"Ja, baas," zei hij droomerig en begon te draaien.

Het ging erg langzaam, maar toch gestadig voort en het was elf uur

eer Michiel het wist.

"Genoeg, Michiel! Houd maar op," riep baas Lorkens.

"Ja, baas!"

"Weet ge Sinjeur Pieter Jansz. Seylmaecker, het Lid van de Vroedschap,

te wonen?"

"Ja, baas! Hij is gisteren nog bij ons geweest."

"Sinjeur Seylmaecker? Wat kwam hij daar toch doen?" vroeg baas

Lorkens ongeloovig.

"Hij kwam bier bestellen en deed meteen bij Moeder een goed woordje

om me maar naar zee te laten gaan."

"Naar zee! Zoudt gij dat inderdaad nu zoo graag willen, Michiel?"

"Ja, baas!"

"Maar gelooft gij dan, jongen, dat ge het aanboord beter zult hebben

dan hier, en dat ge daar ook zulke streken zult kunnen uithalen als

gisteren hier in de baan?"

"Ik in de baan streken uitgehaald, baas?"

"Ja, zeker, streken! Houd u maar zoo onnoozel niet!"

"Maar, baas dan!"

"Maar, Michiel dan? Weet ge waarover ik gisteren avond toen ik thuis

was, gedacht heb?"

"Neen, baas."

"Nu, ik dacht zoo bij me zelven: ik wed om wat men wil, dat die

kwâjongen er een kunstje op geweten heeft om dat wiel zulk een helsch

leven te laten maken."

"Maar, baas!"

"Ja, leuke guit! En weet ge wat ik vanmorgen daarom eens gedaan heb,

vóór het volk er was?"

"Neen, baas!"

"Nu, toen ik hier kwam dacht ik: kom ik moet dat boeltje eens even

los maken, dat de smid vastgezet heeft.

"Ik deed het en zocht toen zóó lang tot ik het piepkunstje vond. Al

maar een beetje meer links tot het op het laatst ging precies als

gisteren: Pie-hie-hie-hie-iep! Heb ik het niet goed geraden?"

"Ja, baas, ge hebt het kunstje gevonden!"

"Jawel, beken het maar, want tegenspreken zou toch niet helpen. Maar

zoudt gij nu denken, dat ge aanboord ook zulke streken kunt uithalen

zonder dat het "endje touw" voor den dag komt? De Kapiteins van de

schepen zijn niet zulke goedzakken, als ik er een ben, hoor! Aanboord

is Keesje Knuttel heel gauw tot elks dienst!"

"Wie is Keesje Knuttel, baas?"

"Dat weet gij ook wel, deugniet! Ik behoef u niet te zeggen, dat

Keesje Knuttel een dingetje van gedraaid touw is om iemand, die straf

verdiend heeft een warm broekje te geven!"

"Keesje Knuttel zeggen de zeelui nooit; ze kennen alleen maar een

"endje dag." Maar als ge nu denkt, dat ik het aanboord ook zoo zou

maken als hier, dan zijt gij bezijden de plank, baas!"

"Och, jongen, het kwaaddoen zit er bij Michiel zóó muurvast in, dat

hij het niet meer laten kan. Kwaaddoen is zijn opstaan en zijn naar

bed gaan."

"Hier aan den wal, baas, hier aan den wal!"

"En waarom zal dat op zee niet zoo wezen, jongen?"

"Omdat ik me daar niet zoo vervelen zal als hier!"

"Nu, het kan zijn. Maar bij wien wilde Sinjeur Seylmaecker u aanboord

hebben?"

"Op een van de schepen van onze Heeren, en dan zou hij maken, dat de

"Barre Bruinvisch" mijn zeevader werd."

"Als hij dát kon gedaan krijgen, dan geloof ik ook dat ge op zee nog

wat worden kunt, ja! Wat hebt ge ook gedroomd dat ge geworden waart?"

"Admiraal, baas!"

"Ja, ja, Admiraal! Maar komaan, hier zijn acht strengen paktouw en

twintig knuttels bindgaren. Breng die bij Sinjeur Seylmaecker!"

"En zal ik, als die boodschap gedaan is, voor den middag terug

komen baas?"

"Och, dat zou toch maar voor eene minuut of vijf zijn. Neen blijf

maar weg! Maar vanmiddag op den tijd, hoor!"

