"Ja, Bootsman, ja, zeker! Ik wil het ver brengen, zoo ver als ik me

eens verbeeld heb dat ik het brengen zou, als ik maar varen mocht."

"En tot hoever was dat?"

"Tot Admiraal, Bootsman!"

"Hei, hei, jongen wat zet gij me daar eenen mond open! Admiraal

worden! Ha, ha, wees dankbaar als ge het tot Bootsman brengt,"

sprak Vader.

"Zulk eene gedachte is zondig, Michiel," liet Moeder zachtjes hooren,

doch de oogen lieten weer lezen, dat er in haar hart toch ook zulk

eene zondige gedachte omging en met innig welgevallen zag ze haren

flinken jongen aan, die met zulk eenen moed gereed stond om den strijd

voor het dagelijksch brood te beginnen.

"Dat een mensch vooruit wil, goed! Het is een slecht matroos, die bij

zijne eerste zeereis op den bodem van zijne kleerenkist in gedachten

den kommando-staf niet neerlegt," sprak Lievensz. "Maar--Admiraal

worden, neen, ventje, dat gaat te ver. Als gij hoopt en vertrouwt

dat te worden, dan zal de zee u teleurstellen. Om Admiraal te worden

moet er wat meer in den bol zitten dan wat er nu in zit, manneke! Ik

vrees zoo dat het een pover beetje is, wat gij weet."

"Wat ik nog niet weet kan ik leeren weten, Bootsman," antwoordde

Michiel.

"Als gij daarbij maar blijft, jongen," zeide Engels, "dan zal de

zaak wel terecht komen. Maar eer ik heenga, en het is al over onzen

tijd, moet ik nog wat zeggen, Michiel! Ge hebt hier, mijn dochtertje

Cornelia, eens uit het water gered, en ik gaf er u nooit iets anders

voor dan mijn dankbaar hart. Nu ge het huis uit en de wereld ingaat,

geef ik wat anders. Hier is een legpenning van mij in den spaarpot. Het

is een Geldersche rijder, dien ik indertijd van Grootvader gekregen

heb. Bewaar hem wel. Er is een gaatje in om hem aan een koordje om

den hals te hangen. Geef hem niet uit voor dat het water tot over de

lippen komt. Zulk een legpenning is een wonderding. Hij schijnt te

groeien, te bloeien en vruchten te dragen en toch altijd even jong

en even mooi te blijven. Hier is hij, en nu gij, Cornelia!"

Cornelia, een meisje van Michiels leeftijd, kwam nu naar Michiel

en zeide: "Hier, Michiel, drie paar wollen kousen, die ik zelf

gebreid heb. Toen Vader hoorde dat gij naar zee zoudt gaan, zei hij:

"Cornelia, nu moest gij eens voor Michiel kousen breien. Ik had nu

wel geene maatkous, en Moeder, dat weet ge, kon me niet helpen, omdat

ze altijd nog ziek is. Ik heb ze nu op mijn eigen houtje maar op den

gis gebreid. Verslijt ze in gezondheid! Te klein zijn ze vast niet,

als ze maar niet te groot zijn!"

"Als ze te groot zijn, dan draag ik ze u ter gedachtenisse op mijne

bruiloft, Cornelia! Ik dank u wel, hoor!" sprak Michiel.

Engels en Cornelia namen hierop hartelijk afscheid en gingen naar huis,

doch pas waren ze weg of een der Dominé's trad binnen. Michiel keek

hem even aan en zeide: "Ik zal nu meteen de kousen maar eens passen,

die Cornelia voor me gebreid heeft."

"Dat is goed, kind," antwoordde Moeder Alida, die er niemendal in

zag dit te doen, terwijl er iemand bij was. Men lette in dien tijd

niet op zulke dingen, en vooral niet onder den minderen stand.

Michiel ging zitten, trok de kousen aan en--begon hard te lachen.

