bestelde het avondeten. In haar onschuldige geslepenheid, ging zij nog
verder. Betty vroeg haar wat zij voor haar ontbijt wilde hebben, en
zij zeide haar dat zij maar wat spek moest koken, en opletten hoe zij
het sneed, omdat zij niet van dik spek hield. Na een langen, laatsten
blik op de pastorie geslagen te hebben, ging zij naar de woning van
de hoofdonderwijzeres, om over het schoolwerk van dien dag te spreken.
Beatrice zeide haar dat zij had besloten in zekere lessen een
verandering te brengen. De Woensdagsche rekenles was tot dusverre
vóór de taalles geweest. Dat wilde zij juist andersom hebben, en
daar gaf zij haar redenen voor op. De hoofdonderwijzeres was het
met haar eens, en Beatrice gaf haar de hand en wenschte haar goeden
avond. Zij had haar wel willen bedanken voor haar hulp in de school,
maar met het oog op hetgeen er gebeuren zou, deed zij dat maar niet,
omdat het licht vermoeden zou kunnen wekken.
Arme Beatrice, dat waren de eenige leugens, waaraan zij zich ooit
schuldig had gemaakt!
Zij verliet de woning van de onderwijzeres, en wilde juist naar het
strand gaan, om daar te zitten totdat het tijd was, toen de vader
van het arme krankzinnige kind, Jane Llewellyn, haar te gemoet kwam.
"O, Miss Beatrice," zeide hij, "ik heb u overal gezocht. Wij zijn
zoo in naarheid, juffrouw. Jane heeft weer een aanval van razernij en
spreekt over de hel en zoo wat, en de dokter zegt dat zij sterft. Kunt
gij komen, juffrouw, en zien of gij iets doen kunt om haar tot bedaren
te brengen? De dokter zegt dat het een zaak van leven of dood is."
Beatrice glimlachte droevig; zaken van leven of dood waren in de
lucht. "Ik zal komen," zeide zij, "maar ik kan niet lang blijven."
Hoe kon zij haar laatste uur beter doorbrengen?
Zij ging met den man naar zijn woning. Het arme kind, slechte in
een nachthemd gekleed, was aan 't razen, en blijkbaar in het laatste
tijdperk van uitgeputheid; noch de dokter noch haar moeder kon iets
meer doen om haar bedaard te houden.
"Ziet gij wel," schreeuwde zij, naar den wand wijzende, "daar staat
de Duivel op mij te wachten. En o, daar gaapt de mond van de hel,
waar die dominé zei dat ik heen zou gaan! O, houd mij vast, houd mij
vast, houd mij vast!"
Beatrice trad naar haar toe, nam haar magere handjes in de hare,
en zag haar strak in de oogen.
"Jane," zeide zij, "Jane, ken je me niet meer?"
"Ja, Miss Granger," antwoordde het kind, "ik ken de les, ik zal ze
aanstonds opzeggen."
Beatrice nam haar in haar armen, en ging op het bed zitten. Het kind
werd al kalmer en kalmer, totdat zich eensklaps een akelige verandering
op haar gelaat vertoonde.
"Zij sterft," fluisterde de dokter.
"Houd mij vast, houd mij vast!" zeide het kind, wier helderheid van
geest op het laatste oogenblik scheen terug te komen. "O, Miss Granger,
ik zal niet naar de hel gaan, zal ik wel? Ik ben bang voor de hel."
"Neen, lieve, neen; je gaat naar den hemel."
Jane lag een poos stil. Toen zag Beatrice de bleeke lippen bewegen
en bracht haar oor aan den mond van het kind.
"Zult ge bij mij komen?" fluisterde Jane; "ik ben bang om alleen
te gaan."
En met haar groote oogen vast op het gelaat van het stervende kind
gevestigd, fluisterde Beatrice terug, zoodat niemand anders het
kon verstaan:
"Ja, ik kom aanstonds." Maar Jane had het verstaan en begrepen.
"Beloof het mij," zeide zij.
"Ja, ik beloof het u," antwoordde Beatrice, in hetzelfde onverstaanbaar
gefluister. "Slaap, lieve; ik ben spoedig bij u."