"Ja, baas!"

Michiel nam de strengen paktouw en de knuttels bindgaren aan en liep

zoo hard hij kon heen. Baas Lorkens keek hem na en dacht: "Hij heeft

zeker weer wat in den zin, dat hij zoo hard loopt. Ik zal vanmiddag

eens vragen wat hij uitgevoerd heeft."

Sinjeur Seylmaecker woonde in de buurt van Michiels Ouders, doch het

was er verre af dat Michiel naar huis ging toen hij zijne boodschap

gedaan had. Hij had een heel ander plan. Al zoo dikwijls had hij het

voornemen gehad eens den Sint-Jacobstoren te beklimmen, doch het was

er nog niet van gekomen.

En welk eene schoone gelegenheid bood zich thans daartoe aan! Wie

weet of er ooit zulk eene zou wederkeeren! Nu of nooit dus, en daarom,

vooruit, niet gedraald, haast-je, rep-je!

Het was juist groente- en botermarkt en dien dag nog al tamelijk druk

door de komst van eenige schepen der Compagnie.

Maar voor Michiel was dat geen hinderpaal. Hij wipte over de manden

met groenten; hij sprong tusschen de boterkorven; hij kroop tusschen

koopers en verkoopers door, zoo handig als men het ooit gezien had.

Wel liep hij hier eenen stomp, daar eenen stoot en wat verder eenen

draai om de ooren op, maar daar gaf Michiel niet om; hij was aan

slagen krijgen al gewoon geraakt.

Hij zag dat de wijzer reeds over half twaalf wees. Te twaalf uren

ging het werkvolk eten en dan zou de toren wel gesloten worden, dus,

geenen tijd verzuimen!

De torendeur was evenwel toe, doch toen hij er eens ferm tegen duwde,

ontdekte hij, dat ze toch niet op slot, maar alleen stevig aangezet

was, om de indringers niet te lokken.

En hij de steenen wenteltrap op naar boven tot bij den eersten omgang

bij de verweerde wijzerborden, die wel een kwastje verf noodig hadden.

Het werkvolk, dat daar in de hoogte zulk een gevaarlijk werk te

verrichten had, was, omdat tegen den middag de wind opgestoken was,

vóór den bepaalden tijd naar beneden gekomen en stond ook op den

omgang toen Michiel er kwam. Hij zag hen terstond, dook weg en zonder

hem gezien te hebben daalden de mannen nu de steenen wenteltrap af,

terwijl Michiel, vlug als een aap, tegen de vaste ladders met ijzeren

sporten hooger klom.

Bij de peer, waarop het kruis stond, gekomen, ging het nog hooger

tot bij het kruis. Maar....

"We hadden de ladders van de peer moeten wegnemen," zeide een van het

volk toen het al beneden in den toren was. "Het waait fel; ze konden

losslaan en als zulk eene ladder iemand op het hoofd kreeg, nu, die

zou ons geen kwaad meer doen, maar ik geloof dat de Magistraat het

ons inpeperen zou."

Dat geloofden de anderen ook en daarom, nog eens naar boven. Zonder

dat ze Michiel zagen haalden ze de ladders van de peer en zetten deze

zoo, dat ze onmogelijk vallen konden.

Thans was het laddergevaar geweken en het werkvolk daalde voor goed

naar beneden.

En Michiel?

Hij genoot, zooals hij nog nimmer op het hoofd of in een bootje op

de Schelde genoten had.

Wat een vergezicht!

Hoe mooi! Hoe schoon!

Wat bruiste die zee! Wat rolden die golven met hare witte pluimen! Wat

wiegelden die schepen daar in de Wielingen en in de Duerloo!

En daar ginder nog verder, nog veel verder, een paar driemasters,

die naar de Oost gingen.

Kijk, daar was het vaste land van Zeeland, of zooals men toen zeide

en nu nog zegt: het land van Cadzand. Wat lag dat nu dichter, veel

dichter bij, dan als men op het hoofd of op den Westdijk stond!

En hoe gek, het scheen wel dat Middelburg zoo dicht bij lag, dat men

er op neerspringen kon. Heel het eiland Walcheren lag daar voor hem

uitgespreid. Westersouburg, het kasteel van Aldegonde, het slot Ter

Hoghe, Popkensburg, Ter Veere, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle!--Och,

och, hoe mooi! Hoe mooi!

