"Negersaus, jij nog zeggen moet eens, dat ik ben negersaus,"

VLISSINGER MICHIEL,

OF

NEERLANDS GLORIE TER ZEE.

GESCHIEDKUNDIG VERHAAL VOOR OUD EN JONG NEDERLAND

DOOR

P. LOUWERSE.

Tweede, omgewerkte Druk.

LEIDEN.--A. W. SIJTHOFF.

"Kloek en onverschrokken krijgsman,

vlootvoogd, wijs in woord en daad,

Wakker en rechtschapen burger,

trouwe dienaar van den Staat,

Ingetogen, vroom van wandel,

moedig Christen bovenal,

Was De Ruyter, wiens gelijke

de aarde moeilijk noemen zal."

Mr. J. van Lennep.

VOORBERICHT.

"Meneer, meneer, ik heb het standbeeld van De Ruyter gezien!" met

deze woorden begroette mij, eenigen tijd geleden, een knaap, die

zijnen oom en zijne tante te Vlissingen bezocht had.

"Zoo, jongen!" zeî ik, "en wat dacht ge wel toen ge dat beeld zaagt?"

"Wel, meneer, ik dacht: meneer moest eens een boekje schrijven van

De Ruyter. Hij heeft het wel gedaan van Marten Harpertsz. Tromp en

van Piet Hein! En Michiel De Ruyter was toch grooter zeeheld!"

Ofschoon de knaap op mijne vraag een ander antwoord gaf dan ik

verwacht had, kon ik toch aan zijne oogen zien, dat hier volstrekt

geene vleierij of zoo iets in het spel was, en dat hij inderdaad

wenschte, dat ik een verhaal over De Ruyter schrijven zou.

Michiel Adriaensz. De Ruyter is voor elk Nederlander de eerste van

alle Vlootvoogden, de grootste van alle zeehelden. Nelson is in zijn

oog niets bij hem. Zoo is het ook voor alle jongens.

En als die jongens groot geworden zijn, is dan De Ruyter dezelfde

gebleven, als die hij was in hunne jeugd? We willen hopen van ja,

opdat mijn titel voor dit boek geene onwaarheid spreke, waar het heet

geschreven te zijn: "voor oud en jong Nederland."

Met dit verhaal in de wereld te zenden voldoe ik dus aan den wensch

van den knaap, die er mij om vroeg, en zoo ik vertrouw, meteen aan den

wensch van honderden, die er niet om vroegen, maar het toch wel wilden.

Het is met Michiel Adriaensz. De Ruyter gegaan, als met Piet Hein; men

weet bijzonder weinig van zijne kinderjaren, daar niemand vermoeden

kon, dat uit den ondeugenden zoon van eenen armen bierbrouwersknecht

eenmaal zulk een groot man zou groeien. Ondeugend moet hij echter

geweest zijn en erg ondeugend ook, dat schijnt eene uitgemaakte zaak

te zijn; want alle verhalen, die er van hem in omloop zijn, spreken

er over. Wij zullen hem dus ook maar als deugniet laten optreden,

doch waarschuwen onze lezers vooraf, dat zij hierin niet te veel

geschiedkundige waarheid moeten zoeken. Zijn dienst als busschieter

te Bergen op Zoom en zijne bedelreis door Frankrijk, nadat hij door

Spanjaarden gevangen genomen was geworden, schijnen wel waar te zijn,

zoowel als zijne roekelooze toren-klimmerij. De makkers met welke

ik hem laat omgaan, zijn, zooals ge wel al dadelijk ontdekken zult,

ook geschiedkundige personen.

Van harte hoop ik geschreven te hebben, zooals mijn jonge vriend dat

zoo gaarne wilde; ik heb er althans mijn best toe gedaan.

Vinde het veel lezers en lezeressen, zoowel onder de jonkheid, als

onder de volwassenen, en zij het een middel om de liefde voor onze

schoone Nederlandsche geschiedenis op te wekken en eene uitlegging

van de woorden op het praalgraf van onzen held: "Hij blinkt in

onbezoedelde eere!"

Het bovenstaande schreef ik bij den eersten druk van dit boekje,

en nu er eene tweede oplage van verschijnt, dien ik wel te zeggen,

waarom er zooveel in veranderd is. Van een paar zijden ontving ik zeer

gegronde op- en aanmerkingen, nadat ikzelf reeds enkele bladzijden

gevonden had, die ik nog wel eens anders had willen schrijven. Kleine

wijzigingen kunnen echter oorzaak van groote veranderingen worden, en

dit was ook hier het geval. Ik hoop nu maar, dat het boek werkelijk

veel verbeterd zal zijn en weer zijnen weg vinden zal onder "oud en

jong Nederland". Hun, die mij hunne humane op- en aanmerkingen gaven,

mijnen dank; mijnen lezers, heil!

's-Gravenhage. P. LOUWERSE.

INHOUD.

EERSTE AFDEELING.

MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS KNAAP.

Eerste Hoofdstuk. Bladz.

Eerste Kennismaking 1

Tweede Hoofdstuk.

Een straatjongens-daagje 11

Derde Hoofdstuk.

Bij het torenhaantje 26

Vierde Hoofdstuk.

De "Barre Bruinvisch" 35

Vijfde Hoofdstuk.

De laatste avond thuis 48

Zesde Hoofdstuk.

Thuis van de eerste zeereis 63

Zevende Hoofdstuk.

Het muist, wat van katten komt 74

Achtste Hoofdstuk.

Verloren tijd inhalen 81

Negende Hoofdstuk.

Bij de kapers 96

Tiende Hoofdstuk.

Eene moeielijke bedelreis 107

TWEEDE AFDEELING.

MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS MAN.

Eerste Hoofdstuk. Bladz.

Bij den man in huis 122

Tweede Hoofdstuk.

Het voorspel van een helden-leven 133

Derde Hoofdstuk.

In dienst van het land 147

Vierde Hoofdstuk.

De Vice-Admiraal 155

Vijfde Hoofdstuk.

Alweer de "Barre Bruinvisch" 164

Zesde Hoofdstuk.

Jan Kompanjie 172

Zevende Hoofdstuk.

Voor Engelands hoofdrivier 182

Achtste Hoofdstuk.

Chattam 190

Negende Hoofdstuk.

Luctor et Emergo 200

Tiende Hoofdstuk.

De Redder van het Vaderland 217

Elfde Hoofdstuk.

Het einde van een heldenleven 229

EERSTE AFDEELING.

MICHIEL ADRIAENSZ. DE RUYTER ALS KNAAP.

EERSTE HOOFDSTUK.

EERSTE KENNISMAKING.

"Michiel!"

"Ja, baas!"

"Waar ben je heel den tijd geweest?"

"Wel, baas, ik heb, ik heb...."

"Ja, ja, ik begrijp wat er volgen zal! Ge zoekt weer uitvluchten en

leugens om jezelven te dekken."

Op deze woorden toog een gloeiend rood over de gezonde wangen van

den flinken knaap; zijne oogen fonkelden en bijna op driesten toon,

antwoordde hij: "Wanneer heb ik u wat voorgelogen, baas! Ik jok niet

om eene kleinigheid en om geene grootigheid ook!"

De man, die als "baas" aangesproken werd, keek den eergevoeligen knaap

verstoord aan, doch toen het scheen, dat hij hem eenen draai om de

ooren zou geven, bedacht hij zich. Het was zoo! Welk een ondeugd de

knaap ook mocht zijn, met leugens had hij zich nooit opgehouden. Hij

was wáár, op brutaal-worden af. Daarom trok hij de hand terug en

zeide wat minder nijdig, dan de knaap wel verwacht scheen te hebben:

"Gij jokt nooit, ja, dat weet ik; maar met waarheid spreken, redt een

dief zich niet van de galg. Orde en tucht moeten er zijn. Spreek op,

waar hebt gij weer zoo lang gezeten, Michiel?"

