Geoffrey maakte, laat zich niet beschrijven. Als Beatrice zijn
gelaat had kunnen zien, nadat hij hem gelezen had, zou zij geen
zelfmoord begaan hebben. In een oogenblik was het als dat van een
oud man geworden. Toen de geheele waarheid hem voor den geest stond,
was hij aan zulk een foltering van ontzetting, wroeging en wanhoop
ter prooi, dat hij een gevoel had alsof zijn levenskrachten er onder
bezwijken zouden, en hij op dit oogenblik zou sterven, wat hem het
wenschelijkst geweest zou zijn. O, welk een verschrikkelijk denkbeeld
dat dit geliefde meisje zich voor hem, een sterk man, den dood in
de armen had geworpen! Hoe zielsfolterend was het, zich haar voor
te stellen achter dien pilaar verscholen, toen hij haar strijkelings
voorbijkwam, terwijl hij, driewerf vervloekte dwaas, er niets van wist
voordat het te laat was; te weten dat hij haar ontmoet zou hebben,
als hij, in plaats van naar Euston, naar Paddington was gegaan! Die
liefde, zoo verheven in haar kracht, was dan nu voor altijd voor hem
verloren--dat dierbaar gelaat zou hij nooit weer zien! O, zijn hart
zou breken! Dat was niet te verduren!
En die laaghartigen, die haar er toe gedreven hadden om den dood
te zoeken! O, hij zou dien Owen Davies dooden--en Elisabeth ook,
als zij geen vrouw was, en wat Honoria betrof, met haar had hij
afgedaan. Schandaal--wat gaf hij om schandaal? Als hij zijn zin had,
zou er juist schandaal zijn, want hij zou dien Owen Davies verslaan,
dat ondier, dat zich niet ontzien had een vrouw angst aan te jagen
om het bevredigen van zijn wellust te bevorderen--ja, hij zou hem
naar het vasteland sleepen en hem daar dooden. Wraak was het eenige,
wat hem overbleef!
Halt! hij moest niet aan die eerste indrukken toegeven--misschien was
zij niet dood--misschien was dat akelig voorgevoel, dat hem nog vóór
de ontvangst van den brief bestormd had, niet anders dan een droom
geweest. Kon hij telegrafeeren? Neen, het was te laat; het bureau te
Bryngelly zou gesloten zijn--het was nu over achten. Maar hij kon
er heen gaan. Even over negenen ging er een trein--hij kon er den
volgenden ochtend te half zeven zijn. Maar Effie was ziek--welnu,
voor vier-en-twintig uur zou zij wel oppassing hebben; zij was in
geen gevaar, en hij moest gaan--die folterende spanning kon hij niet
uithouden. O, als zij het werkelijk gedaan had!
Geoffrey nam een vel papier en beproefde te schrijven. Hij kon het
niet, zijn hand beefde te zeer. Met een kermenden zucht stond hij op,
ging naar de ververschingkamer en dronk twee glazen _brandy_ achter
elkaar leeg. Het geestrijk vocht had uitwerking op hem; nu kon hij
schrijven. Snel krabbelde hij op een vel papier:
"Ik ben wegens een zaak van gewicht uit de stad geroepen, en
zal waarschijnlijk niet vóór Donderdagochtend terugkomen. Zorg
dat Effie goed wordt opgepast. Als ik niet terug ben, moet
gij niet naar het bal van de hertogin gaan.
"Geoffrey Bingham."
Toen adresseerde hij den brief aan Lady Honoria, en liet hem door een
bode bezorgen. Daarna riep hij een _cab_ aan, en beval den voerman
zoo snel als zijn paard loopen kon naar Euston te rijden.
Hoofdstuk XXX.
Ave atque vale.
De verschrikkelijke reis--geen nachtmerrie was ooit zoo akelig--was
eindelijk afgeloopen; daar was het station van Bryngelly. Geoffrey
sprong den trein uit en gaf zijn kaartje af, daarbij den
spoorwegbeambte, die het aannam, in het gelaat ziende. Als er een
treurig voorval had plaats gehad, zou de man het geweten hebben,
en er op zijn gelaat wel iets van die half verblijde uitdrukking dat
er een akelig geheimzinnig nieuwtje te vertellen was, te lezen zijn
geweest. Maar geen teeken was daarvan te bespeuren, en dit wekte weer
een schemering van hoop in Geoffrey's gefolterd hart.
