de deur opendeed. Op dit oogenblik werd zijn opmerkzaamheid getrokken
door een mannelijke en een vrouwelijke gedaante, die op den hoek van
de straat stonden, de man met zijn arm om het middel van de vrouw
geslagen. De vrouw kreeg de _cab_ in 't oog en verdween dadelijk om
den hoek. Het kwam hem voor dat haar gestalte veel overeenkomst had
met die van Anne, de Fransche _bonne_.
"Ik heb gehoord dat het met de jongejuffrouw heel goed gaat,"
antwoordde de knecht.
Geoffrey haalde ruimer adem. "Waar is mevrouw?" vroeg hij. "In de
kamer van de jongejuffrouw Effie?"
"Neen, mijnheer," was het antwoord, "mevrouw is naar een bal
gegaan. Zij heeft een briefje achtergelaten, in geval gij thuis
mocht komen."
Hij nam het briefje van de tafel in de vestibule, en brak het open.
"Waarde Geoffrey," luidde het, "Effie is zooveel beter,
dat ik besloten heb toch maar naar het bal van de hertogin
te gaan. Zij zou zoo teleurgesteld zijn, als ik niet kwam,
en mijn balkleed is zoo allerkeurigst! Had uw geheimzinnige
zaak iets met _Bryngelly_ te maken?--"
"De uwe,
Honoria."
"Zij zou regelrecht van haar moeders begrafenis naar een bal gaan,"
zeide Geoffrey bij zichzelven, terwijl hij naar Effie's kamer
ging. "Dat ligt zoo in haar aard--dat is nu eenmaal niet anders."
Toen hij Effie's kamer binnenkwam, was er niemand in. Ja, toch!--op
den vloer lag, in haar hemdje, zijn dochtertje, naar allen schijn dood.
Met iets, dat veel overeenkomst had met een vloek, sprong hij naar
haar toe, en tilde haar op. Haar gezichtje was bleek, en haar handjes
waren koud, maar haar borst was nog koortsachtig gloeiend, en haar
hart klopte. Met een enkelen blik zag hij wat er gebeurd was. Het kind
was alleen gelaten, had dorst gehad, en was uit haar bed gekomen en
naar de tafel geloopen, waar een karaf met water stond--de karaf lag
nu naast haar op den vloer. Toen had de zwakte haar overmand en was
zij flauw gevallen.
Op dit oogenblik kwam Anne snel de kamer binnen, vriendelijk zeggende:
_"Ça va bien, chérie?"_
"Help mij het kind te bed leggen," zeide Geoffrey, op strengen
toon. "Schel nu--schel nog eens.
"En nu op staanden voet mijn huis uit. Hoor je me niet? Neen, geen
woord tegen. Dit zeg ik je, als het kind komt te sterven, zal ik je
wegens manslag vervolgen; ja, ik heb je wel in de straat gezien,"
en hij deed een schrede naar haar toe. Toen nam Anne de vlucht,
en haar gezicht werd niet meer in Bolton Street gezien.
"James," zeide Geoffrey tot den knecht, die op het schellen gekomen
was, "zend de keukenmeid boven--zij is een bedaarde vrouw; en neem
een _cab_, rijd naar den dokter, en verzoek hem dadelijk te komen,
en als je hem niet thuis vindt, haal dan een anderen dokter. Ga
ook naar het ziekenverplegingsgesticht, bij het St. James'-Station,
en zeg dat er oogenblikkelijk een verpleegster noodig is."
"Ja, mijnheer. En moet ik maar meteen bij de hertogin haar Ladyschap
gaan halen?"
"Neen," antwoordde hij, het voorhoofd fronsende, "stoor haar Ladyschap
niet. Ga nu."
"Dat geeft den doorslag," zeide Geoffrey, toen de man weg was. "Honoria
en ik moeten scheiden. Ik heb met haar afgedaan."