De voeten veel te lang en te wijd, de beenen veel te groot,--het

waren volslagen manskousen.

"Hier, Moeder, bewaar ze maar tot over een jaar of vier; maar

er niemendal van tegen Cornelia zeggen, hoor! Die zou het erg

onpleizierig vinden!"

Moeder rolde ze op en borg ze in het kabinet.

"Michiel," begon Dominé opeens, nadat hij een tijdlang met Vader over

koetjes en kalfjes gepraat had, "Michiel, kom eens hier!"

Michiel naderde langzaam en verlegen. Als het moest had hij zelfs

Prins Maurits te woord durven staan, doch tegenover Dominé's stond

hij altijd met den mond vol tanden.

"De muts af, jongen, ik heb wat ernstigs te zeggen."

Michiel nam de muts af en Lievensz. en Vader volgden dat voorbeeld.

"Geef mij uwe hand, knaap!" sprak Dominé bedaard.

Ook dit deed Michiel.

"Jongen," dus hervatte de ernstige man nu,--"jongen, met deze hand

is al heel wat verricht, heel wat! Maar hoeveel goeds? Zoudt ge

dat niet gemakkelijk kunnen opnoemen? Maar hoeveel kwaads? Kunt

ge dat ook alles zoo opnoemen? Neen, jongen, dat ware te vergeefs

beproefd. De Heer Burgemeester heeft onlangs van u gezegd, dat ge

dag aan dag de goê gemeente tot last waart, en dat viel niet tegen

te spreken. Hij heeft gezegd, dat gij uw grootste vermaak vondt in

straatschenderij, en dat was ook waar, volkomen waar, heelemaal,

heelemaal waar. Hij heeft gezegd, dat gij de stad in opschudding

bracht, en dat kan niemand ontkennen! Michiel, Michiel, wat moet er

uit u groeien? Moeten de haren van uwe goede Ouders vóór den tijd

vergrijzen uit verdriet over u? Zouden ze moeten wenschen: "Och,

hadden we dat kind maar nooit gehad, of ware het gestorven eer het

den naam van Vader en Moeder stamelen kon!" Er zijn Ouders, die dat

wenschen! Maar wee, wee, het kind, dat den Vader tot verdriet en der

Moeder tot smarte is! Zijn levensweg zal langs doornen en distelen

loopen. Hij zal eindigen als Judas Iscarioth! Zoudt gij dat willen,

Michiel? Neen, immers? En zoudt ge niet liever willen, dat Vader en

Moeder eenmaal met oogen, die van blijdschap tintelen, zeggen kunnen:

"Dat is ónze jongen! Dat is ónze Michiel! Goede God, wij danken U,

wij danken U voor dat kind!""

Moeder Alida verborg haar gelaat achter haar voorschoot; Vader liet de

tranen vrij langs de wangen loopen en Lievensz. boende met de vuist

de nattigheid uit zijne oogen, mompelend: "Sakkerloot, dat is anders

preêken dan ik het kan! Dat wordt me te kras!"

Michiel alleen weende niet; maar hij stond daar met bleeke wangen voor

den man, die zulk een ernstig woord sprak. Wel trilden zijne lippen,

wel kneep hij de oogen heel vreemd, maar weenen, neen, dát niet.

"Laat mij in uwe oogen zien, Michiel," sprak Dominé, en terstond keek

de knaap hem open aan.

Ja, toch, die oogen, al lag er jongensvuur in, waren toch wel zoo

wat aan het natte kantje.

