Moeder Alida, die naderbij gekomen was, had den ruwen zeeman wel om

den hals willen vliegen, zoo innig dankbaar was zij hem.

"Die "Barre Bruinvisch" mijn baas is," zeide Jan Kompanjie. "Dat baas

veel durft."

"Maar, mijn goede vriend, gij als een Bootsman, zult aanboord toch

ook wel eens gebruik maken van het "endje dag," nietwaar?" vroeg

de Burgemeester.

"Daar staat een van de Patroons," zeide Lievensz. "Laat hij zeggen

of de "Barre Bruinvisch" niet al zeevader geweest is over misschien

wel twintig zulke deugnieten als deze er één is!"

"Lievensz. is zeevader geweest over negentien bengels," zeide Lampsens,

wat nader tredend en Michiel goed beschouwend.

"En laat de Patroon nu zeggen of er door mij aanboord van de "Lijnbaan"

veel van het "endje dag" gebruik gemaakt is om belhamels tot rede en

plicht te brengen."

"Dat kan ik op mijn eerewoord verklaren van bijna nooit," antwoordde

Lampsens.

"En als het van den Patroon niet te veel gevergd is, dan zou ik ook

wel willen dat hij zei, wat er uit die borsten gegroeid is."

"Er is wakker, ferm zeevolk uit gegroeid, Burgemeester! Alle reeders

hebben graag jongens, die aanboord van de "Lijnbaan" van Lievensz. het

varen geleerd hebben. Daar voor dien negerknaap, die nog maar eene

week of tien onder zijne leiding is, hebben de Heeren Hendriksz. te

Middelburg mij eene mooie som gelds geboden."

"Hi, hi, ik waard ben een mooie geld," riep Jan en gaf van pure

blijdschap zichzelven eenen slag op de wang, die klonk als eene

klok. "Hi hi, Michieltje, jij nog niet waard mooie geld!"

"Sausneger," bromde Michiel, die eindelijk door zijnen Vader

losgelaten was.

"Alzoo," dus vervolgde de "Barre Bruinvisch" toen de Heer Lampsens

zweeg, "alzoo, Heer Burgemeester, getuigt de Patroon, dat ik wel

bengels weet te regeeren zonder het "endje dag." Ik zeg maar...."

"Het kwaad moet er uit en zal er uit," zeide Vader Adriaen, en de

toon waarop hij sprak klonk nog alles geruststellend voor Michiels rug.

"Zeker, Vader, dat zeg ik ook. Het kwaad moet er uit en het kwaad zal

er uit, maar niet met slaan," sprak Lievensz. "Men slaat het kwaad

er soms dieper in."

"Ik zou wel eens willen weten, hoe dan," sprak de Burgemeester.

"Ja, juist, hoe dan?" bromde Vader Adriaen.

"Dat is mijne kunst, en als ik moest zeggen, hoe ik dat aanleg, dan zou

ik het niet kunnen. Maar het kwaad gaat er uit. Is het vandaag niet,

dan morgen. Is het morgen niet, dan overmorgen of een jaar later;

maar er uit gaat het. En--alle jongens houden veel van me."

"Ik veel houd van mijnen zeevader, ja, ikke," zeide Jan, en liet

vroolijk lachend al zijne blanke tanden en het heele wit van zijne

oogen zien.

"Maar welk plan hebt gij nu met dien bengel, Lievensz.?" vroeg de

Burgemeester.

"Welk plan, Burgemeester?"

"Ja, zeker, welk plan? Al zijt gij ook tienduizend maal een goede

zeevader, daar heeft die rauwe gast niemendal aan. Die gaat voort

met rebellie te veroorzaken."

"Burgemeester, ik was vanmorgen op de Markt toen die kwâjongen daar

naar het haantje klauterde. Ik zag alles, en ik dacht...."

Eensklaps hield hij op en Michiel aanziende met een paar oogen waarvoor

zelfs tijgers op den loop zouden gaan, zei hij: "Als de wind naar

binnen, maat! En kom me niet voor den boeg aleer ik je roep."

En Michiel?

Wel, het was, alsof hij met eene dommekracht naar binnen geduwd

werd. Hij kon niet blijven staan en was in een oogenblik, tot verbazing

van iedereen, verdwenen.

