde Jan en deed

een hapje in het harde brood.

Michiel stond voor het raampje.

"Zeg, Michiel, ge moet daar niet zoo voor dat ruitje staan, anders

stikken wij beiden hier nog," zeide Geleyn.

"Ik neem de maat," sprak Michiel.

"Wat? Maatnemen? Waarvan dan toch?"

"Van mezelven en van dat raampje!"

"Hi-hi," lachte Jan, "ik liever eet, ik honger heb!"

"Ben ik niet de dikste van de drie?" vroeg Michiel.

"Dat zal wel waar zijn," antwoordde Geleyn, die een echte Evertsen

en niet zoo bijzonder kloek was. "Waarom vraagt ge dat?"

"Zoo maar! Kunt gij zwemmen?"

"Dat weet ge wel! Ik heb het eenigen tijd geleden nog van zeven

jongens gewonnen."

"Kunt gij zwemmen, Jan?"

"Ikke zwom op dat groote zee, dat is vol water, op het

planke!" antwoordde Jan.

"Jawel, maar kunt gij zonder plank zwemmen?"

"Ikke? Ja, ikke zwemmen kan! Ikke doe niet graag. De water hier koud

en nat is!"

"Zoo," sprak Michiel, "dan heb ik een plan!"

"Wat dan?" vroeg Geleyn.

"Eerst zal ik een stukje eten! Hei, schrok van eenen neger, het is

voor ons drieën, hoor! Ik ook wat!" zei Michiel en nam Jan, die aan

een ander stuk brood begonnen was, met de tanden de korst af te zagen,

handig eene homp af en werkte het, na het in water geweekt te hebben,

naar binnen. Zoodra hem dat gelukt was, zei hij: "Als het donker is

zullen we ontvluchten!"

"Dat goed is!" sprak Jan. "Ik hier zad ben al lang!"

"Ontvluchten?" vroeg Geleyn, op eenmaal van verbazing ophoudende met

eten. "Ik ben nieuwsgierig te weten hoe gij dat aanleggen zult."

"Door dat raampje heen!"

"Zijt gij wel dwaas? Daar kunnen wij niet door!"

"Met me een beetje te wringen kan ik er precies door. Gij en Jan

schuiven er door als vet."

Geleyn bedacht zich even, nam het raampje nauwkeurig op en zeide toen:

"En wie zal de eerste zijn om dat halsbrekers-baantje uit te halen?"

"Dat zal ik zijn; maar luistert nu," antwoordde Michiel, heel zacht

sprekend om door niemand gehoord te worden. "Ziet ge dat touw daar

telkens tegen het raampje slaan?"

"Jawel! Dat heeft me al lang verveeld!"

"Mij niet! Het moet ons redden. Eerst breken we voorzichtig het eenige

ruitje uit en snijden dan met een mes de sponningen weg."

"En dan?"

"Dan klim ik door het gat, grijp het touw en laat me in het water

zakken!"

"Mooi, dan zijt gij in het water! Maar ge zijt toch bijgeval geen

meerman?"

"Neen! Maar hoort ge daar niet onophoudelijk aan bakboord wat kloppen?"

"Ja! En dat verveelt me ook al lang!"

"Mij niet! Dat is een bootje. En dat het zoo klopt komt door de eb,

die het telkens tegen de schuit duwt!"

"Het is alsof ge er bijstaat, zoo weet ge alles," bromde Geleyn,

die nog altijd veel gevaar in de vlucht zag.

"Wie niet sterk is, moet slim zijn! Ik heb de gelegenheid goed

opgenomen!"

"Ik klaar ben," zei Jan, en spoelde de laatste bete broods door. "Nu

ik wegloopen wind als de vlug."

"Houd den mond, Jan! Praat niet zoo hard! Als er een is, die bij

ongeluk Hollandsch verstaat, dan valt het heele plan misschien

in duigen."

"Maar dat heele plan weet ik nog niet," sprak Geleyn.