"Jongen," vervolgde de Predikant, "morgen zult ge de stad niet

meer in opschudding brengen, uw grootste vermaak niet meer in

straatschenderij kunnen vinden, en de goê gemeente niet meer tot last

kunnen zijn. Morgen gaat gij het Ouderlijke huis uit, de wereld in en

op zee. Dat hebt gij zelf zoo gewild. Maar ge hebt ook gezegd, dat ge

van dat oogenblik af, een heel ander mensch zult worden. Straatjongen,

dat geloof ik óók! Ik heb goede hoop op u; want ik heb u nog nooit op

eene leugen betrapt. En als het u wèl gaat, Michiel, dan zal er hier

vreugde in huis zijn, maar in mijn harte zal ik den Heere loven en

danken, dat er iets goeds uit u gegroeid is, want Michiel, jongen,

jongen,"--hier begon Dominé's stem ook te haperen en trilden zijne

lippen,--"jongen, al waart ge nog tienmaal grooter deugniet geweest,

ik zou tóch veel van u gehouden hebben! Ik zou...."

Daar brak de bom bij Michiel los.

Hij vloog op zijne Ouders toe, sloeg zijne armen om hunnen hals en

barstte in zulk een zenuwachtig snikken los, dat men dacht, dat hij

er in blijven zou.

Maar langzaam kwam hij tot bedaren, en zich uit de armen zijner Ouders

losmakende, ging hij naar den Dominé, gaf hem de hand en zei: "Dominé,

ik zal--ik zal--ik zal goed--goed oppassen! U zal--zal--den Heere--den

Heere--dan--danken kunnen." Hierop ging hij naar Lievensz. en sprak:

"Bootsman, wilt gij me helpen om--om--wat goeds uit me--uit me--te

doen--te doen groei--groeien?"

"Wel, wis en drie, kwâjongen! Maar dat zeg ik je, je moet me

de zeilen niet zoo nat maken, want dan bederft gij mij de vracht

heelemaal!" antwoordde Lievensz., en boende met de vuisten zóó langs

de natte zeilen, dat het wel scheen, alsof hij een blinde leeuw

wilde worden.

"En nu, menschen, de Heere zegene u," zeide de Dominé, gaf Vader,

Moeder en Lievensz. de hand, en stopte Michiel een kerkboekje toe,

terwijl hij als het ware zegenend bad:

"De Heere is uw bewaerder, de Heere is aen uwe rechterhant!

Godt behoed' u voortaen voor 't quaet,

Hy sal uw' ziel voorwaer

Behoeden voor gevaer:

En als gy uyt of oock ingaet,

Sal Hy u steets bevrijden,

En met gaven verblijden."

De Dominé en Lievensz. gingen nu samen heen en het talrijke huisgezin

bleef nog alleen over om den laatsten avond van Michiels thuis-zijn

zoo gezellig mogelijk door te brengen.

Men bleef laat op, en toen allen eindelijk slapen gingen, was het

om te droomen van het kind en den broeder, die morgen op dezen tijd

reeds op zee zou zijn.

Alleen Moeder Alida droomde niet; zij waakte.

Daar sloeg de torenklok vier uren.

Om vijf uren moest Michiel weg.

Zij stond op om hem te roepen, stil, heel stil, want allen sliepen.

Ook Michiel sliep.

Moeder Alida boog zich over hem heen, fluisterde: "God de Heere zegene

U, lief, lief kind!" en kuste hem wakker.

"Goede, beste Moeder," zei Michiel zacht, en sloeg zijne armen om

haren hals en weende nogmaals.

"Nu, sta op, kind! Kleed u maar gauw aan. Ik zal uwe boterhammen

snijden!"

Moeder ging naar beneden en vond Vader, Jan, Dirk en Alida ook al op.

"Wij eten samen, Moeder!" sprak Vader Adriaen. "Het zal in eenen

heelen tijd niet meer gebeuren!"

Jan, die anders het gebed deed, liet het nu Michiel doen.

Men at de schraal gesmeerde boterhammetjes en dronk er eene kom

melk bij.

De klok sloeg half vijf.

"Het is tijd, Michiel," sprak Vader.