Hij verliet het station, en liep snel naar de pastorie, in een
gemoedstoestand, zooals alleen zij kunnen beseffen, die de spanning van
onzekerheid in de hoogste mate harer verschrikkelijkheid kennen. Maar
spoedig kwam er een einde aan. Toen hij aan het hek van de pastorie
was, kwam de dikke Welsche dienstmaagd Betty hem haastig te gemoet. Nu
verloor Geoffrey alle hoop.
De dienstmaagd herkende hem, en in haar verwarring scheen zij in
't minst niet verwonderd te zijn hem daar op een zomerochtend,
kwartier vóór zevenen, te zien. Zelfs bracht zij Geoffrey eenigszins
met Beatrice in verband, want dadelijk zeide zij:
"O, mijnheer, weet gij ook waar Miss Beatrice is?"
"Neen," riep hij, zich tot steun aan het hek vastgrijpende. "Waarom
vraag je dat? Ik heb haar in geen weken gezien."
Nu deed Betty een lang verhaal. Mijnheer Granger en Miss Elisabeth
waren van huis, en zouden eerst over twee uren terugkomen. Miss
Beatrice was gisterennamiddag uitgegaan en niet thuisgekomen om thee
te drinken. Daar was Betty niet ongerust over geweest, meenende dat
zij ergens den avond doorbracht, en omdat zij zeer vermoeid was,
had zij niet op haar gewacht, maar was om acht uur naar bed gegaan
en had de deur niet op slot gedaan. Toen zij dien ochtend opstond,
zag zij dat Miss Beatrice dien nacht niet thuis geslapen had, en nu
ging zij haar zoeken.
"Waar ging zij heen, toen zij uitging?" vroeg Geoffrey.
Dat wist Betty niet, maar zij dacht dat Miss Beatrice was gaan
roeien. Zij had, ten minste, haar _tennis_-schoenen aangedaan, wat
zij altijd deed als zij uit roeien ging.
Nu begreep Geoffrey het maar al te wel. "Ga mee naar het schuitenhuis,"
zeide hij.
Zij gingen naar het strand, waar op dit uur nog niemand was, behalve
eenige werklieden. Bij het schuitenhuis ontmoetten zij den ouden
Eduard, die daar met een sleutel in de hand liep.
"Mijn Hemel, mijnheer!" zeide hij. "Gij hier! Wat komt gij hier zoo
vroeg doen?"
"Is Miss Beatrice gisterenavond met haar bootje uit geweest?" vroeg
Geoffrey, met een heesche stem.
"Neen, mijnheer, zoover ik weet, niet. Mijn zoon heeft gisterenavond
het schuitenhuis gesloten, en hij zal er wel eerst in gekeken
hebben. Wat! Gij bedoelt toch niet--Wacht, we zullen het dadelijk
weten. O, God! het bootje is weg!"
Een akelig stilzwijgen volgde hierop. De oude Eduard brak het af.
"Zij is verdronken, mijnheer,--ja, zoo is 't,--ik heb wel gezegd
dat het daar eenmaal toe komen zou! Verdronken--zij, het mooiste
en liefste meisje in heel Wales! En dat alleen door dat vervloekte,
wrakke ding. God helpe haar! Verdronken is zij, zeg ik--"
Op die woorden barstte Betty in een luid geween uit.
"Stil, meisje," zeide Geoffrey, zijn bleek gelaat naar haar toe
wendende. "Ga naar de pastorie terug, en als mijnheer Granger
thuiskomt, zeg hem dan wat wij vreezen. Eduard, laat eenige mannen
langs de kust tusschen hier en Coed zoeken en eenige anderen in een
zeilboot. Ik zal naar de Bel-Rots loopen--gij kunt mij volgen."
