Vader tastte in den zak en gaf terstond eenen duit en wel eenen waarin

een gaatje geboord was.

"Dat treft ge," zeide hij. "Een duit met een gat is altijd wat!"

"Ik zal hem als bagijnenkoek bewaren, Vader!" was het antwoord van

Michiel, die evenals alle menschen van dien tijd, enkelen misschien

uitgezonderd, geloofden dat men niemand een snijdend voorwerp

ten geschenke mocht geven, of men moest een klein geldstuk terug

hebben. Het had dan den schijn, alsof het gekocht was, en zou dan de

vriendschap niet meer afsnijden. Zoo ook geloofde men vrij algemeen

dat hij, die een geldstuk met een gaatje erin ontving, zegen met dat

geldstuk hebben zou.

Voor Moeder, Alida, Cornelia en den Dominé had hij Indische kamermuilen

medegebracht, en voor buurman Engels en baas Lorkens ieder een mes,

als Vader had. Maar Vaders mes was mooier dan al de andere, evenals

Moeders kamermuilen veel mooier waren dan de overige. Verder kwamen

er uit de kist nog allerlei vreemde dingen, zooals groote kinkhorens,

die de kinderen al voor de ooren hielden om de zee erin te hooren

ruischen,--groote zeeschelpen, besneden doosjes van schildpad,

waarvan Maria er een kreeg, kokosnoten, groote boombladeren, eenige

mooie vogelvederen, een paar Chineesche scheepsbeschuiten waarvan ze

allemaal proeven moesten, doch die ze geen van allen lekker vonden,

daar ze zoo muf smaakten,--een paar uitgeblazen struisvogel-eieren,

die hij aan Kaap de Goede Hoop van eenige wilden voor eenen knoop van

zijn buis geruild had, toen ze water innamen, en eindelijk eene kris,

dat is een Javaansche dolk, dien hij te Batavia, dat nog wel klein

was, maar waar toch veel omging, gekocht had. Het beste evenwel kwam

achteraan. Het was een lederen beursje met geld, zuiver overgespaard

geld, dat hij zelf verdiend had. Hij gaf het Moeder Alida en zei:

"Hier, Moeder, om vanavond eens spek-pannekoeken te eten!"

"Alles opmaken vanavond, jongen?"

"Er is zoo heel veel niet in, Moeder! Maar wat er overschiet is een

appeltje voor den dorst."

Moeder Alida nam het geld dankbaar aan en--dien avond was er feest.

Vader Adriaen had al den tijd dat Michiel weg was, iedere week eene

kleinigheid van zijne buitenkansjes weggelegd om, als Michiel thuis

kwam op bier te trakteeren.

Michiel, van zijnen kant voor Vader niet willende onderdoen, onthaalde

op spek-pannekoeken.

Het kleine huiskamertje was propvol; men zat tot op de ijzeren

vuurplaat, ja, tot op de bedstee-sponde; want daar waren er van Vader

Adriaens huisgezin dertien zoo klein als groot. Verder had men er den

"Barren Bruinvisch", Dominé, buurman Engels met zijne dochter Cornelia

en zijn nichtje Maria, Geleyn Evertsen en Jan Kompanjie, welke twee

laatsten bij Michiel op de bedstee-sponde zaten. Deze werd op den duur

wel wat al te hard en dan gingen ze een poosje staan om wat te bekomen.

Eindelijk, nadat het spek-pannekoekenmaal binnen was en men het bier

een paar keeren geproefd had, zei Vader Adriaen: "En nu zal ik eens

zeggen, hoe ik van Bergen-op-Zoom hier in Vlissingen geland ben. Ik heb

dat mijnen kinderen nooit verteld, en Moeder Alida is het misschien

al vergeten. Luistert nu maar goed, kinderen, want ik vertel het na

dezen keer niet meer."

Alles werd stil; Michiel, Geleyn en Jan Kompanjie wipten weer op de

sponde, Jan in het midden, en Vader Adriaen begon.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

HET MUIST, WAT VAN KATTEN KOMT.

