zeide Michiel.
Anna kende den dikken, jongen en net gekleeden zeeman niet meer,
en vroeg: "Als Vader vraagt wie er is, wat zal ik dan zeggen?"
"Als er iemand is om me te spreken, moet hij maar hier komen," riep
Meester Van Gelder uit de school.
Michiel herkende terstond zijne stem en ging de school, die met eene
deur in de gang uitkwam, binnen.
En daar zat op dezelfde plaats waar hij jaren geleden reeds zat, met
hetzelfde pennemes in de handen en denzelfden pennenbak voor zich,
de forsche gestalte van Meester Van Gelder, nog niets veranderd.
Ook de geheele inrichting van de school was nog zoo als in de jaren
toen Michiel school ging.
Dáár had Michiel gezeten, daar in dat hoekje bij den schoorsteen. Dáár
was het bord waarop hij het zoogenaamde portret van Meester geteekend
had.
"Wat is er, vriendschap?" vroeg Meester Van Gelder de punten van
eene pen op zijne duim leggende om ze met zijn mes af te punten,
en zonder den bezoeker aan te kijken.
"Dag, Meester!" sprak Michiel.
"Wat Zaterdag, die stem, dat gezicht," zei Meester, terwijl hij
Michiel aanzag.
"Dag, Meester," herhaalde Michiel lachend.
"Drommelsche jongen, je bent toch niet....?"
"Jawel, Meester, ik zie, dat u het weet wie ik ben! Zeg het maar!"
"Michiel!?"
"Juist, Meester, Michiel Adriaensz. de Ruyter, de grootste
straatbengel, dien ge ooit op school gehad hebt!"
"Michiel!? Jij, Michiel? En jij hier?"
"Ja, Meester, ik hier! Vind u dat zoo vreemd?"
"Maar, jongen, kan ik mijne oogen wel vertrouwen? Fopt gij me niet?"
"Ben ik dan zóó veranderd, Meester?"
"Neen, jongen, nu ik u goed bekijk, zijt ge wel grooter, steviger en
dikker geworden, maar uw gezicht is heelemaal hetzelfde gebleven! Het
verwondert me maar zoo, dat ge bij mij komt. Vroeger waart ge...."
"Blij als ik u niet zag, wil u dat niet zeggen? Gij hieldt me voor
den liederlijksten straatjongen van heel Vlissingen, is het niet zoo?"
"Ja, jongen, daar hield ik je voor. Later is het uitgekomen, dat er
nog grooter schelmen waren dan gij er een waart!"
"Ei, Meester! Dat moeten nu dan toch zoo even deugnieten geweest zijn!"
"Dat waren ze ook, Michiel! Denkt ge nog wel eens aan die
katten-geschiedenis, en--aan de bullepees?"
"Ja, Meester, en dan moet ik er telkens om lachen!"
"Ik denk er ook wel eens aan, jongen, en wel dikwijls zelfs, want
van dien avond af ben ik een heel ander mensch geworden. Ik ben glad
bekeerd. Ik had leelijke gebreken, jongen!"
Thans was de beurt aan Michiel om verbaasd op te kijken en heel
natuurlijk was zijn uitroep: "Maar, Meester!"
"Ja, jongen, kijk zoo gek niet. Ik ben bekeerd door dien "Barren
Bruinvisch". Die man heeft me in een oogenblik van eene leelijke
ondeugd genezen. Sinds dien avond maak ik mij zoo onverstandig
driftig niet meer en houd ik mij bedaard. Het gevolg daarvan is,
dat ik tegenwoordig zooveel pleizier van mijne discipelen heb, als
vroeger verdriet. En weet ge wat eene maand later uitkwam?"
"Neen, Meester!"
"Dat Lammen Lammensz. de kat door het open raam in mijne pap gesmeten
heeft!"
"Wat, die brave Lammen, die door u altijd als een toonbeeld
van braafheid, deugd en leerzaamheid aan de heele school werd
voorgesteld?!"
"Dezelfde, Michiel, dezelfde!"
"Wel, wat een gemeene huichelaar! En hoe kwam het uit?"
"Zijn broertje heeft het verklikt toen hij boos op hem was. En weet
ge ook, wien ik nog grooter ondeugd noem dan gij ooit geweest zijt?"