En het kind zag op, huiverde--glimlachte--en sliep.
Beatrice gaf het aan de weenende ouders terug, en ging heen. "Een
engel van een meisje," zeide de dokter bij zich zelven, terwijl hij
haar nastaarde. "Ik heb nooit zoo'n vrouw gezien--zij is anders dan
andere vrouwen."
Intusschen ging Beatrice naar het schuitenhuis van den ouden
Eduard. Zooals zij wel verwachtte, was daar niemand, en ook niemand
op het strand. De oude Eduard en zijn zoon waren, evenals ieder ander
te Bryngelly, aan het theedrinken.
Zij zag naar de zee uit. Er was geen sterke golving, maar de koelte
stak op, en er was een langzame zwelling in het water. Voorbij de
beschutting van _Rumball Point_, vijf mijlen ver, zou een zware
branding zijn.
De vloed was hoog; hij was tot binnen acht meter van het schuitenhuis
gestegen. Zij deed de deur open, sleepte haar bootje er uit, en deed
de deur weder achter zich dicht. Het vaartuigje was licht, en zij
was sterk voor een vrouw. Zij trok het bootje aan den ketting van den
voorsteven langs het strand voort, totdat het te water was, terwijl
de brekende golven haar schoenen nat maakten. Toen stapte zij er in,
en een oogenblik later roeide zij met al haar kracht in zee.
Twintig minuten lang roeide zij onophoudelijk voort. Toen rustte
zij even, maar hield den boeg van het bootje naar de zee, die,
zonder onstuimig te zijn, al meer en meer begon te golven. Daar,
op eenige mijlen afstands, was _Rumball Point_. Voordat de avond
viel, moest zij daar voorbij zijn. Daar zou branding genoeg zijn;
geen bootje als het hare zou het daar vijf minuten uithouden, en
het getij was aan het keeren. Wat daar zonk, zou weggevoerd worden,
en nooit weder op de kust van Wales terugkomen.
Zij zag om naar Bryngelly en die lange, welbekende uitgestrektheid
rotsen. Welk een schoon gezicht was dat in het kalme licht van een
zomernamiddag! O, zou er een namiddag zijn, daar, waarheen het kind
was gegaan, en waar zij volgde?--of was het daar nacht, zwarte,
eeuwige nacht, onafgebroken door den droom van dierbare herinneringen?
Daar was de rots, waarop zij op dien mistigen herfstdag gestaan en
het visioen van haar overleden moeder gezien had. Dat was voorzeker
een voorteeken van haar lot geweest. Daar voorbij was de Bel Rots,
waar in datzelfde uur Geoffrey en zij elkander ontmoet hadden, en
daarachter was het Amphitheater, waar zij elkander hun liefde beleden
hadden. Luister, wat was dat voor een geluid, dat bij tusschenpoozen
flauw over de diepte klonk? Dat was de groote scheepsbel, nu en
dan door den hoogen vloed in beweging gebracht, die plechtig haar
doodsklok luidde.
Zij roeide voort; het gelui van die doodsklok schokte haar zenuwen
en gaf haar een gevoel van zwakheid. O, een jaar geleden zou
het gemakkelijker voor haar geweest zijn, voordat zij had leeren
beminnen, en geloof en hoop uit de diepte harer bewogen ziel had zien
oprijzen. Toen had zij met de kracht van heidensch ongeloof haar einde
te gemoet kunnen gaan, wetende wat zij verloor, en meenende dat haar
niets anders wachtte dan de slaap. Maar nu was het anders, want in
haar hart geloofde zij niet dat zij geheel vernietigd zou worden. Hoe,
zou het lichaam in duizend vormen kunnen leven, wel veranderd, maar
onvergankelijk en onsterfelijk, terwijl het geestelijk deel, met al
zijn hoop en liefde en vrees, tot het niet zou versmelten? Dat kon niet
zijn; voorzeker zou zij in een onbekend gewest hem, dien zij liefhad,
weder begroeten. En als het niet zoo was, hoe zou in dat Hiernamaals
het wederzien met haar moeder zijn, nu zij daar als een zelfmoordenares
kwam? Zou zij zich van haar afwenden?--en dat broertje, dat zij zoo
had liefgehad, zou hij haar van zich stooten? En welke veroordeelende
Stem zou haar misschien tot eeuwigdurende hopeloosheid doemen?