Michiel stond op, drukte Moeder en Alida eenen vurigen kus op den mond,

liep naar boven om de kleintjes goeden dag te zeggen, gaf Jan en Dirk

de hand en ging met Vader, die het kistje droeg naar de haven waar

aanboord van de "Lijnbaan" reeds alles in beweging was.

Michiel werd door Jan Kompanjie en Geleyn Evertsen met heel veel

drukte ontvangen.

"Hier hebt gij onzen jongen, Bootsman! Zorg voor hem, alsof hij uw

eigen kind is; wij zullen er u dankbaar voor zijn," sprak Vader.

"Zonder mankeeren, Adriaen!" was het antwoord.

Vader en Michiel namen afscheid van elkander, de loopplank werd

ingehaald, de kabels en kettingen losgemaakt, de paarden stonden aan

de lijn en begonnen te trekken. Weldra was het schip de haven uit en

op de Schelde.

"De schoten, konstabel!" beval de Kapitein.

Tien kanonschoten rolden langs het water, als een laatste groet aan

allen, die men achterliet.

Michiel boog zich over de verschansing, keek naar den hoogen Westdijk,

groette met den zakdoek, die daar stonden en--gebruikte hem daarna

om zijne tranen af te drogen.

Het kwâjongenshart was gebroken.

Maar uit de overblijfselen groeide een nieuw hart, een zeemanshart,

zoo schoon, zoo edel, zoo moedig, als er ooit een hart onder het

wollen zeemans-baadje geklopt heeft!

"Goede reis! Goede reis!" stamelde eene vrouw op den Westdijk, toen

ze het schip in de Wielingen verdwijnen zag.

Het was Moeder Alida.

Of haar wensch verhoord zou worden?

ZESDE HOOFDSTUK.

THUIS VAN DE EERSTE ZEEREIS.

Met rijke lading was de "Lijnbaan" ruim anderhalf jaar later uit de

Oost-Indiën te Vlissingen binnen gekomen en Michiel dus weer terug.

Dat gaf wat eene blijdschap, vooral daar Lievensz. dadelijk tegen

Vader Adriaen gezegd had, toen deze aanboord kwam om zijnen zoon te

verwelkomen, dat Michiel van den dag af, dat hij aanboord was gekomen,

zoo in zijn voordeel veranderd was, dat hij een voorbeeld voor iedereen

kon genoemd worden.

Den eersten avond den besten mocht hij voor eenen nacht naar huis.

"Jongen, laat de kist hier aanboord! Als we gelost zijn en het schip is

weer wat opgeknapt, dan gaan we dadelijk weg," zeide de Kapitein. "Het

is de moeite niet waard, ze aanwal te brengen."

"Het is mijne kleerkist niet, Kapitein! Er zitten aardigheidjes in

voor thuis," gaf Michiel ten antwoord.

"Hebt gij dan de heele Molukken leeg gekocht?" vroeg de Kapitein

lachend. "Nu, ga maar door, maar overdraag je niet!"

Met groote moeite nam Michiel de kist op, droeg ze van het schip en

bracht ze bij een pothuis waar "Oude Hein" schoenen zat te lappen,

en als het noodig was, en hij kon er wat mee verdienen, op vrachtjes,

die per kruiwagen konden vervoerd worden, zat te wachten.

Hein en Michiel kenden elkander goed; maar die kennismaking was

voor geen van de twee van de aangenaamste geweest, daar ontbrak heel

wat aan.

Het zou nu zoo wat twee jaren geleden zijn, dat Michiel op zekeren

avond langs straat slenterende, en niet wetende wat hij doen moest,

daar Geleyn en Pieter Evertsen niet te vinden waren en Jan Kompanjie

nog ver te zoeken was, zich op de eene of andere streek bedacht.

Daar viel hem het pothuis van den "Ouden Hein" in het oog.

De man zat met den rug naar het deurtje en had de gewoonte, als iemand

aan de klink rammelde, maar even met de hand een windhaak los te maken,

en dan met den rug de deur open te duwen.