Daar beneden hem sloeg het twaalf uren.

Hij daar boven evenwel, hij hoorde geen klokkenspel spelen en geene

klok slaan. Hij zou op het oogenblik niet weten wat hij met de ooren

doen zou dan luisteren naar dat bruisen der zee, naar dat heerlijke

golvenlied.

En zien, ja, zien moest hij, alsof het voor den laatsten keer in zijn

leven was, dat hij zien kon.

Zijne bruine oogen glommen als stralend vuur, dat van het gloeiend

ijzer spat, als de smid het op zijn aanbeeld neerlegt om het te smeden.

Hij genoot met volle teugen bij al die heerlijkheid!

Maar vooral trok die groote, groote zee met hare rollende golven,

dansende schepen en wiegelende tonnen of boeien hem aan.

Hij kon evenwel nog hooger.

Hij kon tegen het ijzeren kruis opklimmen.

Zou hij het doen?

Zou hij dien grooten, leelijken haan, die beneden zoo mooi blonk

en zoo pieperig klein was, eens met de hand aanraken om te kunnen

zeggen: "Wat, wie spreekt er van klimmen? Ik heb den haan van den

toren aangeraakt, ja, dat heb ik gedaan!"

Zou hij het doen?

Maar was er ook gevaar bij? Als hij eens viel!

Wat vallen! Hij had zijne handen toch om vast te houden! En als hij

wat vast had, een knappe jongen, die het hem van tusschen de stevige

vingers kon krijgen! Het was nog geenen enkelen jongen gelukt, dit

te doen.

Ja, ja, naar boven! Naar boven naar dien leelijken haan, zoo grof

en zoo slecht verguld! Moedig naar boven! Voorwaarts! Stevig, ferm

vasthouden maar. De beenen om de ijzeren stang! Ha, daar heeft hij

het kruis al beet! Nog hooger! Nog hooger! Het is toch nog een heele

klim om bij dien haan te komen! Dat zou een mensch, die daar beneden

staat niet zeggen. Wel neen, met de hand er aan komen als men op het

kruis zit! O, gemakkelijk! Jawel gemakkelijk, morgen brengen! Het

is me een sjouw, hoor! Maar--de aanhouder wint. Hij raakt den haan,

den leelijken, groven, slecht vergulden haan aan. Hij probeert hem

te draaien. Jawel, alsof er eene mug met eenen ijzeren bout wilde

wegvliegen! Die wind moet me toch wat mans zijn om zulk eenen haan

maar ineens eenen draai te geven, dat hij met den kop net andersom

staat, alsjeblief!

Maar nu al mooi genoeg! Nog een poosje op het kruis staan en eens

beneden naar de markt gekeken.

Hij staat er, maar....

"Wat! Waar is de markt nu?" mompelt hij.

Eindelijk valt ze hem in het oog; maar hoe gek! Ze ligt onder zijne

voeten! Als hij naar beneden sprong kwam hij op de Roode brug terecht.

En wat deden die boeren en boerinnen gek!

Kijk eens, wat een hoop volk stond daar te kijken!

Ha, ha, dat wiemelt als in eenen emmer vol muizen! Maar stil, ze

schreeuwen wat!

Michiel luisterde; hij kon het niet verstaan wat ze riepen.

Hij stoorde er zich niet aan ook. Zij zouden zeker roepen: "Och,

hemeltje, val toch niet, lieve jongen! Hoe zult gij toch beneden

komen?"

Beneden komen? Wel, langs de ladders!

Daar laat hij zich glijden tot op de peer!

"He, hoe leelijk! Die werkmenschen hebben de ladders weggehaald,"

bromt hij.

"Zeker bang, dat er wind zou komen en dat ze naar beneden zouden

rollen, die ladders, weet je! Nu, zoo'n ladder op den knikkerbol

en--men is er geweest, secuur geweest."

Michiel zit een poosje stil en denkt na.

Hij ziet niet eens wat er in dien emmer met muizen gebeurt, anders

zou hij vast lachen.

Maar dat lachen zou hem niet mooi staan.

Zie, ze komen met dekens en lappen zeil om hem op te vangen. Ze houden

hun hart vast. Ze sidderen en beven.

Michiel houdt niet zijn hart, maar de ijzeren stang vast en van

sidderen en van beven weet hij niemendal.