Dat had hij ook, ofschoon niet zooals hij het bedoelde. Het ware
voor Honoria te wenschen geweest dat haar echtgenoot haar niet te
zeer veracht had om haar van haar vermaak af te roepen.
De keukenmeid kwam boven, en met haar hulp bracht Geoffrey het kind
weder tot haar bewustzijn.
Zij sloeg de oogen op en glimlachte. "Is u dat, paatje," fluisterde
zij, "of droom ik?"
"Ja, lieve, ik ben het."
"Waar is u geweest, paatje--bij tante Beatrice?"
"Ja, lieve," zeide hij, met een gesmoorde stem.
"O, paatje, ik heb zoo'n raar gevoel in mijn hoofd; maar dat zal
wel overgaan nu ik u weer bij me heb. U zult niet weer heengaan,
niet waar, paatje?"
"Neen, lieve, ik ga niet weer heen."
Daarna begon zij een weinig te ijlen, en eindelijk viel zij in een
onrustigen slaap.
Binnen een half uur kwamen de dokter en de verpleegster. De
eerstgenoemde luisterde naar Geoffrey's mededeeling, en onderzocht
de kleine patiënt.
"Zij zal het er wel doorhalen," zeide hij; "zij heeft een gezond
gestel; maar als zij een minuut langer in dien tocht had gelegen, zou
het met haar gedaan zijn geweest. Gij kwaamt nog juist bij tijds. En
nu zou ik, als ik u was, naar bed gaan. Gij kunt hier geen goed doen,
en gij ziet er zelf slecht uit."
Maar Geoffrey schudde het hoofd. Hij zeide dat hij naar beneden zou
gaan, om een pijp te rooken. Hij wilde nog niet naar bed gaan; hij
was te vermoeid.
Op het bal ging het intusschen vroolijk toe. Nooit in haar leven had
Lady Honoria zich meer vermaakt dan nu. Zij genoot in de weelderige
pret om haar heen als een vlinder in den zonneschijn. Wat was dat
alles verrukkelijk--dat flonkeren van juweelen, die geur van kostbare
bloemen, die hulde van welgemanierde mannen, die afgunst van andere
vrouwen! O, het was toch een heerlijke wereld, als men maar niet op
een eerste verdieping bij Edgware Road behoefde te wonen. Maar met
eerste verdiepingen en bekrimpen was het, dank zij Geoffrey's talenten,
gedaan. En wat zijn gril voor dat Welsche meisje betrof, och, als er
maar geen openlijk schandaal van kwam, gaf zij daar eigenlijk niets om.
"Het doet mij genoegen dat ge mijn toilet bewondert. Ik geloof ook
zelve dat het wel gezien mag worden, maar ik zeg altijd, er is in
geheel Londen geen modiste, die Madame Jules in het maken van een
kleed evenaart. O, neen, Geoffrey heeft het niet gekozen; die heeft
wel over andere dingen te denken."
"Gij moet wel trotsch op hem zijn, Lady Honoria," zeide de knappe
officier van de Lijfwacht, met wien zij sprak; "men zegt dat hij
een van de knapste mannen in Engeland is. Ik wenschte dat ik een
vijftigste deel van zijn verstand had."
"O, word, als 't u belieft, niet knap, Lord Atleigh, och neen, of
ik wil niets meer met u te doen hebben. Knapheid is goed en wel,
maar 't is niet alles. Ja, ik wil wel met u dansen, maar bedaard,
en, ronduit gezegd, ben ik bang in die volte mijn kanten garneersel
te scheuren. Ei zie, daar is Garsington, mijn broeder," en zij wees
naar een klein man, met rood haar, die zich door de volle zaal een
weg naar haar toe baande. "Wat zou die hier komen doen? Bals vallen
anders volstrekt niet in zijn smaak. Ge kent hem zeker, niet waar? Hij
is altijd bij de wedrennen, evenals gij."
Maar de officier van de Lijfwacht was verdwenen. Hij had er zijn
redenen voor, om Garsington niet gaarne te ontmoeten. Misschien was
hij ook lid van zekere club geweest.