"Het is toch duidelijk. We kruipen de een na den ander door dat

raampje, laten ons aan dat touw in het water zakken en zwemmen naar

dat bootje. Zijn we er alle drie in, dan snijden we het touw los

waarmee het vast ligt, duwen voorzichtig het bootje langs den boeg

naar stuurboordzij, en laten ons dan met de eb in zee drijven!"

"En waar dan heen?"

"Dat weet ik nog niet. Eerst moeten we een heel eind van het schip

af zijn, dan kunnen we altijd zien!"

"En als we dan in den Oceaan terecht komen?"

"Dat zou kunnen!"

"Maar dan begrijpt gij toch, dat we met dat bootje verdrinken

moeten! Eéne stortzee, en we zijn er geweest!"

"Eén schopje tegen onze voeten en we hangen zoo mooi door eenen strop

te kijken, als geen schelm ooit gedaan heeft," zeide Michiel.

"Wat wil dat zeggen?"

"Dat we morgen of overmorgen eenvoudig aan de ra opgehangen worden,

en als dat niet gebeurt, dan worden we als slaaf verkocht of we mogen

naar de galeien."

"Hoe weet ge dat?" vroeg Geleyn, nog altijd niet met het

ontvluchtingsplan ingenomen.

"Dat is zeeroovers-manier! Maar als ge er nu geenen zin in hebt,

gij beidjes om dien dans te ontsnappen, het zou me erg spijten,

maar dan ga ik alleen. Wie niet waagt wint niet!"

Geleyn dacht een oogenblik na en zei: "Ik ga mee, Michiel! Maar ik

geloof nooit, dat we door dat kleine raampje kunnen kruipen! En dan

dat touw, hangt dat wel vast genoeg? Zullen ze er op het dek niets

van bemerken?"

"Zal ik eerst probeeren, Geleyn?"

"We moesten dan nu maar beginnen!"

"Ja, ik stuk slaan zal!" riep Jan, trok zijnen schoen uit en wilde met

de hak, waarin stevige spijkers geslagen, waren, het ruitje stuk slaan.

"Zijt gij krankzinnig, Jan?" riep Michiel op halfluiden toon. "Gij

zoudt het heele plan doen mislukken. Ga maar weg, dat zal ik wel

doen. Maar luistert, Geleyn en Jan! We moeten onze schoenen en

bovenkleeren uitdoen en in een pakje binden. Als ik er door ben,

laat ge die drie pakjes maar zakken, dan zal ik ze in de boot brengen."

Geleyn en Jan begrepen dat dit geschieden moest, en trokken schoenen,

kousen en bovenkleeren uit en maakten er drie pakjes van, die eerst

gemeten werden of ze niet te dik gerold waren om door het raampje

gestoken te kunnen worden.

Inmiddels was het aardedonker geworden; ze konden nauwelijks het

raampje meer zien.

Michiel begon nu heel voorzichtig met den baard van den sleutel van

zijne matrozenkist, het glas bij kleine stukjes af te breken, en na

hiermede een groot kwartier bezig geweest te zijn, was hij klaar. Na

nog eens nauwkeurig gemeten te hebben vond hij het onnoodig om de

sponningen weg te snijden; ze konden er zoo wel door.

"Nu, Geleyn en Jan, goed kijken hoor, hoe ik doe!" zei Michiel.

Hij wipte zich wat op en, daar ging hij al verder en verder, tot hij

er met de beenen ook door was. Half vrij!

Hij ging buiten het schip aan het touw en zei fluisterend door het gat:

"De pakjes!"

Geleyn stak ze door het gat en Michiel, die gezorgd had, dat er stevige

knoopen op gelegd waren, pakte de punten van die knoopen in den mond

en liet zich zakken.

Nu volgde Jan het voorbeeld van Michiel en was ook weldra buiten

het schip.

Geleyn aarzelde nog.

Waren ze niet in de diepte verdwenen?

Zouden ze werkelijk wel opgehangen, als slaven verkocht of naar de

galeien gevoerd worden?

Daar hoorde hij het bootje aan de andere zijde van het schip sterker

tegen de schuit bonzen.

"Zou Jan er nu instappen? Zou het daardoor meer leven maken?" dacht

Geleyn.

Nog aarzelde hij.