Met snelle schreden liep hij langs het strand, vorschend op de zee
starende. In somber stilzwijgen schreed hij voort--wanhopig trachtende
tegen alle hoop in nog te hopen--de _Dog-Rocks_ voorbij, de lange bocht
van het strand om, totdat hij aan het Amphitheater kwam. De vloed was
nog hoog; hij kon het vooruitstekende punt nauwelijks voorbij. Toen
hij daar omheen was, bleef hij verstijfd van ontzetting staan. Want
daar, met den bodem naar boven gekeerd, en door de golven heen en
weer gewiegd, lag het bootje van Beatrice.
Verslagen, hopeloos, waadde Geoffrey tot aan de knieën door het water,
greep den boeg van het bootje, en sleepte het op het strand. Er scheen
niets in te zijn; natuurlijk kon hij ook niets anders verwachten. Zij,
die er in had gezeten, was gezonken en door de eb meegevoerd, terwijl
het bootje met den ochtendvloed was meegedreven.
Hij zette het overeind, om het water er uit te laten loopen, en uit
de holte van den boeg rolde iets blinkends, door een bruin voorwerp
gevolgd. Snel liet hij het bootje zakken en raapte het blinkende
kleine voorwerp op. Het was zijn eigen ring--den Romeinschen ring,
dien hij Beatrice had gegeven, en dien zij hem in den brief gezegd had
in haar doodsuur te zullen dragen. Hij raakte den ring met zijn lippen
aan en stak dien aan zijn vinger, zwerende dat hij dit aandenken van
de geliefde doode in zijn leven niet zou afleggen en dat het na zijn
dood met hem begraven zou worden.
_Ave atque vale_--dat waren de woorden, die er ruw in gegraveerd
stonden. Gegroet en vaarwel--haar laatste woorden aan hem! O,
Beatrice! aan u ook _ave atque vale_. Gij hadt geen gepaster boodschap
kunnen zenden. Gegroet en vaarwel! Was daarin niet alles opgesomd? In
den cirkel van dien kleinen ring was geheel het menschelijk leven
samengevat: hier was het begin en het einde van Liefde en Haat,
van Hoop en Vrees, van Vreugde en Droefheid.
En wat was dat andere overblijfsel? Hij nam het op--het was haar
_tennis_-schoen, die van haar voet was gespoeld.
Door aandoening overstelpt, wierp Geoffrey zich snikkend op de rots
neder--die rots, waar hij met haar had gezeten, toen de Hemel voor hun
oogen geopend was. Maar zulk betoon van aandoening ligt niet in den
aard van een man, en gelukkig duurde die vlaag van hartstochtelijkheid
niet lang. Dat had hij ook niet kunnen uithouden.
Hij stond op en liep het strand weder langs. Juist kwam de oude
Eduard met zijn zoon aan. Geoffrey wees naar de boot, en hield het
schoentje omhoog.
"Ach," zeide de oude man, "zooals ik wel dacht! Zij is verdronken;
zij ligt nu twintig mijlen ver, en de zeemeeuwen krijschen boven
haar. Dat komt door dat ellendige bootje. Ik wou dat ik het maar lang
geleden had stukgeslagen. Ik had wel voor niet een nieuw bootje voor
haar willen maken. Dat vervloekte wrakke ding!" riep de oude man,
het hoofd afwendende, om de tranen, die langs zijn verweerd gelaat
vloeiden, te verbergen. "Daar, verwenschte notedop!" En hij nam een
rotsblok op, en wierp het met al zijn kracht door den bodem van het
bootje. "Je zult niemand meer verdrinken. Maar u heeft het geluk
aangebracht, mijnheer; gij zult uw leven lang fortuin hebben. Het
heeft u _den schoen van een drenkeling_ gebracht."
"Breek het niet verder," zeide Geoffrey. "Zij hechtte er waarde
aan. Brengt het liever tusschen u beiden weg--het kan misschien noodig
zijn. Ik ga naar de pastorie."
Hij liep terug. Granger en Elisabeth waren nog niet thuisgekomen, maar
zij werden elk oogenblik verwacht. Hij ging naar de huiskamer. Die
was vol herinneringen aan Beatrice. Daar lag een roman, dien hij haar
gegeven had, en daar was het blad van den vorigen dag, dat zij uit
Londen had medegebracht, de _Standard_, waarin zijn redevoering stond.