"Wacht," dacht Michiel, "die deur hangt in kleine hangetjes. Als

ik daar de pennen uithaal en hij doet dan de deur met den rug open,

dan valt de deur op straat en hij er bij. Dat zal wat geven!"

Voorzichtig was hij er heen geslopen, maar zóó stil kon hij de pennen

er niet uithalen of "Oude Hein" hoorde wat, en juist toen Michiel aan

de klink wou gaan rammelen, duwde de man al met den rug tegen de deur.

Dat had de kwâjongen niet verwacht.

Hij wilde nog tijdig wegloopen, maar, bom, daar viel de deur, door

het gewicht van "Ouden Hein" nog verzwaard, boven op Michiel, die op

den grond viel.

Dàt deed zeer! Au! Au!

Jawel, dat wil ik gelooven, maar de oude man bezeerde zich ook en

schreeuwde luid: "Help!"

Spoedig krabbelde hij op en toen hij zag wie daar onder de deur lag

te spartelen, greep hij zijnen spanriem en gaf Michiel zoo even van

het beste laken een pak.

"Ik zal je leeren straatschenderij doen," had de man geroepen terwijl

hij er op insloeg.

Eindelijk was Michiel van onder de deur gekomen en den man ontloopen,

doch na dien tijd wist Michiel het altijd zóó aan te leggen, dat hij

dat pothuis niet voorbij moest. Hij was bang voor hetgene hij nog te

goed had; want toen hij wegliep, riep "Oude Hein" hem na: "Pas op,

dat je hier niet meer in de buurt komt. Je hebt het achtste part nog

maar beet!"

En nu stond hij daar bij het pothuis ruim twee jaren later en rammelde

aan de klink.

"Oude Hein" deed open.

"Wat?" riep hij, "wat, jij terug? Toch nog terug gekomen?"

"Dat zie je, man!"

"Niet overboord gesmeten?"

"Neen, Hein!"

"En niet voor de haaien gegaan?"

"Ook al niet!"

"Ja, onkruid vergaat niet; het groeit zelfs tegen de verdrukking

in. Ik wilde dat gij maar heengingt!"

"Ik kom het restje afkoopen, Oude Hein!"

"Welk restje, kwâjongen?"

"Wel, het achtste part van de klappen heb ik nog maar gehad! Daar

blijven nog zeven achtste partjes over! Als ik je dezen zilveren duit

geef, zijn we dan afgerekend?"

"Wat! Hebt gij geld, en nog wel zilvergeld?"

"Ja, Hein!"

"Dat is zeker gestolen!"

"Neen, vriend, eerlijk verdiend! Maar kom, ik sta hier mijnen tijd

te verbabbelen, ik wil eens gauw naar huis. Vader is al aanboord

geweest. Wilt ge voor dien zilveren duit die kist naar huis kruien?"

"Top, dat doe ik, Michiel! En wel naar tien huizen, als gij wilt!"

"Dankje, naar één huis is genoeg! Hier, steek maar gauw in den zak."

"Oude Hein" stak den zilveren duit in den zak, zette met behulp van

Michiel de zware kist op den kruiwagen en reed er mee heen.

"Wel, wel," zei de man al kruiende, "wie had ooit gedacht dat ik voor

jou nog een vrachtje wegbrengen zou? Maar het pak ransel, dat ik u gaf,

is dat dan vergeten? Neen toch, want het was een pak van belang."

"Vergeten niet, Hein, maar vergeven wel."

"Dus zijt gij niet meer boos op me?"

"Zijt ge wel mal?" antwoordde Michiel, die als een eerste bram

naast den kruiwagen voortstapte. "Ik had het immers ruim verdiend,

geloof ik!"

"Dat hadt ge, maat!"

Weer reed "Oude Hein" een eind voort zonder te spreken toen hij

eensklaps den wagen neerzette. "Blijf eens staan," zei hij.

Michiel deed het.