Maar op eenmaal greep hij het gat, wipte er in, wrong er zich half

door, pakte het touw, trok zich heelemaal door de nauwe opening,

liet zich zakken, zwom om het schip en--ja, daar waren Michiel en

Jan in het bootje. Het scheelde weinig of Geleyn had eenen schreeuw

van blijdschap gegeten.

Daar klom Geleyn in de boot.

"We dachten dat ge verdronken waart," fluisterde Michiel. "Kom gauw

maar, er gaat eene sterke eb!"

"Dat ben ik gewaar geworden! Ik kon bijna niet aan deze zijde van

het schip komen," gaf Geleyn ook fluisterend ten antwoord.

Nu ging Michiels mes door het touw.

Het bootje was vrij.

Met de handen duwden ze het om het schip heen en--nauwelijks waren

ze bij den boeg, of de eb gaf er eensklaps zulk eene vaart aan,

dat Michiel overboord zou geslagen zijn, als Geleyn hem niet gauw

gegrepen had.

In minder dan vijf minuten was er niets meer van den wal te zien.

Zoo ze nu op hunne vlucht niet door eenen anderen Biscayer overvallen

werden, zouden ze voor galg, slavernij of galeien niet meer te vreezen

hebben. Maar, wie den regen ontloopt, komt wel eens in den drup.

TIENDE HOOFDSTUK.

EENE MOEIELIJKE BEDELREIS.

Vol hoop en moed dat ze wel ergens op de Fransche kust terecht komen of

misschien een Engelsch, Hollandsch of Fransch schip ontmoeten zouden,

lieten ze zich door de eb maar verder in zee drijven, en toen deze

niet meer ging en de vloed weer doorbrak, roeiden ze er op goed geluk

tegen in.

Eerst toen de dag begon aan te breken, waren zij meer gerust. Ze

waren in volle zee. Waar nu heen?

Michiel keek naar de opkomende zon en zei: "Als we nu maar in die

richting roeien, krijgen we de Fransche kust!"

Hongerig, dorstig, koud en moede, als ze waren, ging het roeien van

Jan en Michiel,--Geleyn zat aan het roer,--niet heel vlug.

"Wij komen er vandaag nog niet!" zei Geleyn met eenen diepen zucht

en het scheen dat hij op het punt stond den moed op te geven.

"Jawel," riep Michiel, "ik voel dat de vloed op komt zetten. Die

zal ons helpen. En de wind ook. Hij is pal zuidwest. Waar ergens aan

de kust van Frankrijk we zullen komen, weet ik niet, maar onder de

Biscayers vast niet!"

Zoo ging het wel twee uren voort. De man aan het roer werd telkens

afgewisseld.

Nu zat Michiel er aan, en dat mocht ook wel, want hij had drie uur

aan een stuk stevig doorgetrokken.

"Land," riep hij eensklaps. "Ik zie land, en ik wed dat we het eiland

Ré of Oléron krijgen. Ik zie torens ook. Wie weet of we het groote

meevallertje niet hebben te La Rochelle aan te komen."

Het kwam op Michiels zeggen uit, meende men. Dwars tusschen de eilanden

Ré en Oléron kwamen ze tegen den avond zoogenaamd te La Rochelle

aan. Ze hadden in een etmaal eenen ontzettenden afstand afgelegd;

maar waren ook met reuzenkrachten geholpen door eb en vloed.

"Wat is La Rochelle klein!" zei Geleyn. "Ik dacht, dat het eene groote

stad was, vol leven en beweging."

"Ik ook," sprak Michiel. "Mis hebben kan ik toch niet!"

"Daar bakkers wonen? Ik brooden koop!" riep Jan. "Ik honger, veel

honger hebben."

"Eerst maar geld hebben," merkte Michiel aan. "Ik heb niemendal uit

te geven, want ik ben platzak."

"Ik heb nog eenen zilveren duit," zei Geleyn. "Het is niet veel,

maar toch altijd wat!"

Ze kwamen in eene modderige haven aan, waar een man stond te visschen.

"La Rochelle lá?" vroeg Michiel, op zijne manier het beste Fransch

uitpakkende.