Maar, welke zonde het ook mocht zijn, zij zou die begaan om den wille
van Geoffrey; ja, al moest zij er ook een eeuwige rampzaligheid voor
inoogsten. Zij boog het hoofd en bad: "O, Macht, die daarboven zijt,
vanwaar ik kom en waarheen ik ga, ontferm u over mij! O, Geest, als
werkelijk uw naam Liefde is, weeg mijn liefde dan in uw weegschaal,
en laat die de schaal der zonde lichter maken! O, God van opoffering,
wees niet vertoornd over mijn daad van opoffering, en schenk mij
vergiffenis, opdat ik in den tijd, die komen zal, hem, voor wien ik
sterf, moge aanschouwen!"
Dat was wel een eenigszins heidensch gebed, en veel te vol
menschelijken hartstocht voor iemand, die op het punt was het aardsche
leven vaarwel te zeggen. Maar men moet bedenken, dat het Beatrice
was, die bad--Beatrice, die zich geen hemel kon voorstellen buiten de
grenzen harer liefde--die nog altijd meer dacht aan haar liefde dan aan
het behoud harer ziel. Misschien vond dat gebed verhooring--misschien
ging het met haar, die het opzond, in de onpeilbare diepte verloren.
Toen bad Beatrice niet meer. Haar tijd was kort. Zie, daar ging de
zon luisterrijk onder; en daar sloeg de branding over de eenzame
landtong. Zij wilde niet meer aan het eigen ik denken; het scheen
haar zoo kleingeestig toe, dat smeekend aanroepen van den Ongeziene,
niet voor anderen, maar voor zichzelve, hulp voor zichzelve, behoud
voor zichzelve. Zij had haar gebed gedaan, en indien zij weder bad,
moest het voor Geoffrey zijn, dat het hem voorspoedig mocht gaan, dat
hij gelukkig mocht zijn--dat hij haar het verdriet, dat haar liefde
hem berokkend had, mocht vergeven. Zij had naar de inspraak van haar
hart gebeden, en daarmede was het gedaan. Het oordeel liet zij over. Nu
wilde zij haar gedachten bepalen bij haar liefde, over de bitterheid
van den dood zegevieren. Haar oogen fonkelden, en haar borst zwoegde:
verder in zee, nog verder--voorbij de punt van die landtong zou zij
de branding ontmoeten, en geen spoor zou van haar overblijven.
Nu zelfs zou zij het verleden niet ongedaan willen maken. Zij was er
trotsch op hem te beminnen. Voor hem en met hem leven kon zij niet,
maar zij kon voor hem sterven.
"Geoffrey, hoor mij--ik sterf voor u; neem mijn offer aan en vergeet
mij niet." Zoo!--zij is in de branding. Hoe plechtig komen die golven,
met hun witte kruinen, één voor één loeiend opzetten!
Daar heft een zware golf het bootje omhoog, maar het drijft er op als
een kurk. Zie! het daglicht verdwijnt op het land in de verte, maar de
luister van de laatste zonnestralen blinkt nog op de zee. Weldra zal
alles gedaan zijn. Hier is de wind sterk; hij rukt haar den hoed van
het hoofd, maakt de opgebonden vlecht los, en zwierend hangen haar
weelderige lokken langs haar hals en rug. Snerpend als zweepslagen,
slaat het schuim haar in het gelaat. Neen, die golf nog niet,
daar glijdt zij ook nog overheen. Maar die dáár komt overweldigend
opzetten. O, zie! Geoffrey's ring is van haar natte hand gegleden en
op den bodem van het bootje gevallen. Kan zij hem terugvinden? Zij
wilde sterven met dien ring aan haar vinger--'t is haar trouwring,
die haar door den dood met Geoffrey verbindt. Zij bukt! De golf slaat
over haar heen.
"Geoffrey! hoor mij, Geoffrey!--ik sterf--ik sterf voor u! Ik zal u
wachten op den bodem der zee--waar ook in het onbekend Hiernamaals
zal ik op u wachten!"