Maar hij moet toch naar beneden!

Wacht, hij heeft spijkers in de hakken van zijne schoenen. Hij zal

de leien waarmee de peer gedekt is, stuk slaan en aan de spijkers,

waaraan ze hangen, zal hij zich met vingers en nagels vastklemmen.

"Hoezee! Een goed matroos is nooit verlegen," roept hij en begint

den roekeloozen tocht naar beneden.

Hij wordt gelukkig volbracht en hij verdwijnt in den toren.

En daar beneden uit "dien emmer met muizen" stijgt één geluid, één

klank naar boven: "Goddank!"

Ze weten niet wie die koene, neen, wie die drieste klimmersbaas was,

die tot schrik van heel de gemeente met zijn leven spotte.

Ze loopen naar de torendeur met heele hoopen. Ze willen hem zien. Ze

willen en zullen het weten wie die waaghals geweest is!

"Op zij! Op zij!"

Daar komt een van de Burgemeesters aan. Hij heeft er van gehoord,

en is het werkvolk gaan roepen om den knaap te redden. Het schijnt

wel een straatjongen te zijn, maar....

"Wie is het, Burgemeester, wie is het?"

"Och, menschen, zwijgt, ik weet het niet. En hij is al in den toren

en van de peer af, zegt ge?"

"Ja, Burgemeester! Hij zal zoo wel komen. Daar is hij! Daar is hij!"

"Waar is die Michiel? Ikke hebben moet dien Michiel! Daar is

hij!" schreeuwde Jan Kompanjie, die kwam aandraven.

Het volk, dat zich een oogenblik om den negerknaap verdringt,

vergeet naar de torendeur te kijken, en alleen op het geroep van

den negerjongen: "Daar is hij!" zien ze op, en, ja, waarlijk, het is

Michiel, die ondeugende Michiel van Adriaen, den bierdrager, en van

Alida Jans.

En--verdwenen is hij.

Maar, is hij nergens te vinden, het volk weet hem te wonen en loopt

naar zijn huis, waar het zich in eene dichte menigte op elkander hoopt.

De straatjeugd speelt er natuurlijk de eerste viool bij.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE "BARRE BRUINVISCH."

"Wat zou er toch te doen zijn, Moeder?" vroeg Alida, de oudste zuster

van Michiel.

"Och, ik weet het niet, kind! Eet maar," zegt Moeder.

Men had zich maar aan tafel gezet en was op den gewonen tijd begonnen

met eten. Op Michiel werd nooit gewacht; die kwam zoo dikwijls te laat.

Het maal was weldra verdwenen, ditmaal echter in de magen der kinderen.

Moeder had zoo goed als niets gegeten en Vader ook niet.

Dat Vader Adriaen den pot geene eere aandeed, gebeurde maar zelden

en dan moest er wel wat bijzonders gebeurd zijn.

Dat was evenwel toch nu het geval niet; want dat Michiel, die

aartsdeugniet er niet was, zie, dat was geene reden. Als hij daarom

het eten moest laten staan, dan ging hij van de zeven dagen, die er

in de week zijn, zeker drie zonder gegeten te hebben van tafel.

En toch schoof Vader Adriaen onrustig op zijnen stoel heen en weer,

en keek telkens, zoo tersluiks zijne vrouw aan, die maar strak voor

zich zat te kijken.

Maar wat haperde er dan toch aan Vader Adriaen?

Stil, ik geloof dat ik het weet.

Hij is boos, erg boos, en voor Michiel is een spiksplinternieuw pak in

den maak. Ditmaal zal het geen afleggertje zijn, evenmin als gisteren,

en evenmin als al de andere pakken en pakjes, die zijn Vader hem

gemaakt en kant en klaar geleverd heeft. De goede man wist het wel,

dat afleggertjes bij jongens niet gewild zijn! Die kreeg hij dan ook

maar alleen van zijne lieve, goede Moeder, die soms tot diep in den

nacht bezig was om zoogenaamd van oud weer nieuw te maken.

En dat nieuwe pak van gisteren nu al versleten!

Hoe kon dat in de wereld mogelijk zijn?

Had Vader Adriaen niet gezegd: Het kwaad moet er uit en het kwaad

zal er uit? Had hij den kwâjongen niet geranseld, niet zóó geranseld,

dat de schelm een sloksken koud water moest hebben om niet van zijn

stokje te rollen? En nu al vergeten!