Geoffrey hield de hand voor zijn oogen, en dacht na. Niemand anders
dan hij wist dat zij zelfmoord begaan had. Als hij daar bekendheid
aan gaf, zou er het een en ander van haar gezegd worden; wat van hem
gezegd werd, was hem onverschillig; maar haar goede naam moest niet
geschonden worden. Er zou, bij voorbeeld, gezegd kunnen worden dat
het geheele verhaal waar was, en dat Beatrice gestorven was, omdat
zij niet langer, aan openlijke schande blootgesteld, kon leven. Ja,
hij deed beter er van te zwijgen hoe en waarom zij gestorven was. Zij
was dood--niets kon haar in het leven terugroepen. Maar hoe dan moest
hij zijn aanwezigheid hier verklaren? Gemakkelijk genoeg. Hij zou
ronduit verklaren dat hij gekomen was, omdat Beatrice hem geschreven
had, welke beschuldigingen tegen haar ingebracht waren, en waarmede
hij bedreigd was--en dat hij haar dood gevonden had. En daarover had
hij een woord met Owen Davies en Elisabeth te spreken.
Nauwelijks had hij dit besluit genomen, of Elisabeth en haar vader
kwamen binnen. Het was hun duidelijk aan te zien, dat zij nog niets
gehoord hadden.
Geoffrey stond op, en Elisabeth zag hem staan met fonkelende oogen
en een doodsbleek gelaat. Zij deinsde van schrik terug.
"Wat brengt u hier, mijnheer Bingham?" vroeg zij, met haar schelle
stem.
"Kunt gij dat niet vermoeden, Miss Granger?" zeide hij, op strengen
toon. "Eenige dagen geleden hebt gij zekere beschuldigingen uitgebracht
tegen uw zuster en mij, in tegenwoordigheid van uw vader en mijnheer
Owen Davies. Die beschuldigingen zijn mij medegedeeld, en ik ben
gekomen om er op te antwoorden en er voldoening voor te vragen."
Granger dribbelde zenuwachtig heen en weer, met een gezicht alsof hij
wel had willen wegloopen, maar Elisabeth deed, met karakteristieken
moed, de deur dicht, en trotseerde den storm.
"Ja, ik heb die beschuldigingen ingebracht, mijnheer Bingham," zeide
zij, "en zij zijn waar. Maar, wacht, wij moesten liever eerst Beatrice
laten roepen."
"Gij kunt haar laten roepen, maar gij zult haar niet vinden."
"Wat bedoelt gij daarmede--wat wil dat zeggen?" vroeg haar vader
ongerust.
"Het wil zeker zeggen, dat hij haar ergens verborgen heeft," zeide
Elisabeth, met een hoonenden glimlach.
"Het wil zeggen, mijnheer Granger, dat uw dochter Beatrice _dood_ is."
Ditmaal verloor Elisabeth haar zelfbeheersching en kon een kreet van
schrik niet bedwingen, terwijl haar vader tegen den wand achteruit
waggelde.
"Dood! dood! Wat bedoelt gij? Hoe is zij gestorven?" vroeg hij.
"Dat is God en haar alleen bekend," antwoordde Geoffrey. "Zij is
gisterenavond in haar bootje uitgegaan. Toen ik hier van ochtend
aankwam, werd zij voor 't eerst vermist. Ik heb langs het strand
geloopen en haar bootje 't onderste boven gevonden," en hij legde
den doorweekten schoen op de tafel.
Nu ontstond er een diep stilzwijgen, te midden waarvan Owen Davies
met woesten blik en verwarde haren de kamer binnenstormde.
"Is het waar?" riep hij uit; "zeg het mij--het kan niet waar zijn dat
Beatrice verdronken is. Zij kan mij niet ontnomen zijn, juist nu zij
met mij zou trouwen. Zeg dat het niet waar is!"
Geoffrey's bloed kookte. Hij liep de kamer door, deed de deur op slot,
en bleek van woede en met vlammende oogen greep hij Owen Davies bij
de schouders als in een schroef.