"O, zijt ge daar, Honoria," zeide haar broeder, "ik dacht wel dat ik
u hier in dit gedrang zou vinden. Ik heb u wat te zeggen."
"Goed of slecht nieuws?"' vroeg Lady Honoria, met haar waaier
spelende. "Als het slecht nieuws is, houd het dan maar voor u, want
ik vermaak mij veel te goed dan dat ik mijn avond bedorven wil hebben."
"Dat vertrouw ik ook wel van u, Honoria; maar 't is verduiveld
goed nieuws, bijna zulk goed nieuws als iets voor uw wijsneus van
een man maar wezen kan. Wat denkt ge wel?--die jongen, de zoon van
den ouden Sir Robert Bingham en de keukenmeid van dezen of genen,
je weet wel, is--"
"Toch niet dood, niet dood?" riep Honoria in hevige opgewondenheid uit.
"Ja, zoo dood als een pier," antwoordde zijn Lordschap. "Ik hoorde
het in de club. Daar dineert een zaakwaarnemer, en die sprak met een
ander over Bingham, en toen zeide de zaakwaarnemer: 'O, hij is nu Sir
Geoffrey Bingham. De erfgenaam van den ouden Sir Robert is dood. Ik
heb zelf het telegram gezien.'"
"O, dat is bijna te goed om waar te zijn," zeide Honoria. "Dat is
een inkomen van acht duizend pond 's jaars."
"Ik heb u immers gezegd, dat het goed nieuws was," hernam haar
broeder. "Ge moogt mij wel van dat geld een aanstelling koopen. Laten
we in allen gevalle op het heuglijk nieuws gaan drinken. Kom, 't is
tijd voor het souper, en ik ben doodmoe. Ik moet me wat verkwikken."
Lady Honoria nam zijn arm. Terwijl zij de breede, met bloemen behangen
trap afliepen, ontmoetten zij een voornaam personage.
"Ha, Lady Honoria," zeide die groote man, "ik heb u iets te zeggen,
dat u zeker genoegen zal doen," en hij boog zich naar haar toe en
sprak zeer zacht, waarna hij met een buiging voortliep.
"Wat had die oude jongen u te vertellen?" vroeg haar broeder.
"Wat denkt ge wel? 't Is een geluksavond voor ons. Hij zegt dat de
post van Onder-Secretaris aan het Ministerie van Binnenlandsche zaken
Geoffrey aangeboden is."
"Dan zal hij opgeblazener dan ooit worden," bromde Lord
Garsington. "Ja, dat is wel veel geluk opeens. Laten we hopen dat
het maar geen keer neemt."
Zij gingen soupeeren, en Lord Garsington, die reeds gedineerd had,
bediende zich rijkelijk van champagne. Een zilveren candelabre stond
voor hem, en over elk van de kaarsen was een geschilderd papieren
kap. Een daarvan stond scheef, en een lakei beproefde ze terecht te
zetten, door over Lord Garsington's hoofd heen te reiken.
"_Ik_ zal het wel doen," zeide hij.
"Neen, neen, laat dien man begaan," sprak Lady Honoria. "Zie, de kap
zal in brand geraken."
"Gekheid," antwoordde hij, opstaande en zijn arm naar de kap
uitstrekkende. Door zijn aanraking had de kap werkelijk vlam gevat. Hij
greep ze, en deed een poging om de vlam uit te blusschen, maar brandde
daarbij zijn vingers.
"Vervloekt ding!" riep hij, en wierp de kap van zich af. Zij viel
vlammend op het kleed van zijn zuster, in het dikst van het kanten
garneersel; de vlam deelde zich dadelijk daaraan mede, en twee
kronkelende slangen van vuur schoten langs haar omhoog. Zij sprong
van haar stoel op, en vloog gillend door de kamer, als een akelige
vlammende massa.