"Mijn Vader Michiel Adriaensz. was een Brabanter van geboorte

en reeds in het begin van den oorlog tegen Spanje, die, als het

twaalfjarig bestand straks achter den rug is, alweer voortgezet zal

worden, ging hij bij de Staatsche ruiters. Maar bij die ruiters was

weinig te verdienen en daarom trok hij zich eindelijk van den dienst

terug, en kocht van zijn spaargeld en zijn Vaders versterf een klein

boeren-bedrijfje onder Bergen-op-Zoom. Daar kregen Vader en Moeder

dikwijls bezoek van Vaders oude kameraads, die te Bergen lagen of in

den omtrek rondzwierven. Dat was zeer tegen den zin van Moeder; want

de verdiensten waren heel min, en de tijden waren er ook naar. Nu

eens waren mijne Ouders overgeleverd aan den Spanjool, dan aan de

Staatschen, en Moeder heeft me dikwijls gezegd, dat beide partijen zoo

al één pot nat en met hetzelfde sop overgoten waren. Als de wijnkan

of de bierkroes rondging, dan was alles in de rozen! Dan speelden ze:

o, aap wat hebt gij mooie jongen, dan dronken ze op het lang leven

en het welzijn van den jong geborene, dat was ik, en waren Vader en

Moeder de beste menschen van de wereld. Maar hing de broodzak hoog,

bleef de spinde gesloten en kwam er geen wijn of bier, dan scholden

ze Vader en Moeder uit voor al wat leelijk was, dan hoopten ze dat

de pasgeborene in zijn leven slecht weg zou komen, en dan waren er

geen akeliger menschen op heel de wereld dan de boer en de boerin van

"de Goot". Zoo heette Vaders hofstede moet ge weten. Weer eens na zulk

eene weigering om het volk bier of wijn te schenken, waren de ruiters

vertrokken, doch namen uit wraak voor Vaders zoogenaamde karigheid,

zijne twee paarden uit de weide mede. Den volgenden morgen miste Vader

ze terstond, en terwijl hij naar Bergen ging om zich bij zijnen ouden

Overste te beklagen, zag hij zijne paarden bij die van de ruiters in

eene weide grazen. De Overste, een bar man, hoorde Vader nauwelijks

aan en zeide, toen hij uitgesproken had: "Met zulke dingen bemoei ik

mij niet!"

Vader ging heen, doch toen het donker was, haalde hij zijne paarden

uit de ruiterweide weg en bracht ze bij eenen goeden vriend in den

omtrek om ze voor hem een tijdlang te bewaren.

Eens op eenen avond, dat Vader en Moeder juist met elkander zaten te

bespreken, hoe ze doen moesten om niet al te veel te kort te komen,

begon de werfhond te bassen en hoorden ze eenen troep ruiters de

werf opkomen.

"Hola! Is Vader Michiel thuis?" klonk eene ruwe stem, en zonder

verlof te vragen trad een der ruiters binnen. Hij had aardig den prins

gesproken, dat wil zeggen, hij was leelijk dronken. Na hem kwamen er

nog een stuk of zes anderen en altemaal in denzelfden toestand. Van

zijne vrienden moet men het hebben. Het waren allen oude kameraden

van Vader.

"Zeg, ouwe potter, zet ereis een paar flesschen wijn op tafel. We

komen je gezondheid drinken!" zeide de baas van het troepje, die nog

het minst dronken was, "en dan meteen vragen, waarom gij die twee

knollen weer teruggehaald en waar gij ze gebracht hebt."

"Wijn, Van der Meulen," zei Vader, "wijn heb ik geen droppel in

huis. De tijden zijn er niet naar dat een klein boertje er eenen

wijnkelder op nahoudt! En mijne paarden zijn niet meer hier!"

"Papperlepap, hoor me dien ouden duitendief daar eens rare noten

kraken. Hij heeft geenen wijn, jongens!"

"Wijn, wijn!" riepen de anderen, en stampten met hunne sabels zoo hard

op den vloer, dat de plavuizen midden door braken. "Wijn, wijn! Wie

zijne paarden terughaalt, moet ons wijn geven! Halloh, wijn, man!"

"Maar, jongens, geloof me dan toch, ik heb geenen wijn!" sprak Vader,

die de ruiters op de Mookerheide wenschte.

"We zullen hem halen!" schreeuwden ze en ze gingen nu in de spinde, in

den kelder, op zolder, ja, overal kijken of ze geenen wijn vonden; maar

daar Vader waarheid gesproken had, konden ze geen droppeltje ontdekken.