"La Rochelle?" vroeg de man, vol verbazing, en antwoordde:

"Non! Arcachon, mes enfants!"

Michiel had zich dus bedrogen.

De kust, die hier vol kreken was, had hem twee landtongen, die boven

den lagen oever uitstaken, voor twee eilanden doen aanzien, en in de

meening doen verkeeren, dat hij La Rochelle voor zich had. En nu was

hij in eene stad, veel verder ten zuiden aangekomen.

Onderwijl ze moeite deden, op een geschikt punt te landen, vroeg hun

de Franschman aan den oever wat.

Geen der drie jongens verstond hem en Michiel antwoordde op goed geluk:

"Nous sommes of Flushing!" Hij smeet zoo wat Engelsch en Fransch

door elkander, dat ziet ge, doch gij begrijpt, dat hij wilde zeggen:

"Wij zijn van Vlissingen!"

De visscher wist misschien evenveel van de bergen op de maan,

als van Vlissingen, en dacht, dat ze van hun schip gekomen waren

om een en ander te Arcachon te koopen. Hij zeide daarom: "Oui, mes

enfants! Tout abonde en notre ville!" dat is: "Ja, mijne kinderen,

alles is in overvloed in onze stad."

"Och, die man spreekt geen Fransch," zei Michiel, doch toen

ze aangekomen waren, vroeg hij hem toch: "Voulez vous vendre

notre-notre-boot-boot-, Geleyn wat is boot, schuit of sloep in het

Fransch?"

Geleyn haalde de schouders op en zei: "Weet ik het? Ik kan geen

Fransch spreken."

De visscher had Michiel eerst aangehoord, doch toen deze het woord

tot Geleyn richtte, keerde hij zich om en wierp zijn net uit.

"Wacht, nu weet ik het," riep Michiel en den Franschen visscher

aanstootende, zei hij nogmaals: "Voulez-vous vendre notre bateau?"

Dat verstond de visscher wel, en begrijpende, dat zij hem toch niet

zouden verstaan, haalde hij vijf kleine zilveren geldstukjes uit den

zak en liet die Michiel zien.

"Beter wat dan niemendal," dacht Michiel en zei: "Oui, voilà la

bateau! Santé avec-avec le hebbeding! Je verstaat me toch niet! Ik

weet niet welke landsman je bent!"

De jongens gingen nu, na hunne roeiboot voor eenen appel en een ei

verkocht te hebben, naar het stadje, dat voor hen lag, en zagen niet

hoe de visscher van blijdschap in de handen wreef, nu hij voor zulk

een beetje geld, eene bijna spiksplinternieuwe roeiboot gekocht had.

"Dat is me hier toch even een modderland!" zei Geleyn, die weldra

tot over de voeten in het slijk liep.

"O, dat wat is?" riep eensklaps Jan hevig schrikkende door een leelijk,

hard en zonderling geluid.

Michiel en Geleyn schrikten niet minder en stonden in twijfel of ze

niet zouden terugkeeren en den visscher vragen, hoe ze toch loopen

moesten om te Arcachon te komen.

"Hoe!" schreeuwde Jan nu, en lag, pardoes, lang uit in de modder te

spartelen, als eene schol, die zoo uit het water in de boot komt.

De leelijke schreeuwer van zoo even, schreeuwde nu bijna vlak voor

zijne voeten en vloog, vreeselijk akelige geluiden makende, op.

"Het is een roerdomp," zei Geleyn. "Die dieren leven hier veel,

naar het schijnt! Kijk, als ge maar goed tusschen het riet loert,

ziet ge er nog veel meer."

"Neen maar, zeg, kijk eens," riep Michiel op eens.

"Waar?" vroegen Geleyn en Jan tegelijk.

"Wel daar," antwoordde Michiel, en wees niet verre van zich af naar

eene kleine hoogte, die met brem en bruin mos was bedekt, en waarop

ook eenige lage dennenboomen zich verhieven.