"Zeker dien Lammen, Meester?"
"Juist, Michiel! Gij deedt kwaad en ge staakt het onder geene stoelen
of banken en--ge loogt nooit! Die Lammen was een boosdoener, en
speelde den brave met honderden keeren te liegen. Michiel, jongen,
geef me eene hand. Ik heb u niet altijd goed behandeld!"
Michiel vatte die hand en zei: "Meester, ik was juist van plan u te
komen vragen, of ge, alsjeblieft, al mijne kwâjongensstreken vergeven
en vergeten wilt, en of ik u, als eene aardigheid, deze Oostersche
muilen mag geven. Ik heb ze voor u meegebracht van Amboina."
"Michiel! Jongen! Het is precies zooals Dominé zegt: "In Michiel
Adriaensz. De Ruyter steekt wat goeds, en hij zou het ver kunnen
brengen, als hij wat meer geleerd had!" Dat zei Dominé en ik zeg het
hem na, Michiel! Het is o, zoo jammer dat ge niet wat meer weet! Kunt
ge nog wel lezen wat daar op het bord staat?"
Michiel begon te lachen, toen hij zag dat het speloefeningen voor de
eerstbeginnenden waren.
"Wel ja, Meester," zei hij, "en dat op dit bord hier achter ons
ook wel!"
"Maar, jongen, dat is toch niet waar? Dat zijn schrijfvoorbeelden
voor de hoogsten!"
"Toch waar," was het antwoord, en om er het bewijs van te leveren
begon Michiel alles te lezen.
"Daar begrijp ik niemendal van," sprak Meester. "Hebt ge dan, nadat
ge hier van school gejaagd zijt, nog ergens anders school gegaan?"
"Neen, Meester! Maar ik heb aanboord nog al veel vrijen tijd, en de
tweede Stuurman, die veel geduld heeft en veel van me houdt, heeft
me leeren lezen. Ik reken ook. Ik kan al op zijn Simons Stevens,
optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en deelen! Het kan me naderhand
te pas komen!"
Meester Van Gelder sloeg van pure verwondering de handen in elkander
en zeide eindelijk: "Jongen, Michiel, ik weet wat! Ge hebt het zeker
nu niet druk?"
"Ja, Meester, heel druk! "Want over eene week of drie zeilen we
alweer uit!"
"Dat zal wel niet waar zijn, Michiel!"
"Toch heusch en stellig waar, Meester!"
"Ik weet er meer af dan gij, Michiel! Er loopen sedert vanmiddag rare
praatjes door de stad."
"Ja, Meester? En welke als ik vragen mag?"
"Dat de Spanjaarden weer groote vorderingen maken, te land, en terzee
weer te duchten zijn. De schepen, die binnen zijn, zullen vooreerst
wel binnen blijven ook! Het is of we na het Bestand minder flink en
doortastend geworden zijn!"
"Ze zeggen, dat Zijne Excellentie Prince Maurits ziekelijk is!"
"Dat is hij ook! Maar die binnenlandsche verdeeldheden hebben ons
veel kwaad gedaan!"
"Zou u denken, Meester, dat die verdeeldheden van--van--ja, de namen
ben ik vergeten...."
"Van Remonstranten en Contra-Remonstranten, Michiel!"
"Ja juist. En zou u denken, dat die de oorzaak zijn van het slappe
oorlogvoeren na het Bestand?"
"Ongetwijfeld, Michiel, stellig en zeker!"
"Weet ge wat onze Schipper zegt?"
"Neen, Michiel!"
"Hij zegt, dat onze mannen nu alleen oog en hart hebben voor de Oost
en de West. Ze hebben den lust verloren om te land te dienen. Op zee
is het veel voordeeliger!"