"Gij, vervloekte schurk--lage hond!" barstte hij los, "gij en
die slechte vrouw," en hij schudde zijn vuist tegen Elisabeth,
"hebt samengespannen om een smet op Beatrice te werpen. Gij hebt
nog meer gedaan; gij hebt gedreigd mij aan te vallen, te beproeven
mij in 't verderf te storten, als zij zich niet aan u wilde
overgeven. Verfoeilijke huichelaar, gij hebt haar gekweld en haar
schrik aangejaagd; nu ben ik hier om _u_ schrik aan te jagen. Gij hebt
gezegd dat gij het land van uw lastertaal zoudt doen weergalmen. Maar
dit zeg ik u--luistert gij naar mij?--als gij het waagt haar naam
in zulk een beteekenis te noemen, of als die vrouw het waagt, zal
ik alle beenderen in uw ellendig lichaam stukslaan--bij den Hemel,
ik zal u dooden!" En hij stiet Davies van zich, en terwijl hij dit
deed, gaf hij hem met den rug van zijn hand een slag in 't aangezicht.
De man nam geen notitie van de woorden, of van de doodelijke
beleediging van den slag.
"Is het waar?" schreeuwde hij uit; "is het waar, dat zij dood is?"
"Ja," zeide Geoffrey, hem volgende en zijn rijzige gestalte over
hem heen buigende, want Davies was tegen den wand nedergevallen,
"ja, 't is waar--zij is dood--en voor altijd buiten uw bereik. Bid
God dat gij allen niet eenmaal haar moordenaars genoemd moogt
worden--schaamtelooze laaghartigen!"
Owen Davies slaakte een schellen kreet en zonk als een zoutzak op
den grond ineen.
"Er is geen God," kermde hij; "God had haar mij beloofd--zij zou de
mijne worden--gij hebt haar gedood; gij--gij hebt haar eerst verleid,
en toen hebt gij haar gedood. Ik geloof dat gij haar gedood hebt. O,
ik zal nog krankzinnig worden!"
"Krankzinnig of niet," zeide Geoffrey, "zeg deze woorden nog eens,
en ik trap u het leven uit uw lijf, zooals gij daar ligt. God had
haar u beloofd, durft gij zeggen--dat meisje beloofd aan zoo'n hond
als gij zijt! Ha, neem u in acht!"
Owen Davies gaf geen antwoord. Daar, op den grond nedergehurkt, wiegde
hij zich heen en weder, kermend in den waanzin van teleurgestelde
begeerte.
"Die man," hernam Geoffrey, zich tot Elisabeth wendende, die hem uit
een hoek van de kamer aangluurde als een wilde kat, "zegt dat er geen
God is. Ik zeg dat er een God is, en dat eenmaal, vroeg of laat, Zijn
wraak u zal treffen--moordenares, schrijfster van naamlooze brieven;
gij, die, om uw eigen booze oogmerken, wat die ook zijn mogen, te
bevorderen, u niet geschaamd hebt den naam van uw onschuldige zuster
door het slijk te sleuren. Ik heb tot dusverre nooit aan een hel
geloofd, maar er moet een hel zijn, Elisabeth Granger, voor dezulken
als gij. Ga uws weegs; leef uw tijd uit; maar leef ieder uur in vrees
en beving voor de wraak, die u eenmaal zoo zeker treffen zal als gij
sterven zult.
"En wat u betreft, mijnheer," ging hij voort, den bevenden vader
toesprekende, "u laak ik niet zoo sterk, omdat ik geloof dat die
adder uw gemoed vergiftigd heeft. Gij hebt misschien geloofd dat het
vertelsel waar was. 't Is niet waar; het was een leugen. Beatrice, die
nu dood is, kwam in haar slaap in mijn kamer, en werd er uitgedragen
zooals zij er was ingekomen. En gij, haar vader, hebt dien ellendeling
en uw dochter van haar verlegenheid gebruik laten maken als een
hefboom om haar te dwingen tot een huwelijk, dat zij verfoeide. Ja,
wel moogt gij uw gelaat bedekken. Doet allen het ergste wat gij wilt,
maar bedenkt dat gij ditmaal te doen hebt met een man, die terug weet
te slaan, en niet met een weerloos meisje."