Tien minuten later had Lady Honoria deze wereld en al haar vermaken
overgelaten aan hen, die nog leefden om er genot van te hebben.
Een uur verliep. Geoffrey zat nog, in diep gepeins verzonken, in
zijn studeerkamer zijn pijp te rooken en op Honoria te wachten, toen
er aan de deur werd geklopt. De dienstboden waren naar bed gegaan,
alleen de ziekenverpleegster nog waakte. Hij stond op en deed zelf
open. Een roodharig bleek man trad waggelend binnen.
"Hoe, Garsington, zijt gij het? Wat komt gij op dit uur doen?"
"Houd u goed, Bingham, ik heb u iets te zeggen," antwoordde hij,
met een dikke tong.
"Wat is het? Een nieuwe ramp zeker! Is er nog iemand dood?
"Ja, zoo is 't! Honoria is dood. Op het bal verbrand."
"Groote God! Honoria verbrand. Dan moet ik dadelijk--"
"Ik raad u dat niet te doen, Bingham. Als ik u was, zou ik niet naar
het hospitaal gaan. Houd u goed, en als gij kunt, geef mij wat te
drinken--ik ben totaal van streek--ik moet iets hebben om mij wat op
te wekken."
En hier zullen wij den begaafden en door de fortuin begunstigden
man laten.
Vaarwel, Geoffrey Bingham!
Naschrift.
Zoo bewerkten dan die menschelijke atomen hun lot--die korrels bezield
stof, ginds en herwaarts geblazen door een wind, niemand weet van
waar hij komt.
Indien er onder de Machten om ons heen een boos Beginsel is, dat
vermaak schept in de nietige grillen der menschen, mocht het wel lachen
om de gevolgen van dit plannen smeden, van al die begeerten, al die
liefde en haat; en als er een meedoogend Beginsel is, mocht het wel
zuchten om het treffende van menschelijke hulpeloosheid. Owen Davies,
in zijn eigen hartstocht verloren gegaan; Geoffrey, met voorspoed naar
de wereld bekroond, en met altijddurende droefheid bezocht; Honoria,
ellendig omgekomen op het oogenblik van bevredigde eerzucht; Elisabeth,
haar doel bereikende om het in het graf te verliezen; Beatrice,
zichzelve uit liefde en verblindheid opofferende, en daardoor haar
vreugde van zich werpende. O, indien zij zich vergenoegd had met
nederig op de Voorzienigheid te vertrouwen; als zij die wanhopige
daad slechts één week ongedaan had gelaten!
Maar Geoffrey leefde nog, en zijn kind herstelde, na een poos tusschen
leven en dood gezweefd te hebben, en werd hem tot zijn vertroosting
gelaten. Moge zij in leven blijven, om een gelukkige vrouw en moeder
te worden, om onder gunstiger omstandigheden tot haar welzijn te
leven dan die dat dwalende meisje, de ongelukkige, edele Beatrice,
in den dood joegen en het hart van haar vader braken.
Wat zijn wij? Wij zijn slechts door onrust gevleugelde pijlen, die
van duisternis in duisternis geschoten worden; wij zijn blinde leiders
van de blinden, doellooze schermers in de lucht, verdwaalde reizigers
langs steenen paden, die alle op hetzelfde einde uitloopen. En zij,
die het gewone treurspel hebben uitgespeeld en door de enge poort
zijn gegaan, kunnen zij ons zeggen wat daarachter ligt? Zij zwijgen,
of wij kunnen hen niet hooren spreken.
Maar Beatrice kan het nu weten!
Einde.
Aanteekeningen
[1] Ik heb je altijd wel gezegd, dat kleed past mij niet goed.
[2] Het gebouw van de rechtsgeleerde Colleges te Londen.
[3] Een afgodsbeeld der Hindoes, dat op een jaarlijks terugkeerend
feest op een wagen wordt rondgereden, onder welks raderen
dweepzieke Hindoes zich, in godsdienstige opgewondenheid, laten
verpletteren. Vert.