Weer schoof Vader Adriaen naar den anderen kant van zijnen stoel,

en keek het kleine vertrek rond.

Moeder Alida, die maar voor zich keek, voelde dat haar man iets zocht

en angstig keek ze even naar de groote vuurtang, die in het hoekje

van den haard stond.

Op hetzelfde oogenblik dat Moeder dit deed, deed Vader het ook en

hij dacht: "Helpen rinkellatten niet, dan de tang maar. Ik zeg:

het kwaad moet er uit en het kwaad zal er uit."

"Maar wat zou er toch te doen zijn?" zeide Jan, de oudste broeder

van Michiel, terwijl hij met eten opeens ophield.

"Hoor dat volk eens joelen en schreeuwen," merkte een der jongeren

ongeduldig aan.

"Zie, daar kijkt die leelijke negerjongen door het raam," riep

Alida. "Wat moet die hier komen scharrelen?"

"En daar zijn Pieter en Geleyn Evertsen ook," zeide Dirk.

"Och, we zijn toch klaar met eten! Zouden we maar niet danken,

Adriaen?" sprak Moeder.

Vader gaf geen antwoord; hij scheen het niet te verstaan.

"Zouden we maar niet danken, Adriaen?" vroeg Moeder andermaal, doch

erg angstig en bevend.

Nu hoorde Vader wat; maar het rechte toch niet en daarom zei hij:

"Wat vraagt gij daar, Moeder?"

"Of we maar niet danken zouden?"

"Ik dacht dat we het al gedaan hadden! Jan, dank vanmiddag maar,

jongen! Ik kan het niet."

Vader en jongens hielden de mutsen voor de oogen; Moeder en de meisjes

vouwden de handen samen en bogen zich voorover, en Jan dankte.

Nauwelijks evenwel had hij "Amen" gezegd of de kinderen stoven van

hunne zitplaatsen op.

"Hei, hei, waar dat heen? Moet ge niet eten?" vroeg Vader.

"Maar, Adriaen!" zei Moeder Alida, "hoe heb ik het nu? Wij hebben

immers zóó gedankt!"

"O, ja, dat is waar ook. Nu, vooruit dan maar!"

De kinderen liepen de deur uit, doch het leed geene minuut, of Alida

vloog weer naar binnen en riep: "Moeder, Vader, Michiel heeft boven

op den toren gezeten!"

"O, God, en is er af gevallen!" riepen Vader en Moeder bijna tegelijk.

De tang viel uit Vaders handen en de man met dat hart, zoo

onvermurwbaar hard, waggelde waar hij stond en moest zich vasthouden

om niet te vallen.

Wist gij het wel, Michiel, dat uw Vader u zoo lief had, ja, niet

minder lief zelfs dan uwe al te teerhartige en toegevende Moeder?

Wist gij het wel, eerste van Vlissingens straatjongens, welk eene

groote plaats gij beslaat in het hart van den man, die niet uit lust

tot slaan zeide: "Het kwaad moet er uit en zal er uit," maar alleen

uit liefde voor u?

Wist gij het, bengel, dat het ook van een Vaderhart waar is: "Van

buiten is niet alles te zien, wat binnen te koop is"?

"Dood gevallen?" vroeg Vader nog eens, maar op eenen toon, alsof hij

het niemand anders dan zichzelven vroeg.

"Neen, Vader," zei nu weer een ander der kinderen, "hij is heelhuids

beneden gekomen. Maar waar hij nu is weten ze niet."

"Hij geklommen is op den toren, ja! Hij geweest is bij het haan,

heelemaal bij het haan. Ik het gezien heb.

"En weg waren de ladders. Hij trapt stuk die lei en nog die lei en

trapt weer stuk die lei en nog die lei, en klautert zoo naar beneden

langs dat peer. Al die volk wit zag. Ik ook, wit, heelemaal wit en ik

koû kreeg. Die Burgemeester gekomen is met dat twee man om te haal

Michiel. Ik Michiel spreek moest. Maar Michiel gauw weg was. Wij

dachten hij naar huis is. Wij liep een, twee, drie, vier, vijf,

allemaal naar hier. Wij zien wilden hoe Michiel weer krijgen zou en

dan wij vraag wilden: "Niet slaan Michiel! Michiel een jongen is,

die heeft moed!""