"Ik heb niet gezeten, baas," sprak Michiel, die zijne verstoordheid

opeens vergeten was. "Gezeten? Alles behalve! Ik heb eene pret gehad,

nog zoo!"

"Pret hebben, als men werken moet, komt niet te pas, zou ik zoo

meenen!"

"Neen, baas!"

"Ei, bekent gij zelf, dat er wat meer gewerkt moet worden en wat

minder gespeeld?"

"Ja, baas!"

"Goed, als gij er dan voortaan maar aan denkt. En met welke jongens

zijt gij nu alweer aan den slag geweest?"

"Wel, baas, met dat malle negertje, Jan Kompanjie, met Geleyn Evertsen

en Pieter Evertsen; met...."

"Houd op! Het zijn me de kameraden wel, ja! Allemaal kanonnen-

en sabelvoer."

"Kanonnen- en sabelvoer? Wat is dat, baas?"

"Wat dat is? Volkje voor de oorlogsschepen of voor de schepen van

de Compagnie!"

"Zou u dat denken, baas? Zou ik goed voor het schip zijn?" riep de

knaap en zijne oogen tintelden van genot.

"Ja, goed voor het schip, nergens anders voor!"

"O, baas, zeg dat tegen Vader en Moeder, dan laten ze me zeker naar

het schip gaan. De zee is mijn lust en mijn leven. Geen beter en vrijer

leven dan met eene houten aarde onder de voeten op de baren te dansen."

"Men zou zoo zeggen, dat gij er al heel wat van af weet! Ja, ik zie

je naar zee gaan en drie maanden later alweer bij Moeders pappot

zitten. Ze hebben aanboord een taai eindje, weet je dat wel?"

"Een eindje knut, hé, baas? Dat gaat er van langs op het broekje! En

schreeuwen dat die matrozen dan doen! Zoo hard kunnen ze niet

trommelen of men hoort hen boven alles uit. Zulk een taai ding moet

erg pijn doen!"

"Of het! En dat kreeg je stellig eens in de week!"

"Ik, baas, ik?"

"Ja, wie anders? Aanboord kunt gij zulke kunsten niet uithalen,

als hier in de lijnbaan, hoor! Dat gelijkt er niet naar!"

"Willen we eens wedden, baas!"

"Wat zoudt gij wedden?"

"Dat ik, als ik maar op zee ben, nooit straf krijg. Willen we?"

"Ik wed niet, jongen!"

"Ook goed! Maar gij zult zien, dat ik aanboord goed oppas. Toe,

wilt ge bij Vader en Moeder een goed woordje voor mij doen? Een van

de Heeren Lampsens zal me wel als kajuitsjongen of als lichtmatroos

op een van hunne schepen willen nemen."

"Dat geloof ik nog zoo gauw niet. De Heeren hebben fatsoenlijk en

best volk in hunnen dienst, waarbij een straatjongen past, als het

vijfde wiel aan eenen wagen! Neen, mannetje, uw zondenboekje is al

veel te vol. En dan, wat moet er van zulk eenen, als gij er een zijt,

aan boord worden?"

"Een Admiraal, baas!"

De baas schoot in eenen luiden lach, en riep: "Een Admiraal! Ha,

ha! Hoe komt gij daaraan?"

"Ik heb het gedroomd, baas!"

"Ja, gedroomd, een mensch kan zooveel droomen!"

"Het is toch zoo, baas! Toen ik bij Meester Van Gelder ook van

school gejaagd was en des avonds met een warm broekje, dat Vader me

aangepast had, zonder eten naar bed was gegaan, lag ik eenen heelen

tijd wakker en dacht: "Ewouts, Worst, De Moor, Sebastiaan De Lange en

Piet Hein zijn van gemeen matroos wel opgeklommen tot Vlootvoogden of

Bevelhebbers van schepen. Piet Hein leeft nog en zal het wel verder

brengen dan Kapitein op eenen koopvaarder. En wat nu Piet Hein en

die vier Zeeuwsche jongens konden worden, zoo ver kan ik het ook wel

brengen. Zóó dacht ik aan varen, en voor dat ik sliep, droomde ik al

en zag ik mijzelven met eenen pluimhoed op het achterschip staan!"

"Dat is geen droomen! Dat is denken!"

"Niet, baas? En als ik het wiel laat stilstaan, dan roept u: "Jongen,

staat toch niet zoo te droomen!""

"Nu ja, doch dan bedoel ik suffen. Maar wat ik vragen wil: kunt gij

wel lezen en schrijven? Ik wed van neen!"

"Ei, baas, nu heeft u het glad mis! Al werd ik wel driemaal van school

gejaagd, geleerd heb ik toch wat! Het is vreemd met mij, baas, maar al

lette ik nog zoo slecht op, ik wist toch altijd, wat Meester zeide. Ha,

ha, als ik zoo rond zat te kijken, het liefst naar het torenhaantje,

dan was het opeens: "Michiel, wat heb ik gezegd?" Dan schrikte ik

wel even, maar toch gaf ik altijd een goed antwoord. De baas kon mij

niet vangen."

"Maar wat hadt ge toch met dat torenhaantje uitstaan?"

"Ik was jaloersch er op, baas! Ik dacht zoo: Kijk eens, zoo'n doode

haan staat daar zoo hoog, zóó hoog dat hij Engeland wel zou kunnen

zien, als hij zien kon, en ik, die goede oogen heb, zit zoo laag,

zóó laag dat ik niets anders zie dan vier witte muren! Zat die malle

haan maar hier en was ik maar daar in de hoogte! Wat zou ik mijnen

oogen den kost geven! Hé!"

Dat "Hé" kwam er zóó natuurlijk uit, dat de touwslagersbaas terstond

begreep, dat die wensch, hoe dwaas ook, toch oprecht gemeend was.

"Maar waarom zijt gij dan van school gejaagd? Zat er dan heelemaal

geen oppassen in?"

"In het eerst paste ik wel op, maar later liep dat mis, toen was ik

geen "zoete" jongen meer!"

"In het eerst wel en later niet? Hoe kwam dat?"

"Dat zal ik u vertellen, baas. Toen ik voor den tweeden keer van

school gejaagd was, zei Vader tegen Moeder: "Alida, wat nu?"

"Ja, wat nu?" vroeg Moeder.

"Ja, net, wat nu? vroeg Vader alweer.

"Ja, juist man, wat nu?" vroeg Moeder.

"Toen Vader en Moeder zoo mooi "nuden" begon ik hard te lachen;

maar Vader, die behalve over mij nog over vier van mijne broêrs en

zes van mijne zusters te regeeren heeft...."

"Zijt gij wel mal, jongen? Hebt ge nog vier broêrs en zes zusters?"

"Ja, baas! Het is er precies één meer dan eenen mudzak vol, zegt

Vader! Maar ik wilde zeggen, dat Vader onder zulk eene bende goed

orde heeft leeren houden. Zoodra ik begon te lachen, kwam hij op me

af, legde mij over de knie en gaf mij met zijne groote handen een

pak voor het broekje, baas, niet zuinig, hoor! Jongens, het ging

er zoo van langs. De tamboer van het halve vendel, dat hier ligt,

kan zoo vlug niet roffelen als hij!"

"Dan zult gij het terdege gevoeld hebben!"