De boot zinkt--is gezonken--zij is alleen met God en het onmeedoogende
water. Hoor het bruisen van die ziedende golf, die haar verzwelgt!
"Geoffrey, mijn geliefde--ik zal wachten--"
Vaarwel Beatrice! Het licht verdween van den hemel, duisternis
daalde op de woelende zee. Vaarwel, Beatrice, en al haar liefde en
al haar zonde!
Hoofdstuk XXIX.
De laatste woorden eener vrouw.
Op den ochtend van dien dag, waarvan hij de eerste uren aan het
Euston-station had doorgebracht, kwam Geoffrey tegen elf uur aan het
ontbijt. Toen hij Effie niet zag, vroeg hij Lady Honoria waar zij was,
en vernam dat Anne, de Fransche _bonne_, gezegd had dat het kind niet
wel was en haar in bed had gehouden.
"Ge wilt toch niet zeggen dat ge niet naar boven zijt gegaan om te
zien wat haar scheelt?" vroeg Geoffrey.
"Neen, nog niet," antwoordde zijn vrouw. "Ik heb de modiste bij mij
gehad, met mijn nieuwe kleed voor het bal van morgenavond bij de
hertogin; 't is keurig, maar ik geloof dat er wat te veel van die
_Crême_ kant aan is."
Met een uitroep van wrevel, stond Geoffrey op, en ging naar boven. Hij
vond Effie in haar bed heen en weer woelen, met een, rood gezichtje,
wijdgeopende oogen en gloeiende handjes.
"Laat dadelijk den dokter halen," zeide hij.
De dokter kwam, onderzocht het kind, en vroeg haar of zij ook onlangs
natte voeten had gehad.
"Ja, twee dagen geleden. Toen heb ik in een plas op straat mijn voeten
nat gemaakt," antwoordde Effie. "Maar Anne zei dat ze wel gauw weer
droog zouden worden, als ik ze maar bij het vuur hield, omdat mijn
andere laarzen niet schoon waren. O, paatje, wat heb ik een hoofdpijn!"
"Ah, zoo," zeide de dokter, en na het kind toegedekt te hebben,
nam hij Geoffrey ter zijde, en zeide hem dat zij een lichten aanval
van longontsteking had. Er was geen reden tot ongerustheid, maar zij
moest goed verzorgd en vooral tegen tocht vatten beschut worden.
Geoffrey vroeg of hij een ziekenverpleegster zou moeten aannemen.
"O, neen," antwoordde de dokter. "Dat is, geloof ik, niet noodig,
in allen gevalle nu niet. Ik zal de kindermeid zeggen wat zij te doen
heeft, en ongetwijfeld zal uw vrouw wel een oog op haar houden."
Dus werd Anne geroepen, die beloofde het lieve kind als haar oogappel
te verzorgen. Neen, haar schoenen waren niet nat geweest--er was
alleen maar een weinig, heel weinig, modder op geweest, anders niet.
"Praat er zooveel niet over, maar pas haar zorgvuldig op," zeide
Geoffrey, die Anne niet recht vertrouwde. Hij nam zich echter voor,
zelf toe te zien dat er niets verzuimd werd. Toen Lady Honoria hoorde
wat het kind scheelde, werd zij wrevelig.
"Wat zijn kinderen toch een groote last," zeide zij. "Dat zij daar nu
zoo opeens longontsteking moet krijgen! Het zal er nog op uitloopen dat
ik morgenavond niet naar het bal van de hertogin zal kunnen gaan. En
zij was er zoo vriendelijk op gesteld dat ik komen zou! Bovendien heb
ik dat nieuwe kleed er opzettelijk voor gekocht. Voor niets anders
zou ik ooit zooveel kosten gemaakt hebben."
"Wees waar niet ongerust," zeide Geoffrey. "Het Lagerhuis houdt
morgen geen zitting; ik zal haar wel oppassen. Tenzij Effie in dien
tusschentijd sterft, zult ge zeker wel naar het bal kunnen gaan."