Met alle aandacht hadden Vader en Moeder en de kinderen naar de

wartaal van Jan geluisterd, en juist wilde Vader nog een en ander

vragen toen daar buiten een oorverdoovend geschreeuw opsteeg: "Daar

is de belhamel! Daar is Michiel!"

Gedragen door zes jongens, waarbij nu ook Pieter en Geleyn Evertsen

waren, die hem, niet te huis vindende, weer elders gezocht en gevonden

hadden, en gevolgd door alles wat Vlissingen aan straatjeugd had,

naderde de dolle troep al meer het huis van Michiel.

De Ouders en kinderen vlogen naar buiten en Moeder Alida, zich geenen

tijd gunnende hare muilen aan te trekken, liep op de kousen haren zoon,

dien grooten waaghals, te gemoet en haren man, die zijne "flauwigheid"

vergeten en weer de tang opgenomen had, voorbij.

Weldra stond ze temidden der woelende en joelende belhamels.

"Fij, rauwe gasten, wat stelt gij uzelven gemeen aan! Kom hier,

Michiel," riep ze.

"Jongens, dat is Moeder Alida, de Moeder van onzen Koning!" riep

Geleyn Evertsen.

"Gauw, jongens, een hoezee voor Moeder Alida!" schreeuwde Pieter zoo

hard als zijne jongenskeel dit toeliet.

En daverend klonk het uit honderden monden, van grooten zelfs

zoowel als van kleinen: "Hoezee! Leve Moeder Alida! Leve de Moeder

van Michiel!"

"Hoezee! Leve mijne lieve, goede Moeder!" riep Michiel.

"Roep dat nog eens, Michiel," zeiden de jongens en hieven hunnen

Koning in de hoogte.

Wip, daar stond de Vorst der straatbengels op de schouders zijner

makkers. Hij gooide zijne muts in de hoogte en terwijl de zoele

westenwind langs zijne vuurroode wangen streek en zijne bruine haren

deed golven, riep hij weer met stralende oogen: "Leve mijne goede,

lieve Moeder! Hoezee! Hoezee!"

"Hoezee!" brulde men hem na, en als op een gegeven teeken sloot

het volk zich om de Moeder en de jongens heen, en begon al dansende

te zingen:

"Lang zal zij leven!

Honderd jaar na dezen!

Lang zal zij leven

Moeder Alida!"

Opeens sprong Michiel van de schouders der jongens op de straat,

en zijne Moeder om den hals vallende, zei hij: "En wees niet boos,

goed, lief, best Moedertje! Het was daar boven zoo mooi! Ga mee naar

binnen dan zal ik vertellen, wat ik daar in de hoogte gezien heb!"

"O, God, lieve, lieve jongen, uw Vader! Wat zal er van u groeien? Kind,

kind, ge doet uwen Vader zooveel verdriet en mij zoo ontzettend veel

pijn," sprak ze en gaf hem eenen kus op zijne gloeiende wangen.

En het volk om hen heen scheen maar niet moede te kunnen worden,

en juichte maar altijd door:

"Lang zal zij leven

Moeder Alida!"

"En ik wilde wel eens weten of ik nu op mijne beurt niet eens even

aan het woord mag komen," zeide Vader Adriaen en kwam met de groote

tang nader.

Michiel zag het en liep hem te gemoet. Hij scheen na zooveel genot

gesmaakt, en na zooveel eer genoten te hebben, nu wel eens eene

vaderlijke kastijding te willen oploopen om wat tot zichzelven

te komen.

"Vervoerde schavuit, kom hier! Ik zal je Koningen!" riep de Vader

sissend door de tanden heen van lang verkropte boosheid, die voor

liefde in de plaats gekomen was.

Daar ging de tang de hoogte in.

Michiel klemde de lippen op elkander en kromde den rug.

Daar daalde de tang en....

"Hei, niet slaan!" riep Geleyn Evertsen en hield, geholpen door Pieter,

den arm van Vader Adriaen tegen.

"Neen, Adriaen, niet slaan!" riepen enkelen uit den hoop.

Vader Adriaen keek verwoed, gaf met de vrije hand eerst Geleyn en

toen Pieter Evertsen eenen draai om de ooren, roepende: "Uit den weg,

Jan Hagel en zijn vee! Uit den weg, zeg ik."