Meester Van Gelder streek de hand langs het voorhoofd en zei:
"Ge hebt eenen verstandigen kop van eenen Schipper, maar hierin
heeft de man geen gelijk. Van het land als soldaat te dienen zijn we
nooit voorstanders geweest. Wij gaven liever geld, lieten Zwitsers,
Duitschers, Franschen en Engelschen voor ons vechten en keken bedaard
toe hoe Prince Maurits met dat rommelzoodje van alle natiën en tongen
zulke groote dingen kon doen. Dat is zijn hoogste roem; dat lokte
Hertogen en Graven, Markiezen en Baronnen uit andere landen om van hem
te leeren hoe men krijgstucht uitoefent en met kleine middelen groote
dingen doen kan. Prince Maurits is de grootste Veldheer van zijnen
tijd. Maar de rust van het Bestand bracht onrust in de gemoederen. Nu
men niet meer de oorlogskaart voor zich had en met bonte spelden
den weg en de legers er op af teekende, greep men naar kleingeestige
twistgeschriften en men zette de bonte spelden bij allerlei nietige
twistvragen neer, alsof diezelfde twistvragen vijandelijke vestingen
waren. En in dat vechten kreeg ieder Nederlander lust; daartoe had
men wel dukaten beschikbaar, doch toen het Bestand ten einde was en
Prince Maurits om dukaten vroeg om den oorlog tegen heel andere dan
papieren vestingen met geleerden inkt bemorst, voort te zetten, was de
lust, de rechte lust er niet toe. En die lust werd niet aangewakkerd
door nieuwe krijgsbedrijven van den Prins, die alweer van meet af aan
beginnen moest met een mengelmoes van allerlei volk tot een krachtig
geheel te maken. We hebben ook te veel voorspoed gehad in den handel,
Michiel! Millioenen schats zijn ons land binnengekomen, maar--rijkdom
maakt een volk voor eenigen tijd wel machtig, doch krachtig nooit,
en waar macht geen gevolg van kracht is, daar valt de macht eens in
duigen, Doch, ik praat te veel, te geleerd misschien ook. Laat ik dus
liever eene vraag doen. Als ik goed gezien hebt en ge blijft ditmaal
lang aan den wal, hebt ge dan lust om na schooltijd bij me te komen,
dan zal ik je les geven?"
Michiel zei niet dadelijk ja; hij dacht om de kosten.
"En als ge soms denkt, dat ik er éénen duit voor rekenen zal, dan hebt
gij het mis! Nu ik gezien heb, dat ge wilt leeren, wil ik van mijnen
kant graag wat doen om veel goed te maken. Doen, gauw, zeg maar ja,
dan beginnen we dadelijk!"
Nu wilde Michiel niet neen zeggen, en het gevolg hiervan was, dat
hij pas bij Meester Van Gelder vandaan ging, toen het te donker was
geworden om nog iets te doen.
Dat hield Michiel zes of zeven weken lang zoo vol; want Meester Van
Gelder had gelijk gehad: de "Lijnbaan" zeilde vooreerst niet uit.
De Heeren Lampsens waren voorname kooplieden, maar zeer
bedachtzaam. Waar veel te winnen, maar als het tegenliep, ook veel te
verliezen viel, daar waren zij niet bij, en het gevolg hiervan was, dat
ze bijna nooit verliezen leden. Men vindt van hen aangeteekend, dat zij
voor eigen rekening twaalf schepen, die te zamen wel honderd tachtig
stukken geschut voerden, uitgerust hadden voor den handel. In 1632
zonden ze, ook voor eigen rekening, de "Samson" en de "Vlissingen",
twee oorlogsschepen uit om de Duinkerker kapers te tuchtigen, en ze
deden dat zóó goed, dat de verzekering van schepen, die op de Bocht van
Frankrijk voeren en reeds tot acht, ja, tot tien ten honderd gestegen
was, daalde tot drie ten honderd. De Duinkerkers durfden zich niet
roeren of bewegen, en bleven in de haven. In het jaar 1654 deden ze
het onbewoonde eiland Tabago, in Amerika, weder bevolken, een werk
dat hun in elf jaar tijds gelukte. Zij brachten de kolonisten, met al
wat dezen noodig hadden, in hun eigen schepen over. Adriaen Lampsens
was zelfs van 1650-52 Burgemeester van Vlissingen, en werd later
door Lodewijk XIV, Koning van Frankrijk, versierd met de ridderorde
van Sint Michael, en tot den Franschen adelstand verheven onder den
titel van Baron van Tabago.
Toen ik hierboven sprak van twaalf schepen, die samen wel
honderdtachtig stukken geschut voerden, hebt ge mogelijk wel gedacht:
waren dat dan oorlogsschepen?