"Of ik, baas!" Maar toen Vader eindelijk zoo geroffeld had, dat er

aan ieder van zijne haren een druppel zweet hing, zette hij mij neer

en vroeg aan Moeder weer: "Ja, wat nu, Alida?"

Ik stak mijnen duim in den mond en beet er haast een stuk van om niet

in eenen lach te schieten, toen Moeder ook al weer vroeg: "Ja, juist,

wat nu, Adriaen?"

Vader keek eens even naar het hoekje waar ik stond, doch ik hield me

goed en lachte niet.

"De kwâjongen is toch nog te jong om hem al van school af te nemen. Hij

kan amper zijnen naam schrijven! Wat denkt ge er van, als we het nog

eens probeerden bij Meester Van Gelder?"

"Ja, Adriaen, dat zal wel het beste zijn," sprak Moeder.

"Nu, dan ga ik er dadelijk op uit! Meê, Michiel!"

Vader stapte de deur uit en ik ging hem achterna, en toen we eindelijk

in school kwamen, zei Vader: "Meester, hier is een jongen, die al van

twee scholen gejaagd is! Ik zou hem nu nog eens bij u op de proef

willen geven! Maar, u zal wel weten, dat ik maar een bierdrager

ben, en elf kinderen heb, dus schappelijk maken met het schoolgeld,

alsjeblief!"

Meester Van Gelder legde de handen op zijn hoofd, liet ze glijden

langs zijne wangen, zijne borst, zijnen buik tot op zijne knieën,

en toen hij zoo ver gekomen was, ging hij weer rechtop staan en zei:

"Als ik hem eens voor niemendal nam?"

"Wel, dat zou me lijken," sprak Vader opgeruimd.

"Jawel, jawel," vervolgde Meester, "maar dan moet hij tusschen

schooltijd boodschappen voor mij doen of krijtzagen, borden schoon

maken, tafels recht zetten, messen slijpen voor mijne vrouw, turf

halen, hout hakken, vloer aanvegen en opdweilen, kaarsenblokken

schoonmaken, ragen, ruiten wasschen, het plaatsje schuren, en in

den winter des Zondags driemaal eene stoof voor mijne vrouw in de

kerk brengen!"

"Nu," zei Vader, "de jongen moet leeren werken, u kan hem krijgen,

Meester!"

Zoo kwam ik daar op school, en ik moet zeggen: in het eerst had ik er

nog al pret in, maar op het laatst werd ik het mooi zad, dat begrijpt

ge! Ik begon daarom alles heel slecht te doen. De boodschappen liet

ik met opzet in de modder vallen; de messen sleep ik blank, maar zóó

bot, dat men er geene brij mee snijden kon, en het turfkooltje in de

vuurtest hield ik, als ik de stoof naar de kerk bracht, en als het

regende, even onder een gootje en liet het kooltje uitdooven. Het

laatste was, dat ik het kleine kind, dat ik altijd inslaap wiegen

moest, zoo hard wiegde, dat de arme hals over den grond rolde, als

een bal, en eene keel opzette, alsof ze vermoord werd. Toen kreeg

ik een pak slaag, mocht niemendal meer doen, en Vader moest beginnen

met schoolgeld te betalen, en ik met slaag krijgen!"

"En zijt ge daar ook weggejaagd?"

"Ja, baas!"

"Wat hadt gij dan uitgevoerd?"

"Wel, ik had op het bord een tonnetje geteekend, en op dat tonnetje

een menschenhoofd en onder dat tonnetje twee korte beentjes. Daaronder

schreef ik: "Dat is de Meester!""

"En wie dat gedaan had, werd zeker door een verklikt. Wie deed dat?"

"Mijn schrift verklikte me. Geen mensch schreef zoo slecht als ik,

en aan dat schrift zag Meester dadelijk, dat ik dat moois gemaakt had."

"En toen?"

"Toen werd ik van school gejaagd!"

"Ei, ei, en verder?"

"Kwam ik hier in de lijnbaan van de Heeren Lampsens en bij mijnen

goeden baas."

"Zoo, die goede baas ben ik zeker?"

"Ja, baas!"

"Nu, ik wil wel zeggen, Michieltje, als ge het hier niet beter gaat

aanleggen, en het iederen dag zoo van eieren blijft maken, dat ge

hier ook weggestuurd wordt! En dat zoudt gij toch zeker wel niet

willen, hé?"

"Ja, baas, heel graag!"

"Wat, heel graag, jongen? Zijt gij dan hier niet goed, en verdient

gij niet eenen schelling in de week?"

"Ja, baas!"

"Neen, baas, moest gij eigenlijk zeggen, want ge verdient geenen

schelling! De Heeren Lampsens geven eenen schelling, want ik weet

niet hoe dikwijls wel, dat in een schoft het wiel stil staat!"

"Het draait ook zoo stroef, baas!"

"Wat stroef! Dat komt omdat gij er geenen zin in hebt, en liever heele

dagen langs de straat loopt slenteren. Gij zult me een kerel worden,

ja! Een luie baliekluiver, een bedelaar, een spinhuisbrok of galgeman!"

"Neen, baas, dat word ik niet!"

"Ei, wat ge zegt! Wordt ge dat alles niet? Och, dan toch! En wat

denkt de brave jongen dan, dat hij worden zal?"

"Als ik maar overal aan den wal weggejaagd word, dan zullen ze me

wel gaan laten varen, baas! En, dàt weet ik zeker, op zee word ik wat!"

"Ja, pluimgraaf, wat anders?"

"Er zijn veel baantjes aanboord, baas!"

"Veel baantjes! O ja, er is zelfs een Admiraal, en in uw suffend brein

is het op eenen mooien avond opgekomen, dat het Admiraals-baantje voor

eenen Vlissingschen straatjongen zijn zou. Eene goede verbeelding

en een kurken geweten, dan drijft ge naar Breskens! Ha, ha! Als gij

Admiraal wordt, dan word ik nog wel Stadhouder! Zoo'n kwajongen,

zoo'n luie deugniet, die driemaal van de school en ik weet niet hoe

dikwijls van zijnen baas gejaagd is, zou Admiraal worden! Als ik

in uwe plaats was, dan zou ik zulk moois maar niet meer droomen en

liever overdag de handen uit de mouw steken, dan hebt gij des avonds

te veel slaap om aan zulke malle dingen te denken."

"Hoor eens, baas, droomen...."

"Zwijg, jongen! daar slaat de klok! Het schoftuur is om, en het wiel

wacht. En wat ik zeggen wil, niet zoo horten en stooten en zoo ongelijk

draaien als gisteren, hoor!"

"Neen, baas! Maar luister eens! Die droomen!"

"Ga aan het werk, luiwammes," riep de baas en hield nu werkelijk in

ernst het "end" gereed om hem op eene gevoelige manier naar het werk

te drijven.

Michiel ging, doch bromde: "Ook al zoo'n beul, ja! En hij wil niemendal

van mijn droomen weten; maar waar is het toch dat ik gedroomd heb,

dat ik Admiraal was geworden."

Dit gesprek had plaats te Vlissingen in de lijnbaan van de Heeren

Lampsens, en wel tusschen den meesterknecht in die baan, door het

werkvolk gewoonlijk baas genoemd, en eenen elfjarigen knaap.

Men schreef het jaar 1618.