Dat kwam vloekende en tierende weer terug. Vader werd uitgescholden

voor al wat leelijk was, en Moeder had bijna nog klappen kunnen

oploopen. Zoo ver kwam het evenwel niet; want daar ze zagen, dat er

toch niets te halen viel, gingen ze spoedig weg om ergens anders hun

fortuin te zoeken.

Maar buiten bleven ze nog een poosje met elkander kibbelen.

"Ik vertrouw dat dronken volk niet; ik ga kijken wat ze uitvoeren,"

zeide Vader.

"Och, neen, laat dat, Michiel," sprak Moeder, "Wie weet wat ze

beginnen, als ge buiten komt. Het waait hard en ze zullen wel gauw

weggaan; want het is te koud om daar lang buiten te staan."

Vader liet zich bepraten en bleef in huis. Hij grendelde de deur en

kwam weer zitten.

Had hij zijn hoofd maar eens even, even buiten de deur gestoken,

dan zou hij dadelijk gezien hebben, dat het baldadige, dronken volk

niet weg gegaan was zonder dat ze eerst den rooden haan hadden laten

kraaien. Ze hadden eenen stapel takkenbossen, die vlak tegen de schuur

lagen, inbrand gestoken en de wind joeg de vlammen weldra tot het

rieten dak op. Toch werden Vader, Moeder en de meid niets gewaar en

ze gingen naar bed.

"Er is weer hevig noorderlicht," zeide Vader, toen hij de kaars

uitblies. "Heel de lucht is vlammend rood."

"Dat geeft onheil, Michiel, dat geeft onheil voor ons land," sprak

Moeder. "Dat is nu al de vijfde avond, he, dat het zoo erg met dat

noorderlicht is?"

"Het is de zevende avond al, vrouw!" zei Vader. "We willen hopen,

dat het alleen eene waarschuwing voor ons zijn zal om op den boozen

weg niet voort te gaan. Wel te rusten, Moeder!"

"Wel te rusten, Vader!" klonk het.

Spoedig was alles in diepe rust.

Maar midden in den eersten slaap komt de meid van de meidenkamer

vliegen en roept: "Brand! Brand!"

Het was hoog tijd. De voordeur stond al te rooken.

Vader en Moeder schoten hun goed aan en snelden naar buiten om te

zien waar ergens de brand was.

"O, God, Michiel! Adriaen ligt boven nog in zijn bedje en de trap

brandt al. Houd met Mina," zoo heette de meid, "een deken op, dan

zal ik hem uit het raam naar beneden gooien," riep Moeder in den

grootsten angst uit.

Hierop vloog Moeder de brandende trap op en kwam op zolder waar ik

vreeselijk tekeer ging.

Moeder nam me op, keek naar de trap, maar--

Krak--krik--krek, zeide de trap en stortte in.

Moeder voelde dat de zolder onder hare voeten wiegelde.

Er was geen tijd van nadenken.

Ze snelde naar het venster, smeet het open en riep: "Ben je daar? Houd

je de deken op?"

"Ja!" riep Vader.

"Heb je ze stevig vast?"

"Ja, stevig, gauw maar wat!" riep Vader weer.

Rrrt, daar ging ik.

De menschen hebben later verteld, dat ze niet wisten dat een kind zulke

leelijke geluiden kon voortbrengen, als ik er toen liet hooren! Het

moet akelig geweest zijn.

"De zolder stort achter me in! Ik kan niet meer naar beneden

komen!" schreeuwde Moeder voor het raam, toen ze gezien had, dat ik

zonder letsel te krijgen op de deken terecht was gekomen.

"Spring dan ook maar door het raam op de deken, we zullen u ook

opvangen!" riep Vader.

Wat zou Moeder doen?

Ze keek naar beneden en ijsde van de hoogte.

Maar weer stortte er een stuk zolder achter haar in.

"O, God, help me!" bad ze en onder het geroep van: "Houd goed

vast!" sprong ze door het venster en--zonder zich zelfs bezeerd te

hebben was ze bij Vader op den grond en buiten gevaar.

Het geheele huis en de geheele schuur, met alles wat er in was,

brandde tot den grond af, en beroofd van alles, stonden mijne Ouders

daar midden in den nacht, half gekleed met een schreiend kind, dat

niets aanhad dan zijn nachtgoed.

"Komt voor vannacht bij ons, buurtjes," zeide een herder, die dicht

bij ons woonde.