Neen, het waren koopvaardijschepen, doch die, in tijden van oorlog,
ook wel eens dienst deden als oorlogsschepen. Men was toen wel
genoodzaakt de koopvaardijschepen sterk te bemannen en van geschut te
voorzien. Vooreerst, omdat we nog altijd in oorlog waren met Spanje
en op zee menigmaal Spaansche oorlogsschepen ontmoetten. Ten tweede
om de Duinkerker kapers, die aan het Nauw van Calais soms heel netjes
de binnenvarende schepen der Hollanders wisten te bemachtigen. Ten
derde om den naijver der Engelschen, die in Europa zoogenaamd onze
vrienden waren, doch in de Oost-Indiën ons meest altijd als vijanden
behandelden. En ten vierde, omdat die deelen van de Oost-Indiën,
waarop wij handel dreven, nog niet zoo onder ons gezag waren, of
ze konden onze schepen, die kwamen om te koopen, wel aanvallen en
plunderen. Om al deze redenen was in dien tijd een koopvaardij-schip
een oorlogsvaartuig in het klein.
Maar keeren we tot onzen Michiel terug.
Zes weken lang haalde hij, onafgebroken, iederen avond les, en of
Meester Van Gelder er nu meer slag van had dan de tweede Stuurman
van de "Lijnbaan", dan wel of Michiel nu nog meer zijn best deed
dan vroeger en gaandeweg gemakkelijker leerde, naarmate hij verder
kwam, het is onzeker; maar waar is het, dat hij al een heel eind in
de koopmans-berekeningen en de stuurmanskunst was gevorderd, toen
hij op zekeren avond alweer bij Meester Van Gelder kwam en zeide:
"Dat zal nu wel voor het laatst zijn, Meester!"
"Voor het laatst, jongen? Hoe dat zoo?"
"Wel, er is rondgeroepen, dat alle zeeluî, die door de omstandigheden
gedwongen zijn aan wal te blijven, dienst kunnen nemen bij de
busschieters in het Staatsche leger!"
"En waarom zoudt gij dat doen?"
"Och, ik zelf heb er niet zooveel lust in. Maar Vader zou graag zien,
dat ik het deed!"
"Ja, jongen, zulk een jong zeeman, die niemendal thuisbrengt, in den
kost te hebben, is niet zoo heel voordeelig, dat begrijp ik best. Er
zijn nog kleintjes thuis ook."
"Neen, Meester, dat is de reden toch niet. Ik betaal mijnen kost met
mijne spaarpenningen meer dan voldoende en er zijn bij ons thuis
al heel wat, die aardig helpen om de inkomsten te verbeteren. Van
armoede lijden is geene sprake meer, gelukkig. Maar de Spanjaarden
zijn in Brabant gevallen, en hebben onder Spinola de stad Steenbergen
al ingenomen. Nu trekken ze op Bergen-op-Zoom, of, ze zullen er reeds
wel wezen!"
"Bergen-op-Zoom zullen ze zoo gauw niet hebben; Michiel! Het is
sterker dan Steenbergen!"
"Jawel, Meester! Maar nu is Vader uit de buurt van Bergen-op-Zoom,
en hij trekt er altijd nog partij voor. Als hij geen huisgezin had,
zei hij, ging hij er heen. En toen hij dat gezegd had, voegde hij er
lachend bij: "Dat was net wat voor Michiel! Ze hebben het omgetrommeld,
dat alle zeelui aan den wal dienst kunnen nemen als busschieter! Hebt
gij er geenen lust in om eens onder onzen beroemden Prins Maurits de
Spanjaarden te lijf te gaan?"
Ik zag aan Vaders gezicht, dat het hem geen pleizier zou doen, als
ik neen zeide, en daarom zeî ik: "Wel ja, Vader, ik wil te land ook
wel eens dienen!"
"Dat doet me pleizier, Michiel! Ik ga je dadelijk bij den Magistraat
aangeven!" sprak Vader.
Dit gebeurde op straat terwijl ik naar u kwam; maar als ik straks
thuis kom, zal ik heel wat woorden moeten gebruiken om alles goed
te praten, want naar Vaders zin mag het zijn, naar Moeders zeker
niet! Morgen ga ik er al heen."