De knaap zag er voordeelig uit, althans wat zijn lichaam aangaat. Hij

was niet heel lang, maar ook niet kort, doch breed geschouderd. De

gezondheid lag op zijne dikke, blozende wangen en de vroolijkheid

en levenslust keken uit zijne guitige, bruine oogen. Dat hij ook wel

kracht moest hebben, bleek uit zijne gespierde vuisten, die nu juist

voor kindervuisten niet zoo heel sierlijk stonden. Zijne plunje was

anders. Zoo voordeelig zijn lichaam er uitzag, zoo ellendig zag de

kleeding er uit. Men kon zoo zien, dat hij vast niet de oudste was van

de broeders, en dat de afleggertjes van den oudsten op één na, wat voor

hem verknipt waren geworden. En voor dien oudsten op één na alweer,

waren ze verknipt geworden van afleggertjes van den oudsten. Niet

pleizierig voor Michiel. Zijn jonger broertje was er beter aan

toe. Van Michiels lijf gingen ze regelrecht naar de lorrenmand;

hiervoor zorgde Michiel wel, want wat hem aan het lijf kwam, was,

lang vóór hij er uitgegroeid was, al op en versleten.

De naam van den knaap, die zulk een baasje was en die alles zoo

stuk maakte was Michiel Adriaensz. Nu was zijn Moeders Vader evenwel

ruiter in Staatschen dienst geweest, en Moeder Alida Jans was daar

niet weinig trotsch op, zoodat ze haren man oorlof vroeg den derden

jongen nog den bijnaam van De Ruyter te geven. Vader Adriaen had

er ook niemendal tegen en de koster, die bij den doop van Michiel

den naam van het kind in het doopboek schreef, had er evenmin wat

tegen om achter Michiel Adriaensz. nog De Ruyter te zetten. En

als de koster er niets tegen had, wie zou het dan beletten? De

Magistraat bemoeide zich met zulke dingen niet. Wie trouwen wilde,

liet dat in de kerk doen, en de koster schreef in het trouw-register

de namen der gehuwden en van de getuigen op. Was er iemand gestorven,

dan moest men alweer bij den koster terecht komen; want deze moest

voor een graf in de kerk of op het kerkhof, dat buiten de kerk lag,

zorgen. In het begrafenis-register kon men dus de namen der overledenen

vinden. Geboorten, huwelijken en begrafenissen gingen alle door de

handen van den koster, zoodat deze betrekking eene zeer gewichtige

was, en gewoonlijk bekleed werd door iemand, die onder de voornaamste

burgers der stad gerekend werd. Laurens Jansz., die de boekdrukkunst

uitvond, of zoo hij dat niet gedaan heeft, dan toch denkelijk een van

de eerste boekdrukkers in ons land was, kreeg den bijnaam van Koster,

omdat hij koster van de Sint-Bavokerk te Haarlem was. En van hem vinden

we opgeteekend, dat hij Lid van de Regeering zijner vaderstad was. Men

noemde dat toen, Lid van de Vroedschap, en de Vroede of wijze mannen

waren daarom degenen aan wie het Bestuur eener plaats opgedragen was.

Zoo heette dus onze jonge, maar gespierde schelm Michiel Adriaensz. De

Ruyter.

Dat zijne Ouders niet zoo heel veel pleizier van hem hadden,

is ons reeds gebleken, en het zou ons niet verwonderen als de

zachtzinnige Alida Jans menige traan gelaten heeft over dat kind,

dat naar haren Vader heette. Wel dikwijls zal zij de toekomst voor

hem donker ingezien hebben. Het was toen toch ook al evenals nu,

dat er van eenen straatjongen zelden iets anders groeit dan een man,

die, als hij sterft den eersten dienst aan de maatschappij doet,

en van wien men dan, misschien onbarmhartig genoeg, zegt: "Dat zal

eene opruiming geven!"

Toch hield Michiel zielsveel van zijne Moeder, en nooit zou hij

ook haar iets voorgelogen hebben. Tegenover zijne Moeder loog hij

nooit. Ja, men zegt dat hij zelfs nooit loog en altijd rond voor de

waarheid uitkwam, al wist hij dan ook vooraf, dat er voor hem een

pak slaag op zat.

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN STRAATJONGENS-DAAGJE.

Op den morgen van dien dag was hij naar de lijnbaan gegaan, doch

ontmoette onderweg Geleyn en Pieter Evertsen, zoons van eenen visscher,

die zoo nu en dan ook wel eens ten oorlog voer en er dan wakker op

sloeg. Dat hadden de Spanjaarden in 1607 bij Gibraltar en in nog

vroegere jaren, op andere plaatsen, duchtig ondervonden. En dat

klappen deelen en vechten zat er bij zijne twee zoons ook al vroeg

in. Pieter was een jaar ouder dan Michiel en Geleyn was even oud, dus

juist jongens voor onzen bierdragerszoon om er samen op uit te gaan.

"Zeg, hei, Michiel, waar gaat dat op zulk een sukkeldrafje heen?" had

Pieter gevraagd toen Michiel hem voorbij kwam.

"Ik? Wel waar anders heen dan naar de lijnbaan!"

"Kom, ga met ons mee!"

"Neen, dat gaat niet, jongens!"

"Zijt gij bang dat de lijnbaan wegloopen zal, als gij eens een keertje

doet, alsof er op heel de wereld geene lijnbaan is?"

"Neen, dat niet!"

"Nu, waarom gaat gij dan niet mee?"

"Wel, Vader is tegenwoordig zoo hardhandig en hij slaat er zoo gauw

op! Als hij mij eens op straat zag, dan zou er vanmiddag weer zoo

even wat op zitten!"

"Zien? Wat geeft dat? Gij zegt maar, als hij wat vraagt, dat gij

eene boodschap voor den meesterknecht moet doen," zeide Geleyn,

die nog geen woord gesproken had.

"Denkt gij dan dat ik om een pak slaag mis te loopen eene leugen

verzinnen zal?" vroeg Michiel.

"Dat moet gij weten! Ik verzin er wel tien voor!" zeide Geleyn,

zoo onverschillig mogelijk.

"En ik wel twintig!" riep Pieter.

Daar sloeg de Sint Jacob negen uren.

"Het klokje van gehoorzaamheid, manneke! En al loopt gij nu ook het

vuur uit de sloffen, er is geen kijk meer op om op den bepaalden

tijd op het werk te zijn. Waarom zoudt gij niet met ons medegaan? We

zullen pret hebben, Michiel, heel wat pret ook," zeide Pieter vleiend

en hield Michiel al bij de gelapte mouw van het versleten wambuis vast.

Michiel aarzelde en vroeg: "En waar gaat gij dan die groote pret

uithalen? Kom, zeg op! Op het hoofd of op den Westdijk?"

"Neen, we gaan naar de rijsbermen buiten den Westdijk om krabbetjes

te vangen," antwoordde Pieter.

"Hè, hè, daar alle drie staan! Michiel een, Geleyn twee, Pieter

drie! Dat drie brave jongens zijn," klonk op eenmaal de stem van

eenen anderen jongen, die juist het hoekje van de straat omsloeg.

Het was een negerknaap, die hier in het begin van April met een schip

aangekomen was. Nog eenige dagen dan ging hij weer heen; maar, eer hij

Vlissingen verliet, moest hij eerst gedoopt worden. De Heeren Lampsens,

van wie het schip was waarmede de negerknaap vertrekken zou, stonden

er op, dat hij geen heiden zou blijven, en daarom hadden zij hem bij

eenen Domine op de catechisatie gedaan, waar hij tot groot vermaak

van al de jongens, die er ook op gingen, in zijn Neger-Hollandsch

zijne wijsheid uitkraamde. Michiel, Geleyn en Pieter hadden bij zijne

aankomst zich dadelijk van hem meester gemaakt en onder hunne leiding

leerde hij nu niet zoo heel veel moois.

"Waar gaat gij naar toe, sausneger?" vroeg Pieter.