"Sterven--wat een zottepraat! De dokter zegt immers, dat het een heel
lichte aanval is. Waarom zou zij sterven?"
"Ik hoop dat er geen vrees voor is, Honoria. Maar zij moet goed
verzorgd worden. Ik vertrouw die Anne niet. Ik zou toch wel een
ziekenverpleegster willen nemen."
"Als ge dat doet, zal zij buitenshuis moeten slapen. Amelia (Lady
Garsington) komt van avond hier, en ik moet haar kamenier ergens
bergen; en er is in Effie's kamer geen plaats voor nog een ledekant."
"Nu ja, dat is alles goed en wel," hernam Geoffrey, "en het zal,
hoop ik, ook niet noodig zijn, maar als Effie erger wordt, zult ge
er voor moeten zorgen dat er plaats gemaakt wordt."
Doch Effie werd niet erger. Zij bleef zoo al hetzelfde. Geoffrey
zat den geheelen dag tehuis, en hield zich bezig met akten te lezen;
gelukkig behoefde hij niet naar het Gerechtshof te gaan. Omstreeks zes
uur ging hij naar het Lagerhuis, en hoorde een vervelende bespreking
aan over het aannemen van de Welsche taal in de gerechtshoven van
Wales.
Eensklaps gevoelde hij een allerzonderlingste beklemdheid. Een
onbeschrijfelijke angst greep hem aan, zijn ziel was vervuld
van akelige voorgevoelens. Hij scheen te gevoelen dat er iets
verschrikkelijks gebeurde. Zijn geest was verward, maar allengs werd
het hem helderder en begon hij te begrijpen, dat een groot gevaar
Beatrice bedreigde. Ja, daar was hij zeker van. De kreten, die zij in
haar doodstrijd slaakte, bereikten hem waar hij was, hoewel in geen
vorm, dien hij kon begrijpen; nog éénmaal, en voor de laatste maal,
sprak haar ziel tot de zijne.
Toen scheen plotseling een koude wind hem in 't gelaat te blazen en
door zijn haar te spelen, en alles was voorbij. Zijn geest was weder
zooals even te voren; weder hoorde hij den vervelenden redenaar, en
zag hij de leden heengaan, om te dineeren. Wat zijn geest geschokt
had, was niet meer, alles was zooals het geweest was. Dat was ook
niet vreemd, want de band was verbroken. Beatrice was _dood_. Zij
was in het rijk van ondoorgrondelijk stilzwijgen overgegaan.
Met een diepen zucht richtte Geoffrey zich op, en terwijl hij dit deed,
werd hem een brief overhandigd. Het adres was van Beatrice's hand,
en met het postmerk van Chester. Een huivering overviel hem. Wat zou
die brief behelzen? Hij spoedde zich er mede naar een afzonderlijke
kamer en brak de enveloppe open. De brief was uit Bryngelly op den
vorigen Zondag gedateerd, en nog een paar andere brieven waren er
bij ingesloten.
"Geliefde Geoffrey," begon hij, "ik heb u nooit te voren aldus op het
papier toegesproken, en zou het ook nu niet doen, wetende in welk
gevaar zulke geschreven woorden u zouden kunnen brengen, ware het
niet dat er omstandigheden kunnen voorkomen (zooals in dit geval)
die er toe schijnen te rechtigen. Want als alles uit is tusschen
een man en een vrouw, die voor elkander zijn wat wij geweest zijn,
dan is het goed dat degene, die heengaat, duidelijk spreekt, voordat
spreken onmogelijk is, opdat degene, die overblijft, niet verkeerd
zal begrijpen wat gedaan is.
"Geoffrey, 't is waarschijnlijk--'t is bijna zeker--dat eer deze
woorden u onder de oogen komen, ik naar het lichaam zijn zal, waar
zij mij nimmer weder kunnen zien. Ik schrijf u op den rand des grafs:
als gij dit leest, zal het over mij gesloten zijn.
"Geoffrey, dan zal ik dood zijn.