Zoo sprak Michiel en den volgenden dag was hij des avonds reeds te
Bergen-op-Zoom, waar de wakkere zeeluî met open armen ontvangen werden;
want het scheen bij Spinola meenens te zijn met deze belegering. Had
men er van Spaansche zijde in 1605 tot driemalen toe het hoofd voor
gestooten, Spinola zou dat eens verbeteren en zien of deze vesting
werkelijk zoo sterk was, als ze vertelden.
Maar iets ontbrak den dapperen, moedigen en beleidvollen Spinola. Hij
had geen enkel schip en moest dus aan eene zijde de stad onbelegerd
laten. En aan die eene zijde kwam alles binnen, wat de belegerden
noodig hadden: kruit, lood, geweren, levensmiddelen, en soldaten. Er
was geen gebrek aan iets. Het gevolg daarvan was, dat alle aanvallen
dapper werden afgeslagen, en dat Michiel, hij mocht al opgehouden
hebben een straatjongen te zijn, hier op zijne dreef was, zal iedereen
wel begrijpen. Wat hij uitvoerde en door welke drieste waagstukken of
schoone heldendaden hij zich onderscheidde, is nergens opgeteekend,
doch zijn levensbeschrijver, Gerard Brandt, deelt mede, dat hij er een
paard kocht waarvan hij zich "stoutelijk" diende en in de uitvallen der
bezetting verscheidene malen buit op den vijand behaalde. Als wij nu
in zijne levensgeschiedenis lezen, dat hij als volwassen man een zeer
slecht ruiter was en dat Spinola voor Bergen-op-Zoom in een beleg van
achtenzeventig dagen wel tienduizend man verloor, dan behoeven we niet
te vragen, of Michiel met of zonder paard ook zijn oud waaghalzenhart
lucht gegeven heeft. Stellig en zeker heeft hij dat gedaan en de
lust tot vechten schijnt hem toen eenige weken lang zoo bezield te
hebben, dat hij bij zijne thuiskomst uit Bergen-op-Zoom, eenigen
tijd als hoogbootsmans-jongen ten oorlog voer. Het leven aanboord
van een oorlogsschip scheen hem echter niet erg bevallen te zijn,
want al heel spoedig was hij weer thuis. Lang zou hij echter niet aan
den wal blijven, want in hetzelfde jaar was hij weer aanboord van de
"Lijnbaan", die ditmaal eene lading Fransche wijnen te Bordeaux zou
gaan halen.
Veel gereed te maken viel er niet, zoodat Michiel op zijn gemak overal
afscheid kon gaan nemen.
Van Meester Van Gelder kreeg hij een paar reken-, lees- en
schrijfboeken en de belofte mee, dat ze het nog eens zouden hervatten,
als hij weer aanwal was.
NEGENDE HOOFDSTUK.
BIJ DE KAPERS.
Als hij weer aanwal was, had Meester Van Gelder gezegd. Het was de
vraag of ze er weer zouden komen, en, als ze er weer aan kwamen,
zou het hier met recht heeten: door het oog van eene naald gekropen.
De reis was vrij voorspoedig, en reeds hadden ze Bordeaux met eene
lading wijn verlaten toen Lievensz. naar Michiel kwam en zei: "Ziet
gij daar ginder dat schip?"
"Ja, Bootsman! Is dat een bijzonder soort soms?"
"Zoo bijzonder, dat we, eer het avond is, best in handen van den
Spanjool kunnen zijn!"
"Ei, Bootsman! Maakt hij dan jacht op ons?"
"Geen weinigje ook," luidde het antwoord, en pas had hij dit gezegd
of de Schipper kwam bij hem en vroeg: "Wat denkt gij van dien Biscayer
daar, Bootsman?"
"Ja, Schipper, ik denk er zóó over. Ontzeilen kunnen wij hem niet,
want hij maakt veel meer vaart dan wij. Ons verdedigen zoo goed en
kwaad we kunnen, is de boodschap."
"Gij kunt gelijk hebben, Bootsman, doch daar we hem een heel eind voor
zijn, zou ik wel willen probeeren hem te ontzeilen. Gaat dat niet,
welnu, dan zal het kanon aan het woord zijn. Me zonder slag of stoot
overgeven doe ik niet," sprak de Schipper.
Nu was alles in de weer.