"Negersaus, jij nog zeggen moet eens, dat ik ben negersaus," antwoordde

de negerknaap, die den naam van Jan Kompanjie gekregen had en onder

dien naam ook op de scheepsrol der Heeren Lampsens en in het doopboek

ingeschreven zou worden.

"Negersaus," riep Pieter lachend. "Zeer goed spreken! Is me dat eene

taal? Is dat negertaal soms?"

"Neen, Hollandsch is, goed Hollandsch. Maar dat Vlissingers, dat

spreek zoo raar, niet verstaan ik!"

"Goed, goed," zeide Michiel. "Zeg maar waarheen gij gaat!"

"Ikke ga naar de schippe! Ikke daar moet schuren de dek met bezem en

dweil! Zjjjt, zjjjt!" zeide Jan het geluid van den bezem nabootsende.

"Gij zijt een wonder van eenen braven, gehoorzamen jongen," spotte

Michiel.

"Dat de Domine ook zegt!"

"Loop, dat zal de Domine zeggen en ge zijt verleden week nog van de

catechisatie gejaagd!" riep Geleyn.

"En toch een wonder ben. Dominie zegt: jij aangedreven bent op het

plank toen je op het zee, het groote zee, omgeven door die water,

ging op en neer! Jij kwam bons met het plank, en niet bons met de

hoofd tegen de schippe van de Heeren Lampsens. De Kapitein van die

schippe braaf was, hij jou opneemt en brengt hier. Jij hier komt

als een leelijke, vuile Heiden, en jij zal gaan weg als een mooie,

gedoopte Christenknaap. Jij een wonder bent! Jan! Ja, heelemaal een

mooi wonder. Dat Dominie gezegd heeft en dat waar is. Ikke Zondag

gedoopt ben!"

"Nu hoor, een wonder of geen wonder, braaf of niet braaf, alles

gekheid. Gij gaat met ons mede om krabbetjes te vangen," sprak

Michiel, die de lijnbaan en het wiel, dat hem daar wachtte, reeds

lang vergeten had.

"Neen, ik naar de schippe moet!"

"Wat naar het schip, gekheid!" riep Michiel.

"Ja, zeker, ik anders stellig krijg met die touw voor die broekie,

klets, klets! Dat pijn doet akelig pijn. Al gevoeld die touw op

die broekie?"

Deze laatste vraag gold Michiel, die al lachend antwoordde: "Neen,

zulk een "eindje knut" is alleen voor sausnegertjes. En naar het

schip, malligheid! Ik niet naar de baan, Jan Kompanjie niet naar het

schip. Samen uit, samen thuis! Komaan, als hij niet wil, hem dan maar

meegesleept, jongens!"

Hoewel de negerjongen nu niet zulk een min ventje was, kon hij

toch niet tegen die drie kwajongens op, en liet zich een heel eind

meesleuren.

"Houd oppe met dat ruk en dat trek! Ik loop zal wel," riep Jan

eindelijk uit, daar hij het rukken en trekken en heen- en weergooien,

dat de jongens, onbarmhartige plaaggeesten, die ze waren, hem deden,

spoedig zad werd.

"Maar pas op, als gij drossen gaat, hoor," zei Michiel, "want dan

zullen we mekaêr eens even spreken door het oor van eene mande!"

"Ik niet zal drossen. Ik meegaan zal, ik, als een braaf jongen,"

antwoordde Jan, die geen plan meer had om naar zijn schip te gaan.

En zoo gingen de vier knapen naar de rijsberm bij den Westdijk en

zagen niemand, dien ze kenden en die hen verklikken kon.

Neen, zij zagen niemand. Maar Vader Adriaen zag hen wel, en nam des

middags uit de brouwerij al vast eene stevige rinkellat met zich om

zijn zoontje, het aardige krabben-visschertje, eens even te spreken.

De jongens bleven daar spelen tot het twaalf uren sloeg en gingen

toen naar huis.

"Zoo, Michiel," zei Vader, "gij zijt er vroeg bij. Een vroegertje

van den baas gehad?"

"Neen, Vader!"

"Zeker de klok niet gehoord en zoo maar op den gis naar huis gegaan,

nietwaar?"

"Neen, Vader!"

"Weggestuurd dan soms?"

"Neen, Vader!"

"Dan een beetje aan den waterkant aan het spelen geweest met Geleyn

en Pieter Evertsen en dien kleinen neger van het schip van de Heeren

Lampsens?"

"Ja, Vader!"

"En veel pret gehad, mijn jongen?"

"Ja, Vader, o zooveel pret!"

"En wat hebt gij dan uitgevoerd?"

"We hebben krabbetjes gevangen, Vader! En Jan, die geene krabben kende,

pakte ze zoo maar beet en dan sloegen die dieren hunne scharen in

zijne vingers! Ge hadt dat leelijke gezicht moeten zien, Vader!"

"Zoo, jongen! En hoeveel krabbetjes denkt gij wel, dat ge gevangen

hebt?"

"Maar tien, Vader! Maar één was er bij zoo groot als mijne muts! Nog

nooit zoo eene gezien!"

"Jawel, daar zijn groote krabben ook, zoo wel als groote pakken

slaag! Kom maar eens hier, ventje, en breng dat rinkellatje mede,

dat daar in den hoek staat!"

Michiel keek heel leelijk naar dat latje en zei: "Zal ik het maar

eens even in het vuur onder de bruine boonen stoppen, Vader?"

"Neen, jongen, het is te groot, ik zal het vooraf wel in kleine

stukjes breken!"

"Dat kan ik ook wel, Vader," antwoordde Michiel en brak het latje al

vast door.

"Gij zijt sterk," zei Vader, "breng mij die twee eindjes nu maar!"

"Ze kunnen er anders nu wel al onder, Vader!"

"Komt gij nu hier, bengel," riep Vader terwijl hij verstoord de

vuisten balde en gereed was, den deugniet deze te laten voelen.

Nu durfde Michiel niet langer wachten. Hij bracht de eindjes lat bij

zijnen Vader en....

Michiel schreeuwde huizen hoog! Zoo had hij nog nooit voor de broek

gehad.

"Vader, Vader, houd toch op," klaagde en smeekte Moeder Alida en

wilde de hand van haren man tegenhouden.

"Laat los, Alida! Deze eindjes zullen op zijne broek aan stukken

of mijn naam is geen Adriaen. Zoo'n schandaal van eenen jongen. Het

kwaad moet er uit...."

"Maar Vader, houd dan toch op," herhaalde Moeder Alida, wier bleeke

wangen nog akeliger bleek van angst en medelijden werden.

"Klets-klets! Het kwaad zal er uit!"

"Houd nu op, Adriaen! De jongen kan niet meer schreeuwen. Hij zal

nog stikken van angst," riep Moeder, zichzelve niet langer meester.

"Klets-klets! Eerst de latjes kapot, dan is de zaak gezond, vrouw! Ik

houd er van om maar ineens een goed pak te geven! Klets-klets!"

"Hei, hei, Adriaen, dat gaat hier op den dood af," klonk eensklaps

eene stem.

De vertoornde Vader zag op, hield op met slaan, zette Michiel neer,

stond op en zeide beleefd: "Uw dienaar, Sinjeur Seylmaecker."

Michiel stond er akelig bij. Verdwenen was de gezonde en blozende

kleur van zijne wangen en het had werkelijk al den schijn, dat hij

op het punt stond om het van pijn te besterven.

De binnentredende keek hem vol medelijden aan en zeide: "Breng uwen

jongen even buiten, Moeder, en laat hem wat koud water drinken. Hij

is bijna vermoord."