Nu zagen Geleyn en Jan ook twee mannen, eene vrouw en drie jongens

aan den kant der hoogte zitten. Zij hielden hunnen maaltijd, die

uit grof, zwart brood bestond, en nu en dan namen ze eene teug uit

eene groote kruik. Maar dit alles was nu zoo zeldzaam niet. Dat,

wat Michiel deed uitroepen: "Neen maar, zeg, kijk eens!" was dat ze

allen hooge stelten onder de voeten hadden.

"Menschen en vogels doen hier al even raar," zeide Geleyn. "Welke

lui zijn dat toch, die daar zitten?"

"Zeker een gezelschap reizende kunstenmakers! Maar dan zijn ze hier

al in eene vreemde streek om wat te verdienen," meende Michiel.

Pas had hij dat evenwel gezegd, of ze zagen den visscher aan wien ze

hunne roeiboot verkocht hadden, ook op stelten aankomen.

Het was een vreemd gezicht, zoo hoog in de lucht een man te zien,

die zijn kruisnet over de schouders droeg en eenen vischzak op zijde

had hangen.

Jan Kompanjie was van verbazing bijna, alsof het hem in het hoofd

haperde, en riep maar: "Hij ooievaar, hij ooievaar, allemaal

ooievaar! Hi-hi!"

"Nu begrijp ik het al," zei Geleyn. "Dat zijn geene kunstenmakers:

maar om niet zoo door de modder te moeten ploeteren in dit slijkland,

loopen de menschen hier allemaal op stelten. Kijk maar, ginder ver

loopen er nog!"

Dit begreep Michiel ook; en nu zijne grootste verwondering over was,

dacht hij er aan om dien menschen te vragen of ze voor hen niet wat

te eten en te drinken hadden.

Zoo goed en kwaad dit kon, ging hij er heen, en de beweging van eten

makende, wees hij op een brood, en liet hun tegelijkertijd een der

geldstukjes zien, die hij voor de roeiboot ontvangen had.

De oudste van de mannen beproefde een gesprek met hem te beginnen,

doch merkte weldra dat hiervan niemendal komen kon, en reikte hem het

bruine brood over, doch stak tegelijkertijd het geldstukje in den zak.

Thans keerde Michiel tot zijne twee vrienden terug, deelde het brood in

drie gelijke deelen, en terwijl ze hunnen weg naar Arcachon vervolgden,

aten ze het met smaak op. Lekker was het niet, maar honger weet weinig

van lekker af.

Eindelijk kwamen ze in de stad aan, doch vonden hier ook al niet

veel troost.

Zij kochten wat bier en kregen wat zuren landwijn te drinken. De

menschen verstonden hen niet. Alleen een slager kon hun leverworst

geven, daar Michiel die aanwees. Ook wees deze hen, op Geleyns vraag:

"Paris?" naar het noordoosten, en daarheen zou het nu gaan.

Het was me het tochtje wel!

Nu eens kwamen ze aan breede rivieren en dan voor bergen, die ze

niet wisten over te komen en dan maar liepen, tot ze een soort van

doorgang vonden, gevormd door kloven en ravijnen.

Bedelende van huis tot huis, op het laatst zonder schoenen aan de

voeten, en ieder met eene vijgenmat op het hoofd, ging het al maar

verder. Nu eens sliepen ze in eene schuur, dan in eenen hoop hooi op

het veld, soms zelfs zoo maar aan den kant van den weg onder eenen

boom op het gras. Het was een tocht vol ellende en ontberingen.

"Paris?" vroegen ze maar.

"Voilà," zeide men, en wees dan de richting aan waarin de stad lag

waar ze hoopten toch wel éénen Hollander te vinden, die hen helpen

wilde om verder te komen.

Hoe menigmaal stond Michiel op het punt den legpenning, den Gelderschen

rijder, dien buurman Engels hem gegeven had, in te wisselen; maar

telkens, als hij daartoe besloten had, en reeds gereed stond hem van

de borst te halen, trok hij de hand terug en fluisterde: "Laat ik nog

eenen dag wachten!" Dat zei hij evenwel iederen keer--de Geldersche

rijder kwam niet van de borst af.