"Ziezoo, nu heb ik blanke zee voor me. Het is niet goed, als een

bengel hoort, dat er toch nog wat goeds in hem steekt. Ik dacht

bij mezelven toen ik dien jongen dat dolle waagstuk zag ondernemen:

"Daar zit wat in dien deugniet!" Ja, ik had wel in mijne handen willen

klappen en "Mooi, mooi!" willen roepen. Ik weet niet of ge het gezien

hebt, Burgemeester, maar zoo bedaard, alsof ik den valreep afstapte,

zoo bedaard klom hij naar beneden! Heel leuk sloeg hij met de hakken

van zijne schoenen,--het was goed dat er spijkers in waren, Vader

Adriaen, anders had hij het hem niet gelapt,--de leien stuk. Ik zag

het duidelijk! Kerel, het was zulk een kranig stuk! Dicht bij me kreeg

een vrouwtje het op haar zenuwen, maar eer het zoover kwam riep ze nog:

"Lieve menschen, daar komt hij! Helpt hem dan toch!"

"Verbeeld je, helpen? Ik zou eene kat willen zien, die zonder ladder

naar boven kon klauteren en daarom zei ik: "Nu mensch, doet zoo raar

niet! Hij zal wel voor anker komen!"--Maar pas had ik dat gezegd,

of ze kreeg eene kleur als een schoone zwabber, zette het bestek naar

de afgevaren breedte, en daar ging ze, hoor, ze lag er zoo mooi als

een Ammiraals-vlag in het kluisgat!"

"Ze viel dus van d'r zelven, die goede ziel," zeide eene der vrouwen

op meewarigen toon.

"Nu ja, dat zal wel waar zijn, ik weet het niet hoe jelui dat

noemt. Ik keek er dan ook niet meer naar en ik had alleen oogen voor

dien jongen, die zoo netjes langs de peer naar beneden kwam. Ik keek

hem na, tot hij in den toren verdween en wilde juist weggaan, toen

Sinjeur Seylmaeckers mij praaide en dwong even bij te leggen."

"Wat zegt gij van dat gevalletje, Barre?" vroeg hij.

"Het is een mooi stuk," zei ik, "een mooi stuk, Sinjeur!"

"En weet gij ook wie het is?" vroeg hij.

"Neen," zei ik, "maar laten we even wachten. Als hij uit de torendeur

komt dan kunnen wij hem zien."

------

FIGURE

------

Maar bij de torendeur komen om den knaap te zien, was wel te zeggen,

niet te doen. Ik had even gemakkelijk eenen knoopstopper met mijne

hielen kunnen leggen, als bij de torendeur komen. Daar stond ik nu

als eene garnalenschuit tusschen Spaansche galeien. Ik kon niemendal

zien. Gelukkig heeft Sinjeur Seylmaeckers de lengte van eenen sloepmast

en steekt hij, als wijlen Koning Saul, een hoofd boven het volk uit,

zoodat hij een poosje later zei: "Daar is hij! Ik ken hem al! Het is

Michiel Adriaensz., de zoon van den bierdrager. Gisteren was ik er

bij toen zijn Vader hem met twee rinkellatten voor de broek gaf. Ik

heb den luiden aangeraden hem naar zee te zenden, dan kan er misschien

nog wat van hem groeien!"

"Zoo," zei ik, "en...."

"En ik heb gezegd dat ik dan probeeren zou te maken, dat gij zijn

zeevader werdt. Maar Moeder de vrouw had er geene ooren naar, ze zou

het besterven, zeide ze."

Dat zei Sinjeur Seylmaeckers en ik draaide het schip met den kop

naar den wind en nam mijnen koers naar hier, om er eens ampel met

zijne Ouders over te spreken. En daar ik alle hoop heb, dat ik toch

zijn zeevader worden zal, zoo riep ik met het volk mee: "Niet slaan,"

Heer Burgemeester. Nu heb ik het mijne ervan gezegd."

De "Barre Bruinvisch" zweeg, nam zijne muts af, wischte zich het

zweet van het voorhoofd en zei: "He, zulk eene redevoering bekomt

een mensch al even goed als een kabeljauw, die met betingsbouten zijn

middagmaal doet."

"Nu, Lievensz., zie wat ge gedaan kunt krijgen. Ge zult Vlissingen van

eene plaag verlossen, als ge dat lieverdje onder uw opzicht neemt,"

zeide de Burgemeester en vroeg aan den Heer Lampsens of deze zoo

ver medeging.