Hierop wendde hij zich tot den vertoornden Vader en sprak: "Wie zijnen

zoon lief heeft, spaart de roede niet, denkt ge zeker! Maar zeg eens,

Adriaen, zoudt gij zelf zulk een pak slaag wel willen ontvangen?"

"Voor geene honderd schellingen, Sinjeur!"

"En waarom geeft gij het dan aan uwen jongen?"

"Sinjeur, die jongen is een nagel aan mijne doodkist! Ik bega nog een

ongeluk aan hem," sprak de Vader en smeet de twee stukken rinkellat

op het vuur.

"En wat kwaads heeft hij dan nu weer uitgevoerd?"

"Hij is driemaal van school gejaagd, Sinjeur! Nu is hij in de lijnbaan

van de Heeren Lampsens en doet zijn best daar ook vandaan gejaagd te

worden. Ieder oogenblik gaat hij inplaats van aan zijn werk met zijne

kornuiten spelen. Hij heeft me dat vanmorgen alweer gelapt! Maar het

kwaad zal er uit en het kwaad moet er uit!"

"En zóó slaat gij het er in en al dieper in, Adriaen! Zulke jongens

moeten op eene andere wijze gestraft worden."

Terwijl hij sprak trad Michiel, wankelend van pijn, aan de hand zijner

ontstelde en diep bedroefde Moeder binnen.

Hij zette zich op eene houten bank, doch daar het zitten hem te veel

pijn deed, zoo stond hij dadelijk op en ging in het vensterkozijn

leunen.

Sinjeur Seylmaecker ging op hem af, legde hem de hand op den schouder

en sprak op vriendelijken toon: "Jongen, jongen, wat moet er van u

terecht komen?"

"Ik wil varen, Sinjeur, en dan zal ik wel goed oppassen," antwoordde

Michiel, die den Heer wel kende, daar deze een voornaam handelaar en

Schepen in de Vroedschap was. Hij was een streng Heer en Michiel zag

hem op straat altijd liever gaan dan komen, doch nu was hij den Vroeden

man in zijn hart recht dankbaar, dat hij gekomen was; want zijne

komst toch had een einde gemaakt aan de vaderlijke kastijding. Wie

weet of anders die houtjes, die nu zoo lustig brandden en de boonen

bijna uit den pot deden springen nog niet op zijne broek dansen zouden.

"Komaan, zoudt gij zoo graag willen varen? Is er wat tegen,

Adriaen?" Deze laatste vraag gold niet meer den zoon, maar den Vader,

wiens woede nog niet geheel bekoeld scheen.

"Bij mij in het minst niet, Sinjeur," luidde Vaders antwoord. "Maar,

daar aanboord zal de bengel er nog anders van lusten. Ravallen en

kielhalen zit er voor hem op."

"Dat zou voor mij de groote vraag zijn, Adriaen," hernam Sinjeur

Seylmaecker. "Het is meer gezien: wie aanwal een bengel is, wordt

aanboord een engel. Ik zou het er gerust op durven wagen en zelfs

moed hebben, dat er wat goeds uit den bengel groeien zou. Heeft u er

iets tegen, Moeder Alida? Is er bij u bezwaar?"

De teerhartige Moeder keek den vriendelijken koopman aan en zeide:

"Bij mij bestaat wel bezwaar, Sinjeur, en groot bezwaar ook, ik wil

het niet ontveinzen. Zie, als hij ruiter in Staatschen dienst wilde

worden, zooals mijn Vader zaliger is geweest, dan zou ik zeggen: ga,

jongen! Een mensch z'n zin, een mensch z'n leven! Maar, als matroos

het zeegat uit, praat er mij niet van, Sinjeur, praat er mij niet

van! Ik zou het besterven."

"Maar hoor nu eens even, Moeder Alida! Gij zegt daar: een mensch z'n

zin, een mensch z'n leven. Als ge dát meent, dan moet ge er ook niet

tegen zijn, dat die schavuit daar, het zeegat uitgaat! Dat schijnt

nu eenmaal zijn zin te zijn."

"Jawel, Sinjeur, maar ik zei dat zoo maar bij manier van spreken! Wat

zou er van hem aanboord terecht komen? Er is onder het matrozen-volk

raar goedje, Sinjeur!"

"Dat is zoo, Moeder Alida! Maar als hij nu eens eenen goeden zeevader

had?"

"Wat is een zeevader, Sinjeur?"

"Dat is een man aanboord, die over een paar jongens gesteld is om

die voor zeeman op te leiden."

"Ja, Sinjeur, dan zou het wat anders zijn. Maar waar vindt men eenen

goeden zeevader?"

"Wel, aanboord van de "Lijnbaan" is...."

"Is dat het schip van de Heeren Lampsens, Sinjeur?"

"Juist, Moedertje! En daar aanboord is de "Barre Bruinvisch" Bootsman!"

"De "Barre Bruinvisch"? Is dat Corstiaen Lievensz.?"

"Neen, het is zijn broêr Cornelis. En ik sta er u voor in, als onze

maat dien "Barren Bruinvisch" tot zeevader heeft, dat hij aanboord

wel alle leelijke grapjes uit het hoofd zal laten!"

"Ik heb u immers gezegd, Sinjeur, dat ik aanboord wel oppassen zou

en geene grapjes uithalen," zeide Michiel, die al hoopte, dat Moeder

overwonnen was.

"Wil ik er eens met eenen van de Heeren Lampsens over spreken?" vroeg

het heerschap.

"Och, neen, neen, Sinjeur! Doe het maar niet, alsjeblieft! Na het

pak, dat hij zoo even gehad heeft, zal hij nu wel oppassen! Nietwaar,

Michiel, mijn jongen?"

Michiel zweeg en liet zijne lip, zooals men dat wel eens zegt, op

het derde knoopsgat hangen.

"Hij zegt er niet gauw ja op, Moeder Alida! Maar, ik wil u niet

dwingen! Ik kwam ook niet om over dien bengel te spreken. Ik kwam

een vaatje bier bestellen!"

"Alsjeblieft, Sinjeur!" zeide Adriaen.

"Neen, geen alsjeblieft," hernam Seylmaecker. "Ik zou dat eigenlijk

moeten zeggen. Ik kom maar hier, omdat het kantoor van den Heer

Allertsz. wel wat ver uit mijnen koers was, en ik hier toch voorbij

moest."

"Jawel, Sinjeur, maar mijn Meester geeft me voor ieder vaatje bier,

dat bij mij besteld wordt, eene kleinigheid. En alle beetjes helpen! Er

is wat noodig, Sinjeur! Daar zitten ze alle elf, en drie ervan zijn

nog maar aan de verdiensten, want Michiel, die bengel, telt niet mee,

al is hij reeds in zijn elfde jaar."

Dit zeggende wees Vader Adriaen op zijne elf kinderen, die bij

zichzelven dachten: "Wij wilden wel dat die Sinjeur maar heenging;

de boonen zijn al lang gaar!"

"Ja, man, er is veel brij noodig om al dien schelmen den mond te

stoppen. Dus, als de lieden iets bij u bestellen, dan hebt gij er

nog eenig voordeel bij?"

"Ja, Sinjeur!"

"Goed, dat ik het weet. Ik zal het mijnen kennissen ook zeggen. Nu

ga ik heen, anders hebt gijlieden vanmiddag de boonen koud! Eet

smakelijk samen!"

"Dank u wel, Sinjeur," zeiden Vader en Moeder.

Bij de deur gekomen riep de goedhartige man met de klink in de hand:

"En over dien bengel daar,"--hij wees op Michiel,--"zult gij nog wel

eens denken, nietwaar? Goeden dag!"