In de masten, aan de zeilen, aan het roer, op het voorschip,
tusschendeks, overal waren handen te kort.
"Wij vechten gaan, Michieltje!" zei Jan en wreef zich van pret in
de handen.
"Wat zal je doen, Jan? Met droge beschuiten gooien of met vuil
water?" vroeg Geleyn Evertsen.
"Ik zal neem de geweer, en pief-paf, ik schiet zal een Spanjool in
een twee!"
"Nu, Jan, zal de kaas niet van zijne boterham laten halen!" meende
Michiel.
"Ik geen boterham heb, ik geen kaas heb!" zeide Jan, die Michiel
natuurlijk niet begreep.
"Nog een, Michiel en Geleyn! Nu zijn er twee! Dat zal er spannen! Daar
is niet tegen op te werken," sprak Lievensz.
"Dus niet vechten?" vroeg Michiel.
"Ik zou zeggen van ja," antwoordde Geleyn. "Als ik ooit Schipper word,
zullen ze mijn schip nooit krijgen! Ik vecht me liever dood!" [4]
"Dood is dood!" zeide Lievensz. "Als we een tegen drie zijn, dan
waag ik het er ook op! Maar nu zijn we stellig niet eens een tegen
tien. De Biscayers hebben altijd veel volk aanboord en, ze hebben
moed als Watergeuzen."
"Daar zijn er drie, Schipper," zeide nu de Stuurman. "Kijk, daar
juist achter die voorste!"
De Schipper keek in de aangewezen richting, en nu ook den derden roover
ziende, zei hij: "Hoor eens, mannen, we zullen het zien te ontzeilen,
dat is al wat er op zit. Van tegenweer bieden komt niemendal in!"
"Kunnen we soms niet eenen list verzinnen, Schipper?" vroeg
Michiel. "Wie niet sterk is, moet slim zijn."
"Noem er maar een op!" was het antwoord.
"Wel, hij wil die luî allemaal dronken voeren en ze dan aan het dek
binden, niet waar, Michiel?" zeide de Scheepsbarbier, die Michiel
niet lijden mocht, op sarrenden toon.
Michiel ging nijdig weg en bromde: "Als ik Kapitein word van een
schip, ik zal mijnen vijand ontkomen door geweld of door list, halen
waar halen!"
Intusschen kwamen de Biscayers steeds nader, en aan ontzeilen viel
niet te denken.
"Vechten willen niet hij? Hij is kruip weg, bang, ja?" vroeg Jan op
den Schipper wijzend.
"Neen, er wordt niet gevochten," antwoordde Michiel botweg.
"Wij eens willen afsteken die kanon, hé? Bom, hij zal zeg, ach,
zoo mooi, zoo mooi dat gaat!"
Daar viel een schot van eenen der roovers.
De kogel vloog juist voor den boeg over het water en maakte een
vreeselijk geweld.
"Nu, als ge dan toch wilt, dat we een kogeltje zullen wisselen,
komaan dan!" zei de Schipper en gaf bevel een kanon te richten.
Bom! daar viel weer een schot van den vijand.
Nu vloog de kogel door het tuig van de "Lijnbaan" zonder erg veel
te beschadigen.
"Dat toch vecht," riep Jan en kwam met zulk een groot zinkroer op het
dek, dat hij nauwelijks voort kon. "Zeg, Michiel, jij ook deze ding?"
"Ik zou een kanon genomen hebben," zeide Michiel. "Neen, mannetje,
dat heb-je te Bergen-op-...."
"Vuur," beval de Schipper.
Het kanon ging af en, plof, daar lag onze Jan met zijn zinkroer
languit op het dek.
Van één kogeltje wisselen kwamen er twee, drie, vier, ja, wel
honderd kogels, en als de "Lijnbaan" het niet met drie aan den stok
had gekregen, dan zou het nog de vraag geweest zijn of de Biscayers
"Victorie" zouden geroepen hebben.
Eén Biscayer was in ontredderden toestand terug geweken, doch nu
naderden de twee anderen.
"O, God," riep eensklaps de "Barre Bruinvisch" uit, en hoewel hij
aanvankelijk staan bleef, zag men toch dat hij door een musketschot
in de borst getroffen was.