"Nu, gegroeid zijt gij niet veel, maar dikker geworden heel

wat. Precies Vlissingens welvaren. De kost is dáár zeker goed,"

sprak de kruier met het hoofd naar de "Lijnbaan" wijzend.

"Ja, die is er bovenst!"

"Nu, dan mocht uwe Moeder wel eens eene maand of drie daar kostgangster

kunnen zijn. Ik heb haar gisteren nog gezien, en toen dacht ik:

mensch, mensch, wat zijt ge mager! Als eene boonstaak. Gij zijt ook

wat veranderd, Alida, sedert ik je te Middelburg heb leeren kennen! Wat

was je toen eene wolk van eene meid!"

"Ja, ja, Hein; maar zoudt ge nu niet verder gaan? Ik verlang zoo

naar huis!"

"Best gelooven, jongen, best gelooven! Maar loop vooruit! Ik zal met

die kist niet aan den haal gaan. Eer ik aan een andermans kist denk,

mag ik eerst wel aan de mijne denken! Ik zal zooveel vrachtjes niet

meer bezorgen, als ik er in mijn leven al bezorgd heb!"

"Hoe oud zijt gij dan al, Hein?"

"Met Sint Maarten word ik eenentachtig. En hoe oud zijt gij?"

"Ik ben met Sinte Krijn dertien jaar geworden." [2]

"Nu, dan moogt ge er toch wel zijn voor uwen ouderdom!"

"Kijk, daar komt er een aanloopen! Is dat uwe oudste zuster?"

"Dat is Alida" riep Michiel en snelde haar te gemoet.

"Jonge beenen, jonge beenen!" bromde de oude, terwijl hij met zijnen

kruiwagen voortsukkelde. "Maar, ik ben ook zoo geweest. Ik heb mijnen

tijd gehad!"

Toen Michiel zijne zuster verwelkomd had liep hij haar weer hard

vooruit; want aan de deur van het oude huis zag hij zijne Moeder staan.

"Dag, Moeder! Dag, lieve, beste, brave Moeder!" riep Michiel en viel

haar om den hals.

"Kind, wat zijt gij lang weg geweest," zeide Moeder Alida, met tranen

van blijdschap in de oogen. "Ik dacht dat we elkander nooit meer zien

zouden. De Domine en Engels zijn, ik weet niet hoe dikwijls wezen

vragen, of we nog niemendal van u gehoord hadden! Maar wat ziet gij

er goed uit, kind!"

"Ja, Moeder!"

Daar vielen zijne oogen opeens op Moeder Alida's gelaat, armen en

handen. Hij schrikte er van zoo mager als de goede ziel was.

"Zijt gij ziek geweest, Moeder?"

"Neen, jongen, gelukkig niet! Waarom vraagt ge dat zoo?"

"Wel, Moeder, ik vind dat ge zoo afgevallen zijt!"

"Ja, kind, dat zeggen alle menschen! Ik denk, dat het van verlangen

komt!"

"Nu, Moeder, als dát waar is, dan zult ge weer wel opknappen. Maar

we blijven niet lang aan den wal, hoor! Er is heel wat drukte in

de vaart."

"Dat heb ik daar straks van uwen Vader gehoord. Hoe komt dat zoo?"

"Wel, Moeder, er zijn zulke goede zaken te doen, want er gaan

tegenwoordig ook veel schepen naar Amerika. We hebben zoo even een

voordeelig reisje gehad! Maar, dat is waar, waarom zijt ge niet even

aanboord wezen kijken?"

"Ja, ik wist niet dat de "Lijnbaan" aan was. Ik had wel hooren

schieten; maar er komen en gaan tegenwoordig zooveel schepen, en ik

ben in den laatsten tijd zoo dikwijls voor niemendal naar het hoofd

geweest, dat ik er nu niet op gelet heb. Uw Vader wist het ook niet,

en als die niet aan de haven had moeten zijn, dan had hij het ook

niet geweten! Toen hij vanmiddag kwam eten vertelde hij het ons, en

nu stonden Alida en ik juist gereed eens te gaan kijken, toen we u

zagen aankomen. Maar wat moet "Oude Hein" hier komen doen? Hij komt

met zijnen kruiwagen naar ons toe!"