Hij schoof voorbij het raam en Vader Adriaen zei: "Hij ziet er zoo

bar uit, en toch is hij een doodgoed man. Als alle menschen zoo waren,

dan zou het leven voor een arm mensch nog al te dulden zijn."

"Wat hij anders van de zee vertelde, vond ik niet zoo goed," zeide

de Moeder.

"Ja, vrouw, het schijnt dat gij aan de zee allerlei kwaads gezien of

er een broertje aan dood hebt."

"Praat me niet van de zee! Ik begin al te beven als ik er aan denk."

"Beef dan maar niet zoo hard, dat de jongens en meiden in dien

tusschentijd u al de boonen voor den neus weghalen. Die Michiel heeft

er tenminste al een heel gat in geslagen. Wilt gij wel eens ophouden,

kwâjongen! Dat eet als een uitgehongerde Leidenaar!"

"Michiel denkt zeker: "Vader heeft alles naar onder geslagen, er moet

boven op ook wat zitten, anders ligt de schuit niet vast," zeide Jan,

de oudste broeder van Michiel, op spottenden toon.

"Laat den jongen maar eten, als hij honger heeft," sprak Moeder Alida,

die door het pak slaag, dat Michiel gehad had, erg zenuwachtig geworden

was. "Ik had al genoeg eer Sinjeur Seylmaecker kwam."

"Dat zijn lekkere, Moeder," zeide Michiel en schoof in den schotel voor

Moeders plaats de grootste boonen, die hij vinden kon. Zij aten samen

uit denzelfden schotel, weet ge! Aan een bord voor ieder werd niet

gedacht, en dat had niet alleen plaats bij arme en eenvoudige menschen,

zooals bij den bierdrager Adriaen Michielsz., o neen, dat deed men

ook bij de meergegoeden, en op het platte land kan men velen onzer

boertjes nog met het geheele gezin uit denzelfden schotel zien eten.

Nadat het middagmaal afgeloopen was ging onze Michiel naar de

lijnbaan. Hoe hij daar door baas Lorkens, den meesterknecht ontvangen

werd en welk gesprek hij met hem voerde, hebben we reeds gelezen.

Michiel draaide een uurtje lang vrij geregeld door en baas Lorkens

dacht: "Zoo'n "end" schijnt te helpen! Het gaat er nu goed door!" maar

pas had hij dat gedacht of het wiel begon onregelmatig te draaien en

hield eindelijk heelemaal stil.

"Zeg eens even, nu al moede?" vroeg Lorkens, die Michiel met de

handen op den rug en naar de wolken kijkend voor de deur van het

huisje vond staan.

"Daar komt een stevig koeltje opzetten, baas!"

"Wat geef ik om een koeltje, draai maar!"

"Ik wed dat het, eer we een uur verder zijn, eene gereefde

marszeilskoelte waait!"

"Wilt gij nu wel eens draaien, kwâjongen?"

"Ja, baas!"

Michiel ging in zijn hok en draaide dat een mensch er koude van

krijgen zou.

"Draai toch harder, schavuit!"

"Het wiel gaat zoo erg stroef, baas! Het moet zeker eens goed in het

vet gezet en gesmeerd worden!"

"Het wiel gesmeerd? Mis, mannetje! Michiels rug moet gesmeerd worden,

dat is heel wat anders, en meer helpen zal het ook. En nu niet langer

geluierd! Draai!"

"Ja, baas!"

En weer ging Michiel aan den gang.

"Wacht," dacht hij, "als ik den draaier een klein beetje links duw

onderwijl ik draai, dan gaat het toch zoo ellendig piepen, dat een

mensch er akelig van wordt."

Rrrrt, daar ging de draaier een beetje links.

Piep-piep! klonk het zacht.

"Ha, ha, mooi zoo, eerst zacht en dan al harder en harder," mompelde

Michiel.

Rrrrt, alweer wat links.

Piehiep! Piehiep!--

"Heerlijk, prachtig, het kan niet beter," zeide Michiel zachtjes

en lachte ondeugend toen de baas opkeek om te kijken waar dat

afschuwelijke geluid vandaan kwam.

"Het is het wiel, baas!" riep Michiel.

Rrrrt, daar ging de draaier zoo ver links, als maar mogelijk was.

Pie-hie-iep! Pie-hie-hie-iep!

Baloorig smeet baas Lorkens zijn werk neer.

"Houd op, jongen! Het is om een mensch heelemaal van de wijs te

maken," sprak hij toen hij naderbij kwam. Ongelukkig genoeg wist de

man niemendal van Michiels uitvinding af.

"Ja, baas, ik ben er ook heelemaal van streek door," zeide Michiel

met het onnoozelste gezicht van de wereld en natuurlijk terstond

ophoudende met draaien. "Het zal eens een weekje rust moeten hebben

om gemaakt te worden. Zoo kan het niet langer!"

Die goede raad kwam onzen baas erg verdacht voor, want als het wiel

rustte, dan rustte Michiel ook. Was het den deugniet daarom misschien

ook alleen te doen?

"Haal den smeerpot, Michiel," beval hij.

"Ja, baas! Staat hij in het kabelhok?"

"Neen, achter die hennep-balen! Gauw wat!"

"Ja, baas!"

"Ik geloof heilig dat de jongen me voor den gek houdt," mompelde

Lorkens en begon ook eens te draaien, doch daar alles gebleven was,

zooals Michiel het gemaakt had, maakte het ding nog een afschuwelijk

geweld.

"Het is toch waar," bromde hij ontevreden.

"Hi-hi! Hij probeert eens," zeide Michiel terwijl hij naar den smeerpot

greep. "Hoe gelukkig dat ik er nog niemendal aan veranderd had! Wacht

maar, eer het avond is, moet er weer gesmeerd worden!"

"Zeg, moet ge den pot uit de Oost-Indiën halen?" riep de baas, wien

het wachten verveelde.

"Neen, baas! Hier ben ik al!"

"Mooi! En waar ergens piept dat ding nu toch zoo?"

"Ik geloof van hier, baas," zei Michiel en wees een plekje aan waar

niet te veel smeer was.

Baas Lorkens nam nu de smoutkwast en begon de kale plek eens terdege in

het vet te zetten, waarna hij zeide: "Er is nu bijna eene karrevracht

smout op! Kom aan, draai nog eens!"

Michiel haalde den draaier nu een weinig naar rechts, maar zoo dat

geen mensch het zien kon en.... Piep-pie-hiep!

"Houd op! Hier zit zeker ook nog niet genoeg," sprak Lorkens, die nu

een ander plekje in het vet zette, en zoodra hij hiermede klaar was,

klonk het bevelend: "Draai, bengel!"

"Ja, baas!"

Daar ging de draaier weer links en: Pie-hie-hie-hiep! Pie....

"Houd op, jongen! Hooren en zien vergaat hier een mensch. Wat kan

er toch aan dat ding haperen?" sprak Lorkens, nijdig, omdat hij het

gebrek niet vinden kon en er toch zeer veel werk, dat vlug klaar

moest zijn, wachtte.

Michiel stak de handen in de zakken, ging buiten staan en riep:

"Ze hebben hem al te pakken, baas! Jongen, jongen, dat wordt een

stoker van wat ben je me en wie maar gerekend heeft op een gereefd

marszeilskoeltje, die...."

"Houdt den mond, schavuit! Ik wilde wel dat gij met dat gereefd

marszeilskoeltje en dat akelige wiel op Spitsbergen zat!"

"Hi, Hi, baas, wat jaagt ge me ver van honk! Ik zou er wel willen

zijn en heel graag ook, maar zonder...."

"Zonder het wiel zeker?"