"Ik heb uw dierbaren brief (die is nu vernietigd), waarin gij den
wensch te kennen geeft dat ik met u naar een ander land zal gaan,
ontvangen, en er met een paar woorden op geantwoord. Ik durfde mijzelve
niet vertrouwen om meer te schrijven, en ik had er ook den tijd niet
toe. Hoe kondet gij denken dat ik ooit zulk een aanbod om mijnentwil
zou aannemen, daar het uw loopbaan bedorven zou hebben? Maar eerst zal
ik u alles mededeelen wat hier gebeurd is." (Nu volgde een lange en
nauwkeurige beschrijving van het voorgevallene, waarmede wij reeds
bekend zijn: hoe Beatrice door haar zuster beschuldigd was, welke
bedreigingen Owen Davies tegen hem geuit had, en welke maatregelen
zij genomen had om tijd te winnen.)
"Hierbij," luidde de brief verder, "sluit ik den brief van uw vrouw
aan mij in. En ik wil er de verklaring bijvoegen, dat ik geen woord
tegen Lady Honoria of haar brief heb aan te voeren. Ik geloof dat zij
volkomen gerechtigd was om zoo te schrijven als zij gedaan heeft, want
gij zijt toch, in allen gevalle, haar echtgenoot, en door elkaar te
beminnen hebben wij tegen haar gezondigd. Terecht zegt zij mij, dat
het mijn plicht is alle verdere gemeenschap tusschen ons onmogelijk
te maken. Er is slechts één middel om dat te doen, en dat middel neem
ik te baat.
"En nu heb ik genoeg over mijzelve gesproken en ik wil niet in
bizonderheden treden, die u slechts verdriet zouden kunnen doen.
"Ik heb tegen alle lasterlijke praatjes voorzien door den tweeden
brief, dien ik hierbij heb ingesloten, ingeval er een woord ten uwen
nadeele gezegd mocht worden wanneer ik niet meer ben. Gij kunt die des
noods laten drukken; hij is een voldoend antwoord op allen laster. Na
dien brief gelezen te hebben, zal niemand kunnen gelooven dat gij met
het ongeluk, dat gebeuren zal, in eenig verband hebt gestaan. Nog één
woord maar--alweer over mijzelve! Meen niet dat gij er eenige schuld
aan hebt, want gij zijt vrij van alle blaam; ik heb het uit vrijen wil
gedaan, omdat ik het, door de omstandigheden tot het uiterste gedreven,
beter achtte dat de een uit den weg geruimd en de ander gered werd,
dan dat beiden in 't verderf gestort werden.
"Herinnert gij u nog wel dat zonderling visioen, dat ik had, toen ik
droomde dat ge mijn borst aanraaktet en mij licht aanweest? Zoo is
het ook gebeurd, want gij hebt mij liefde geschonken--dat is licht;
en nu zal ik in den dood wijsheid zoeken. En dewijl ik u niet mag
bezitten en alles in alles voor u zijn, ga ik met vreugde heen. Want
hier op de wereld is rust noch geluk; evenals in mijn droom, schijnt
de Hoop maar al te dikwijls haar sterrengewaad te verscheuren.
"Ja, met vreugde verlaat ik zulk een wereld, waar ik slechts één
geluk heb gevonden--de zegening van uw liefde. Ik ben afgemat van
het strijden, en nu ik u heb verloren, verlang ik naar rust. Ik weet
niet of het zonde is wat ik doe; zoo ja, moge het mij dan vergeven
worden. Als vergiffenis onmogelijk is, zoo zij het dan! Gij zult mij
vergeven, Geoffrey, en gij zult mij altijd liefhebben, hoe slecht
ik ook zijn moge; zelfs wanneer gij ten laatste komt waar ik _niet_
ben, zult gij de dwalende vrouw, voor wie gij alles in alles waart,
gedenken en haar liefhebben. Wij zijn niet gehuwd, Geoffrey, volgens
de gebruiken der wereld, maar over twee dagen zal de Dood de priester
zijn, die ons plechtig voor eeuwig verbindt. Wie kan voorspellen wat
niemand met zekerheid weet? En toch geloof ik, dat er voor zoo innig
verwante zielen als de onze een wederzien in zalige vereeniging moet
zijn. Als dat zoo is, dan is het waard er voor geleefd te hebben en
gestorven te zijn; zoo niet, dan, Geoffrey, vaarwel!