"Neen, Burgemeester, ik zal met Lievensz. bij deze menschen binnengaan

en mijn best doen, dat ze den jongen het zeegat uit sturen. Goeden

middag!"

De Burgemeester beantwoordde den groet en vertrok.

De menigte ging ook uit elkander en weldra was er van den heelen oploop

niemendal meer te zien. De zoons van Adriaen, die op een ambacht waren,

gingen naar hun winkel, vier gingen er naar school en een meisje,

Alida, verliet ook het huis om naar eenen middagdienst te gaan.

Er bleven dus nog vier kinderen over en onder deze was Michiel,

die in een hoekje met Jan Kompanjie zat, waar hij dezen vertelde,

wat hij daar boven bij het torenhaantje zoo al gezien had.

Vader en Moeder zaten met den Heer Lampsens en Lievensz. bij de tafel

en redeneerden druk.

In het eerst schudde Moeder Alida maar steeds het hoofd, doch

langzamerhand, naarmate de "Barre Bruinvisch" meer aan het woord was,

hield dat hoofdschudden op en eindelijk zeide ze: "Nu, Lievensz.,

neem hem dan voor ééne reis mede, en probeer wat gij van hem kunt

maken. Maar o, het valt mij zoo hard, zoo ontzettend hard."

Michiel scheen het vermogen te hebben twee dingen te doen, namelijk

luisteren, wat anderen zeiden, en zelf wat te vertellen. Dit bleek;

want pas had Moeder gezegd: "Nu, Lievensz., neem hem dan voor ééne

reis mede en probeer wat ge van hem kunt maken," of hij sprong op,

liep naar zijne Moeder en kuste haar.

Hierop ging hij naar zijnen Vader en zeide, bijna op zegevierenden

toon en vol gloed en leven: "Vader, het kwaad is er uit!"

"Ja, dat kan ik zoo gelooven! Neen, jongen, kom me dat eens over een

jaar drie-vier vertellen," luidde het antwoord.

"Het is toch vast waar, Vader! Het kwaad is er nu al heelemaal,

heelemaal uit met wortel en tak."

"Het zou goed voor je zijn, jongen," sprak Lievensz.

"Gij zult geenen last van me hebben, Bootsman!" sprak Michiel en liep

met Jan Kompanjie heen om baas Lorkens te vertellen, dat hij van de

eene lijnbaan afging om op de andere te komen.

"Dat is uitkomst, he? Wie heeft die gebracht?"

"De "Barre Bruinvisch," baas! Maar nu moet ik naar Geleyn en Pieter

om hun het nieuws te vertellen."

"Nu, gij zult toch nog wel afscheid komen nemen eer gij weggaat!" zeide

baas Lorkens.

"O, vooreerst ga ik nog niet weg. Het schip moet nog vooraf gekalefaat

worden. En dan gaan we samen, sausnegertje, samen het ruime sop

op! Hoezee!" riep Michiel en begon met Jan van loutere pret langs de

straatkeien te rollen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE LAATSTE AVOND THUIS.

Het was de avond voor Sint-Stevensdag, [1] den tweeden van Oogstmaand

des jaren 1618.

In het kleine woonvertrek van Adriaen Michielsz. was het doodstil.

De kleine kinderen lagen reeds in bed en de anderen waren nog op

straat bezig met spelen of wel aan hun werk.

Moeder Alida was dus alleen.

Zij zat op eenen stoel bij de tafel en aan hare voeten stond eene

geopende kist halfvol jongensgoed.

Het was Michiels armoedige uitrusting.

Voor het eerst van zijn leven zou hij dan eens wat nieuws kunnen

aantrekken. Wel was alles op een koopje gekocht, maar het was dan

toch nieuw.

"Vier linnen en twee wollen hemden, twee baaien broeken, een paar

laarzen, twee dassen, eene muts, drie paar kousen, vier zakdoeken,

ja, het is er alles. Weinig genoeg, jongen," zei Moeder Alida tot

zichzelve.

De torenklok sloeg zeven uren.

"Ik zou Michiel nog zoo graag eens alleen spreken," zei ze weer. "Hij

blijft lang weg. Hij zal nu toch geene streken meer uithalen? Stil,

daar zal hij komen!"