"Bij den Hemel, het was mijn schuld niet, mijnheer Bingham," bracht
de oude man stamelend uit. "Ik ben er onschuldig aan. Die vrouwelijke
Judas, Elisabeth, heeft haar zuster verraden, omdat zij zelve met
hem wilde trouwen;" en hij wees naar de ineengezonken gedaante op
den vloer. "Zij dacht dat het hem tegen Beatrice zou bevooroordeelen,
en hij--hij meende dat zij aan u gehecht was, en op die gehechtheid
wilde hij werken."
"Zoo," zeide Geoffrey, "nu hebben wij het. En gij, mijnheer, stondt
er bij en zaagt toe, omdat gij meendet van haar zielsangst voordeel
te kunnen trekken. Nu zal ik u zeggen, wat ik voornemens was geweest
verzwegen te houden. Ik beminde haar. Ja, ik beminde haar--evenals
zij mij beminde. Ik verklaar dat gij te zamen haar den dood te gemoet
hebt gedreven. Haar bloed kome over uw hoofd, voor altijd en eeuwig!"
"O, breng mij naar huis!" jammerde de zoutzak op den vloer--"breng mij
naar huis, Elisabeth! Ik durf niet alleen gaan. Beatrice's schim zal
mij vervolgen. Mijn hoofd draait om en om. Breng mij weg, Elisabeth, en
blijf bij mij. Gij zijt niet bang voor haar, gij zijt voor niets bang."
Elisabeth kwam hem te hulp, met een nijdigen blik op Geoffrey. Zij was
verschrikt en totaal verslagen, maar toch kon zij nog nijdig zien. Zij
nam den jammerenden zoutzak bij de hand, en trok hem de kamer uit. Zij
bracht hem naar zijn kasteel en zijn rijkdom. Zes maanden later kwam
zij met hem voor den dag, om met hem te trouwen, zoo half krankzinnig
als hij was. Een jaar en acht maanden daarna werd hij naar zijn
laatste rustplaats gebracht, en was zij de rijkste weduwe in Wales.
Maar in haar borst lag de kiem van een doodelijke ziekte. Nog geen
drie maanden nadat zij van hem bevrijd was, stierf Elisabeth ook,
en de rijkdom ging in andere handen over.
Geoffrey en Granger bleven alleen. De oude man leunde met het hoofd
op de tafel en weende bitterlijk.
"Heb medelijden," zeide hij, "zeg zulke woorden niet tegen mij. Ik
had haar werkelijk lief, maar tegen Elisabeth was ik niet bestand, en
ik ben zoo arm. O, als gij haar ook liefhadt, heb dan medelijden! Ik
maak er u geen verwijt van dat gij haar liefhadt, hoewel gij er het
recht niet toe hadt. Als gij geen liefde voor haar hadt opgevat en
niet gemaakt hadt dat zij die liefde beantwoordde, zou dit alles niet
gebeurd zijn. Waarom zegt gij zulke verschrikkelijke dingen tegen mij,
mijnheer Bingham?"
"Ik had haar lief," antwoordde Geoffrey, op zachten toon, nu zijn
woede voorbij was, "omdat men een meisje zooals zij was niet kon zien
zonder haar lief te hebben. Op de geheele wereld is haars gelijke
niet te vinden. Maar wie ben ik, dat ik u zou laken? God vergeve ons
allen! Voortaan leef ik in de hoop dat ik haar daar, waarheen zij
gegaan is, moge wedervinden."
Beiden bewaarden daarop eenige oogenblikken het stilzwijgen.
"Mijnheer Granger," hernam Geoffrey, "wees nooit bekommerd over
geldzaken. Gij waart haar vader; wat gij noodig hebt, en waar ik
in voorzien kan, zult gij hebben. Laten wij elkaar de hand geven,
en afscheidnemen om elkaar nooit weer te zien. Zooals ik gezegd heb,
God vergeve ons allen!"
"Dank u--dank u," zeide de oude man, door het witte haar heen, dat
over zijn oogen viel, opziende. "Het is een zonderlinge wereld, en
wij zijn allen ellendige zondaars. Ik hoop dat er ergens een betere
wereld is. Deze ben ik bijna moede, vooral nu Beatrice er niet meer
is. Arm meisje, zij was een goede, lieve dochter! Vaarwel! Vaarwel!"
Toen ging Geoffrey heen.
Hoofdstuk XXXI.
Het bal van de hertogin.