"Dat is eene kist van mij, Moeder!"

De goede vrouw zag aanstonds dat het niet dezelfde kist was, die

Michiel had medegenomen.

"Is uwe kist dan weg, jongen? Ge hebt eene andere gehad!"

"Die is nog aanboord, Moeder!"

"Oude Hein" zette den wagen neer en zuchtte ervan.

"Ik zal ze wel binnen dragen, Hein!" zeide Michiel.

"Maar, jongen, dat kunt gij niet alleen doen!"

"Ik heb ze toch vanboord af bij je gebracht ook! Kom,

een-twee-drie!"--daar was de kist op Michiels schouder.

"Ge zijt me wat mans, hoor!" zeide "Oude Hein".

"Ben ik?" vroeg Michiel leuk. "Dag, Hein! Als ik weer een vrachtje heb,

hoor, dan neem ik je weer!"

Na dit gezegd te hebben ging Michiel naar binnen, op den voet door

Moeder en Alida gevolgd.

"Hebben we gezelschap, Moeder?" vroeg Michiel, terwijl hij op een

gezond boeren-meisje van zijnen leeftijd wees.

"Ja, kent gij haar niet meer?"

"Neen, Moeder, ik kan ze niet thuisbrengen!"

"Kom, denk maar eens! Ge hebt haar wel eens bij buurman Engels gezien!"

"O, ja,--ja,--nu weet ik het. Het is,--het is Maria, Maria Velders

van Grijpskerke!"

"Dat hebt gij geraden, Michiel!" antwoordde het meisje, terwijl zij

lachend hem eene hand gaf. "Maar wat zijt gij groot en dik geworden!"

"Zeg, de pot verwijt den ketel dat hij zwart is, hoor! Ik zou u stellig

niet meer gekend hebben, als Moeder mij niet op dreef geholpen had. En

hoe maken het uwe Ouders?"

"Eilaci, Michiel, die zijn in het najaar van '18 aan de kinderpokken

gestorven! Die heerschten toen weer heel erg. Vooral bij ons!"

"Ze waren er al toen ik wegging. En waar woont gij nu? Nog te

Grijpskerke?"

"Ik ben dadelijk bij Oom Engels gekomen, en zoo nu en dan kom ik uwe

Moeder eens gezelschap houden. Vindt gij dat niet goed van me?"

"Zeker, zeker! Maar nu de kist uitpakken! Geef me eens hamer, beitel

en nijptang, Moeder!"

Zijne zuster stond op en bracht ze hem.

Daar ging Michiel aan het kloppen en breken van belang.

"Wie heeft die kist toch zoo dicht gespijkerd, Michiel?" vroeg Alida

lachend.

"Wel, hij zelf, meid!" zeide Marie Velders. "Hij was zeker bang,

dat ze het rommeltje stelen zouden!"

"Rommeltje?" bromde Michiel zoogenaamd verontwaardigd, terwijl hij

even van zijn werk opkeek.

"Ja, zeker, rommeltje, wat zou het anders zijn?"

"Als dat rommeltje is, dan weet ik het niet meer," antwoordde Michiel,

terwijl hij onverdroten voortwerkte en het eindelijk zoo ver kreeg

dat hij het deksel met den beitel er aflichten kon.

"Nu zullen we dan toch eens zien, wat moois Michiel meegebracht heeft,"

riep Alida, en bukte zich uit nieuwsgierigheid zoo ver over de kist,

dat Michiel zeggen moest: "Uit den weg, Alida! Anders krijgt ge nog

eenen stomp tegen den neus, die raak is!"