Er klonken driftige voetstappen.

De bovendeur werd geopend en eene zware stem riep: "Hola!"

"Komt er maar in," antwoordde Moeder Alida en dacht meteen: "wie zou

dat wezen?"

Pas had ze evenwel geroepen: "Komt er maar in," of de man met de

zware stem trad binnen.

"Daar, vrouw Michielsz., dat is van uw lieve zoontje! Dat heeft

de straatbengel door mijn open raam juist in eenen schotel met pap

gesmeten."

Het was Meester Van Gelder, en het voorwerp, dat hij zorgvuldig in

een papier gewikkeld op tafel smeet, was eene doode kat.

"Eene kat," zuchtte Moeder Alida.

"Ja, juist, eene kat, eene doode kat! Wie weet waar ergens

opgeraapt! Verbeeld je de heele schotel, de heele schotel vol zoete

pap met kippen-grutjes, die ik zoo graag eet, weg, heelemaal weg! Mijne

vrouw was één pap, al pap. Hare muts vol pap. Hare haren vol pap. Haar

gezicht vol pap. Haar jak vol pap...."

Zonder dat Meester het in zijne woede bemerkte was Michiel binnen

gekomen, en stond met groote oogen in het vertrek te kijken.

-- --"haar voorschoot vol pap, ja, toen ik goed keek, was er zelfs

pap op haren rug!"

Dat ging Michiel te mooi, hij barstte in een luid gelach uit.

Woedend keerde Meester zich om. Hij wilde zien wie daar zoo lachte.

"Wat, schaamtelooze jongen, durft gij mij hier in huis in mijn

aangezicht te komen uitlachen?" riep Meester Van Gelder op zulk eenen

woedenden toon, dat Moeder Alida van schrik verbleekte, daar ze meende

dat de man opeens krankzinnig geworden was.

Angstig naderde zij hem en zeide: "Maar, Meester, wees toch

bedaard. Wat is er dan toch gebeurd?"

"Dat heb ik al verteld en nu zal ik den bengel hier in zijn eigen

huis en in het bijzijn van zijne Moeder voor immer en altijd afleeren

om katten, doode katten, van de straat opgeraapte doode katten,

in schotels met pap te smijten."

Moeder Alida keek Michiel en Meester Van Gelder beurtelings met de

grootste verbazing aan en hetzelfde deed Michiel ten opzichte van

Moeder en Meester. Geen der twee begreep er iets van naar het scheen,

hoewel Moeder Alida niet zóó was of ze vreesde, dat haar jongen

voor den laatsten dag dat hij aan den wal was, nog eens eene echte

straatjongensstreek had uitgehaald.

Eindelijk toen Meester Van Gelder zweeg en van onder zijnen mantel

eene bullepees te voorschijn haalde, kwam ze wat tot zichzelve.

Dat Vader Adriaen haren Michiel sloeg, dat liet ze toe, hoewel elke

slag, dien hij kreeg, haar misschien nog meer pijn deed dan Michiel,

die voor slagen tamelijk ongevoelig geworden was. Zij wist hoe haar man

in zijn hart zielsveel van den jongen hield en dat juist de begeerte

hem voor de gevangenis, of erger nog, voor galg en rad te sparen,

hem er toe bracht, zelfs herhaalde malen toe bracht, om den jongen

op zulk eene pijnlijke wijze te kastijden.

O, het oog eener Moeder ziet zoo heel anders dan een gewoon

menschenoog. Het mag de letters van een boek niet tot woorden kunnen

maken, het leest diep in het hart van allen, die zij lief heeft,

wat daar geschreven staat in eene soort van schrift, niet als de

hiëroglyphen en de steenen gedenkteekenen der oude Egyptenaren,

te ontraadselen en ontcijferen met een scherpzinnig vernuft en een

groot verstand, maar in kleine bewegingen, die zich voortplanten tot

de blootliggende deelen van het menschelijk lichaam.

De grootste geleerde, die er ooit geleefd heeft, zou dat raadselschrift

niet kunnen ontcijferen, doch de eenvoudigste Moeder uit de armste

achterbuurt leest het, als ze maar een hart bezit, dat lief heeft.

En een hart, dat lief heeft, bezitten immers alle Moeders?