Michiel, Jan en Geleyn schoten toe om hem te ondersteunen, daar hij
reeds begon te vallen.
"Dat is eene harde pil, die ze me daar te slikken hebben gegeven,
jongens," zeide Lievensz., moeite doende nog even eene aardigheid
met lachend gezicht te zeggen.
De drie jongens pakten hem voorzichtig op en droegen hem naar
den grooten mast, waar ze hem met het hoofd op eene rol kabeltouw
nederlegden.
Geen zacht hoofdkussen voor eenen gekwetste!
Ja, wat zal men iemand, die in den oorlog, hetzij men dien te land
of op het water voert, al beter geven? Het is altijd nog wat.
"Gaat je plicht doen, jongens, en laat mij maar liggen! Als ik sterven
moet, kan ik dat heel goed alleen af," sprak Lievensz. kalm.
Jan en Geleyn gingen terstond, doch Michiel aarzelde.
"Nu, jij ook, dappere jongen!" zei hij.
"Laat mij hier blijven om u te helpen, als de roovers kwaad willen
doen," sprak Michiel.
Lievensz. lachte verwonderlijk raar en zeide: "Mij kwaad doen, zeg
je? Loop, jongen, aan den "Barren Bruinvisch" is geen kwaad meer te
doen! Nog een paar hapjes, dan is zijn beschuit op, en gaat hij voor
altijd naar de kooi. Maar zeg, luister eens!"
Michiel boog zich over hem.
"Je weet dat ik nog eene Moeder en twee zusters te Westersouburg heb,
nietwaar?"
"Ja, Bootsman!"
"Goed! Mocht je nu op de eene of andere manier daar nog eens komen,
zeg haar dan, dat ik haar g'ndag gezegd heb. En laat me nu alleen,
ik wilde nog wel even wat zeggen tegen den Grooten Baas!"
"Tegen wien?" vroeg Michiel verwonderd.
"Stil, jongen, stil, ik bedoel den Lieven Heer! Dag, Michiel!" sprak
Lievensz. zacht. Hij vouwde de handen, sloot de oogen en Michiel
hoorde het begin van zijn gebed: "Onze Vader!"
In dien tusschentijd hadden de Biscayers de "Lijnbaan" geënterd, en
er was al heel wat vijandelijk volk op het dek. Jan Kompanjie had al
eenen klap om de ooren gekregen, dat hij het noorden van het kompas
in het westen zocht, en juist toen Michiel zich met een eind hout
wilde verweren, kreeg hij een lichte sabelhouw in den arm en werd
gevangen genomen.
"Jij blijf af van Michiel!" riep Jan, die ineens opsprong en het
noorden gevonden had.
Pats, daar kreeg hij er weer een, die raak was.
Jan trok een afschuwelijk leelijk gezicht, alsof hij beproeven wilde,
den vijand hiermede op den loop te jagen. Maar deze scheen zich om
geene leelijke gezichten te bekommeren, en gaf Jan opnieuw eenen dril
om de ooren, zoodat zijn mond weer in het fatsoen schoot.
Het was er anders verre van af, dat de bemanning van de "Lijnbaan"
lafhartig was. Men vocht zoo lang men kon en waarmede men kon. Alles
werd wapen genoemd. Geleyn zelfs had de puts, waarmede men aanboord
water uit zee ophaalt, aan eenen kleinen ketting, en sloeg er hiermede
op in.
"Geef je over!" riepen de roovers in het Spaansch.
"Neen," antwoordde de bemanning van den "Lijnbaan", in het Hollandsch.
"En hier heb je mijn antwoord," riep de Schipper, den Kaper-kapitein
eenen slag met de volle hand in het aangezicht gevende, waarna hij
onder het roepen van: "Liever verdrinken dan slaaf worden," overboord
sprong. De Stuurman volgde zijn voorbeeld.
Thans viel er aan verder verzet niet meer te denken. Het overschot
der bemanning gaf zich over.
De Biscayers hadden dus overwonnen en de "Lijnbaan" zou niet weer te
Vlissingen aankomen.
Maar ook de Schipper en de Stuurman, die Michiel geleerd had, zouden
hunne vaderstad niet meer weder zien, terwijl zes man van de matrozen
thuis ook tevergeefs gewacht zouden worden.