Wij gingen daar binnen en toen Vader zei: "Ik zou wel eens willen weten

of het noorderlicht nu brand veroorzaakt heeft," sprak de herder,

"Wel neen, Michiel, dat kan het noorderlicht niet doen. Maar dat

hebben zeker Staatsche ruiters gedaan; want een groot uur geleden

kwamen ze hier voorbij en ik hoorde duidelijk een zeggen: "Hebt gij

nu den rooden haan wel goed laten kraaien, Joost?" waarop een ander

antwoordde: "Zeker, niets vaster!"

Toen ze voorbij waren ging ik eens buiten kijken, doch ik kon niets

anders zien dan het noorderlicht, dat een uurtje geleden heel prachtig

was. Ik ging naar bed, doch ik had geene rust, ik stond op, keek weer

eens naar buiten en, jawel, daar zag ik "de Goot" in brand staan. Ik

kleedde mij gauw aan om te kunnen helpen, maar, ik kwam te laat! Er

viel niets meer te redden. Gij zijt er dan wel ongelukkig aan toe,

beste menschen! En wat ik u raden zou is, dat ge wat gaat slapen. Met

het daglicht komt misschien raad."

Vader en Moeder legden zich op eenige bossen stroo neder, dekten zich

met hunne kleederen en eenen ouden mantel van den herder, namen mij

in hun midden en--wachtten den dag af.

Of ze dien nacht geslapen hebben, zie, dat hebben ze me nooit verteld.

Den anderen dag gingen we treurig en moedeloos naar Bergen, en omdat

veel menschen ons daar kenden, werd er gauw eenig geld bij mekaêr

gebracht om wat meubels, kleeren en dek te koopen, teneinde ons in

de eerste behoeften te voorzien.

Vader en Moeder bleven te Bergen wonen en ik ging op. mijn tiende

jaar naar zee...."

"Hé, Vader, hebt gij dan ook gevaren?" riep Michiel uit.

"Ja, jongen, ik heb gevaren! Ik heb schipbreuk geleden, ik ben met den

Spanjool aan den slag geweest; ik heb op zee ons schip zien verbranden

en toen drie weken lang met den Kapitein en de andere maats in eene

kleine boot op zee rond gezwalkt! Ik ben toen thuis gekomen en weer

gaan varen. Ik kwam in Vlissingen, leerde daar mijne eerste vrouw, die

ook Alida Jans heette, kennen, en trouwde met haar. Twee jaren later

was ik weduwnaar. Ik voer toen van Middelburg voor rekening van de

"Maatschappij van Verre landen" en leed weer schipbreuk. Toch zou ik

weer zijn gaan varen; maar hier uwe Moeder, kinderen, ook eene Alida

Jans, wilde niet met me trouwen, als ik niet aan den wal bleef. Ik

deed haren zin en werd bierdrager. Maar, als ik de zee zie...."

"Zijt gij dan ook in de Oost geweest, Vader?" liet Michiel zich

weer hooren.

"Ja, jongen, wel tweemaal zelfs, en, kijk, als ik de zee hoor bruisen,

zie, dan gaat mijn hart in de hoogte als een kan schuimend bier. Ik

ben aanwal met mijn lichaam, maar mijn hart is op zee. Ik heb uwe

Moeder beloofd u mijne geschiedenis maar éénen keer te vertellen,

omdat ze bang was, dat een van allen ook zou gaan varen. Ik heb ze

ook niet verteld, en zonder dat te doen is er toch één het zeegat

uitgegaan. Ik heb daarom aan uwe Moeder gevraagd of ik het vanavond

doen mocht en toen heeft ze gezegd: "Och, Adriaen, doe het maar! Het

zwijgen heeft toch niet geholpen!" Dat is nu uw Vaders geschiedenis,

kinderen! Ik ben nu aanwal en ik zal aanwal blijven zoolang ik leef,

maar--de glazen vol, vrienden, boordevol,--al ben ik de grootste

landrot, die er leeft, toch stel ik van ganscher harte den dronk in:

"Kielen, wielen, rand om 't land. [3] Maar de kielen, het eerst

genoemd, staan bij mij toch altijd bovenaan."

"Kielen, wielen, rand om het land!" riepen ze allemaal en dronken

hunne glazen ledig.