En weer ging de tang de hoogte in en weer kromde Michiel onderworpen

den rug.

"Niet slaan! Niet slaan!" riep het volk nu ook met de jongens mede.

"Wat, wilt gijlieden mij de wet komen stellen?" riep de Vader bleek

van kwaadheid. "Ik zal toch dien kwâjongen...."

"Niet slaan! Niet slaan!" klonk het nu van al het volk als uit éénen

mond. Zelfs enkele deftige lieden, die tusschen den hoop stonden,

riepen het mede.

Vader Adriaen had moeite zijnen toorn in bedwang te houden en misschien

zou het tusschen hem en het volk, dat voor den kwâjongen partij trok,

tot ruzie en vechten gekomen zijn, als niet eensklaps de menigte uit

elkander gegaan was om ruimte te maken voor twee mannen.

Het waren de voorzittende Burgemeester en een der Heeren Lampsens.

"Wel, Vader, houdt gij afrekening met den bengel? Dat is goed!" zeide

de Burgemeester.

"Neen, Burgemeester, die menschen daar met al die schavuiten beletten

mij het. Maar nu zal ik...."

"Niet slaan! Niet slaan!" riep het volk in koor.

De Burgemeester keek niet heel vriendelijk toen men dat, ondanks

zijne nabijheid, zoo brutaal riep.

"En als ik wil dat deze straatbengel, die de heele stad in opschudding

brengt, die dag aan dag de goê gemeente tot last is, die zijn grootste

vermaak vindt in straatschenderij, gestraft zal worden, wie zou dat

dan beletten?"

"Wij, Heer Burgemeester," riepen enkelen.

"Wie roept dat daar?"

"Wij, Heer Burgemeester!" riepen ze nu allemaal. Het scheen dat men

nu door den regel van drieën heen was.

De Burgemeester fronste het voorhoofd en krachtig klonk zijn bevel:

"Sla zeg ik!"

"Niet slaan! Niet slaan!" schreeuwde het volk en drong nu zoo dicht

om Adriaen, Michiel, den Burgemeester en den Heer Lampsens heen,

dat de Vader geene ruimte had om de tang op te heffen.

"Wat? Zal dat rebellie tegen het gezag geven?" riep de Burgemeester

woedend uit.

Daar drong zich een man voorop en na zich met moeite door de menigte

heen gewrongen te hebben, stond hij vlak voor den Burgemeester.

Hij was een zeeman, een kort, maar ontzettend breed geschouderd

man. Een groote knevelbaard bedekte bijna zijn geheele gelaat, waar

langs het blonde hoofdhaar zich krullend heenslingerde. De man geleek

wel eenen leeuw.

Een gemompel doorliep de menigte, doch op het: "Ssst, de "Barre

Bruinvisch" heeft het woord," werd het doodstil.

"Wie ben je, wat wil je kerel?" vroeg de Burgemeester wat

terugtrekkende. Hij scheen voor dien zeeleeuw toch wel eenigszins

bevreesd te zijn.

De Heer Lampsens knikte den zeeman vriendelijk toe.

"Ik ben de "Barre Bruinvisch"!" sprak de man.

"Leve de "Barre Bruinvisch"!" schreeuwde de menigte.

"Houd den mond daar, en spreek als je wat gevraagd wordt!" sprak de

zeeman bevelend tot het volk.

Weer was het doodstil.

"Barre Bruinvisch! Zoo heet gij toch niet? Hoe is uw ware naam?" vroeg

de Burgemeester!

"Cornelis Lievensz., om u te dienen, Burgemeester!"

"Van beroep?" vroeg de Burgervader, zeker in de meening, dat hij

op zijn doode gemak op het Stadhuis den een of ander onder het

verhoor had.

"Sedert eenige jaren zooveel als Bootsman op de "Lijnbaan" van de

Heeren Lampsens, Burgemeester!"

"Dat is zoo," zeide Lampsens tot den Burgervader. "Een ferm, open

en rond zeeman. Hij zal een verstandig woord spreken, daar kunt ge

op aan!"

"En wat wilt gij, goede vriend?" klonk het nu eensklaps uit den

mond van den eersten man van Vlissingen op heel anderen, ja, bijna

vriendelijken toon.

"Ik wil dat die jongen niet geslagen wordt!"

Vlissinger Michiel, of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk. · 第 2 / 17 段