Ze had dan ook wel gezien, wat er in het hart van Vader Adriaen

omging toen de geruchten van Michiels waagstuk ook binnen hare woning

kwamen. Ze had gezien hoe de tang hem ontviel; ze had begrepen waarom

die viel.

En daarom, al deed iedere slag, dien Vader Adriaen aan Michiel gaf,

pijn, zij duldde dat hij kastijdde.

Maar wat ze van Vader Adriaen wel dulden wilde, dat zou ze niet

toestaan aan Meester Van Gelder, al had Michiel ook de lage streek

met die doode kat uitgehaald.

Zoodra Meester Van Gelder dan ook de bullepees voor den dag haalde,

trad ze tusschen hem en haren jongen.

Wel, eenvoudig, zachtzinnig Moedertje, waar is nu toch opeens dat

goedige oog gebleven, dat zoo zacht en bijna droomerig rondkeek? Waar

is de trek op uw bleek gelaat, die trek van onderwerping zoo op

eenmaal gebleven?

Zie, uwe oogen flikkeren en schitteren, en over heel uw aangezicht

ligt eene uitdrukking van heldenmoed!

Meester Van Gelder zag dat alles ook en--hij bleef staan waar hij

stond.

"Ga uit den weg, Moeder Alida! Gij zijt eene lieve, goede Moeder,

en de hand, die u slaat, mag wel verlammen. Ga uit den weg, beste

vrouw, dien straatjongen daar, dien moet ik hebben! Hij moet vandaag

ondervinden, dat Meester Van Gelder de bullepees voeren kan."

"Gij blijft van Michiel af, Meester! Als Michiel hier in huis

gekastijd moet worden, dan is er maar één, die dat doen mag en dat

is zijn Vader. Elke vreemde blijft van zijn lijf af."

"Ga maar gerust op zijde, Moeder," sprak thans Michiel. "Ik sta hem

en ben niet bang voor hem."

Ja, voor zijnen leeftijd was Michiel buitengewoon kloek en sterk,

maar opgewassen tegen Meester Van Gelder, die een man in de volle

kracht van het leven was, neen, dat was hij niet. Maar Michiel had de

ijzeren blaaspijp in de handen en één slag daarmede kon doodelijk zijn.

"Doe weg die blaaspijp, Michiel! Ik zal u beschermen," sprak Moeder.

"Maar, Moeder, hij zal...."

"Doe weg de blaaspijp, Michiel! Gij zult geenen moord begaan waar ik

bij ben!"

"Eenen moord begaan? Niet te hopen ook! Wat is hier te doen? Wie is

die man met zijne bullepees? Wat moet hij hier?"

Deze woorden op korten en afgebroken toon werden gesproken door den

"Barren Bruinvisch", die, zonder dat iemand er iets van gehoord had,

binnengetreden was.

Meester Van Gelder den zeeman ziende, meende in hem wel iemand te

zullen vinden, die hem hielp, en nu vertelde hij, wijzende op de

doode en bemorste kat, die nog altijd op den vloer lag, wat Michiel

hiermede uitgevoerd had.

De "Barre Bruinvisch" hoorde Meester oplettend aan en zeide eindelijk:

"Gemeen, laag, werk van eenen liederlijken straatjongen.".

"Dat geloof ik ook, Bootsman! Maar die vrouw daar schijnt niet te

willen begrijpen, dat het kwaad gestraft moet worden. Help mij haar

dat aan het verstand brengen."

"Dat wil ik wel, Meester, maar we moeten verstandig te werk gaan. Zeg

mij, wie heeft die doode kat in uwe pap gesmeten?"

"Wie? Wie anders dan hij, de liederlijkste straatjongen van heel

Vlissingen."

"Erg, heel erg, Meester! En wanneer heeft hij dat gedaan?"

"Wanneer?"

"Ja, wanneer, hoe laat?"

"Ik ben een man van orde en regel, Bootsman! Zoo lang ik getrouwd ben,

zet mijne vrouw met het voorslag van acht uren de tafel klaar; als de

klok begint te spelen beginnen we ons gebed en met den eersten slag

van achten beginnen we te eten. Dus, vanavond precies om acht uren."

"Steek die bullepees dan maar onder uwen mantel, Meester, en ga den

liederlijken bedrijver van die straatschenderij vrij elders zoeken

en--neem poesje mee."