"Hoor eens, vriend Adriaen, nu ga ik aanboord, hoor," zeide de "Barre

Bruinvisch", "het wordt mijn tijd! Maar eer ik dat doe, wil ik u toch

wel zeggen, dat ik nu begrijp waarom Michiel zoo'n ferm zeeman is!"

"Waarom dan, Lievensz.?"

"Waarom? Het muist wat van katten komt! Hei, Jantje, mee, jongen! Ik

wensen je allemaal den vrede!"

"Ikke meega, Bootsman! Hé, niet loopen kan van dat plank! Dat zeer

doet!" zei Jan en volgde zijnen zeevader.

Het overige gezelschap ging ook uiteen en toen Dominé zijne huisdeur

opende, bromde hij in zichzelven: "Ja, ja, die Lievensz. heeft gelijk:

Het muist wat van katten komt!"

ACHTSTE HOOFDSTUK.

VERLOREN TIJD INHALEN.

Het was zooals de Schipper of de Kapitein van de "Lijnbaan" voorspeld

had, men bleef maar kort aan den wal. Reeds vier weken later was

Michiel weer in zee.

Ook ditmaal had de "Lijnbaan" eene zeer voordeelige reis en getuigde de

"Barre Bruinvisch" van Michiel, dat hij de uitmuntendste jongen was,

dien hij nog ooit gehad had. Zelfs Geleyn Evertsen moest voor hem

onderdoen, en dat zeide zoo iets.

Michiel echter dacht nog altijd aan zijne zoogenaamde ingeving en

aan zijne beloften, aanboord nog te zullen leeren. Hij begreep zeer

goed dat hij, met het weinigje kennis, dat hij bezat, het niet ver

zou brengen. Dat zag hij dagelijks aan den "Barren Bruinvisch."

Andere reeders, vooral uit Middelburg, hadden Lievensz. wat dikwijls

gevraagd of hij niet bij hen aanboord, als Bootsman, wilde dienen,

hij zou dan zoo en zooveel dukaten meer in het jaar krijgen.

Dat nu doet een reeder zoo gauw niet en de "Barre Bruinvisch" moest

dan ook meer waard zijn dan anderen.

De Heeren Lampsens, die eenen Bootsman, als Lievensz. was, liever

wilden houden, verhoogden telkens zijn loon, en de man had dan ook,

ik weet niet hoe dikwijls gezegd: "Zoolang de Heeren Lampsens schepen

hebben en ik varen kan, zoolang blijf ik bij hen aanboord, en zal ik

me op geen ander schip laten aanmonsteren."

Maar wat was Lievensz. aanboord van de Heeren Lampsens?

Bootsman!

Wat zou hij zijn leven lang blijven?

Bootsman!

Wat kon hij op schepen van andere reeders worden?

Bootsman!

Wat zou hij daar misschien, voor veel geld, blijven?

Bootsman!

En hoe kwam dat?

Lievensz. zelf heeft het al gezegd: hij kon niet lezen of niet

schrijven, en aan vooruit komen was dus niet te denken.

Dat wist Michiel, en Michiel wist ook zeer goed dat hij denzelfden

weg zou opgaan, als hij niet maakte, dat hij wat meer wist, dan wat

hij op de drie scholen waar hij weggejaagd was, nog had kunnen leeren.

In zijne ledige oogenblikken, als zelfs Jan Kompanjie en Geleyn

Evertsen met de matrozen grappen maakten, of met de dobbelsteenen

speelden, zat Michiel met een boek of eene lei voor zich.

Het kostte hem wat moeite om de vermenigvuldiging en deeling met

tiendeelige breuken, nog niet zoo heel lang geleden door Simon Stevin

in gebruik gebracht, in het hoofd te krijgen, en de Stuurman, die hem

leerde lezen en zijne sommen nazag, haalde dikwijls onder het lezen

de schouders op en zeide dan: "Domoor, dat staat er niet! Eene slak

op eenen drogen zandweg vordert meer dan gij."

Op eenen anderen tijd, als er gerekend was, ging er vaak eene dikke

streep door al de sommen heen, omdat er niet ééne goede was. Ja, er

haperde dan weinig aan of Michiel kreeg, nadat hij zich had hooren

toevoegen: "Domoor, niemendal goed," bijna de lei naar het hoofd.