Een weinig vóór elven, kwam Geoffrey dien avond in stad--als een man,
wien zijn leven lang een visioen bijbleef van dat bekoorlijk gelaat,
dat nu in een onpeilbaar graf was gezonken. Wel mocht zulk een visioen
den man bijblijven, die de eenige was, wien die nu koude lippen gekust
hadden, en voor wien die verschrikkelijke daad bedreven was.
Hij nam een _cab_ en beval den voerman hem naar Bolton Street te rijden
en in 't voorbijgaan aan zijn club stil te houden. Er waren misschien
brieven gekomen, dacht hij--iets, dat zijn geest een weinig afleiding
kon geven. Er was dan ook een brief, gemerkt "privé," en een telegram;
beiden waren dien avond bezorgd, zeide de portier; de eerste was,
ongeveer een uur geleden, door een livreiknecht gebracht.
Hij zag het telegram in--het was van zijn zaakwaarnemers en luidde:
"Uw neef, het kind van George Bingham, is, naar wij zooeven vernomen
hebben, overleden. Wees zoo goed morgenochtend bij ons te komen."
Dat telegram was voor Geoffrey van nogal eenige beteekenis. Het
beteekende een baronetschap en een inkomen van ongeveer acht duizend
pond 's jaars. Wat zou Honoria verheugd zijn, dacht hij met een
droevigen glimlach; het gemis van dat inkomen was altijd een bittere
pil geweest, die zij hem telkens deed slikken. Welnu, daar was het. De
arme jongen was altijd ziekelijk geweest--het kind van een oud man.
Hij stak het telegram in zijn zak, en stapte de _cab_ weer in. Bij
het licht van het lampje, dat er in brandde, las hij den brief. Die
was van den Eersten Minister, en luidde aldus:
"Waarde Bingham.--Ik heb u sedert Maandag niet gezien, om u dank
te zeggen voor de uitmuntende redevoering, welke gij dien avond
gehouden hebt. Vergun mij mijn gelukwenschingen bij die van ieder
ander te voegen. Zooals gij weet, is de post van Onder-Secretaris bij
het Ministerie van Binnenlandsche Zaken open. Ten behoeve van mijn
ambtgenooten en van mijzelven, schrijf ik u dezen, om u te verzoeken
of gij er in wilt toestemmen dien post tijdelijk waar te nemen. Ik
zeg, tijdelijk, want wij achten dien niet geëvenredigd naar uw
bekwaamheden. Hij zal echter dienstig zijn om u praktische ondervinding
van administratie te geven, en wij zullen zelfs nog in ruimere mate
dan nu het voordeel van uw groote talenten hebben. De toekomst kunnen
wij, natuurlijk, niet vooruitloopen; maar, zooals gij weet, laat de
gezondheid van Sir * * * veel te wenschen over, en onlangs zeide hij
mij dat het twijfelachtig was of hij de werkzaamheden van Procureur
Generaal nog wel veel langer zou kunnen waarnemen. Met het oog op die
mogelijke gebeurtenis, heb ik er met den Lord Kanselier over gesproken,
en hij zegt dat er geen zwarigheid zal zijn, omdat, hoewel gij nog
slechts kort in de praktijk zijt geweest, gij toch reeds vele jaren
als advocaat bekend staat. Of als dit vooruitzicht u niet naar den
zin is, zal er mettertijd nog wel een andere Gouvernementspost te
vinden zijn. In ons eigen belang, kunnen wij u niet lang voorbijgaan."
Geoffrey glimlachte weemoedig, toen hij dien brief las. Wie had
een jaar geleden kunnen gelooven dat hij nu op een standpunt zou
staan om zulk een schrijven van den Eersten Minister van Engeland te
ontvangen? Ach, dat was het geluk, dat de Schoen van een Drenkeling
aanbracht, zooals de oude Eduard voorspeld had! En wat was voor hem
dit alles nu waard?
Hij stak den brief en het telegram in zijn zak, en zag uit het
portierraam. De _cab_ reed Bolton Street in. Hoe zou het met Effie
gaan? dacht hij. Het kind was nu het eenige wat hem was overgebleven
om voor te zorgen. Als er met haar eens iets gebeurde--daar kon hij
niet aan denken!