"En die bengel dan?"

"Die bengel is pas na het slaan van achten vanboord gegaan en kan

het dus niet gedaan hebben. Daarom, zoek den bengel elders en--hier,

poesje moet mee."

"Bootsman, ik zeg...."

Meester Van Gelder nam eene dreigende houding aan, doch de "Barre

Bruinvisch" werd er niemendal bang voor en zachtjes zeide hij: "Gooi

uw fatsoen niet te grabbelen, Meester! Ga naar de "Lijnbaan" en vraag

daar aan elken matroos hoe laat Michiel vanboord gegaan is. Hij kan

het niet gedaan hebben, al is het ook juist een stukje voor hem."

De kalme toon waarop de Bootsman sprak, bracht Meester Van Gelder

tot nadenken. Hij raapte poesje op, smeet het door de geopende deur

in de gracht en zonder iets te zeggen, verdween hij.

Zoodra hij weg was werd het tooneel daar binnen heel anders. De

leeuwin was weer het zachte Moedertje geworden en de kussen, die

ze haren Michiel nu gaf, vertelden aan Vader Adriaen en de andere

kinderen, die ook binnen gekomen waren, hoe innig verheugd ze was,

dat Michiel waarheid gesproken had toen hij tot zijnen Vader zeide:

"Het kwaad is er uit."

"Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat, manneke," zeide de

"Barre Bruinvisch" nu tot Michiel. Misschien zou er nog eene heele

zeemanspreek gevolgd zijn, als er niet een nieuw bezoeker gekomen

was in den persoon van Engels, die, hoewel aan het andere einde der

stad wonende, nog altijd "Buurman Engels" genoemd werd, omdat hij in

vroegere jaren naast hunne deur had gewoond. Hij was in gezelschap

van zijn dochtertje Cornelia.

"Goeden avond, buurtjes," zeide hij. "Hoe maken de menschen het

zoo al?"

"Goed, gelukkig goed, buurman," sprak Vader Adriaen. "Ga zitten! Alida,

geef buurman eenen stoel!"

"Neen, dank-je, ik zal niet gaan zitten. Ik kom maar even om Michiel

goeden dag te zeggen. Hij gaat immers morgen naar zee?"

"Ja, buurman," antwoordde Vader. "Er zat niets anders op. Het spijt

mij erg, maar mijne vrouw nog veel meer."

"Kom, kom, de zee is goed, en wie oppast kan vooruit komen. De

Compagnie verdient geld als water. Als ik jongens had, allemaal het

zeegat uit, hoor, allemaal! Eerst op Spanje, op de Levant, op de

Oostzee en dan naar de Groote Oost."

"Het is op zee zoo gevaarlijk buurman! Er gebeuren zooveel ongelukken,"

sprak Moeder.

"Ongelukken gebeuren niet enkel op zee. Twee neven van me

waren verleden week te Middelburg bezig met eenen ouden muur te

herstellen. De steiger brak en beide mannen zijn aan de gevolgen

van den val gestorven. Eene oude vrouw, die juist voorbij kwam,

bleef op de plaats dood, want ze kreeg den heelen bak met steenen

op haar hoofd. En dan, is niet een veertien dagen geleden een boer

van Koudekerke, die met vrouw en kinderen naar Domburg reed, op den

hol gegaan en met paard en wagen te water geraakt en verdronken? Is

zijne vrouw en zijn zijne kinderen er ook niet bij omgekomen? Wat

is verleden jaar met Geurt Davidse en zijnen zoon gebeurd? Gebeten

door eenen dollen hond, en hoe gestorven? Ongelukken, buurvrouw, kan

men overal bekomen al is men niet op zee. Ons leven is elken dag in

gevaar, onverschillig waar men is."

"Jawel, buurman, maar het zeevolk is zoo ruw!"

"Nu, schootkindekens zijn onze jongens niet, maar bij al hunne ruwheid

zit er toch veel goeds bij hen ook. Maar ik kwam niet om de zee aan

te preeken, doch wel om afscheid te nemen en u geluk te wenschen met

Michiels besluit."

"Maar, buurman," riep Moeder. "Ons gelukwenschen? Neen, dat meent

gij niet!"