En als Michiel dan die doorgestreepte sommen zag en hij dacht aan

de moeite, die hij gehad had, ze te maken, zie, dan smeet hij lei,

boek, pen en griffel wel eens baloorig weg en begon dan, met de handen

onder het hoofd, een deuntje te huilen.

Maar dan sprong hij dikwijls weer opeens op, droogde zijne tranen af,

nam lei, boek, pen en griffel weer in de hand en zei tot zichzelven:

"Michiel, Michiel, zóó komt gij er niet! Zóó blijft gij levenslang de

oude knecht. Denk er aan, jongen, wat ge op den avond vóór de eerste

reis tegen uwe goede Ouders in het bijzijn van den "Barren Bruinvisch"

en van buurman Engels gezegd hebt. Weet ge het niet meer?"

--Jawel, willen is kunnen!--

Juist, willen is kunnen! Pak op, lei, boek, pen en griffel! Maak de

sommen dertig- ja, veertigmaal fout, ééns zullen ze goed zijn en zal

de Stuurman zeggen: "Zoo, dat is er in! Nu wat anders! Eens zult ge

zelf begrijpen, wat ge leest en het zal zóó goed gaan, dat alweer de

Stuurman zegt: "Zoo, jongen, dat is goed! Dat gaat vooruit!" Toe dan,

Michiel, den verspeelden tijd inhalen, en gaat het moeielijk, ja,

lijkt het onmogelijk, op, op, bootsmansjongen! Willen is kunnen!"

En als Michiel zoo met zichzelven aan het redeneeren geweest was,

dan ging hij aan het werken, aan het spellen, lezen en rekenen,

dat hem de ooren gloeiden, de wangen tintelden en hem het zweet met

groote druppels van het hoofd vloeide.

Dat wel besteden van zijnen tijd, en die ijzeren wil van Michiel

waren dan ook oorzaak, dat de Stuurman dikwijls tot zichzelven zeide:

"Zou het ook aan mijne manier van onderwijzen haperen, dat de jongen

niet harder vordert? Als hij maar één vrij oogenblikje heeft, gebruikt

hij het om te leeren en--dom of traag van begrip is hij in het geheel

niet. Ik moet toch nog eens een ander middel bedenken om hem het een

en ander aan zijn verstand te brengen!"

De Stuurman deed, wat hij zich voorgenomen had, maar de man kon niet

helpen, dat hij den slag van "duidelijk maken" maar niet beet krijgen

kon, al wist hij zelf de zaken ook nog zoo goed. Intusschen, waar

èn de onderwijzer èn de leerling zóó zich inspannen, daar moet wat

geleerd worden, al is het ook niet veel, en al gaat het voetje voor

voetje en zóó langzaam, dat men voor zichzelven begint te gelooven,

dat men niet vordert.

Daar kwam hij van zijne tweede reis thuis en toen hij in het kantoor

van de Heeren Lampsens stond om zijn geld te ontvangen, sprong hij

ineens op en riep: "Goddank!"

"Wat is er, jongen?" vroeg Adriaen, de oudste der broeders, natuurlijk

over dien uitroep verbaasd.

"O, Sinjeur, Sinjeur, het heeft toch geholpen! Ik ga vooruit!" riep

Michiel opgewonden uit.

"Wat mankeert die jongen, Cornelis?" vroeg nu Adriaen aan zijnen

broeder.

"Ik weet het niet! Ik geloof, dat het hem in de bovenkamer hapert!"

"Neen, neen, Sinjeurs, alles behalve dat! Ik ga vooruit, ja, en

zelfs veel harder vooruit dan ik zelf meende. En ik dacht, dat ik

niet vorderde!"

"Maar waarin gaat gij dan vooruit?" vroeg Cornelis.

"In de kunst van lezen, Sinjeur!"

"Aha! Is er daarom zulk eene pret in het land? Daarom zoo blij? Nu,

dat is een goed teeken. Maar hoe weet ge, dat ge in de leeskunst nog

al veel vooruit gegaan zijt?"

"Wel, Sinjeurs, toen ik den laatsten keer hier was, kon ik het schrift

van die koopmans-brieven, die daar hangen, niet lezen, en nu wel!"

"Ferm zoo, Michiel, ferm zoo!" sprak Adriaen, en zijne hand op het

hoofd van den knaap leggende, zeide hij nog: "Zoo komt men vooruit

in de wereld!"