"Wel, baas, u lijkt wel een profeet. Hoe raadt gij dat toch zoo

opeens? Maar als ik op Spitsbergen zat en het wiel was hier in de

baan gebleven, wie zou het dan draaien?"

"Een ander, deugniet, een ander, die zijnen schelling in de week beter

verdiende dan gij dien verdient. En kort en goed, ik doe nu aan het

wiel niemendal meer. Al piept het dat ze het er in de Molukken van

op de zenuwen krijgen, draaien zult gij! Begin!"

De smeerpot werd neergezet; baas Lorkens ging zijn werk weer opnemen

en Michiel begon, na den draaier heelemaal naar rechts gebracht te

hebben, te draaien dat het een lieve lust was.

"Het heeft dan toch wat geholpen, baas!" riep Michiel.

"Ik wil het wel gelooven! Er zit eene halve scheepslading olie op,"

was het korzelig gegeven antwoord.

Een uurtje daarna echter liet de kwâjongen het wiel weer eens even

piepen.

"Daar zal het lieve leven zoo waar alweer beginnen, baas! Zouden wij

den smoutpot weer maar niet eens voor den dag halen," zeide Michiel

met een paar oogen waaruit wel twee schelmen tegelijk keken.

"Laat piepen wat piept! Draai!" snauwde Lorkens hem toe.

Weer ging het een oogenblik goed, doch niet langer dan Michiel verkoos,

en eindelijk maakte het ding zulk een hevig geweld, dat Lorkens zijn

werk voorgoed neersmeet, naar het huisje kwam en zeî: "Daar moet de

smid naar komen kijken! Ga hem halen!"

Weg was Michiel.

Maar wie nu denkt, dat hij den naasten weg ging, heeft het heelemaal

mis. Eerst moest hij eens op het hoofd gaan kijken. Toen hij daar

kwam, hielp hij een bootje vastleggen, maakte een praatje met de twee

matrozen, die er in zaten en ging eindelijk op zijn doode gemak naar

den smid. Deze was evenwel niet thuis; maar de gezel zou het zeggen

en de Meester zou dan dadelijk komen.

"Meester Heisteck zal zoo dadelijk komen, baas! Hij was niet thuis,"

zeide Michiel.

Het liep wel een uur aan eer de man kwam, doch nauwelijks had hij het

wiel bekeken of hij zeî: "Wel, er hapert aan dat wiel niets. Zit de

draaier wel goed?"

Michiel hoopte dat die "akelige vent" het niet vinden zou; maar dat

viel hem bitter tegen.

"Welja, het ligt aan den draaier," zeide hij. "Die is te veel naar

links! Een klein gebrek, gauw verholpen!"

Met behulp van hamer, nijptang, vijl en eene kram stond de draaier nu

vast en kon niet meer naar links of rechts. Meester Heisteck draaide

eens en....

"Ga maar gerust aan den slag, hoor," sprak hij, "en als het ding nu

nog piept, dan geef ik een potteken bier."

Michiel draaide, deed zijn best om het toestel te laten piepen,

maar mis, er was niets te vernemen.

"Ziezoo, alles in orde," sprak Meester Heisteck en ging met zijne

gereedschappen heen.

Onder al die bedrijven door was het evenwel avond geworden en,

Michiel kon naar huis.

Of hij dien dag zijn kostje verdiend had?

Als ge dat aan Michiel gevraagd hadt, zou hij u gezegd hebben:

"Welneen, maar laat me naar zee gaan, dan verdien ik den kost

dubbel! Hier aan den wal is daar nu ofte nimmer denken aan. Ik wil

naar zee!"

DERDE HOOFDSTUK.

BIJ HET TORENHAANTJE.

"Michiel, hei, Michiel!"

Zoo riep den volgenden morgen Jan Kompanjie toen Michiel naar de

lijnbaan slenterde.

"Wat is er aan de hand?" vroeg Michiel vrij korzelig.

"Jij gisteren middag gehad hebt voor die broekie met die latrinkel,

hi-hi! Zóó dat ging, klets-klats! Klits-klets!"

"Wilt gij er wel eens van zwijgen, sausneger!"

"Jij schreeuwde brand en moord!"

"Hoe weet gij dat?"

"Ikke gehoord heb. Ikke buiten stond. Ikke alles hoorde!"

"En aan wien hebt gij het verteld?"

"Ikke verteld? Ikke verteld aan Jan!"

"Aan welken Jan?"

"Aan ikke Jan! Aan Jan Kompanjie!"

"Gek van eenen negerjongen, vertelt gij wat aan uzelven?"

"Ja. Ikke dacht: dat Dominee toch wel gelijk heeft. Jan Kompanjie

de wonderkind is. Ikke speel, jij speelt. Ikke niemendal krijg, jij

krijgt voor vier. Ikke dankbaar ben Een wonderkind altijd dankbaar is.

"Jij, wonderkind! Ik had je graag van het pak de helft en het overschot

willen overdoen!"

"Dank je. Ikke dan zijn zou een wonderkind half. Maar wat moeten ze

daar uitvoeren?"

Dit vragende wees Jan Kompanjie naar het torenkruis waarop de haan

draait en waar men een paar werklieden, van beneden gezien niet veel

grooter dan poppetjes in eene speelgoedkraam, tegen op zag klauteren.

Michiel keek in de aangewezen richting en met oogen, die schitterden

van begeerte om ook zoo hoog te zijn, zeide hij: "He, wat zitten die

daar heerlijk in den wind!"

"Die ver zien. Hoog, heel hoog, ver zien kan. Mijn land zien. In mijn

land geene torens zijn. In mijn land bergen. Jij daar bovenop wordt een

manneke, groot zoo als mijn duim. Jij dan zien kan het zee waarop dreef

die wonderkind op dat plank, tot die wonderkind die koppetje stoot

tegen die schippe en dat matrozen hijschen die wonderkind aanboord!"

"Ik zou daar ook wel eens willen werken," zeide Michiel. "Vooral nu,

daar ik mijn wiel niet meer kan laten piepen zooals gisteren."

"Michiel gepiept heeft gisteren, toen dat ging voor die broekie,

akelig mooi gepiept hebben dat Michiel!"

"Pats," zei Michiel, en gaf den negerknaap eenen draai om de ooren

dat hij op den grond tuimelde.

"Jij mij slaat leelijk zeer! Waarom?" vroeg Jan toen hij opgestaan was.

"Omdat gij alweer over dat pak slaag begint. Ik wil niet hebben,

dat gij daar zoo mee te koop loopt."

"Ik niet te koop loop, ik, met die pak slaag. Toch geen mensch koopen

zou. Maar die Michiel geleerd heeft van Vader Adriaen, ikke wel weet

wat geleerd."

"Wat dan?"

"Te geven pats-pats! Ikke zeer doen dat oor! Dat oor ijsheet is!"

"Dat behoort zoo, anders helpt het niet," zeide Michiel.

"Hi-hi, dat denken ook Vader Adriaen, de boen Papa," riep Jan lachend,

doch pas had hij dat gezegd of hij maakte dat hij buiten het bereik

van Michiels handen kwam.

Lachend zag Michiel hem na, mompelde: "Een goedzak van eenen jongen

toch, dat moet gezegd worden," en slenterde naar de lijnbaan waar baas

Lorkens zijn "goeden morgen, baas," beantwoordde met een nijdig: "Zoo,

is de slampamper er eindelijk, ja? Kom, kom, geene morgenpraatjes, er

is te veel te doen! Vooruit maar, en de schade van gisteren ingehaald."

Vlissinger Michiel, of Neerlands glorie ter zee: Tweede omgewerkte Druk. · 第 1 / 17 段