"Als gij den nachtwind hoort suizen, hoor er dan mijn stem in; als
gij naar de sterren opziet, zie er mijn oogen in; en mijn liefde zal
de lucht zijn, die gij inademt. O, wat heb ik u nog veel te zeggen,
dat ik niet onder woorden kan brengen! Maar als gij ooit iets hoort
of leest, dat schoon en teeder is, denk dan: 'Dit is het, wat Beatrice
mij had willen zeggen en het niet kon.'
"Gij zult een groot man worden, de grootste of een der grootsten van
uw tijd. Gij hebt mij reeds beloofd daarin te volharden tot het einde;
ik vraag u niet het opnieuw te beloven. Vergenoeg u niet de wereld
te nemen zooals zij is. Een vrouw moet dat wel; maar groote mannen
hervormen de wereld. En als gij het tot grootheid gebracht hebt,
Geoffrey, zult gij, dat weet ik, uw macht en invloed gebruiken,
niet tot uw eigen belang, maar tot edele en grootsche doeleinden;
het zal uw streven zijn de armen te helpen, de verdrukten van hun
juk te bevrijden, en de eer van uw land te bevorderen. Dat alles
zult gij doen uit uw eigen hart, niet omdat ik het van u verlang,
maar bedenk dat uw roem mijn beste gedenkteeken zal zijn.
"Vaarwel, vaarwel! O, Geoffrey, geliefde, vergeet mij niet in de lange
jaren, die komen zullen. Vergeet mij niet, als anderen u vleien en uw
liefde trachten te winnen, want nimmer kan iemand voor u zijn wat ik
voor u geweest ben--niemand kan u ooit zoo liefhebben als uw verloren
Beatrice, die u deze afscheidswoorden schrijft en u met haar laatsten
ademtocht zegent."
Nu volgde er een postscriptum in potlood, van het Paddington-station
op dienzelfden ochtend gedateerd.
"Ik ben naar Londen gereisd om u te zien, Geoffrey. Ik kon niet sterven
zonder uw gelaat nog eenmaal aanschouwd te hebben. Ik was in de galerij
van het Lagerhuis, en heb uw schoone redevoering gehoord. Uw vriend
heeft mij een plaats bezorgd. Later zijt gij mij strijkelings langs
den pilaar bij den uitgang voorbijgegaan. Toen liep ik weg, omdat ik
bespeurde dat uw vriend omzag en naar mij keek. Ik zal dezen brief
kussen--hier, aan het slot--druk er daar ook een kus op--dat is onze
laatste, koude omhelzing. Voordat ik een einde aan mijn leven maak,
zal ik den ring, dien ge mij gegeven hebt, aan mijn vinger steken. Ik
heb hem altijd op mijn hart gedragen. Toen ge mij aan den uitgang
zoo dicht voorbijkwaamt dat ik uw jas aanraakte, dacht ik dat ik
neergezegen zou zijn, en kon ik mij nauwelijks weerhouden u toe te
roepen--maar ik vond de kracht om het niet te doen. Mijn hart breekt,
en mijn oogen zijn door tranen verblind; ik kan niet meer schrijven;
ik heb niets meer te zeggen. Nogmaals, vaarwel! _Ave atque vale!_--B."
De tweede brief was bestemd om te figureeren als een, zooals ieder
jong meisje aan een heer, die een vriend van haar was, geschreven
zou hebben. Hij begon: "Waarde mijnheer Bingham," en eindigde:
"Uw dienstwillige Beatrice Granger"; hij behelsde niets anders dan
beuzelachtigheden, en gaf de hoop te kennen dat hij later in den zomer
nog eens te Bryngelly zou komen, om samen een roeitochtje te doen.
Het sprak vanzelf, dacht Beatrice, dat wanneer Geoffrey door Owen
Davies of een ander beschuldigd mocht worden van iets met haar
geheimzinnig uiteinde te maken te hebben, zulk een epistel, twee
dagen te voren geschreven, de ongerijmdheid van zulk een denkbeeld
zou bewijzen. Die arme Beatrice, zij was vol voorzorgen!