"En van wien leert ge dat, Michiel?" vroeg Cornelis.

"Van den tweeden Stuurman, Sinjeur! Och, hij heeft zooveel geduld

met me. Hij leert me rekenen ook!"

"Nu, dat is goed, jongen! Vertel het hem maar, hoor! Het is eenen

leermeester altijd aangenaam zoo hij te weten komt, dat zijn discipel

vorderingen maakt! Dag, Michiel!"

"Goeden middag, Sinjeurs!" antwoordde Michiel en liep, in de blijdschap

zijns harten, naar de "Lijnbaan", om daar den goeden Stuurman terstond

te vertellen, dat hij, Michiel, in het lezen toch zulke vorderingen

gemaakt had.

De Stuurman hoorde hem lachend aan en zei: "Mooi, mooi, jongen! Op

de volgende reis zullen we het er nog eens van hebben!"

"Alsjeblief, Stuurman, alsjeblief!" riep Michiel, en snelde nu naar

huis toe, waar hij zijne lieve Moeder de tranen van blijdschap in

de oogen deed komen op zijn bericht, dat hij in de leeskunst zoo

vooruitging. En ieder moest dat weten, ja, ook hij, hij!

Wie was die hij?

"Moeder, ik heb alweer een paar Oostersche muilen meegebracht, ik ga

ze eens wegbrengen!"

"Dat is goed, jongen! Aan wien?"

"Aan Meester Van Gelder, Moeder! De andere twee Meesters zijn dood,

anders bracht ik die er ook ieder een paar."

Moeder Alida sloeg van verbazing de handen in elkander en riep:

"Een paar muilen voor Meester Van Gelder?"

"Ja, Moeder!"

"Voor-Meester-Van-Gel-der?" herhaalde Moeder Alida, niet tot zichzelve

kunnende komen van verbazing, en op iedere lettergreep drukkende.

"Ja, Moeder, voor Meester Van Gelder, voor niemand anders. Vindt ge

dat zoo vreemd?"

"Maar, jongen, zijt gij dan die katten-geschiedenis heelemaal

vergeten? Is de bullepees, waarmede hij dreigde, u dan uit de

gedachten?"

"Neen, Moeder! Maar dat de Meester dacht dat ik het gedaan had,

was niet zoo heel gemeen van hem!"

"Maar, kind, wat hoor ik nu pas? Hebt gij het dan toch gedaan?"

"Neen, Moeder, maar zou het zulk een wonder geweest zijn, als ik het

gedaan had?"

"Neen, Michiel, want ge waart bar ondeugend!"

"Welnu, Moeder, omdat ik zoo ondeugend ben geweest, én omdat ik weet

dat ik Meester Van Gelder dikwijls reden gegeven heb mij te straffen,

èn ook omdat ik weet, dat hij mij wel leeren wou, maar dat ik niet

wilde, daarom ga ik hem een paar muilen brengen en vragen of we goede

vrienden kunnen worden!"

Moeder Alida veegde met heur voorschoot zich den mond af, doch kwam

toch wat hooger ook.

"Kom eens hier, Michiel!" zei ze.

Michiel deed het.

Moeder boog zich tot aan zijn oor en fluisterde hem toe: "Zeeman,

kleine zeeman, je bent Moeder Alida's liefste jongen! Zijt gij nu

niet boos meer op me, dat ik het altijd tegen gehouden heb, dat ge

naar zee gingt?"

"Moeder, ik boos?" zei Michiel zachtjes. "Nooit boos geweest op u! Ik

kon nooit boos op u zijn!"

De zachtzinnige en teedere Moeder gaf haren lieveling eenen kus en

zei: "Ga, kind, ga naar uwen ouden Meester! Het is zoo goed, alsof

gij eenen kerkgang doet!"

Michiel ging de deur uit, knikte door de ruiten zijne Moeder nog

eens vriendelijk toe, en liet een vijf minuten later den klopper op

Meester Van Gelders deur vallen.

"Ga eens kijken wie daar is, Anna!" zei Meester Van Gelder, die juist

bezig was met pennen te vermaken, tot zijn dochtertje.

Anna ging naar de deur, opende die en liet Michiel in de gang komen,

waarna ze de voordeur sloot.

Vlissinger Michiel, of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk. · 第 5 / 17 段