"Ik wed dat er een aap uit komt," riep Maria plagend.

"Gij kunt wedden, wat gij wilt!" zeide Michiel het deksel er afnemende,

en begon de pakjes er uit te halen en aan Alida over te geven.

Weldra stond de tafel heelemaal vol met allerlei aardigheden. Voor

ieder was er wat. Voor Moeder het mooiste, dat spreekt. Verder was er

wat voor Vader, voor al de broeders en zusters, voor buurman Engels,

voor Cornelia Engels en zelfs voor den Dominé en baas Lorkens was

er wat.

"Ik zie het al, voor mij is er niemendal," zeide Maria.

"Ik wist ook niet dat ik u hier zou vinden, Maria!" zeide Michiel

eenigszins verlegen.

"Is het waar ook? Hinderde het of ik te Grijpskerke of hier, was? Ik

ben er toch, niet? Maar het is niemendal, hoor! Ik zeide dat zoo

maar voor de aardigheid!" sprak Maria. "Ge dacht toch niet, dat ik

het meende, Michiel?"

"Zeker dacht ik dat! Maar wacht, ik heb toch wat voor je!"

"Het zal wat moois zijn als het voor de heeren komt," spotte Maria.

"Mooi? Nooit zoo mooi gezien! Ik zal u leeren, hoe de Chineezen

elkander groeten," zei Michiel, en met de handen Maria's hoofd bij

de wangen vasthoudende, wreef hij zijnen neus tegen haren neus.

"Zoo groeten nu de Chineezen elkander!" zei Michiel.

"Het is heel lief, dat moet ik zeggen!" antwoordde Maria.

"Ja, en zóó groeten de Vlissingsche jongens de Zeeuwsche

meiskens!" riep Michiel en gaf, eer Maria den driesten zeeman afweren

kon, het plaagzieke meisje op elke wang eenen zoen.

Moeder Alida klapte van pret in de handen en riep, terwijl Maria hare

verfrommelde muts goed zette: "Ja, meisken, dat hebt ge verdiend met

uw geplaag."

"En ik wil dien rauwen zeeman wel eens leeren, hoe de Zeeuwsche

meiskens de brutale Vlissingsche jongens groeten," zei Maria.

"Top, de eene dienst is den anderen waard! Dat wil ik leeren,"

riep Michiel.

Pas had hij dat gezegd of het vinnige ding gaf hem met de volle hand

eenen klap om de ooren, die zoo even raak was.

"Hoe vindt gij nu onze manier van groeten?" vroeg Maria.

"Wel, om de waarheid te zeggen, vind ik de manier van ons, Vlissingsche

jongens, niet zoo hardhandig," antwoordde Michiel terwijl hij zijn

oor wreef.

"Wat moet dat geven?" vroeg Vader, die met eenige kruiken beladen,

binnen kwam. "Is het hier boelhuis?"

"Hé, hé, kijk eens wat een hoop goed op tafel," riep een zusje dat

van school kwam.

"Kijk, kijk, Ant, daar is Michiel!"

"Dag, Michiel," riep een jonger broer. "Ben je thuis? Heb je wat voor

me mee gebracht?"

"Kijk, kijk, een wiegel-poppeken! Is dat voor mij, Michiel?" vroeg

Anna op een leelijk popje van Chineesch porselein wijzend.

"Ja, meid, dat raad je nu eens net! Dat is voor u!"

"En wat zit hierin, Michiel?" vroeg Vader.

"Doe maar eens open, Vader! Dat is voor u!"

Vader deed het pakje zoo voorzichtig open, alsof het breken zou,

en vond een zakmes met mooi gesneden hecht.

"Dat is goed staal, jongen!"

"Ja, Vader, dat is het; maar geef me nu gauw eenen duit, anders snijdt

dat mes de vriendschap af!"

Vlissinger Michiel, of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk. · 第 4 / 17 段