Na zoo bijna drie maanden lang gezworven te hebben, kwamen ze eindelijk

op een dorpje waar ze weer van huis tot huis brood en wat drinken

bedelden. Aan het einde van het dorpje stond de kerk, en daarbij lag de

pastorie. Vóór de pastorie lag een lief tuintje met vruchtboomen. Een

Geestelijke wandelde erin, plukte eene perzik en at ze op.

Michiel watertandde ervan; hij bleef staan en stamelde: "Monsieur,

bon monsieur!"

Ze troffen het bijzonder. Die Geestelijke was een ware Sinterklaas. Hij

naderde de heining, die den tuin van den landweg scheidde, en vroeg:

"Venez-vous de Paris?"

Zooveel Fransch hadden Geleyn en Michiel onderweg wel al geleerd,

dat ze begrepen, dat de Geestelijke vroeg: "Komt ge van Parijs?"

"Non, monsieur! Moi kom- kom- van la ville Arcachon!" zeide Geleyn.

"Quoi!" riep de Geestelijke. "Quoi, d'Arcachon? C'est

impossible! Impossible!" ("Wat? Van Arcachon? Dat is

onmogelijk! Onmogelijk!")

Michiel begreep er zoo wat van en kreeg opeens de gedachte om door

teekenen te kennen te geven, dat ze door Biscayers gevangen genomen

waren, maar dat ze in een roeibootje hadden weten te ontsnappen.

"Kom hier, Jan!" riep hij.

Jan naderde.

"Geef me uwe beide handen!" beval Michiel.

Hoewel Jan niet begreep wat er gebeuren moest, stak hij toch de

handen uit.

"Ik zal probeeren, dien goeden Pastoor aan te toonen, hoe we door

de Biscayers gevangen genomen zijn, en hoe we in een roeibootje zijn

ontsnapt." Michiel bond met eenen doek Jans handen vast.

"Monsieur," zei hij op Jan wijzende, "Hollandais! Moi Hollandais,

et Geleyn aussi Hollandais!"

De Geestelijke lachte.

Toen nam Michiel den doornstok, dien hij onderweg mee genomen had,

en begon te doen, alsof hij sloeg.

"Biscayer, monsieur, un pirate!"--("Biscayer, mijnheer, een

zeeroover!") sprak Michiel weer, den Geestelijke aanziende, en

tegelijkertijd hem de wonde in den arm aanwijzende, die nog niet geheel

genezen was. De Pastoor knikte, dat zeker zooveel wilde zeggen, als:

"Ik begrijp u een weinig!"

Toen wees Michiel op Jan, op Geleyn en op zichzelven en hield de

handen, alsof ze geboeid waren, en Geleyn, die zeer goed begreep,

wat Michiel bedoelde, hield de handen ook zoo.

"Prisonniers, monsieur, prisonniers, Jean, Geleyn et

moi!" ("Gevangenen, mijnheer, gevangenen, Jan, Geleyn en ik!") sprak

Michiel.

En weer knikte de Geestelijke. Het werd hem allengs duidelijker wat

de jongens bedoelden met hun gebarenspel en geradbraakt Fransch.

"Doet nu eens, alsof ge de boeien verbreekt, gaat dan dadelijk achter

me zitten, doet alsof ge roeit en roep dan: Libre, libre, bateau,

Arcachon," zeide Michiel.

"Als de goede man dat niet begrijpt, dan weet ik het niet meer!" sprak

Geleyn, en op het "Los!" van Michiel, lieten ze alle drie de handen

vrij, gingen achter elkander op den grond zitten en begonnen met

hunne doornstokken in het zand te roeien.

------

FIGURE

------

"Libre! Vrij! Bateau! Arcachon!" riep Michiel, hierin trouw door Jan

en Geleyn geholpen.

Intusschen waren er meer menschen bij hen gekomen, en lachten zoo

luid ze konden om de grappen der drie bedelknapen, die nog maar

altijd roeiden.

"Riemen in!" beval Michiel.

Jan en Geleyn hielden op met roeien.

"De boot uit!" klonk alweer een ander bevel en het voorbeeld van

hunnen makker volgende, sprongen Jan en Geleyn ook op.