"Stellig meen ik dat, buurvrouw! Gij behoeft het mij niet te

vertellen dat Schraalhans hier wel eens keukenmeester is; ik weet

wat een huishouden kost. En nu zal het u zeker niet ongevallig zijn,

als Michiel na eenige maanden terugkeert, u eenen handvol blanke

daalders in den schoot werpt en zegt: "Zie, Moedertje, ge hebt me

zoo lang het beste uit uwen mond gegeven toen ik als straatjongen

rondliep! Hier is geld, zuiver bespaard en overgewonnen geld! Koop

nu eens wat goeds voor u, voor Vader en voor al de anderen."

"Ferm, flink! Verstandig gesproken! Ik ben het eens met u, man!" liet

de "Barre" zich hooren. "Ik zeg maar:

Een Hollandsch kind blijft niet aanwal:

Hem is de zee het best van al!

Zij brengt hem de eêlste gaven.

Het goud drijft op den zilten vloed,

Hij grijpt het, maar de landrot moet

Er diep in de aard naar graven.

En pakt de storm den zeeman beet,

Een wapen heeft hij steeds gereed,

En nooit is hij er zonder.

Dat wapen is: geloof aan God,

En hiermee gaat hij zelfs ten slot,

Volmaakt gerust, kopje onder!"

De eenvoudige zeeman had deze woorden met zooveel vuur uitgesproken,

dat Moeder Alida hem de handen drukte en zeide: "Dank je, Lievensz.,

gij steekt mij een riem onder het hart, dat in de laatste dagen

dreigde af te zakken, zooals de Profeet Ezechiël zeide."

"Van die blanke daalders heb ik anders niet zoo heel veel verwachting,"

liet Vader Adriaen zich hooren. "Hij zal wel niet kunnen sparen."

Nu kwam Michiel geheel voor den dag en hij zeide: "Ja, Vader, zeker

zal ik sparen. Aanboord heb ik eten voor niemendal en kleeren heb ik

vooreerst genoeg; wat zou ik nu met geld doen? Als ik terugkom en de

Heeren Lampsens betalen uit, dan is alles voor u, Moeder! Dan zullen we

er nog eens eenen avond van nemen, wie weet of Vader dan ons niet eens

vertelt, waarom hij toch uit Bergen op Zoom naar Vlissingen gekomen

is. Dat heeft hij nog nooit willen doen!" riep Michiel vroolijk.

"Ja, jongen, ik weet het wel, uw hart is goed, kind! Als het enkel

van uwen wil afhing, dan zoudt gij mij wel met goud willen bestrooien,

als eene wafel met suiker."

"Dat zou ik zeker, Moeder!"

"Maar willen is niet altijd kunnen, ventje!"

"Jawel, Moeder, willen is kunnen, dat zal ik toonen, als de Heere

mij bij het leven en de gezondheid spaart!"

"Juist zoo, Michiel, juist zoo!" zeide Engels, "ik zeg ook: willen

is kunnen, maar.... het is gemakkelijk gezegd, moeielijk te doen."

"We varen in hetzelfde schuitje, vriend Engels," zoo nam nu

Lievensz. het woord, "Ik zelf ben er een voorbeeld van. Als een

straat-arme jongen, die niet lezen of schrijven kon, ik kan het nog

niet, ging ik naar zee, om een potje te maken voor mijne arme Moeder,

die toen Vader gestorven was, achterbleef met drie kinderen. Ik was de

oudste en gezond, doch maar tien jaar oud. Mijne zusters waren allebei

jonger dan ik en eene ervan was blind en is het nog. De andere had een

zwakte in den rug en mocht al niet veel anders doen dan rust houden

en op bed liggen. En--ga naar Westersouburg, daar leven ze alle drie

in mijn eigen huisje met een mooi lapje grond erbij, waarin ze wat

knutselen kunnen. Iedere week brengt een van de schrijvers van de

Heeren Lampsens, die ook te Westersouburg woont, er een ruim weekgeld

uit mijnen spaarpot, die al aardig vet is en met den dag vetter wordt,

want ik verdien meer dan Moeder en zusters noodig hebben. En dat heb ik

ook met de hulp des Heeren zoo ver gekregen door te willen. Als de wil

maar goed is, kan men bergen verzetten. Het is de groote vraag maar:

"Hebt gij ook zulk eenen wil, Michiel?"

Vlissinger Michiel, of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk. · 第 3 / 17 段