"Libre! Libre! Vrij! Voici, Arcachon!" riep Michiel.

Thans was het den Geestelijke volkomen duidelijk wat er met de drie

knapen gebeurd was. Hij nam Jans vijgenmat van het hoofd, wierp er

een stuk zilvergeld in en nadat hij aan de omstanders verteld had,

wat er met die drie Hollandsche knapen gebeurd was, ging hij met de

vijgenmat rond en ieder volgde het voorbeeld van den goede Geestelijke,

en wierp er in, wat hij missen kon.

Stom van verbazing zag Michiel dat een oogenblik aan, doch eindelijk

zijn gevoel niet meer meester, sprong hij op, omvatte de handen van

den braven Geestelijke en stamelde, terwijl hem de tranen uit de

oogen stroomden: "God de Heere zegene U!"

Of de Pastoor dat verstond?

Al had Michiel niets gezegd, de Geestelijke zou hem begrepen

hebben. Hij drukte den knaap de hand en zeide bewogen: "Mes pauvres

garçons!"

Hierop zeide hij nog wat tot eenen der omstanders en deze knikte de

jongens vriendelijk toe, waarop hij heenging.

Ook de mannen, vrouwen en kinderen verstrooiden zich, zoodat onze

drie knapen met den Geestelijke alleen bleven.

Deze nam hen met zich in huis en liet hun eenen stevigen maaltijd en

water en wijn voorzetten.

Wat de jongens hun best deden!

Het eenige wat den Pastoor niet scheen te bevallen was, dat ze geen

van drieën Roomsch waren; want eer ze gingen eten, baden ze wel,

doch maakten geen kruis.

Dat speet den goeden man zeker wel, doch het veranderde niemendal in de

plannen van zijn edel hart, en toen de jongens genoeg gegeten hadden,

kregen ze ieder nog een paar boterhammen met vleesch mede. Hij bracht

ze door den tuin naar den landweg, plukte voor ieder hunner eene

heerlijke perzik en op eene kar, die voor het hek stond, wijzend,

zei hij: "Adieu, mes enfants! Dieu vous soit en aide!" ("Vaarwel,

mijne kinderen! God helpe u!")

Nogmaals dankten met tranen in de oogen de drie jongens den braven man,

kropen op de kar in het stroo, en zagen, dat de voerman de persoon

was, die door den Pastoor was toegesproken, en die zich daarop

verwijderd had.

Tegen den avond kwamen zij in eene schoone buurt.

Het was eene der voorsteden van Parijs.

De voerman hield bij de poort op en zich beleefd tot eenen

voorbijganger wendend, vroeg hij of hij hier in den omtrek geene

Hollandsche familie wist te wonen.

De heer zeide van ja en wees een klein vischwinkeltje aan.

De voerman bedankte, reed tot bij het aangeduide winkeltje en vroeg

daar of hier Hollanders woonden.

"Jawel," zeide de man, die onder zijne luifel bij eenige tonnetjes

Hollandschen haring stond, "ik ben een Hollander. Waarom vraagt ge

dat?" Hij sprak natuurlijk Fransch. Iemand, die in Parijs zaken wil

doen, komt daar met zijn Hollandsch niet terecht.

De voerman vertelde hierop wie daar op zijne kar zaten, en nauwelijks

had de vischhandelaar gehoord, wat er met hen zoo al gebeurd was,

of hij zei: "Welkom in Parijs, jongens! Gij hebt me dan zoo even een

aardig reisje achter den rug! Komt maar van de kar af!"

Het was Michiel, Geleyn en Jan, alsof ze op eens een millioen gulden

rijk geworden waren, zoo verheugden ze zich, eindelijk weer eens de

Hollandsche taal te hooren. Ze sprongen van de kar af en zouden van

blijdschap vergeten hebben den voerman te bedanken, als de vischboer

niet gezegd had: "Nu, moet die man niet bedankt worden, jongens? Hij

heeft wel een hartelijk bedankje verdiend, zou ik zoo meenen."

Vlissinger Michiel, of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk. · 第 7 / 17 段